Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

valschheid kan begaan worden, verwezen naar art. 147. Als eerste wijze van valschheid treffen wij in laatstgemeld artikel aan: «par cotitrefa9on ou altération d'écritures et de sigriatures.»

Op den voorgrond stelt de heer req., dat hier zoude bestaan valschheid «par contrefaijon de signature.' Hij is van oordeel, dat uit de omstandigheid, dat de naam van den persoon, ten wiens behoeve de waren volgens het briefje werden afgehaald, in het ligehaam van het geschrift voorkomt en niet bij wijze van onderteekening onder-aan is gesteld, niet noodwendig volgt, dat hier niet aan eene handteekening kan worden gedacht, daar het toch tot daarstelling van valschheid «par contrefaijon de signature» in een geschrift als het onderwerpelijke, waarvoor geen vorm hoegenaamd is voorgeschreven, slechts op het feit aankomt, dat de vervaardiger van het geschrift daarin van een hem niet toekomenden naam bedriegelijk gebruik hebbe gemaakt, en de wijze, waarop de naam geschreven of geplaatst is, van ondergeschikt belang kan zijn; en hij beroept zich op een arrest van den 27 Jan. 1852 (v. d. Honert van dat jaar, eerste deel, blz. 12, Ned. Regtspr., d. 51, blz. 40).

Wanneer deze beschouwing juist is, dan zou er, geloof ik, tevens bestaan de valschheid »par fabrieation d'obligation,» waarvan de volgende alinea van art. 147 spreekt, omdat, zoo als de Hooge Raad ook meermalen heeft aangenomen, in dergelijke geschriften, met den naam van een ander onderteekend, stilzwijgend de voorwaardelijke verbindtenis ligt opgesloten om, indien het gevraagde wordt medegegeven, den prijs te zullen betalen. Men zie de arresten, aangehaald bij Schoonkveld , Wetb. van Strafregt, op art. Ï47, sub n°. 13. Ik doe hier echter reeds dadelijk opmerken, dat tot het aanwezig ^ijn van de misdaad van valschheid niet wordt vereischt, dat het onder¬

handsche stuk overeenkomsten, beschikkingen, verbindtenissen of bevrijdingen inhoudt, maar dat daartoe het namaken of veranderen van geschriften of handteekeningen voldoende is, zoo maar de overige criteria dier misdaad aanwezig zijn , het bedriegelijk oogmerk namelijk en de mogelijkheid van te benadeelen. Ik zal hieromtrent niet verder uitwijden, maar slechts verwijzen naar het arrest van dezen Raad van den 28 Aug. 186s ;v. d. Honert, Strafregt van dat jaar, blz. 27s), en de arresten, aangehaald bij de conclusie, die daarbij is afgedrukt.

Wat de redenering van den heer req. betreft, geef ik toe, dat er soms twijfel kan bestaan, of een naam, voorkomende in een onderhandsch stuk, ais eene onderteekening te beschouwen is of niet; maar die twijfel moet m. i. door den judex facti worden opgelost. En dit is in casu geschied; want bij het arrest wordt uitdrukkelijk overwogen, dat het den Hove door bezigtiging is gebleken, dat de naam van Thomas de Koning is geplaatst in den aanhef van het geschrift en blijkbaar beboort tot het ligehaam zelf van het geschrift,

in onderscheiding van de handteekening (signature); dat dus deze naamstelling niet als onderteekening (signature) gelden kan; dat, vermits ook elders op dat stuk geene naamteekening wordt gevonden, hetzelve moet worden beschouwd als een ongeieekend onderhandsch

geschrift." Op deze feitelijke beschouwing stuit m. i. de argumentatie van den heer req. af.

Wat het arrest betreft van den 27 Jan. 1852 bovengemeld, berustte de uitspraak van den Hoogen Raad dan ook vooral daarop, dat in facto was beslist, dat de onder het stuk gestelde naamteekening valsch was. Er bestond toen in cassatie geen twijfel over het aanwezen eener handteekening.

Maar art. 147 C. I1. maakt niet alleen melding van valschheid «par contrefapon de signatures," maar ook afgescheiden daarvan «par coutrefaijon d'écritures;» en nu kan ik geheel instemmen met de subsidiaire redeneringen in de memorie, dat deze valschheid in ieder gevai hier aanwezig is. Ook niet-geteekende onderhandsche geschriften kunnen het onderwerp eener straf bare valschheid zijn, indien slechts blijkt van een bedriegelijk oogmerk en de mogelijkheid van benadeeling, Ik meen te kunnen volstaan met omtrent dit punt naar de memorie te verwijzen, te meer, omdat uwe jurisprudentie dienaangaande voor gevestigd mag gehouden worden, blijkens de arresten van 6 Nov. 1855 (v. d. Honert van dat jaar, II, blz. 137), 16 Oec. 1857 (v. d. Honert van dat jaar, blz. 451), 26 Maart en 22 Oct. 1867 (v. d. Honert van dat jaar, blz. 115 en 353).

Er bestaat dus in. i. valschheid »par contrefafon d'e'criture.'

Dat die valschheid met een bedriegelijk oogmerk is gepleegd , is buiten kijf.

Ook de mogelijkheid van benadeeling is hier aanwezig.

Bij de memorie wordt reeds opgemerkt, dat het onderwerpelijke geschrift, al draagt het geene handteekening, een begin van bewijs door geschrift kon opleveren; maar vooral moet men, geloof ik, niet

uit het oog verliezen, dat de mogelijkheid van nadeel niet behoeft te bestaan ten aanzien van hem, wiens schrift valschelijk is nagemaakt, maar dat het voldoende is, indien er wezenlijkheid of mogelijkheid van benadeeling van anderen, wie dan ook, bestond. Zoo besliste herhaaldelijk deze Raad. Zie de arresten van 15 April 1851 (v. d. Honert, Strafregt van dat jaar, I, 178, Ned. Regtspr., d. 38, blz. 226), 25 Jan. 1842 (v. d. Honert, Strafregt, VI, blz. 393, Ned. Regtspr., XI, 64), 27 Jan. 1852 (v. d. Honert, Strafregt van dat jaar, I, 42, Ned. Regtspr., XLI, 40), en van 7 April 1858 (v. d. Honert, Strafregt van dat jaar, I, 199, Ned. Regtspr., LVIII, 309). En nu blijkt in facto, dat de getuige Nieman door het valsche stuk werkelijk is benadeeld. De overige vereischten voor strafbare valschheid zijn dus mede aanwezig.

Het tweede middel betreft de aan den gereq. opgelegde subsidiaire gevangenis-straffen. Hij werd onder anderen veroordeeld tot vijf geldboeten, elk van J 25, of een dag gevangenis straf voor elke niet voldane boete. Daardoor is geschonden art. 1, lid 9, der wet van '22 April 186 4 (Stbl. n». 29), hetwelk het minimum der vervangende gevangenis-straf bepaalt op twee dagen, indien eene boete is opgelegd van meer dan / 10 tot f 50.

Ik heb derhalve de eer, namens den^heer proc.-gen., te concluderen tot niet-ontvankelijk-verklaring van den req. in zijne voorziening; voor zoover de gereq. bij het beklaagde arrest is vrijgesproken, overigens tot vernietiging van het beklaagde arrest, en dat de Hooge Raad, ten principale regt doende, den gereq. zal schuldig verklaren, behalve aan de valschheid in onderhandsch geschrift en het tweemalen des bewust gebruik maken van valsche onderhandsche geschriften, in het arrest vermeid, aan: valschheid in onderhandsch geschrift door het namaken van geschriften en het des bewust gebruik maken van een door namaking van geschriften valsch onderhandsch geschrift; voorts aan bedriegelijke opligting, door, met gebruikmaking eener valsche qualiteit, zich losse goederen te doen afgeven, en langs dien weg bedriegelijk zich meester te maken van een deel van eens anders bezittingen , viermalen gepleegd, een en ander na vroegere veroordeeling tot gevangenis-straf van langer dan een jaar, en hem veroordeelen tot eene gevangenis-straf van drie jaren, tot betaling van vijf geldboeten, elk van ./ 50, en vier geldboeten, elk van f 25, met bepaling, dat iedere boete, zoo de veroordeelde haar niet betaalt binnen twee maanden, na daartoe te zijn aangemaand, zal worden vervangen door gevangenis-straf van twee dagen, voorts in alle kosten van het regtsgeding, ook die, in cassatie gevallen.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op de middelen van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie;

Overwegende, dat 's requirants voorziening in cassatie is algemeen en onbeperkt;

O. echter, dat de gereq. bij het beklaagde arrest van een der hem ten laste gelegde feiten is vrijgesproken;

0., dat tegen dat gedeelte van het arrest het gewoon beroep in cassatie niet openstaat;

Verklaart den req. niet-ontvankelijk in zijn beroep , voor zooveel die vrijspraak betreft;

Voorts ten opzigte van de voorziening, voor zooverre zij is ontvankelijk :

O., dat als eerste middel van cassatie is voorgesteld: verkeerde toepassing van art. 405 Strafregt en schending door niet-toepassing van de artt. 150, 151 j". 147 en 164 van hetzelfde wetboek, door het in het arrest sub II vermelde en bewezen verklaarde feit, dat de gereq. op den 7 Julij jl., onder aanbieding van een door hem verzonnen en geschreven briefje, luidende: * voor Thomas de Koning 3 pont spek, 2 worst, 2 koffie, 2 rijst,» en zich voordoende als gezonden door zijn meester (Thomas de Koning), om die namens hem en voor zijne rekening te vragen, zich die goederen door Nieman heeft doen ter hand stellen en ze als de zijne ten nadeele der eigenaren, zonder last van zijn meester, ten eigen bate heeft gebezigd, — als bedriegelijke opligting in plaats van als valschheid in onderhandsch geschrift te qualifleeren;

0., dat tot adstructie van dit middel bij de memorie van cassatie wordt aangevoerd, dat hier al de algemeene vereischten voor valschheid in geschrift, als verkorting der waarheid, bedriegelijk oogmerk en mogelijke toebrenging van schade, aanwezig zijn, en dat in deze speciaal is valschheid »par contrefaijon de signature,» vermits daartoe voldoende is, dat de vervaardiger van het geschrift daarin van een hem niet toekomenden naam bedriegelijk gebruik heeft gemaakt, onverschillig op welke wijze de naam geschreven of geplaatst is; dat voorts, al ware hier geen «contrefaijon de signature,» er in ieder

geval «contretaijon d ecriture» zouae zijn;

0., dat het beweren, dat hier zoude zijn 'Contrefaijon de signature," in strijd is met de in de achtste overweging van het beklaagde arrest voorkomende feitelijke beslissing, »dat het den Hove door bezigtiging is gebleken, dat de naam van Thomas de Koning is geplaafct in den aanhef van het geschrift, en blijkbaar behoort tot het ligehaam zelf van het geschrift, in onderscheiding van de handteekening (signature), en dat ook elders op dat stuk geene naamteekening wordt gevonden;

O. ten aanzien van het beweren, dat, al ware hier geen «contrefaijon de signature,» er in elk geval »contrefa9on d'ecriture» zoude zijn; dat de reden, waarom de wet het door valsche geschriften gepleegde bedrog met zwaardere straffen bedreigt, gelegen is in het gevaar voor de maatschappij, daardoor ontstaande, dat door die geschriften , indien zij echt waren, eenig regt of bevrijding van verpligting zoude kunnen worden geconstateerd; dat nu een ongeteekend geschrift als het onderwerpelijke, niets anders bevattende dan eene ongave van aangevraagde winkelwaren , van geen verbindtenis . actie

nf welk re<-t, ook. den bil de wet erkenden grondslag kan uitmaken

en derhalve niet valt in het begrip van het hij art. 147 Strafregt bedoelde strafbare falsum;

0. echter, dat, wat van dat alles ook zij, om «contrefaijon d'écriture» of »de signature» te kunnen aannemen, vóór alles moet vaststaan, dat er is «contrefapon ,» hetzij dan «d'e'criture,» hetzij »ile

signature;» dat zulks echter in casu niet vaststaat; dat immers ftet schrift van Thomas de Koning niet alleen niet nagemaakt is, maar dat in het arrest zelfs niet wordt gezegd, dat de beschuldigde het door hem overhandigde lijstje als schrift van zijn meester heettdoen voorkomen, of dat de winkelier het daarvoor gehouden heeft, zoodat in ieder geval het eerste vereischte voor deze soort van valschheid in geschrift, de «contrefaijon», in casu niet blij kt aanwezig te zijn;

Ö., dat het eerste cassatie-middel derhalve is ongegrond;

0., dat als tweede middel is voorgesteld: schending van art. 1 , lid 9, der wet van den 22 April 1864 (Stbl. n°. 29), door te bepalen

dat elke opgelegde boete van f 25, zoo de veroordeelde haar niet betaalt binnen twee maanden na daartoe gedane aanmaning, zal worden vervangen door gevangenis-straf van e'én dag;

O., dat dit middel is gegrond; dat immers bij het aangewezen artikel de duur der subsidiaire gevangenis-straf, voor het geval, dat eene boete van meer dan f 10 is opgelegd, op ten minste twee dagen wordt vastgesteld; en het Hof derhalve, door voor geldboeten van f 25 , ingeval van niet-betaling, eene subsidiaire gevangenis¬

straf van één dag in de plaats te stellen, gezegd artikel heeft geschonden ;

Vernietigt het beklaagde arrest, doch alleen voor zooverre daarbij bepaald is, dat vijf geldboeten, elk van f 25, ingeval van nietbetaling binnen twee maanden na aanmaning, zullen worden vervangen door gevangenis-straf van één dag;

En, te dien opzigte, krachtens art. 105 R. O., ten principale regt doende;

Gezien art. 1, principio en al. 8, der wet van den 2 2 April 1864 (Stbl. n°. 29), luidende enz.;

Benaalt, dat de viif geldboeten van f 25, waarin de gereq. ver¬

oordeeld is, zoo zij binnen twee maanden na aanmaning niet zijn

betaald , zullen vervangen worden eiK uoor eene gevangenis-strai van twee dagen;

Veroordeelt den gereq. in de kosten, in cassatie gevallen.

PROVINCIALE HOVEN.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN NOORDBRA1ÏANT. Kurgerlijke kamer.

Zitting van den 17 Januarij 1871.

Voorzitter, Mr. J- Versfelt.

Kadaster. — Onteigening. — Eigendom. — Erkenning.

Moet de staat, eene onteigenings-actie instellende tegen hem, die op de registers van het kadaster als eigenaar voorkomt, daardoor geacht worden diens eigendomsregt te hebben erkend? — Ja.

(Zie het vonnis van eersten aanleg van de Arrond.-Regtbank te 's Hertogenbosch van 19 Nov. 1869 , in Weekbl. n". 3297.)

Het Hof enz.,

Overwegende in facto:

dat des appellauts vordering is gegrond op het beweerd eigendomsregt van den Staat op alle woeste en inculte gronden in Noordbrabant , of wel op het algemeen tiendregt van den Staat op die gronden ;

0. in regten :

dat, wat er ook in het algemeen zij van het eigendomsregt van den Staat van de woeste en inculte gronden in Noordbrabant in casu, de onteigening der gronden in geschil de formele en uitdrukkelijke bekentenis involveert, dat de Staat de gemeente Esch als eigenaresse daarvan erkend heeft, en dat, voor zooverre de Staat daarop een zakelijk tiendregt mogt hebben gehad, dat regt op die perceelen door vermenging zou zijn verloren gegaan , nadat het eigendomsregt op die perceelen door de onteigening op den Staat is overgegaan;

0., dat die regtsbeginselen , in het vonnis a quo als grondslag der beslissing aangenomen, in het breede ontwikkeld en betoogd, in hooger beroep wel bestreden zijn, doch niet wederlegd;

Aannemende de middelen en motieven des eersten regters, bevestigt het vonnis, waarvan is geappelleerd; en beveelt, dat het geheel en volkomen effect zal sorteren ;

Veroordeelt den app. in de kosten , te liquideren bij staat ingevolge de wet.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN FRIESLAND. Kamer van correctionnele tippellen.

Zitting van den 31 Januarij 1871.

Voorzitter, Mr. D. J. A. Baron van Harinxma thoe Slooten.

Diefstal. — Loonbediende.

Is eene schoonmaakster, die nu en dan en niet op vaste tijden bij iemand tegen loon komt werken, te diens opzigte eene loonbediende , in den zin van art. 386 , n". 3 Code Pe'nal f Ja.

De proc.-ge.i. bij het Prov. Geregtshof in Friesland , appellant , tegen

L. H., arbeidster , geappelleerde.

Het Hof enz.,

Gehoord het requisitoir van den proc.-gen., geteekend en ter tafel overgelegd, daartoe strekkende: »ten einde het Hof het vonnis a guo bevestige, wat betreft de schuldigverklaring en de veroordeeling in de kosten van eersten aanleg; doch overigens vernietige; de feiten qualificere als diefstal, gepleegd door een loonbediende, ten huize van haren meester, en, met toepassing van art. 386, n". 3, Strafregt. in verband met art. 14, n-. 6, en art. 7 der wet van den 29 Junij 1854, en artt. 2 en 3 der wet van 28 Junij 1851, de bekl. engeïnt. veroordeele tot eene cellulaire gevangenis-straf van één jaar en in de kosten van het hooger beroep met die van eersten aanleg, des noods invorderbaar bij lijfsdwang ;

Overwegende, dat de bekl., nu geapp., ter teregtzitting der Arrond.Regtbank te Sneek heeft bekend, dat zij vóór den 12 Mei 1870 meer dan twee niet opvolgende dagen, tegen genot van kost en loon, ad 40 cents per dag, is werkzaam geweest als schoonmaakster ten huize van W. J. en vrouw, te N.; dat zij, op een van die dagen als schoon¬

maakster werkzaam zijnde, op een morgen op twee verschillende tijdttippen , uit het bovenste laad van de secretaire, die ongesloten was , arglistig heeft weggenomen uit een in die lade aanwezig tonnetje twee rijksdaalders en zich deze heeft toegeeigend;

O., dat deze bukeritenis is bevestigd , door de in eersten aanleg onder belofte afgelegde verklaringen der getuigen W. J. en diens vrouw M. W., die dienaangaande hebben verklaard, dat de bekl., nu geapp., nu en dan in het begin der maand Mei 18 70 als schoon¬

maakster oij nen in uienst is geweest, tegen genot van de kost en een loon ad 40 cent per dag; dat zich in de secretaire, staande in de woonkamer, een spaarpot bevond van een overleden zoontje, waarin bij verschillende gelegenheden geld was gedaan, met het beheer waarvan de tweede genoemde getuige was belast; dat deze getuige dan ook dienaangaande heeft verklaard, dat zij een kwaad vermoeden tegen de bekl., nu geapp. had opgevat, uit hoofde deze vele aankoopen had gedaan en daartoe geld van anderen moest hebben genomen of verkregen ; dat dit haar aanleiding had gegeven dien spaarpot na te zien , als wanneer haar was gebleken , dat zich in dezelve slechts een rijksdaalder en een gulden bevond, terwijl er misschien wel f 20, althans meer dan vier rijksdaalders, in aanwezig moesten zijn ;

0., dat het Hof, eveneens als de regter a quo, door bovengenoemde bekentenis en verklaringen, en alzoo door wettige bewijsmiddelen, de overtuiging heeft bekomen, dat de bekl., nu geapp., zich aan de feiten, haar bij de oorspronkelijke dagvaarding te last gelegd, heeft schuldig gemaakt;

O., dat de regter a quo heelt geooraeeiu , aat üe oewezen verklaarde feiten, hoezeer de bekl., nu geapp., die pleegde, toen zij als schoonmaakster in dienst was, die omstandigheid haar evenwel niet kon doen rangschikken onder de loonbedienden ; terwijl evenmin op haar van toepassing was de slotbepaling in art. 386, n°. 3, Strafregt, omdat zij slechts nu en dan, wanneer men haar eens noodig had en niet op vaste tijden, bij de bestolene gewoon was te werken ;

0., dat de regter a quo op dien grond de ten laste der bekl., nu geapp., bewezen verklaarde feiten heeft gequalificeerd daar te stellen eenvuudigen diefstal, misdrijf, omschreven en strafbaar gesteld bij art. 401 Strafregt;

0. evenwel dienaangaande, dat eene schoonmaakster zeer zeker is eene bediende van dengene, voor en ten huize van wien zij werkt, en wanneer zij dat doet voor loon, als in casu, en als zoodanig diefstal pleegt ten huize van dengene, wien zij dient en die daarom is haar meester, het noodzakelijk vertrouwen, hetwelk haar moet worden geschonken, schendt;

O., dat alzoo het vonnis a quo behoort te worden bevestigd , wat betreft de schuldig-verklaring en de veroordeeling in de kosten van eersten aanleg, doch verbeterd, wat betreft de qualificatie en de opgelegde gevangenis-straf;

Gezien art. 24 7 Strafvord.;

Regt doende in het hoogste ressort,

Bevestigt het vonnis a quo, wat betreft de schuldig-verklaring en de veroordeeling in de kosten in eersten aanleg, doch vernietigt hetzelve overigens :

Qualificeert de bewezen verklaarde feiten als diefstal, gepleegd door een loonbediende, ten huize van haren meester , misdrijf, omschreven en met straf bedreigd bij art. 386, n°. 3, Strafregt, j». art. 14, n°. 6, der wet van 29 Junij 1854 (Stbl. n». 10 2);

Verklaart de bekl., nu geapp., daaraan schuldig en van toepassing gemelde wets-artikelen, lnidende enz.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN OVERIJSSEL.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 19 September 1870.

Bij de beteekening van exploiten voor een schipper, aan scheepsboord geëxploiteerd, overeenkomstig art. 313 B. R., is toepasselijk het voorschrift vcin artt. I en '2 coll. art. 92 B. R.

De aan scheepsboord gestelde geregtelijke bewaarder behoort niet t ot de in art. 2 B. R. bedoelde huisgenooten.

H. Voerman, wed. Mol, appellante, procureur Mr. W. P. Hdberï j

tegen

W. Kreuzen, geïntimeerde, procureur Mr. E. G. van Senden.

Het Hof enz.,

Gezien do grosse van het vonnis der Arrond.-Regtbank te Zwolle,

Sluiten