Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

auteurs. Dit punt is reeds voldoende besproken. De eerste geïntimeerden , die hunne auteurs in het genot regtens en wettig zijn opgevolgd , hebben alle aanspraak om bij hun eigen bezit dat hunner auteurs te voegen.

J)erhalve, ook zelfs dan, wanneer de making noch fideicommis, noch geldig perpetueel vruchtgenot zou wezen (het een en ander voor één oogenblik eens aangenomen) is hier de rente-uitkeering, uit kracht van een wettigen titel gedurende meer dan twintig jaren verstrekt, door verjaring verkregen.

Ais slotsom van al het voorgaande, nemen de eerste geïntimeerden de viijheid hun antwoord op de grieven tegen het vonnis a quo zamen te vatten in de volgende stellingen :

Primaire vordering.

1. Het blijkt duidelijk , uit zamenhang en bedoeling van het testament, dat Benjamin Calo eene fideicommissaire institutie heeft gemaakt, niet slechts — daar hij niet over den eigendom voor anderen beschikte — een perpetueel vruchtgebruik ten behoeve van het mannelijk oir.

II. liet vonnis a quo heeft dus teregt daarop toegepast het Hanzee-dccreet.

III. De opvordering der eerste geïntimeerden tegen de appellanten , om de dertien achttienden van het kapitaal thans ter vrije beschikking te bekomen is niet veijaard.

Subsidiaire vordering.

IV. Gesteld eens, er ware hier eens geen fideicommis ingesteld, dan zoude de wilsbeschikking, waarbij een perpetueel erfelijk vruchtgenot wordt gevestigd, toch eene ten behoeve dezer eerste geïntimeerden volkomen geldige making zijn.

V. Ware zij dat ook al niet, dan nog bleef aan eerste geïntimeerden toch het genot der renten , door hen en hunne auteurs meer dan twintig jaren getrokken uit wettigen titel, duor het regt van verjaring verzekerd.

Het is op deze gronden , nader bij pleidooi toe te lichten , dat de procureur L. ISoas , voor de eerste geïntimeerden 1, 2 , A en B, en 3 , A en B, concludeert, dat het den Hove moge behagen te niet te doen het appel, ingesteld tegen het vonnis, door de Arrond.-Kegtbank te Amsterdam tusschen partijen op 17 Maart 1869 gewezen, en gemeld vonnis te bekrachtigen, met veroordeeling van de appellanten qq. ook in de kosten van het hooger beroep, en, voor het geval het Il«'f onverhoopt bezwaar mogt vinden in de toewijzing der primaire ^ordering, voor zooverre die door de Regtbank is toegestaan , alsdan den eerste geïntimeerden te laten volgen hunne subordinate vordering, ttiede met veroordeeling van de appellanten qq., die ook deze subordinate vordering in beide instanriën tegengesproken hebben , in de proces• kosten , zoo van eersten aanleg als in hooger beroep.

( Vervolg hierna.)

ARRONDISSEMENÏS-REGTBANKEN.

ARKONDISSEMENTS-REGTBANK TK 'S HERTOGENBOSCH. fSSurg-erlijUe kaïuer.

Zitting van den 19 November 1869.

Voorzitter, Mr. J. M. B. J. van der Does de Willbbois.

Kvdaster. — Onteigening. — Eigendom. — Erkenning.

Moet de Maat, eene onteigenings-actie instellende tegen hem, die op de registers van het kadaster als eigenaar voorkomt, daardoor qeacht worden diens eigendomsregt te hebben erkend? — Ja.

L. J. Verheijen, in zijne hoedanigheid van burgemeester van Esch , en als zoodanig voor die gemeente optredende, eischer, procureur A. J. M. Holster,

tegen

den Staat der Nederlanden , gedaagde, procureur g. h. J. Deckers.

De Regtbank enz. ,

Gehoord het Openb. Min., concluderende, dat het der Regtbank behage, de eischende gemeente te verklaren ontvankelijk iu hare vordering tot ongegrond verklaring der interventie; deze toe te wijzen; die interventie te stellen buiten gevolg en de afgifte van het geconsigneerde te bevelen, met veroordeeling van het gedaagde Bestuur in de kosten ;

Overwegende ten aanzien der daadzaken :

dat, den 4 l)ec. 18b6, de commissaris des Konings in Noordbrabant, optredende voor den Staat der Nederlanden, krachtens de wet op de onteigening ten algemeenen nutte, tegen de gemeente Esch heeft ingesteld eene regtsvordering, strekkende om de onteigening te doen uitspreken , ten behoeve van den Staat der Nederlanden, van zekere heidegrond en publieke wegen , op het kadaster ten name van Esch staande en onder die gemeente gelegen, tegen schadeloosstelling in geld en in werken ;

dat in dat onteigenings proces als tusschenkomende partij zich beeft opgedaan , om nader te concluderen als te rade , het Bestuur der domeinen, uitgeoefend wordende door den minister van Finanticn, aanvoerende, dat liet onteigenings-proces is moeten aangelegd worden tegen de gemeente Esch, omdat het goed ten haren name staat op bet kadaster; maar dat de Staat der Nederlanden, als opgevolgd aan den Hertog van Brabant, vermeent eigenaar te zijn van de gronden *n geschil, althans daarop te hebben een belangrijk zakelijk regt; dat toch de Hertog was eigenaar van alle heide, waarop derden door titel ot bezit geen beter regt verkregen hadden , en dat de gemeente daarop in geen geval meer dan een superficieel gebruiksregt kon hebben verkregen ;

dat de gemeente Esch de aanspraken van het Domeinbestuur heeft betwist, zoodat het onteigenings-proces zonder de tusschenkomende party is voortgezet; en dat, bij vonnis van den 17 Mei 1867, de hiervoor bedoelde grond is onteigend ten behoeve en ten name van den Staat der Nederlanden, met bepaling op f 7070 van de schadeloosstelling, door den Staat te betalen , veroordeeling van den Staat tot het uitvoeren van zekere werken en bevel, dat de gemelde schadeloosstelling zou worden geconsigneerd; welke consignatie voorts is gevolgd bij proces-verbaal van den 26 Junij 186 7, geregistreerd ten processe overgelegd;

dat alsnu de gemeente Esch tegen den Staat heeft ingesteld een eisch, strekkende, dat voorbedoelde tusschenkomst worde verklaard ongegrond en buiten werking gesteld, en dat worde bevolen de geconsigneerde gelden aan haar af te geven; dat die gemeente, tot staving van hare vordering en tot wederlegging van ae aanspraken, door den Staat gemaakt, aanvoert : dat zij , ten tijde van het onteigenings-proces , ten kadaster bekend stond als eigenares en tevens ^as houderes voor zich van de bedoelde gronden in de heteekenis yan art. 629 B. W.;

^dat mitsdien al wie op die gronden of op de schadeloosstelling, die anivooj, is in de plaats getreden, eenig regt wil doen gelden dat ët inoet bewijzen;

dat de Staat geenerlei regt heeft te doen gelden; dat, aangenomen, doch niet toegegeven, dat de Hertog was eigenaar van de gronden in geschil en dat de Staat hem daarin is opgevolgd, de Staat die gronden sedert lang door verjaring heeft verloren en de gemeente Esch die heeft verkregen ; dat de Staat kennelijk ai de heiden in de voormalige Meijerij van Noordbrabant sedert 1813 heeft verlaten; dat de Staat dan ook de gemeente Esch als ei eren ar es heeft erkend. door

haar den grond te onteigenen; dat, wat het na te melden beroep op het tiendregt betreft, de Staat dat regt niet als nieuw middel kan doen gelden, omdat het niet is aangewend bij de interventie; dat het belangrijk zakelijk regt, waarop de Staat zich toen beriep, niet kan bedoelen het tiendregt, hetwelk , vooral sedert de wet van 6 Junij 1840, niet is een belangrijk zakelijk regt; dat in alle geval onder het tegenwoordig regt, en reeds sedert de invoering van het Wetboek Napoléon voor het Koningrijk Holland, het stilzwijgend ontstaan of

luuioeuuuum van uuuuregi, dij overgang van grond uit handen van den Staat in andere handen, geen plaats meer kan krijgen; dat, zoo de Staat desniettemin tiendregt hebben mogt, het gevolg daarvan zou zijn, dat de nu ingestelde vordering gegrond is, behoudens een geëvenredigd aandeel van den Staat op de geconsigneerde gelden, welke achter volgens taxaat van deskundigen kunnen worden verdeeld, zonder dat, zoo als de Staat beweert, eene procedure tot scheiding en deeling noodig is; dat overigens de bescheiden, door den Staat in het geding gebragt, ten blijke van het eigendomsregt van den Hertog, niet betreffen de gronden in geschil en niet bewijzen het beweerd algemeen eigendomsregt; concluderende de gemeente Esch, dat zij , des noods, worde toegelaten tot het bewijs van de in de slotsom van hare conclusiën beschreven feiten, ten bewijze van het verlaten der gronden door het domein en het verkrijgen dier gronden door haar bij verjaring; en subsidiair, dat door deskundigen de waarde van het beweerd tiendregt worde begroot ;

dat de Staat aanvoert: dat de eisch van de gemeente niet kan volgen, zoo zij niet aantoont, dat zij is algeheel eigenaar; dat, zoo de Staat zelfs slechts ten deele is eigenaar, ook alleen van het tiendregt, de

vr\ri lovinrf /lnn i_ i • • i . .. _

& » "loi-oiHTanseiijc, omdat de gemeente dan alleen kan

hebben eene vordering tot verdeeling; dat de Hertogen van lirabant hadden den eigendom van alle woeste gronden, en dat het halen van vlagsel, turf, zand en dergelijken niets anders is geweest dan daden van gedoogen, die geen eigendom kunnen doea verkrijgen, en die zells aan de gemeente geen superficieel gebruiksregt hebben kunnen doen verwerven, wanneer de ingezetenen die voor zich individueel i"'i met regthebbenden van de gemeente; dat de Staat, met aanbod van bewijs en verzoek van acte, stelt feiton om aan te toonen, dat de perceelen sectie ij, n°. 379, 380 en 381, met de daartusschen gelegen karsporen, zijn in woesten staat, en voorts met gelijk verzoek van acte, ontkent, dat de gemeente van den Staat of van den Hertog, of tegenover den Staat of den Hertog, eenige eigendoms-of gebruiksregten heeft verkregen, ja zelfs dat zij, als gemeente in regtskundigen zin, bezat de gronden, zoo even aangewezen; dat de Staat al verder betoogt, dat het beweerd, doch ontkend verlaten van gronden door den Staat aan de gemeente niet baten kan, vermits voor eigendom van onroerende goederen alleen de acquisitive verjaring, niet de liberative gelden kan en de eigendom blijft bij den eigenaar, totdat die bepaald op een ander eigenaar overgaat; dat de Staat overigens noch grond verlaten heeft, noch de gemeente als eigenares daarvan erkend, en dat de beweerde erkenningen, door zijne ambtenaren zullende gedaan zijn, hem niet schaden kunnen, omdat die ambtenaren geene bevoegdheid haddea voor erkenningen: dat ,1a

jaring zal moeten gelden voor die gedeelten, welke woeste gronden zijn, en dat da feiten, daaromtrent gesteld, even als ai de andere feiten, zijn onbepaald, niet ter zake dienende en afdoende, verzoekende da Staat acte, dat hij ontkent de feiten, onder aanbod van bewijs gesteld; dat de Staat, volhardende bij het opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid, beweert, dat die niet-ontvankelijkheid door de subsidiaire conclusiën en aanbiedingen niet kan worden gedekt;

dat eindelijk de Staat nog heefc tegengesproken, dat de stukken, door de gemeente in het geding gebragt, belrekking hebben op de gronden in geschil; dat, bij zamenvatting van alle producten, vaststaat, dat zeker niet de volle eigendom, maar hoogstens een gebruiksregt, aan de gemeente toekwam, en dan nog maar aan de bepaaldelijk aangewezen bewoners van zeker gedeslte; dat dus de gemeente niet heeft een uitsluitend regt op de geconsigneerde schadeloosstelling, en ten slotte, dat de wet niet toelaat de afzonderlijke onteigening van zakelijke regten; dat daaromtrent in het besluit, waarbij de te onteigenen perceelen worden aangewezen, zelfs voorkomen goederen, staande ten name van den Staat der Nederlanden, de administratie van den waterstaat der Nederlanden, het Rijk der Nederlanden, en dergelijken; dat intusschen de eigendom moest worden verkregen vrij van alle lasten en regten; dat dus de onteigening moest worden ondernomen in den vorm, zoo als is geschied, bij de onzekerheid, of de gemeente Esch of zekere ingezetenen van Esch of van Boxtel niet zekere gebruiksregten hadden, ten einde geen gevaar te loopen voor een onzeker proces, nadat de spoorweg zou zijn gelegd; dat dus uit den gevolgden vorm van onteigening niet kan worden afgeleid, wat de gemeente van Esch er uit wil afgeleid hebben , vooral niet, als men aandachtig do dagvaarding tot onteigening leest, en opmerkt, dat zelfs reeds te voren het volledig eigendomsregt aan de gemeente is betwist; verzoekende de Staat alsnog, met volharding bij zijne vroegere conclusiën , acte, dat het Domeinbestuur blijft ontkennen: "dat de gemeente Esch ooit of immer den grond, waarvoor de schadeloosstelling is gedeponeerd, heeft bezeten als eigenaresse; met andere woorden, dat de gemeente ooit of immer de gronden heeft gehouden of genoten, alsof die gronden aan die gemeente toebehoorden *;

dat partijen over en weder bescheiden in het geding hebben gebragt, zoo als die in de conclusiën staan vermeld, en de gedaagde partij heeft verzochten verkregen acte, dat zij alsnog in het geding gebragt heeft een brief van Keizer Kabel van 5 Julij 1553, in der minne aan partij medegedeeld;

Ten aanzien van het regt:

0., dat de gemeente Esch zich niet beroept op gewijsde zaak; dat mitsdien nader kan worden onderzocht, of de Staat

vóór de onteigening was eigenaar van de gronden in geschil, en of hij aanspraak kan maken op eenige teruggaaf van de contradictoir vastgestelde schadeloosstelling;

0., dat de gemeente Esch, ingevolge de onteigeningswet en de tenaamstelling in de kadastrale leggers , moet beschouwd worden als eigenares, en dat aan haar de schadeloosstelling moet worden uitbetaald , zoolang niet een ander bewijst eigenaar te zijn of derde belanghebbende;

O., dat de Staat, door de onteigeningswet te willen hebben toegepast, door mitsdien eerst in der minne te trachten , en daarna in regten , onder aanbod van betaling, te vorderen, dat hem de eigendom van de gronden in geschil worde overgedragen , met woord en daad , in en buiten regten, de bekentenis heeft afgelegd, dat hij dien eigendom niet had; dat die bekentenis in dit proces blijkt, zoowel uit de tegenwoordige dingtalen , waartoe het onteigeningsproces ten gronde ligt, als uit de overgelegde dagvaarding tot onteigening, van den 4 i)ec. 1866, met de opgevolgde proces-acten en het vonnis van onteigening van ^ den ^ 17 Mei 1967 , ten uitvoer gelegd door den Staat door de consignatie der schadeloosstelling, blijkens proces-verbaal van 26 Junij daarna;

0., dat geheel de wet van 28 Aug. 1851 (Stbl. n". 125) ten onderwerp heeft ontzetting van eigendom volgens art. 147 van de Grondwet,

dat is, eigendom te verschaffen aan iemand, die den eigendom niet heeft; dat, te beweren, dat des noods de werkelijke eigenaar tegen hem, die als eigenaar ten kadaster bekend staat, moet procederen, niet om als eigenaar erkend te worden, maar om tot eigenaar te worden gemaakt tegen aanbod van betaling en met overschrijving van nieuwen titel, niet alleen ligt buiten het onderwerp der wet en regtstreeks aanloopt tegen het voorgestelde doel, —■ de bevordering van werken van algemeen nut en vereenvoudiging en bekorting van vormen, — maar ook in strijd is met de duidelijke letter der wet, zoo als in artt. 17, i2, 59, waar zij op de uitdrukkelijkste wijze zegt, dat hare bepalingen geschreven zijn voor hem, die eigenaar moet worden, niet voor hem, die eigenaar is, doch het goed niet ten zijnen name heeft op het kadaster, — te-naam-stelling, voor zijn eigendomsregt geheel onverschillig, en welke de wetgever dus geen reden heeft ten zynen belange , door ijdele, omslagtige en kostbare formaliteiten te doen verbeteren ;

O., dat tegen die bekentenis van den Staat, met woord en daad , dat hij niet was eigenaar van den onteigenden grond , niets vermag het reeds tijdens het onteigenings-proces bij de interventie, en ook bij het onderzoek van deskundigen, vooruitgesteld beweren, dat de Staat wel degelijk was eigenaar en verstond zijn eigendom in regten te handhaven ; dat toch dat beweren en die aankondiging zijn in lijnregten strijd met het voortzetten van eene vordering om eigenaar te worden gemaakt, en met het vorderen van eenen titel van eigendomsovergang ; dat die daad, die zich zelve kenmerkt, niet van aard en beteekenis kan veranderen door de verklaring, dat het is eene bloote vertooning, welke men later verstaat te niet te doen ;

O., dat de Staat ten onregte beweert, dat de commissaris des Konings niet bevoegd en bij magte was tot de bekentenis, dat de Staat niet was eigenaar; dat toch die bekentenis lag in het instellen en voortzetten der Drocedure : dat de Staat den last tot die nroeedure

niet ontkent; dat daarentegen die last met de daad is erkend , door

iu het proces tusscüen to komen en door te vorderen, dat de schadeloosstelling, welke de commissaris des Konings, optredende voor den Staat, aanbood, zoude worden geconsigneerd, en door nu op die aldus van wege den Staat geconsigneerde gelden, gevolg van het proces , aanspraak te maken; dat die last in dit tegenwoordig geding nog uitdrukkelijk wordt erkend door het beweren, dat het voeren van het onteigenings-proces was eene noodzakelijkheid en teregt is gevoerd;

U., dat voorbedoelde bekentenis niet wordt ontzenuwd door het beweren , dat de onteigening moest gevraagd worden in voege als is geschied , omdat de gemeente Esch , of andere landlieden, eenig gebruiksregt konden hebben , en de wet niet toelaat eene afzonderlijke onteigening van zakelijke regten ;

O. toch , dat, zoo inderdaad die afzonderlijke onteigening niet is toegelaten, zoo als ook verstaan werd door den minister van Binnenlandsche Zaken bij de beraadslaging over het wets-ontwerp, daaruit wel volgt, dat, indien de gemeente Esch slechts zakelijke regten in de gronden hal, de onteigeningswet verkeerdelijk is ingeroepen, maar niet dat die wet vordert, dat men, om tot de vermeestering van die zakelijke regten te komen, den eigendom van den grond zeiven prijsgeve en tegen betaling terugvrage; en dat des noods de Staat der Nederlanden procedure tegen het ten kadaster ingeschreven Rijk der Nederlanden, omdat derden welligt zakelijke regten op den grond hebben ;

dat mitsdien de beweerde leemte in de wet niets ontneemt aan de kracht der feitelijke bekentenis van den Staat, dat de gronden in geschil niet waren zijn eigendom;

0., dat die bekentenis, in regten gedaan en niet herroepen als gevolg van dwaling omtrent daadzaken, volledig bewijs oplevert togen den Staat, en het mitsdien overbodig is onderzoek te doan naar de verdere bewijzen of aanbiedingen van bewijs ;

0. met betrekking tot het beroep van den Staat op zijn tiendregt;

dat dit middel niet kan worden ter zijde gesteld; dat toch het aanvoeren van nieuwe middelen in hetzelfde geding niet is verboden ; dat overigens de Staat zich bij de tusschenkomst reeds heeft beroepen op een belangrijk zakelijk regt; dat het tiendregt is een zakelijk regt; en dat, al moge dit regt, in zooverre het de onderwerpelijke gronden betreft, niet als belangrijk te beschouwen zijn, daaruit toch niet volgt, dat de Staat niet het tiendregt, maar een ander regt op het oog had en aan de wederpartij opgaf om er de interventie op te gronden ;

0., dat de som, op een gedeelte waarvan de Staat aanspraak maakt, is het equivalent van datgene, wat, als niet behoorende aan den Staat, is overgedragen aan den Staat; dat bij gevolg daarin niet is begrepen datgene, wat te voren reeds was eigendom van den Staat, en dus ook niet het equivalent van zoodanig tiendregt als de Staat vóór de onteigening zal gehad hebben; dat aan den Staat, indien hij vergoeding ontving voor het beweerd tiendregt, zou vergoed worden datgene wat het ook nu nog in zijn bezit heeft en niet verloren heeft;

0. buitendien, dat ook niet blijkt, dat de schadeloosstelling is bepaald, zonder acht te geven op dat tiendregt; dat voor'shands veeleer het tegenovergestelde moet worden aangenomen ; dat toch het tiendregt , waarop de Staat zich beroept, is eene schuldpligtigheid, welke door het domein van den Staat, als van regtswege en buiten alle beding verschuldigd, algemeen wordt opgevorderd; dat die aanspraken van het Staatsdomein van algemeene bekendheid zijn, en, hetzij men dia als gegrond erkenne of niet, van invloed zijn op de verkoopswaarde der woeste gronden en op de waarde, die zij hebben voor hem, dia onteigend wordt; dat te minder reden is om aan te nemen, dat de schadeloosstelling in deze bepaald is, zonder acht te geven op de aanspraken van het domein , nu die is vastgesteld op de eigene som , welke bij de dagvaarding tot onteigening is aangeboden ;

O., dat het ten eenemale doelloos is in dit tegenwoordig geding een onderzoek in te stellen naar het bestaan van het beweerd tiendregt, omdat, wanneer zal zijn uitgemaakt, dat dat regt van regtswege bestaat, daardoor nog niet zil zijn uitgemaakt, dat, nu in het vonnis van onteigening niet wordt gesproken van een regtens bestaand tiendregt , op dat regt geen acht is geslagen bij het vaststellen van de werkelijke waarde voor den eigenaar;

O., dat, nu door de geregtelijke bekentenis is bewezen, dat de Staat niet was eigenaar van de gronden in geschil, en nu het bewijs ontbreekt , dat in de geconsigneerde som begrepen is de waarde van het beweerd tiendregt, beide de gronden, op welke de Staat aanspraak maakt op de geconsigneerde gelden of een gedeelte daarvan , wegvallen, en de vordering van de gemeente Esch moet worden toegewezen;

Regt doende enz.,

Verleent acte van datgene, waarvan acte is gevraagd;

Verwerpt de conclusiën van den Staat der Nederlanden tot nietontvankelijk-verklaring;

Verklaart den Staat der Nederlanden ongegrond in zijne tusschenkomst in bedoeld onteigenings-proces en daarbij aangekondigde vor dering ;

Stelt die tusschenkomst buiten alle werking;

Verklaart, dat de geconsigneerde gelden moeten worden afgegeven aan de gemeente Esch , en beveelt den ontvanger der registratie te 's Hertogenbosch, als met de consignatie belast , en eiken anderen ambtenaar dien het moge aangaan, om die geldsommen, met de daarvan verschuldigde renten, aan de gemeente Esch af te "even •

Veroordeelt den Staat der Nederlanden in de kosten van het geding, verevend aan de zijde der eischende gemeente op f 4 76.10 waaronder voor den advokaat ƒ 300, onder die verevenino-'niet begrepen de kosten van dit vonnis of latere.

Sluiten