Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

)

ingevolge art. 1 B. W., onafhankelijk is van de staatkundige regten;

dat evenmin op de beslissing ten deze van invloed kan zijn het zijdens den incidenteien eischer gepleite, dat, indien imiteri de kolonie gevestigde Nederlanders niet onderworpen zijn aan de verpligting tot het stellen van zekerheid, ingevolge art. 153 B. !{., de inutzenen voor de meest ongegronde vorderingen zulleu kunnen worden in regten geroepen , zonder de hnn daardoor te veroorzaken kosten en toe te brengen schaden te zullen kunnen verhalen;

dat dit argument toch alleen de jure constituendo in aanmerking zou kunnen komen , maar in geen geval afbreuk kan doen aan het jus contitutum ;

dat derhalve het incidenteel verzoek tot het stellen van zekerheid niet kan worden toegewezen.

MEjNuELW ft UK.

ART. 437 WETB. VAN STRAFVORDERING.

De Hooge Raad heeft bij arrest van 20 Dec. 1870 ( Weekbl. n°. 3281) beslist: dat de verklaring van een veldwachter, op den ambtseed afgelegd voor den bevoegden burgemeester, en door dezen bij proces-verbaal, op zijn ambtseed opgemaakt, geconstateerd, niet valt onder de verklaringen, bedoeld bij art. 437 Wetb. v. Strafvord., geheel in strijd met eene veeljarige jurisprudentie van dat hoogste reg* terlijk collegie. Niettegenstaande al den eerbied, dien ik heb voor de uitspraken van den Hoogen Raad, kan ik bovengemelde beslissing nog niet zoo gereedelijk aannemen en zal het voorzeker ook niet vermetel zijn, de juistheid dier beslissing in twijfel te trekken, zoolang ze — voor mijne overtuiging onvoldoende gemotiveerd — nog alleen staat tegenover eene vroeger gevestigde jurisprudentie. De redenen , waarom ik nog aan deze boven de laatste beslissing de voorkeur meen te mogen geven , zijn de navolgende:

!i>. Het. woord verklaring wordt gewoonlijk gebezigd van een mondeling te kennen geven, en wel bij uitzondering ook van een geschrift, bevattende een te kennen geven des schrijvers; doch in deze laatste beteekenis komt het woord in ons gansche Wetb. v. Strafvord. niet voor. In het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering treft men dit woord in dien zin wel aan, b. v. in art. &6 ,• doch hier is eenvoudig sprake van eene verklaring des griffiers. Van het afleggen eener verklaring , in de beteekenis va:; een geschrift, is nergens de rede, voor zoover mij bekend; en nu bevat ook art. 437 Strafvord. juist de uitdrukking "verklaringen enz., afgelegd op den eed* enz.

2°. In art. 437 Strafvord. volgt op verklaringen: //verbalen en relazen//, en wordt aan deze woorden te zamen het verleden deelwoord afgelegd toegevoegd. Het is zeer zeker taalkundig onjuist, te spreken van het afleggen van een proces-verbaal of relaas. Alléén van eene mondelinge verklaring zegt de wetgever in het Wetb. v. Strafvord. (artt. ;s9, 121, 153 —156 , 17fx enz.) , dat ze wordt afgelegd. Waarom zou hij nu juist dat werkwoord ook voor verbalen en relazen hebben gebezigd, zoo niet om te doen uitkomen, dat hij onder verklaringen een mondeling te kennen geven van een ambtenaar, in een door een ander opgemaakt proces-verbaal geconstateerd , wil begrepen hebben ? Immers, ware dit niet de bedoeling geweest, de wetgever zou een ander werkwoord hebben moeten kiezen en ook wel genomen hebben, b. v. in de plaats van afgelegd opgemaakt, dat algemeen gebruikt wordt en voor alle schriftelijke stukken even goed gebezigd kan worden. Alléén volgens deze opvatting van het artikel, is de taalkundige onjuistheid, door den wetgever met betrekking tot het woord //afgelegd'/ begaan, eenigermate begrijpelijk en verschoonbaar.

3". Het is volstrekt niet bevreemdend, dat de wetgever eene op den ambtseed afgelegde verklaring, bij behoorlijke acte van een an deren ambtenaar geconstateerd, onder de schriftelijke bescheiden heeft willen rangschikken. Integendeel, er is eene geschiedkundige aanwijzing bij te brengen voor de hooge waarschijnlijkheid, dat het werkelijk des wetgevers bedoeling is geweest. Het 2de lid toch van het tegeuwoordig art. 281 luidde bij het ontwerp van 1829 aldus : «De verklaringen , bevorens voor regters-commissarissen afgelegd en dooiden dood der getuigen bevestigd, kunnen bij de teregtzitting als bewijsstukken worden aangenomen.'/ De bedenkingen, in de sectiën der Tweede Kamer tegen deze bepaling geopperd, waren niet daartegen gerigt, dat de verklaringen van getuigen, voor den regter-commissaris af'gelegd, bewijsstukken werden genoemd; maar alleen hiertegen, dat zoodanige verklaringen, éénvoudig afgelegd voor den regter-commissaris en niet beéedigd, zouden worden toegelaten als een volledig bewijs, en tegen de onjuistheid der uitdrukking: -/door den dood bevestigd'/. Uit dien hoofde werd dan ook bij de nieuwe redactie gedachte bepaling aldus gesteld: "De verklaringen, bevorens voor regters-commissarissen afgelegd, kunnen, ingeval van overlijden der getuigen, op de teregtzitting 'worden voorgelezen, en de regter kan op dezelve, naar gelang van omstandigheden , acht slaan.'/

4 . Er bestaat geene overwegende reden, om verklaringen van een ambtenaar, op zijn ambtseed afgelegd en geconstateerd bij behoorlijk proces-verbaal van een ander ambtenaar, achter te stellen aan gelijke verklaringen, maar door den verklarenden ambtenaar zelf — 't zij dan in waarheid of krachtens eene fictie — in een verbaal of relaas opgenomen. Immers , de waarde der verklaring zal wel niet in het schrift van den verklarenden ambtenaar zijn gelegen , maar in het karakter van dezen , in de aflegging der verklaring op den ambtseed en op het tijdig en behoorlijk in geschrifte brengen van de betrokken verklaring. Of dit laatste nu geschiedt door den verklarenden ambtenaar , of door een ander bevoegd ambtenaar, is op zich zelf m. i. eene onverschillige zaak. I)e verklaring blijft aitoos de in geschrifte gebragte verklaring van één getuige, die het karakter van ambtenaar in geen geval verliest, len aanzien van de geloofwaardigheid der verschillende verklaringen valt a priori niets te zeggen. Zij moet immer, in elk geval aizondeilijk , ook naar hetgeen van elders blijkt, beoordeeld worden, omdat de wet den regter in geen enkel geval de stellige verpligting oplegt om haar aan te nemen, ik schroom echter niet te erkennen, dat ik voor mij, a priori, meer vertrouwen stel in verklaringen , door beambten van lageren rang op hun ambtseed afgelegd, wanneer deze door een hoogeren ambtenaar bij behoorlijk proces-verhaal zijn geconstateerd , dan wanneer ze door dien beambte zelf zijn in geschrift gebragt. .<ijne ervaring toch, in verschillende betrekkingen opgedaan, heeft mij geleerd, dat juist de verbalen der beambten,

Iook waar ze constateren, wat ze zeiven gezien, gehoord en ondervonden heiiben, zoo dikwijls onnaauwkeurig zijn, niet alleen op ondergeschikte punten, maar zelfs ten aanzien van de hoofdfeiten, dat het bijna altoos hoogst wenschelijk is te achten, dat de beambten zeiven ter bevestiging en toelichting hunner verbalen als getuigen worden gehoord. ] at onnaauwkeurig relateren , zelfs opnemen van feiten, daarvan ze persoonlijk soms niets weten, heeft geen plaats, is althans veel minder te vreezen , wanneer ze voor een hoogeren ambtenaar

ünnc verklaringen; afleggen.

Welke zijn nu de gronden , waarop de jongste leer van den HooRaad rust ?

^ a- "Ofschoon eene dergelijke verklaring door een ander kan worhet 'll gebragt, wordt evenwel buiten twijfel gevorderd , dat

VQnS!U^ van den relatunt is uitgegaan, en als een schrijtelijk bescheid ^ 1 *ern zeiven kan worden aangemerkt.//

Vooreerst gebruikt de wetgever deze uitdrukkingen niet, noch soortgelijke. Explicite vordert hij in art. 437 alléén , dat de verklaring op den ambtseed zij afgelegd; maar bovendien, in het door den Hoogen Kaad aangenomen geval, kan dan een proces-verbaal van een ambtenaar, constaterende eénig en alléén en al zoo opzettelijk de eigen verklaringen van een beambte, op zijn ambtseed afgelegd, wanneerdeze beambte, om de eene of andere reden, in het verbaal vermeld , verhinderd wordt te schrijven , niet gezegd worden van dien beambte uit te gaan ? Indien iemand, die gelasterd is , klagte doet aan een commissaris van politie , en deze die klagte opneemt in een verbaal, gaat dan dit verbaal niet uit van den gelasterde ? Wordt dat verbaal niet genoemd de klagte ? Heeten de acten} waarbij door de procureurs voor hunne cliënten ter rolle geconcludeerd wordt, niet de conclusièn der partijent Wanneer de griffier een proces-verbaal van verhoor van eene der litigerende partijen heeft opgemaakt, gaat dan dat verbaal niet van de partij zelve uit, of, zoo als art. 1939 B. \V. spreekt —- wat nog sterker is is dan die acte niet voortgekomen van partij f De jurisprudentie, ook van den Hoogen Raad, beantwoordt deze vraag bevestigend. Eindelijk , welke meerdere waarborg kan er liggen in een proces - verbaal, opgemaakt door een ambtenaar in dien vorm , dat een ander daarin wordt voorgesteld als relatant en deze het verbaal onderteekent, dan in een zoodanig verbaal, dat, eene geheel natuurlijke en ware voorstelling gevende van hetgeen geschiedt , dien ander laat verklaren , die verklaringen opneemt en na voorlezing aan en volharding door den verklarenden beambte, vermeldt, dat deze om eene bepaalde reden niet kan teekenen. Juist de leer van den Hoogen Raad , dat een ander kan schrijven , zoo de eigenlijke ïelatant maar teekent, is gevaarlijk. Hoevele gevallen toch zullen zich niet voordoen, dat, op verklaringen van surveillerende beambten, een commissaris van politie of burgemeester relazen opmaakt of doet opmaken voor die beambten, en ze door dezen doet teekenen, zells zonder behoorlijke eigen lecture of voorlezing, in goed vertrouwen op den hoogeren ambtenaar. Legt daarentegen een beambte op zijn ambtseed voor een hoogeren ambtenaar eene verklaring af, deze zal de verklaring juister en naauwkeuriger op papier brengen , dan de beambte het, uit den aard der zaak, zelf zou vermogen ; en daarbij zal dan nog het slot van het verbaal uitdrukkelijk doen blijken van voorlezing van en volharding bij het verklaarde.

6. '/1 )oor de uitdrukking: verklaring, verbaal of relaas worden, ook blijkens het opschrift der afdeeling, waarin art. 437 voorkomt, en het verband met art. 436, altijd schriftelijke bescheiden verstaan.//

De kracht van dit argument, afgescheiden van dat sub a, is moeijehjk te vatten , dunkt mij. Mag al het opschrift van een titel of eene afdeeling invloed hebben op de interpretatie van daaronder ressorterende artikelen , zoo staat nog dat opschrift hier niet in den weg aan de door mij verdedigde uitlegging van art. 437. Immers, ook volgens haar wordt een schriftelijk bescheid gevorderd; en noch het opschrift der afdeeling, noch het' verband van art. 437 met art. 43G kan iets beslissen omtrent de vraag: «wie dat bescheid moet hebben geredigeerd, geschreven en geteekend,'/ en de quaestie blijft onbeslist, of de vei klaring van één getuige, welke verklaring wordt afgelegd door een ambtenaar op zijn ambtseed, gelijk art. 437 zegt, kracht van schriftelijk bewijs zal hebben, zoo zij behoorlijk is geconstateerd , of dat het daartoe volstrekt noodzakelijk is, dat die ambtenaar zelf, minstens in het proces-ver baal, die verklaring constaterende, figureert zij hij het dan ook al in waarheid niet — als de redacteur van het bescheid? Voorts mag ik hier met betrekking tot de uitdrukking '/verklaringen'/ verwijzen naar hetgeen ik reeds sub 1°. en 3°. aanvoerde.

c. //De onderscheidene uitdrukkingen in art. 437 zijn slechts gebezigd , omdat de stukken , naar het karakter der beambten of den aard van het onderwerp, verklaringen, relazen of verbalen worden genoemd.//

Met den besten wil der wereld is het mij niet mogen gelukken voor dit laatste argument eenigen grond te vinden ; en ik houd het dan ook slechts voor eene geheel apodictische uitspraak van den redacteur van het arrest. Van verklaringen in den zin van geschriften , door den verklarenden ambtenaar zelf opgemaakt, is in het Wetb. v. Strafvord. geen spoor te vinden ; en waar in eenig ander wetboek daarvan de rede is, komen ze van ambtenaren, die met de opsporing van misdrijven niet beiast zijn. Verbalen zijn zeker hetzelfde als processen-verbaal; en met die benaming worden in het Wetb. v. Strafvord. allerlei acten betiteld, zoowel die der lagere ambtenaren of beambten, ais die der hoogere of eigenlijke ambtenaren , b. v. officieren en hulp-officieren van justitie, regters-commissarissen , griffiers der regterlijke collegiën, zonder onderscheid. Het woord relazen (in den Franschen tekst "rapportS") wordt ook , naar ik geloof, alleen in art. 437 Wetb. v. Strafvord. aangetroffen, al komt het dan ook in latere wetten menigvuldiger voor. In art. 438 Strafvord. is sprake van //rapporten// (in den Eranschen tekst rapports genoemd , even als de relaxen , in art. 437 bedoeld), doch ten aanzien van deze is juist bepaald, dat ze niet vallen in art. 437.

legenover de argumenten, die voor mijn gevoelen zijn aan te voeren, zijn die van den Hoogen Raad dusverre, naar mijne bescheiden meening, vrij zwak; en de wensch zal daarom wel gebillijkt worden, dat dit hoogste regterlijk collegie spoedig nogmaals geroepen mag worden om dezellde quaestie te beoordeelen, en dat dau , zoo hij bij zijne jongste leer blijft volharden, die leer door nog andere en gewigtigere, of in ieder geval ampeler ontwikkelde en zoo mogelijk _meer overtuigende argumenten mag worden ondersteund.

Mogen zij, die den Hoogen Raad daartoe in staat kunnen stellen, tot vervulling van dien wensch medewerken. In spoed is hier m. i. het grootste, zoo niet éénig belang gelegen. Als toch eens weder de jurisprudentie van den Hoogen Raad op dit punt gevestigd is, zal het voor een ieder gemakkelijk zijn zich daarnaar te gedragen. Ook in het geval, dat tot het arrest van 20 Dec. 1:70 aanleiding gaf, had de betrokken burgemeester den veldwachter zelf als verbalisant kun nen laten figureren, bijaldien deze ten minste het verbaal had kunnen onderteekenen , wat wel waarschijnlijk is te achten; maar heeft die burgemeester den zwaar verwonden veldwachter zeker niet noodeloos willen bemoeijelijken , daarbij vertrouwende op de vroegere, langdurige en bekende jurisprudentie van den Hoogen Raad.

Assen , den 15 Maart 1871.

W. van Nauta Lemke.

PLAATSELIJKE VERORDENINGEN.

{Ingezonden.)

's Gravenhage, 18 Maart 1871.

Mijnheer de Redacteur l

De leer, dat de burgerlijke regter bevoegd is, de plaatselijke verordening, die hij met de wet strijdig acht, voor niet verbindende te houden en dus voor het geval, waarin hij regt spreekt, in 't wezen te vernieti-en, werd herhaaldelijk door u bestreden. Ook mij komt het voor, dat die leer verderfelijk en met de Grondwet in strijd is. Daarom deed het mij leed en bevreemdde hec mij, u in het Weekblad van voorleden Maandag, den 13 dezer maand, als verdediger te zien optreden van eene uitspraak van den Hoogen Raad, waarbij die leer op nieuw gehuldigd wordt. Vergun mij, uit hoofde van het hoog belang

van het onderwerp, over het door u aangevoerde een kort woord met u te wisselen.

Naar uw oordeel, heeft de regter de door den Koning niet vernietig ie plaatselijke verordening die treedt in hetgeen van rijksbelang is,

slechts dan te eerbiedigen, wanneer zij "zich beweegt binnen de grenzen van de wettige bevoegdheid'/ van het Gemeentebestuur ;

is de Groningscbe verordening, over wier wettigheid de Hooge Raad

j besliste, buiten die grenzen en op het gebied van het Burgerlijk Wet¬

boek getreden ;

heeft die verordening •'geenerlei wettig bestaan" en is zij dus noch voor den refter, noch voor de ingezetenen verbindende.

De door u gestelde voorwaarde voor de verpligting van den regter tot eerbiediging der niet vernietigde plaatselijke verordening staat in de gemeentewet niet te lezen. Het tweede lid van art. 150 zegt onbepaald: //bij twijfel, of eene verordening dit deed (of zij getreden is in hetgeen van algemeen rijks- of provinciaal belang is), verbindt zij, totdat art. 153 (de schorsing of vernietiging door den Koning) is toegepast." Dat die voorwaarde in eenige andere wetsbepaling te vinden zou zijn, is mij niet bekend. Waarop kan zij dan worden gegrond? De Gemeenteraad, die in eene verordening regelen van burgerlijk regt vaststelt, beweegt zich zeker niet binnen de grenzen zijner bevoegdheid. Maar hij, die in eene, tot een der bij art. 135 van de gemeentewet omschreven onderwerpen zorgvuldig beperkte , verordening met de wet strijdige bepalingen opneemt, doet het evenmin. In het een, als in het ander geval doet de ixaad wat hij niet bevoegd is te doen. gaat hij de grenzen zijner bevoegdheid te buiten. In beide gevallen schijnt dus met opzigt tot de kracht der verordening, zoolang zij niet vernietigd is, dezelfde regel te moeten gelden.

De vraag, of de Groningsche Gemeenteraad bevoegd was, in zijne verordening op de invordering van den hoofdelijken omslag den voorrang der gemeente te bèpalen, behoeft tusschen ons niet te worden behandeld. Hare beantwoording kan ter beslissing van ons verschil van meening niets afdoen. Ik moet echter opmerken, dat de Regering die bepaling blijkbaar niet onwettig heeft geacht. Ware zij van een ander gevoelen geweest, zij had dan geene goedkeuring verleend aan het raadsbesluit tot heffing van een hoofdelijken omslag te Groningen, die zou worden ingevorderd naar eene verordening, wier 19de artikel aan de gemeentekas voorrang geeft. Tusschen het besluit tot heffing eener plaatselijke belasting en de voorschriften, betreffende hare invordering, bestaat, het is u bekend, naar den zin der gemeentewet, een onafscheidelijk verband. Volgens het tweede lid van art. 235, moet zelfs de reeds goedgekeurde belasting, wanneer de verordening op hare invordering gewijzigd is, op nieuw aan de Koninklijke goedkeuring worden onderworpen. De uitspraak van den Hoogen Raad heeft alzoo verbindende kracht ontzegd aan eene bepaling, die niet slechts door een Gemeenteraad, maar door de Regering zelve met de wet overeenkomstig is geacht. Zij heeft het gezag van den regter gesteld boven dat van den plaatselijken wetgever en boven dat van den Koning.

Voor uw beweren, dat de Groningsche verordening "geenerlei wettig bestaan-/ zou hebben , dat zij dus ipso ju-re nietig zou zijn , weet ik geen grond te vinden. Met art. 140 der Grondwet weet ik het niet overeen te brengen. De bij dat artikel aan den Koning opgedragen rnagt tot vernietiging der met de wet strijdige plaatselijke verordeningen ware niet ncodig en zonder nut, indien die verordeningen geen wettig bestaan hadden. Hetgeen reeds nietig is behoeft niet te worden vernietigd. Ook de gemeentewet laat, meen ik, uwe opvatting niet toe. Zij heeft nietigheid ipso jure voor de met de wet strijdige verordeningen nergens uitgesproken. Zij bepaalt alleen in art. 151 , dat de bepalingen eener verordening, in wier onderwerp, na hare uitvaardiging, door de wet wordt voorzien , van regtswege ophouden te gelden. Maar, vergis ik mij niet, dan wordt dit een en ander door u als regel erkend en laat gij daarop slechts ééne uitzondering toe, voor zooveel de verordening betreft, die //zich beweegt// buiten "de grenzen van de wettige bevoegdheid" van het Gemeentebestuur. Wil echter bedenken, dat, volgens de Grondwet en de gemeentewet, met betrekking tot de met de wet strijdige verordeningen , eenerlei regt geldt. Een onderscheid tusschen verordeningen, die van kracht zijn, totdat zij zijn vernietigd, en verordeningen , die ipso jure nietig zijn en dus de vernietiging niet behoeven , bestaat, volgens die wetten , niet.

Hetgeen ten slotte door u wordt aangevoerd, dat een Gemeentebestuur wel eens eene verordening over voogdij , of erfregt, of hypotheekregt zou kunnen maken en dat het dan toch niet zou

aangaan , wanneer die verordening niet door den Koning vernietigd ware, hare toepassing van den regter te vorderen , kan , naar ik meen, voor uw gevoelen niet pleiten. De mogelijkheid van dat geval komt mij voor niet aan te nemen te zijn. Ik geloof niet, dat in eenige gemeente van het land zoodanige verordening ter wereld zou komen, alvorens het hooger gezag gewaarschuwd ware. Doch gesteld, het geval deed zich voor, welk kwaad zou dan te duchten zijn , indien de verordening tot aan hare vernietiging van kracht bleef? Gaf zij tot een geding aanleiding , zij zou dan , buiten twijfel , lang vóór de regter uitspraak had te doen , ter kennis komen van de Regering, die zeker oogenblikkelijk voor hare vernietiging zorg zou dragen.

Ik zal mijn schrijven niet langer maken , Mijnheer de Redacteur. Tot u sprekende, weet ik , dat ik spreek tot iemand , die de door den Hoogen Raad gehuldigde leer in den regel afkeurt. Ik durf mij haast van u op u te beroepen. Ik wensch alleen nog, voor het geval, dat mijne woorden u tot nadere beschouwing van het onderwerp aanleiding mogten geven , uwe aandacht te vestigen op eene der overwegingen, waarop de uitspraak van den ;(oogen Raad steunt. Zij staat vermeld op bladz. 3 , kol. 3 , van het Weekblad van .Maandag den 6 Maart, en luidt dus: "Overwegende, dat wel bij art. 150, 2de zinsnede, in verband met art. 153, der gemeentewet is bepaald, dat de plaatselijke verordeningen, zelfs dan, wanneer zij mogten strijden met de wet, blijven verbinden , totdat zij door den Koning zijn geschorst; doch dat de regter, voor wien , naar art. 115 der Grondwet, alleen de wet is onschendbaar, zoodanige verordening niet mag toepassen , voor zoover zij mogt zijn in strijd met de wet". Is die bepaling van het tweede lid van art. 150 der gemeentewet niet wet? Wordt die bepaling niet geschonden, wanneer de regter handelt, alsof zij niet geschreven was ?

Ik neem deze gelegenheid te baat, Mijnheer de Redacteur, om u de verzekering aan te bieden van mijne bijzondere hoogachting.

v. T. v. G.

KERKBESTUUR IN DEN ZIN VAN ART. 874 B. li.

Toen de heer H. J. v. d. H., in n". 3290 van dit Weekblad, èn den heer kantonregter, die de uitspraak deed, èn mij, die de uitspraak bestreed, in het ongelijk stelde, zeggende, dat wij beiden een voornaam, een in deze quaestie alles afdoend, punt hadden over het hoofd gezien, namelijk dat art. 874 alleen kan worden ingeroepen door collegiën, die naar de eigen statuten der kerk haar Bestuur uitmaken en die als zoodanig in art. 4 van het algemeen regiement voor de Hervormde kerk zijn genoemd Kerke raad, Classicaal Bestuur, Provinciaal Bestuur en Synode,— meende ik daarop niet te behoeven te antwoorden, omdat de dwaling, waarin de heer 11. .ƒ. v. d. 11. vervallen was, naar mijn inzien zoo duidelijk bleek, dat ieder, die niet geheel

Sluiten