Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er geene tegenspraak, dan sluit de commissaris zijn proces-verbaal en zendt dit aan den administrateur van Finantiën , waarnaar deze betaalt (art. 35). Geschiedt die tegenspraak , gelijk in casu , dan heeft het Hof de beslissing (art. 36 volg.) en, nadat het eindvonnis is gewezen, handelt de commissaris als in art. 35 is voorgeschreven; men zie art. 43. Dat in dit artikel "eindvonnis" geene andere beteekenis kan hebben dan van vonnis ten principale, in tegenstelling van interlocutoir vonnis , is geen oogenblik vatbaar voor twijfel; art. 41 leert het duidelijk, door te zeggen : "Indien de zaak in staat van wijzen is, om ten principale te worden regt gedaan , wordt het eindvonnis gewezen." Is de zaak nog niet in staat van wijzen, dan gebruikt het artikel, bij tegenstelling, de aanwijzing van een interlocutoir vonnis.

En , zoo er al twijfel kon rijzen , art. 43 spreekt van het hoogor beroep van een eindvonnis, zoodat dit niet wel beteekenen kan een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, zoo als de appellanten beweren.

Maar art. 43 houdt nog eene andere bepaling , waarop de appellanten zich mede beroepen, en deze is van meer gewigt. Het wil de sluiting en opzending van het proces-verbaal na de wijzing van het eindvonnis niet, dan voor zoover binnen den wettelijken termijn geen hooger beroep is aangeteekend, en in casu is appel aangeteekend op 6 Junij 1864 , hetwelk is voortgezet bij exploit van 24 Aug. 1864.

Het blijkt echter uit het judicium praeferentiae et concurrentiae, dat het Hof dit uitvoerbaar heeft verklaard, niettegenstaande hooger beroep, zonder borgtogt. En nu moge die beslissing, bliikens 's Hoo¬

gen Raads beslissing, op de provisie onjuist zijn geweest, zoolang de

.tiooge waad, ae eeruge aaartoe Bevoegde magt, bij zijn arrest van 28 April 186i die voorloopige ten-uitvoer-legging van 's llofs vonnis niet had gestaakt of geschorst, totdat de Raad ten principale had kennis genomen van het appellabele vonnis, — zoolang dit niet door hoogere regterlijke autoriteit was geschied, bleef aan het regterlijke vonnis in dat opzigt gehoorzaamheid verschuldigd en was zekerlijk

'o Tïrvfe ^nmmiccario niaf KatA hnnrlalon r. 1 „ .3: j. j : _ x

o uiv/u w wi, aiaui UIC UICtUlIl van

het Hof met bestond, niet oevoegd om, zoo ais de Hooge Raad deed,

te beslissen , dat zijn collegie alzoo ten onregte had verklaard, dat een hooger beroep in casu aan de uitvoering niet mo^t in den weg staan. Hij zeker had aan zijn collegie le gehoorzamen,"en de executie bestaat alleen in de sluiting en opzending van het judicium, of in de wijziging van den staat naar het voorloopig uitvoerbare judicium. Het judicium beveelt niet de uitbetaling door den Staat; deze is ook geene

party in dit geding. lJe betaling is alleen het gevolg van de toezending van het judicium , als den tusschen belanghebbenden geregelden voet of grondslag voor de op te maken mandaten. Al wat dus door den geachten pleiter voor de appellanten is beweerd, ten betooge, dat

net Jtlot met voorloopig nad bevolen de uitbetaling zelve, kan worden voorbijgegaan , als niet ter zake dienende.

En , nu voor een oogenblik aannemende, dat 's Hofs commissaris bevoegd was geweest zich aan het dictum van het Hof te onttrekken en de uitvoering van het judicium te weigeren , en alzoo, op grond van het hem bekend geworden hooger beroep, den staat niet te sluiten en op te zenden; nu het Koloniaal Gouvernement dien volgens het judicium gewijzigden staat ontving, was het niet diens roeping om zwarigheid te maken en, zoo het al bekend was met de omstandigheid , dat hooger beroep was aangeteekend, de uitkeering aan de geregtigdverklaarden te weigeren , op grond , dat het judicium geene provisionnele executabel-verklaring toeliet. 'De Koloniale Staat was zelfs geene partij in het geding (1). Opmerkelijk is dan ook de erkentenis in de memorie van grieven zelve, «dat het Koloniaal Gouvernement was niet geroepen en niet bevoegd om de regtmatigheid of onregtmadgheid dier uitspraak te beoordeelen». Maar is dit zoo , gelijk ook ik meen, dan gaat het niet aan, te stellen, dat het Gouvernement niet bevoegd of verpligt was »om, niettegenstaande het ingestelde hooger beroep, de tegemoetkoming uit te keeren op den voet der repartitie, gelijk die was gebragt in overeenstemming met de door appel aangetaste uitspraak van den regter in eersten aanleg». De derde, en dit was het Koloniaal Gouvernement, had dit dictum van den regter te eerbiedigen. Zoodra het judicium hem was geworden, had het de tegemoetkoming te voldoen en kon het zijn oordeel niet overstellen tegen dal des regters. En dat een derde in dergelijk geval verpligt zou zijn het dictum in regten te doen ter executie leggen en niet bevoegd zijn zon, op straffe van nog eens te moeten betalen, bij vernietiging van het voorloopig executabel judicium, vrij willig en zonder dwang te voldoen, gelijk door appellanten is beweerd, '— vindt in geene wetsbepaling steun en is in strijd met den aard van het voorloopig executabel judicium (2).

Het beweren, dat men zoodanig vonnis suo periculo executeert, ®°ge eenigen grond hebben tegenover de partij in het geding, zeker"jk niet tegenover den derde , die geene partij in het geding was, die niet eens wist, althans behoefde te weten, dat er appel was aangeteekend en men een eisch in provisie tot schorsing der uitvoerbaarheid zou doen.

Het judicium was van 25 Mei 1864. De staat van verdeeling, welke 'er regeling der uitbetaling door den regter was opgemaakt op 8 Junij '864, was bij het Gouvernement ingekomen en de uitbetaling was geschied op 30 Nov. van dat jaar.

Wel blijkt op 15 Nov. 1865, en dus een jaar ongeveer na de uitbetaling, het arrest van den Kaad van 28 April 1865 , waarbij de v°orloopigo executie is geschorst, te zijn beteekend, gelijk uw einderest van 1 Febr. 1867 aan 's Hofs griffier is beteekend; doch toen ,vas de uitbetaling reeds geschied, krachtens de destijds nog niet gedorste provisionnele executabel-verklaring ; krachtens dezen, zeker egenover derden , wettigen titel van crediteuren der plantaadje. En

appellanten blijken zelfs niet aan het Gouvernement te hebben ^'eekend het op 6 .lunij 1864 aangeteekend appel, of de dagvaarding n r Pr°secutie daarvan op 24 Aug. van dat jaar gedaan; gezwegen nec. . daarvan , dat bij de acte van inhaesie en prosecutie nog geediïr 1°' verzoek tot staking van de executie was gedaan of aangekong , hetwelk eerst bij conclusie later is gedaan , zoo als blijkt uit

arrest van 28 April 1865.

die e °nt'ersc.'leiding, door de appellanten gemaakt tusschen crediteuren, ook ^ • 6n rï'6 n'et Pai geding van betwisting waren, kan

geen ÏUG'; 0Pgaan , zonder dat de appellanten het bewijs leveren, hetlil„ niet 's geschied , dat te hunnen aanzien , die geene partijen in 5 M» e" ' de bePalinS vun ar'- 36 , al. 2 , van het besluit van Biet TV863 "let WaS ln acht Senomen- Op die vorderingen van de u'e geweest zijnde partijen kan toch niet worden terun^eko™ . volgens die zinsnede.

KoloniaP?6panten bekIagen zich ook> "dat al die betalingen door het digd "a b?uvemement zijn gedaan, zonder vooraf te zijn afgekon-

' h ijk in alle andere gevallen plagt te geschieden, zoo als blijkt

beaan

en

hun

weerde^se(.thuk?'n^'50trelt slecllts de toelating en de regeling van Me de Staat ve' e","gen tusschen eigenaren van de plantaadjes, ^"ne c;X:;~|„«»keert voor de emancipatie der slaver Verhaal of hunne' rit' d6Ze' ter dekking hunner pretentiën , ^iog (zie art. 24 dp/Wr °6" ,Selden °P de toegekende tegemoe

De derde '

deeid, omdat hii nip? f°°dan'g geval in de kosten worden veroordaargeiatgn dat het zich " ? regtf" aan het vonnis had voldaan; ken!?81116 de Pr°visionnelp Z°Ul ften wachten , dat de regter in 60 de «"«taling hebben'opStuden1"11'" ^ "*

uit ae sub n—i3 overgelegde couranten»; maar da memorie van

ann üonuigingen geneel verkeerd op. Ze zijn niet voorgeschreven en de aangehaalde ook niet gedaan voor uit te betalen mandaten na het judicium preferentiae et concurrentiae. Ze behooren

m eene geneel andere periode te huis, namelijk, zoo als art. 153 der

U,J ue„ °pmaiung van borderellen van Gouvernementswege ingevolge art. 6 volg. der publicatie, in de gevallen , bedoeld

h l artt. 1 3 An . A rlAr fxra* ° 3

Ten slotte nofr een woord nvo» a^ i-.i?

, .. f . ' ; , vciuurueeiing van eten eed. om, ingevolge znne bereidverklaring nor, a„ _ii_ .... . ® ,

i . ö' Geneis ane acnen te cecieren,

die zij eischers mogten meenen aan het Koloniaal Gouvernement toe

, ^ ""ueiaaiae tegemoetkomingsgelden wegens de emancmatie der slaven 1 ° . 6 ° . *&*uo

. ,. |. , 7-> —"vwmexiue aan ae eigenaren der plan-

^wJorder Wii°Lhhrn°r^! Sel!an,ten> VOüral biJ Pleidooi> is betwist

. .. ^ ie oegeven in een onderzoek omtrent

de inwendige waarde di«r n_ 1 , , .

. , 0 n — w"uvmuaue. jlü aoe siecnts opmerken, dat, indien de appellanten vermeenen, dat die cessie geen voordeel hun kan aanbreno-fin fin vAi-Voa^,i ^ ® ..

r a- , Jn» Z1J ZICÜ eenvoudig kunnen ont-

houden van aan die condemnatie, ten hunnen behoeve uitgesproken, ffevolir te ireven: maar vnnvoi j. , . P '

, » Uttt geconaemneerden niet zijn ge¬

komen 111 noojrer beroen en , , , J.,

• , «-tauuers uaarcoe geen beiansr nebben,

dït

• j «u j » «uMisfiieii uier conaemnatie, seaaan

in de aangebodene bereidverklaring, is gezegd, dat de ged. daarmede

ipHp 7' M dtUS dCZe iu ,erband * te beschouwen met de inge-

beslissen da de': d6' r°°dat ,de V1'aag is, dat de Raad zou

bes sen , dat de ged daarmede niet kon volstaan , maar het Kolo-

bèn het een"^6"' m ^ *laarvan n0S te betalen zou hebben hetgeen wij zagen met in regten gegrond te zijn.

Ik heb mitsdien dp pat- +<* n 1 , . , ^ __

• A,. u . , wiiwuaeren, aat ae JbLooge Kaad, het

!uSrSon^&

appellanten veroordeele i de koste® ** *

De iiooge Raad enz.,

daa«öeahPttewklirrtdaatiZaken-Zicl1 "berende tot en overnemende de daartoe betrekkelijke overwegingen van het beklaagde vonnis; ien aanzien van het regt:

Overwegende, dat het al of niet gegronde van het ingestelde hoo-

iurinameP of tet G°uvernement der kolonie

, ' veidedigmg zijner uitbetaling van emancipatie-gelden aan anderen dan aan de Wp,- .u l, ,

11 1, ' Iater de ware regthebbenden daaron ver-

wpWïnn flhfh t"!,61? i Z'ctl ^Z0° als deze beweren) ten onregte, dan ( e beklaagde vonnis heeft beslist) teregt heeft beroepen

Z r Va", het Ge^ho{ in de kolonie Suriname van den

L'er beroen en lonrfp^ ultvoerbaar verklaard, niettegenstaande hoo-

fen onreete srebracrt Cau le' waarbij de appellanten waren verklaard

de dien-overeenkomstig getijz'tdeT ^ geWe,n ' ter,Wij'

nkH-ntAiir &ewiJz'gde staat is toegezonden aan den admi-

2T5WS,'"*-""" — '•"l —•

O. daaromtrent, dat wpI la i ,

„„Ut„ • u- J , ie dei appellanten is hersteld; dat dit 8 . 8eschled na.de uitbetaling; dat derhalve dit van geen invloed niati znn od de beslissinir Hri- hot . F . .

" " , ° —> *""■ «"uerwerpeiijK geamg Deneerscnende,

regtsvraag: »ot namelijk het Koloniaal Gouvernement die emancipatie-

<rfi < pn npprf-, mtKcfoolrl 1,... , . . r

^^ 7." —een titel, waardoor het tot die uitbetaling was verpligt'/ ;

u. ten aanzien dier vraag, dat, hoezeer als vaststaande is aan te nemen, dat met het, bij art. 15 der wet van den 8 Aug. 1862 (SM. no. 164 ingeval van o-psnhil ^ • , ,ï

, ,.r, ; . eiuuvunnis is Deaoeiu een

de eesrondheid™8 t? Sew'jsde, nogtans daarmede niet is voldongen de gegrondheid van het ingesteld hooger beroep ;

O., at toe ook dan alles in deze daarop aankomt, of, nu het

tn eersten aanleer mw««i ...n j . »

niettegenstaande appel en ^der^a™ S gesloten en aan hp.fc RnUnioai , °

o - v.vurowicmeut gezonaen het proces-

verbaal van verdeeling dat Gouvernement niettemin zich uitsluitend

L, . U 1 'ian wet en reglement en dienvolgeus de

uitbetaling had moeten weigeren, zoolang niet het geschil in hooier

npvnpn nn ainn_oumr.

r j ^ .v* wao ucöiibü en, overeenkomstig de eind-uitspraak, aan hetzelve was toeo-fizondpn » __ n.

. , , ,iUl, ^^v-cö-vtiruaai van veraeenng; or

^6 if 4. n ' ten» 8Ö vaa meergenoemde clausule van het vonnis

van npf. l^AVAf*«-cK/^P Jv» a^ u_i_ • n

" : *" uc ü-oionie ounname van den 25 Mei 1864 ,

zich daaraan heeft moeten <mH»i-wa..ru>n• .t... . . .

... , —en aizou, ter voiuoening aan

dat vonnis , teregt heeft uitbetaald;

W. uaaromtrent, dat de voorloopige uitvoerbaar-verklaring van dat Vonnis, niettegenstaande. hr»AtYA^ Karnan , .

;— uuwetwg ook en noezeer

an ook uit dien hoofde later in hooger beroep nog vóór het eindarrest door den Hoogen Raad vernietigd, tijdens de uitbetaling door net lloloniaal Gouvernfimpm hoofr^/1 . rl•-»f . " .

- - uerxiaive partijen in net

geding, waartoe het betrekking had, daardoor niet alleen waren ge-

hon< An rrtoov ^1 ... / •• 1 j . 13

bC*c,iB uaaruiü (zij net uan ook een slechts voorloopig en door eene latere nitsnroob- i.o-0>. i .

- - - - r' uuuoVi "ciueü iierroeoeiijK) regt ver-

'regen, en dat dit regt ook door het Koloniaal Gouvernement moest

wniv An :—J .

■■ V.uvu gxtct UlCUl^U ,

0. tOch - dat dft fipVinldnio/ttiapc r?!a K!i — • i . ,

' — uij uut vujjxiis waren in net gelijk gesteld tegenover de appellanten, krachtens de uitvoerbaar-verklaring bij voorraad in de plaats van hun schuldenaar mogten vordeien de gelden, aan dezen toegekend, ter tegemoetkoming wegens het verlies, door hAm A~„„ A* K5i „i„.

' —4M u-vjuj. kmv mij ug wcii aan Ziijuc aiaveu Vcr~

leende vrijheid , en bij gevolg dit regt mogten doen gelden bij het, met de uitkeering daarvan belaste, Koloniaal Gouvernement; dat dit, bij toezending aan hetzelve van het proces-verbaal van verdeeling

dipr rrnt/lnv» AA,1 l :: _:„i_ .1

— uwi ucu utiaiiue uij uc aaiigowc^cn xcgLer, zicii tiaar*

naar behoorde te gedragen, en was onbevoegd te beoordeelen, of de regter, die het vonnis had verklaard uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hooger beroep en zonder borgtogt, daartoe wel was

geregtigd, en dat het, ook al ware het geweest overtuigd van eene

regterlijke dwaling te dien opzigte, echter door geene bepaling der wet was genoodzaakt, niet tot de uitbetaling over te gaan dan krach¬

tens een nader, eene regtstreeksche veroordeeling daartoe bevattend

vonnis;

(\ „1 L-i J J- 1

utti» tuauu net uour ae appeiiantou aaugüYuurae oezwaar tegen het beklaagde tusschen partijen gewezen vonnis van het Geregtshof in

Ha Irn 1 r*Ml'A S*n l-inomn tto »> rla.i OC A nri 1 1 UKQ ia .

U.vxvti&v WUIII 1UIUV T HII vioil -"f lO ""fiCl'lUUU :

Bevestigt dat vonnis;

Veroordeelt de appellanten in de kosten, in hooger beroep gevallen. (Gepleit voor de annellanten Mr. W. Wintai?.KS pn vnnr rlAn

in timeerde Mr. A. de Pinto.)

KANTONGEBEGTEN.

KANTONGEREGT TB SLIEDRECHT.

Zitting van den 1870.

Kantonregter, Mr. A. P. Weggeman Güldemokt.

Verbruikleen. — Abt. 1798 B. W. — Tebdgvobdebing. — Getuigenbewijs.

Zijn in de bewezene feiten van f 3000 te besteden voor de verandering eener kerk in eene school en den opbouw eener nieuwe kerk, voor den regter allezins omstandigheden gelegen om de teruggave van eene som van f 30 te gelasten, welke de gemeente ter leen heeft ontvangen om terug te geven, wanneer zij daartoe in staat zoude zijn? — Ja.

J. van Os c. s., te Gorinchem, eischers,

tegen

de Christelijk-Gereformeerde gemeente te Giessendam, gedaagde.

Den 1 Mei 1841 heeft hftf. crAHpmnrlo .1.

— & van aen auteur

der eischers geleend eene som van f 50 tot het maken van een nieuw kerkgebouw te Giessendam , onder belofte dat geld te zullen

Wftnpro-flvAn oio ^r» ,J__. i i_ u ,, ®

f. °r.\ ö tuüuiuawsu uer üerK. zuiks zunen toelaten. JDewiil in het hetrin v«r> V10+ ionv iqto ,

l vi " . p J""1 '"ets nas cerugoetaaia,

neoben sommige erfgenamen van dien auteur, te zamen geregtigd tot een benmo- van -F *ïo a _ -i -. , . , , ,. ,.

" ° wgcmccute geaagvaara toe oetaung dier som

op grond , dat de inicomstPn Hav Iroi-l- Kliilrkn». ••

; , * ana uiijtvuaaj uaaiiuc iu Btaat ZIJU,

omdat op kosten der gedaagde gemeente eene bijzondere school is opfferict. en worrlt i ^ , r

vimguiuuucii, eu zoowei scnooigebouw, onderwnzersWOning , kerk en nastnrii ::i, n„..- .... ...

i . r , , ^— -J 4,1 uibcixijA. uun&santen toestana

bevinden, zoodat de omstandigheden, bedoeld bij art. 1798 B. W„ aanwezig znn.

De kantonregter enz.,

Overwegende, wat de daadzaken betreft:

dat het tusschen nartiien hnitAr. -m. itt . TT

, r—v— -—-ww is, uac wnien w.ae xioog ,

ln lepven„77 .gewoond hebbende te G„ aan het Kerkbestuur ^an ' ' ; '' ' ®n ^en 1 ^ ei 1841 heeft ter leen gegeven

de som van f 50 tot het maken van een nieuw kerkgebouw te G., en het Kerkbestuur zich verbonden heeft dat geld te zullen teruggeven, als de inkomsten y.nllrc ^nlior» . . • , ®

o ' - ------ - -«x.vx! luciBicu, en einaenjk, aat de

eischers, als gedeeltelijke erfgenamen van wijlen gemelden d H in gezegde vordering geregtigd zijn tot eene som van ƒ30.305 ;

0., dat de eischers, bewerende, dat de gedaagde gemeente thans in staat zoude zijn hunlieder aandeel in gezegde schuldbekentenis terug te geven , hebben goedgevonden , bij behoorlijk geregistreerd exploit van den deurwaarder P. Wapperom Tz. van den 22 Julij 1870 de gedaagde gemeente voor dit Kantongeregt te dagvaarden, als wanneer namens de eischers is geconcludeerd :

dat, aangezien het Kerkbestuur zich verbonden heeft om de door wijlen W. d. H. indertijd geleende gelden te zullen teruggeven, wanneer

dp. inkomsten dpr IrArlz- rlA torn^nTm j. , ,

__ luaaLci, ua gedaagde gemeente,

ziinue de Christe nk-Gerefni-mfiBrH» ...

I OU • . v-1 A e , - , LC U., vroeger genaamd

de Christelijk Afgescheiden gemeente, zal worden veroordeeld om aan

«V. HUHBUUC , te ueiaien eene som van /30.305 als zijnde het hun competerende aandeel uit de op I Meil84i door wijlen ' n" ter zake voorschreven, aan gemeld Kerkbestuur geleende gelden, en zulks met de renten dier som tegen 5 pet. in het jaar van af den dag der dagvaarding tot de o-aVipaIp

" « ^ iuc cu in ue

kosten der procedure;

0., dat namens de ged. is aangevoerd, dat de gelden der gedaatrde gemeente met toelaten de gevorderde som te voldoen en dat zulks

dfis o-Avordp.rd _ hii inzaerfi in rlo j. 1 ' '

ö ~v O- ^uuae Kunnen binken: dat

overigens hier is eene verbindtenis met tijdsbepaling, en dat, daa? het tndstip inde schuldbekentenis nipt ie

j i ij , , :: , met di ij Kt, wanneer

de schuld oovorderbaar is: dienvoltrpna j. i , . .

. * ,, 3 : o wuviuucjcnue, aat ae eischers

in hunne vordering zullen worden verklaard te zijn niet-ontvankelijk-

U., aat namens de eischers hieron io vAr®A«ut i.. .. J '

. f aei oewns te leveren

door getuigen, dat de gedaagde jyemepntp iwoi a~.—i:m_ •

gevorderde som te betalen , speciaal op grond : s aa is e

io , , een °r , S^aieeners het geld is terugbetaald- en 2°. dat de gemeente heeft een nrap.ht.io- .

o r uw en eene nons-

sante school;

0. aangaande het regt:

dat. wel vprre dat. wanneer in aar,a i^..*

. „ , OVuuiuucii.catenis is bepaald

dat de geldsom zal worden teruggegeven, wanneer men daartoe in staat zal zijn, h;er het tijdstip der terugbetaling niet zoude zijn uitgedrukt, integendeel juist uit de bepaling, wanneer men in staat is" met andere woorden, wanneer, zoo als in deze , men ontkent alsnoè in staat te zijn om te betalen , — de eischer bevoegd is door alle mi 1

delen regtens en iner ook door getuigen te bewijzen, dat het tiiH.Hn

hntniino- nf de vervaltiirt rW ....... - . 1 ue' "Jlstip

e ~ j v .. aanwezig is en dien ten

gevolge de gelden op vorderbaar zijn ;

O., dat, daar dus het getuigenverhoor in deze bij de wet wordt toegelaten en de door de eischers gestelde daadzaken, bewezen ziinde leiden kunnen tot beslissing der zaak, de eischers dan ook tot het leveren van dat bewijs moeten worden geadmitteerd-

Gezien art. 1798 B. W. en artt. 103 en 56 B. R-

Regt doende enz., ' *'

Staat den eischers toe door getuigen alsnog te bewijzen behoudens aan de ged. het regt van tegenbewijs , dat de gedaagde gemeente in staat is het gevorderde te betalen, speciaal • ^emeente m

1°. dat aan een of twee geldleeners het geld is terugbetaald - en eeife 'florissante^chooff ^ ^ ^^en

BepaaU, dat dit getuigenverhoor zal plaats hebben op den 29 Sent 18,0 ter openbare teregtzitting van ons Kan tongeren gehouden wordende op het raadhuis te Sliedrecht, des morgens ten iien ure

Reserveert de uitspraak over de kosten tot het findvonnif

hnn HdaVnfteie Va" W6ge de eischers *Üf getuigen waren ge¬

hoord , heeft de kantonregter het navolgende eindvonnis gewezen :

De kantonregter enz.,

Gezien ons interlocutoir vonnis van den 25 Aug. 1870 , op de expeditie geregistreerd, waarbij wij op verzoek van de eischers hebben bevolen, dat zij door alle middelen regtens, en bepaald door getuigen de door hen gestelde en door de ged. ontkende daadzaken zifllen bewijzen , en wel:

1°. dat aan een of twee geldschieters het geld is uitbetaald; en

2°. dat de gemeente heefc een prachtig kerkgebouw en eene floris santé school;

Overwegende, dat op den tot het houden van dat getuigenverhoor bepaalden dag, ten verzoeke van de eischers, vijf getuigen zi:n hoord , en wel: J ë

, C" ,v: V'' Welke' na vooraf den eed te hebben afgelegd heeft verklaard genaamd te zijn C. v. 'tV, oud veertig jaren van beroep winkelier, wonende te D., geen loonbediende noch familie van eene der partijen j

Sluiten