Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De proc.-gen. enz.,

Overwegende, dat als éénig middel van cassatie is aangevoerd: schending, en verkeerde toepassing dor artt. 1374, 1375 B. W., in verband inet artt. 1 en 90 V\7. K., en 1417 en 1419 B. W., door de vordering tot vergoeding van overligdagen, tegen den verweerder als bevrachter ingesteld , niet-ontvankelijk te verklaren , op grond , dat deze, ofschoon oorspronkelijk aan den schipper (den eischer) verbonden , ophoudt zulks te zijn , zoodra de goederen door den geadresseerde zijn aangenomen 1);

0., dat bij het bestreden vonnis geen der voormelde artikelen is toegepast, zoodat van hunne verkeerde toepassing geene sprake kan zijn; dat bij dit vonnis alleenlijk en teregt is gesteld ten aanzien van art. 488 W. K., dat dit in casu (eene quaestie betrekkelijk binnenlandsche scheepvaart) niet in aanmerking kan komen , en trouwens de verkeerde toepassing van dit artikel dan ook niet is beweerd (2);

O., dat alzoo te onderzoeken overblijft, of het vonnis a quo, door met-ontvankelijk te verklaren de vordering tot vergoeding van overligdagen bij binnenlandsche scheepvaart, tegen den verweerder in cassatie ingesteld, die artikelen mogt hebben geschonden ;

0. te dien aanzien, dat het vonnis volstrekt niet heeft beslist, dat men zich in casu niet mogt beroepen op het Burgerlijk Wetboek, zoodat van schending van art. ! W. lv. geene sprake kan zijn , en de aanhaling ook meer schijnt te zijn geschied om de toepasselijkheid der andere artikelen te wettigen ;

O., dat dan ook art. 755 W. K. de bepalingen van boek 2, tit. 5, W. K. niet toepasselijk verklaart op de binnenlandsche scheepvaart, maar ten aanzien van bevrachting en verhuring van dergelijke schepen verwijst: 1°. naar boek 1, tit. 5 van dat wetboek; 2°. naar de bepalingen van het Burgerlijk ^ etboek omtrent huur en verhuur (terwijl juist weder dat wetboek en die titel bij art. 1653, ten aanzien van de regten en verpligtingen van voerlieden en schippers, ons weder terugwijst naar den sub 1 vermelden titel van het Wetboek van Koophandel); en 3°. naar bijzondere verordeningen en plaatselijke gebruiken, van welke laatste bij het middel, voor zoover dit in cassatie kan plaats hebben , geene sprake is ;

O., dat in cassatie geen geschil bestaat omtrent de vordering van verdiende vrachtpenningen, vermits deze, op grond der gedane bereidverklaring , is toegewezen en daarin door partijen berust;

O., dat art. 90 lv. wel bepaalt, dat de vrachtbrief, waarop ten deze de vordering berust, uitmaakt de overeenkomst tusschen den afzender en den schipper, en dat deze ook behelst het bedrag van het vrachtloon; doch dat, daargelaten welk gevolg hieruit ten aanzien van dit loon zou zijn te trekken ten aanzien van den afzender, wanneer, gelijk in confesso is, de schipper heeft gelost, zander de vracht van den geadresseerde te ontvangen,— in allen gevalle bij dat artikel niets is bepaald ten aanzien der schadevergoeding wegens vertraging, bij de lossing ondervonden onder den naam van overligdagen , en dat ook niet blijkt, dat in den vrachtbrief eenige overeenkomst dienaangaande is opgenomen , en dat alzoo daarom ook dienaangaande dat artikel niet kan zijn geschonden (3);

O., dat, bij gebreke van uitdrukkelijke overeenkomst, ook geene sprake kan zijn van schending van art. 1374 B. W.;

0., dat art. 1375 13. W. alleen dan in aanmerking kan komen, wanneer uit de verbindtenis , uit den vrachtbrief in deze ontstaan , geacht kon worden stilzwijgend de verbindtenis geboren te zijn tot vergoeding der schade wegens overlig* lagen ;

O., dat onze wetgever blijkbaar niet heeft gewild gelijkstelling van de gevolgen der zeevaart met die der binnenlandsche vaart; dat de bepalingen omtrent vrachtbrieven dan ook afwijken van die ten aanzien van chertepartij en cognoscement; dat het dan ook opmerking verdient, dat uit de geschiedenis van dit artikel (zie Mr. Voorduin, 11, op art. 90 VV. K.) volgt, dat onze wetgever opzettelijk uit dit artikel heeft weggelaten de vereischten van art. 102 C. d. C., hetwelk voorschreef, dat de vrachtbrief «doit exprimer le délai dans lequel le transport doit être effectué» en "Vindemnité pour cause de retard," en zulks '/omdat veelal geene bepalingen deswege bij vrachtbrieven werden gemaakt//, en //daarom die gevallen niet als noodzakelijke vereischten van den vrachtbrief opgeteld zijn-/; waaruit schijnt te volgen, dat de wetgever dergelijke bepalingen niet als inhaerent aan den vrachtbrief wil hebben beschouwd en als stilzwijgend aan deze overeenkomst verbonden of door het gebruik gewettigd ; daargelaten, dat de cassatie niet kan worden toegelaten ter zake van niet-in-acht-neming van gebruiken, omtrent wier bestaan in facto niets is beslist;

O., dat ook niet uit het oog mag worden verloren , dat in den titel, waarin art. 90 W. K. voorkomt, sprake is van hetgeen de Franschen uitdrukten door voituriers, namelijk par terre et par eau, en daarom reeds, bij de algemeenheid der bepalingen ook voor voerlieden , de wetgever niet geacht kan worden in de verbindtenis ook stilzwijgend begrepen te hebben de bepalingen omtrent overligdagen, van welke overligdagen de oorsprong is te zoeken in het ten deze niet toepasselijke art. 4 55 W. K., hetwelk bij chertepartijen vordert eene bepaling omtrent den tijd van lading en lossing;

G., dat nu, hoezeer in deze materie door de wet ook wordt verwezen naar de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek omtrent huur en verhuur, de eischer in deze geen enkel artikel van het Burgerlijk Wetboek, tot zoodanige huur of verhuur betrekkelijk, als geschonden heeft voorgesteld; en dat daarenboven, indien al in sommige gevallen die vertraging in de lossing aanleiding zou kunnen geven tot het vorderen , onder den naam van //meerdere huur voor het gebruik van voertuig of vaartuig//, van meerdere gelden boven de gestipuleerde vracht, in allen gevalle dit in casu niet kan opgaan :

0. toch, dat in casu bij den vrachtbrief (prod. 1) geene sprake is van eenige tijdsbepaling of van eene daarnaar te vorderen huur of vracht, maar dat aan den eischer in cassatie was opgedragen, blijkens de overgenomene derde overweging quoad facta van het vonnis a quo, hetgeen dus in factis vaststaat , //om de steenen van Dordrecht te vervoeren naar de Zijpersche of Burgerbrug, te lossen op vlot water aan het werk van den buitendijk langs de Noordzee, aan het adres van den heer Bolle , burgemeester te Petten, tegen een vrachtloon van /' 1.70 voor ieder uit te leveren last van '2000 Ned. ponden//; zoodat hier niet te denken is aan huur of gebruik met tijdsbepaling, maar aan eene aanneming par forfait, waarbij ook, volgens de beginselen van het Burgerlijk Wetboek omtrent huur en verhuur, niet

(1) Vroeger was tegen den geadresseerde eene vordering tot betaling van vracht en overligdagen door den eischer ingesteld, welke, wat de vracht betreft, was toegewezen , doch wat de overligdagen aangaat ontzegd, welk vonnis de eischer echter, ten gevolge van art. 88 B. R., had laten vervallen.

(2) Uit dien hoofde is dan ook het beroep van den eischer op de beginselen van het arrest van 15 Febr. 1869 (Regtspr., 91, 57, v. d. Honert, B. R., 33, *254) minder ter zake doende, evenmin als dat op Mag. v. Handelsrd. VI, 103.

(3) Prof. Holtius zegt van zoodanigen vrachtbrief (Handelsr.,

1, 212): «Het is eigenlijk maar een brief, waarinden geconsigneerde,

die de goederen ontvangen moet, van den inhoud der afzending en

van de vracht, die hij zal te betalen hebben, wordt kennis gegeven//; en op blz. 213: //De vrachtbrief, welke open aan den voorman ter

hand gesteld wordt, dient hem om te weten, aan wien en waar hij afgeven moet en hoeveel vracht hij beuren zal, is in zoover zijn titel om die vracht te vorderen//. Cf. Mr. Ijiephüis, Handelsr. 1, 131 vlg.

aan overligdagen of schadevergoeding wegens verlengden gebruikstijd te denken is tegenover den inlader, wegens de vertraging, veroorzaakt niet zijnerzijds, maar door of van wege den geadresseerde; en dat, indien door diens schuld daartoe aanleiding is gegeven, welligt den schipper tegen dezen eene actie zou kunnen competeren , doch zeker niet tegen zoodanigen inlader als in casu (1) ;

0., dat nu wel tegen de vierde overweging q. j., dat de eischer namelijk geene actie meer zou hebben tegen den verweerder , door het accept der lading zonder protest, bedenking kan worden gemaakt en eenige aanleiding gevonden om de schending van de artt. 1417 en 1449 B. W. te beweren; doch dat de cassatie alleen gelden kan tegen het dictum , en door dit dictum van niet-ontvankelijk-verklaring der vordering, gelijk ik meen te hebben aangetoond, geen der aangevoerde artikelen kan worden gezegd te zijn geschonden ;

Concludeert tot verwerping der voorziening, met veroordeeling van den eischer in de kosten.

De Hooge Kaad enz.,

Overwegende, dat als éénig middel van cassatie is voorgesteld •• schending en verkeerde toepassing van de artt. 1374 en 1375 B. W., in verband met de artt. 1 en 90 W. K., en met de artt. 1417 en 1449 B. W., op grond, dat de eischer, in strijd daarmede, is verklaard niet-ontvankelijk in zijne vordering, voor zoover zij strekt tot het bekomen van schadevergoeding wegens overligdagen en teruggave van protestkosten;

0., dat tot staving daarvan hoofdzakelijk is aangevoerd , dat de overeenkomst van bevrachting, aangegaan tusschen den eischer als schipper , en den verweerder als bevrachter , dezen verpligt tot betaling , zoowel der vracht als der gevolgen van deze, in het onderwerpelijk geval de overligdagen; en dat deze zijne verpligting niet ophoudt, noch op den geadresseerde overgaat door de aanneming deilading , door dezen zonder eenig protest of reserve, zoo als echter bij het beklaagde vonnis is beslist;

0., dat het voorgestelde middel van cassatie eerst dan zoude kunnen leiden tot vernietiging van het beklaagde vonnis , wanneer de daarbij gegeven beslissing (de bevestiging namelijk der door den eersten regter uitgesproken niet-ontvankelijk-verklaring der vordering tot schadevergoeding wegens overligdagen en teruggave van daarmede in verband staande protestkosten) was in strijd met de aangehaalde wets-artikelen ; en dat derhalve , wanneer die niet-ontvankelijk-verklaring daarmede niet is in strijd, niet behoeft te worden onderzocht, wat er zij van de beweerde ongegrondheid der in de daaraan voorafgegane overwegingen aangenomen stelling: dat de geadresseerde alleen door aanneming der lading, zonder eenig protest of reserve, heeft geratificeerd de tusschen den afzender en den schipper aangegane overeenkomst, en daardoor is getreden in de plaats van den afzender; met dat gevolg , dat de schipper niet alleen hem tot nakoming dier overeenkomst kan aanspreken. maar dat hij zelfs geene vordering meer tegen hem zoude hebben ;

0. alsnu, wat betreft de beantwoording der vraag, waarop het in deze alleen aankomt, dat, naar de bij het beklaagde vonnis overgenomen feitelijke beslissing, bij de tusschen partijen aangegane overeenkomst , volgens den deswege opgemaakten vrachtbrief, niet voorkomt eenige bepaling van huur of gebruik van des eischers vaartuig met tijdsbepaling; dat derhalve wegens overligdagen, veroorzaakt door vertraging, niet zijnerzijds, maar door of van wege den geadresseerde, door den verweerder, volgens den vrachtbrief, geene schadevergoeding aan den eischer is verschuldigd ; en dat mitsdien, zij het ook, dat hij te dier zake mogt hebben eene vordering tegen den geadresseerde, iri allen gevalle de eischer teregt is verklaard nietontvankelijk in de tegen den verweerder ingestelde vordering, zonder dat daardoor zijn geschonden eenige der aangehaalde wets-artikelen , met name niet art. 90 W. K., als zijnde daarbij niets bepaald omtrent schadevergoeding wegens vertraging, in het lossen ondervonden onder den naam van overligdagen, terwijl evenmin blijkt, dat deswege eenige overeenkomst in den vrachtbrief is opgenomen ;

0., dat alzoo het éénig aangevoerde middel van cassatie in ongegrond ;

Verwerpt enz.

(Gepleit voor den eischer Mr. B. M. Vlielander Hein, en voor den verweerder Mr. W. Thorbecke.)

PROVINCIALE HOVEN.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN LIMBURG, llurj^eirlijke kamer.

Zitting van den 13 Maart 1871.

Voorzitter, Mr. R. J. E. Capitaine.

uand- en spandiensten. dagloon. belasting.

Inlegering. — Onregtmatige daad.

Zijn hand- en spandiensten belastingen? — Niet beslist.

Is de burgemeester en de ontvanger, die ter uitvoering van eene onwettige verordening onregtmatige handelingen verrigt, verpligt de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden? Neen.

J. F. Schoenmakers, oud-burgemeester en grondeigenaar, appellant, procureur Mr. T. Micheels ,

tegen

1°. J. Last en 2°. J. Houten, geappelleerden , procureur J. L. Weygers.

(Zie het vonnis in eersten aanleg in Weekbl. n'. 2251. Zie ook Weekbl. no. 2253.)

Het Hof enz.,

Met opzigt tot de daadzaken :

Overnemende de daartoe betrekkelijke overwegingen van den eersten regter en verder overwegende, dat de Arrond.-Regtbank te Maastricht, bij vonnis van den 16 Junij 1870, den eischer, thans app., heeft verklaard niet-ontvankelijk in zijne vordering en verwezen in de daarop gevallene kosten ; dat de oorspronkelijke eischer zich tegen dit vonnis in hooger beroep heeft voorzien, en beide partijen, tot sta ving hunner daartoe genomene en aan het hoofd dezes overgeschrevene conclusiën, hoofdzakelijk hebben doen gelden de door hem in eerste instantie bijgebragte en in het vonnis a quo aangehaalde middelen ;

(i) In de zaak, beslist bij arrest van 10 Dec. 1869 (Regtspr., 93, 235, v. d. Honert, B. R., 34, 115, Mag. v. Handelsr., XII, 58), werd aangenomen, dat er geen geldende vrachtbrief bestond, en als in facto aangenomen beschouwd, dat er eene overeenkomst tusschen partijen (schipper en den ontvanr er der lading) bestond, en de eischer verbonden was tot hetgeen die overeenkomst naar haren aard door de billijkheid en het gebruik medebragt.

Met opzigt tot het regt :

0., dat op den 24 Aug. 1865 door den Gemeenteraad van Ulestraten iy vastgesteld eene verordening, bepalende de heffing eener belasting in natura of verpligting tot het leveren van hand- en spandiensten ten behoeve der buurtwegen en waterlossingen in die gemeente, alsmede eene verordening op de invordering dezer belasting ;

0., dat, volgens deze "verordening, goedgekeurd bij Kon. besluit van den ?7 Oct. 1865, de nalatigen in het nakomen der hun, ten gevolge dier verordeningen, opgelegde verpligtingen worden bedreigd met dagloon, in geld gewaardeerd ; dat van de nalatige of onwillige dienstpligtigen door Burgemeester en Wethouders eene naamlijst . met vermelding van het bedrag des verbeurden dagloons, wordt opgemaakt en aan den gemeente-ontvanger toegezonden, en dat de invordering dier verbeurde dagloonen door den ontvanger zal geschieden overeenkomstig het bepaalde bij de artt. '258 en 260 gemeentewet;

0., dat de ontvanger der gemeente Ulestraten , ter nakoming dier verordening na verkregene magtiging van den kantonregter te Meerssen, voor gezien geteekend door den burgemeester, het hoofd van het Plaatselijk Bestuur van Ulestraten, en met in-acht-neming der dienaangaande voorgeschrevene formaliteiten, zoo als uit de overwegingen van den eersten regter blijkt, eenen krijgsman bij den app. heeft ingelegerd ter bekoming van het door denzelven verbeurde dagloon;

0., dat, al aangenomen, dat bij voormelde verordening van den Gemeenteraad van Ulestraten, eene bij de wet niet veroorloofde wijze van invordering van verbeurd dagloon is voorgeschreven, noch de ontvanger dier gemeente , die ter nakoming der op hem rustende verpligtingen, met in-acht-neming der bij de wet voorgeschrevene formaliteiten , aan die verordening uitvoering heeft gegeven , noch de burgemeester, die, volgens de wet van den 22 Mei 1845 (Stbl. n°. 22), op de door den kantonregter verleende magtiging zijn visa heeft gesteld, — door deze handelingen daden hebben gepleegd, welke hem deswege aan eene actie tot vergoeding van kosten, schaden en interessen blootstellen ;

Aannemende verder de beweegredenen van den eersten regter, met uitzondering van de voorlaatste overweging in regten ,

Verleent acte, waarvan acte is gevraagd;

Doet te niet het ingestelde hooger beroep;

Bevestigt het vonnis, waarvan appel, en veroordeelt den app. in de kosten, door het hooger beroep veroorzaakt.

(Gepleit voor den appellant Mr. Edm. van Wintershoven , en voor de geappelleerden Mr. L. Wenmaekers.)

ARRONDISSEMENTS-REGT BANKEN.

ARRONDISSEMENTS-RKGTBANK TE AMSTERDAM.

Kerste kamer.

Zitting van den 22 Junij 1870.

Voorzitter, Mr. C. F. Gilcher.

ei- ds-opdragt.

'/.oo eischer feiten poneert, die, waar zijnde, ten gevolge moeten hebben, dat de ged- wordt veroordeeld, en de qed. harerzijds, onder protest tegen elke splitsing, een geclausuleerd aveu doet, 'kan zij zich dan beklagen, dat haar door eischer ter beslissing van het proces wordt opgelegd haar gansch verhaal, dat mét de dagvaarding strijdt, te bsëedigen? — Neen.

Begrip van litis-decisoire feiten.

J. M., eischer, procureur F. E. Dammebs,

tegen

A. M. E. F., wed. P. B., gedaagde, procureur H. P. Loggere. De Regtbank enz.,

Overwegende in facto, dat de eischer, bij geregistreerde dagvaarding, heeft gesteld, dat de ged. in het jaar 1865 aan zijne huisvrouw, haren zoon G. D. B. voor het bezorgen van inkoopen van effecten en verkoopen van coupons heeft aanbevolen, terwijl zij zich verantwoordelijk stelde voor zijne handelingen;

dat hij in Julij 1865 door genoemden C. D. B. successivelijk heeft doen verkoopen vier obligatiën ten laste Turkije ad 100 pd. st., rentende 6 pet., die B. later bij hem is komen halen , onder het voorgeven, dat zij ter conversie moesten worden opgezonden;

dat na Febr. 186 6 C. D. 13. gevlugt is en de ged., op de bedreiging des eischers om van het gebeurde aan de justitie kennis te geven, zijne huisvrouw heeft gesmeekt haren zoon , die zich te Parijs bevond , niet ongelukkig te maken, belovende te zorgen, dat de eischer geene schade leed, en zich persoonlijk verbindende om hem de 400 pd. st. terug te geven of de waarde te betalen;

dat zij aan die verbindtenis begin van uitvoering heeft gegeven , door hem niet alleen terug te geven de som van f '23.60 voor eene verschenen Russische coupon, die haar' zoon ter inwisseling van hem had ontvangen, maar ook nog eene obligatie van 100 pd. st. ten laste van Turkije;

dat hij aan zijne verbindtenis heeft gevolg gegeven, door haren zoon ongehinderd te laten terugkomen en naar Oost-Indië vertrekken, doch zij weigert zich verder jegens den eischer te kwijten;

dat hij op die gronden heeft geconcludeerd tot veroordeeling der ged. om hem af te geven: 1". 340 pd. st. obligatiën ten laste van Turkije, rentende 5 pet., zijnde het hem na de conversie verschuldigde bedrag, of wel de waarde daarvan in gereed geld; 2°. f 701.13, zijnde het gezamenlijk bedrag der sedert den 1 Julij 1866 verschenen coupons , en 3o. het bedrag der coupons van den dag der geregistreerde dagvaarding tot dien der afgifte of betaling;

dat de ged., bij conclusie van antwoord, heeft ontkend, dat tusschen haar en den eischer eenige regtsbetrekking zoude bestaan, en aangevoerd , dat zij wel haren zoon heeft aanbevolen, maar zich daarbij niet voor zijne handelingen aansprakelijk gesteld ; dat haar niet bekend is, dat haar zoon voor den eischer inkoopen van effecten heeft gedaan en die later weder is komen terughalen onder zekere voorgevens; dat zij wel eens iets heeft gehoord van rentebetaling, door een harer kinderen voor en ten behoeve van hunnen broeder, doch dat zij niets daarmede te maken had; dat zij na de vlagt haars zoons alleen heeft verzocht de justitie niet in de zaak te mengen en gezegd heeft: «gij zult niet te kort komen, als ik kom te sterven, krijgt hij nog geld, maak dat gij er bij zijt» ; dat de obligatie van 100 pd. st. ten laste Turkije aan den eischer is afgegeven, alleen omdat zij die ten haren huize, als door bareri zoon achtergelaten, heeft gevonden; op welke gronden zij heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk-verklaring of ontzegging der vordering;

dat de eischer hierop aan de ged. heeft opgedragen den navolgenden beslissenden eed: »dat het niet waar is, dat de ged., haren zoon aan den eischer aanbevelende tot hot uitvoeren van commissiën, zich voor zijne handelingen heeft aansprakelijk gesteld; dat der ged. niet bekend is, dat haar zoon C. D. Ö. van den eischer heeft ontvangen

Sluiten