Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

a" ^en eischer voor de derde maal is gedagvaard, en zulks ter teregt • zitting van den u Junij lg60 .

(at, even als op de vorige dienende dagen de ged. ook ter dezer regtzitting niet is verschenen, noch iemand voor hem is opgekomen, ^16 var' zijn aanwezen heeft doen blijken; en door den eischer is geconcludeerd tot het verleenen van verstek en tiet uitspreken der er klaring, dat er sedert den 30 ^ept. 18') 1 regtsvermoeden bestaat, at de ged. is overleden, op grond, dat de ged., eischers broeder, is vertrokken zonder het geven van volmagt of het stellen van orde op /jlJne zaken, zoo als hierboven reeds vermeld; dat er sedert dien tijd ?een berigt van hem is ontvangen en er dus thans veel meer dan vijf jaren zijn verloopen na zijn vertrek of na de laatste tijding, waaruit Zotl kunnen blijken, dat hij nog in leven is ;

dat hij eischer als erfgenaam belanghebbende is, en op grond, dat 6 &ed., krachtens het verlof der Kegtbank, behoorlijk opgeroepen 7°or de 'erde maal, ook nu niet is verschenen ;

ten aanzien van het regtspunt:

dat de eischer, ook bij het uitbrengen van deze dagvaarding, ten erde male, de bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten eeft nageleefd;

dat de ged. ook thans niet is verschenen, of iemand is opgekomen, 16 van zijn aanwezen heeft doen blijken;

dat, wel is waar, na zijn vertrek een veel langer dan de bij de Vet gestelde tijd van vijf jaren is verloopen, en dat de door den öischer opgegeven omstandigheden van zijn vertrek, zonder het geven /an volmagt of het stellen van orde op zijn beheer zijner zaken en 'et niet-inkomen van eenig berigt van zijn aanwezen of van zijn °verlijden, niet zijn weêrsproken;

dat echter het verzoekschrift en de dagvaarding geene gegevens ,9Vatten, die den regter in staat stellen om ten deze te letten op de eweegredenen der afwezigheid en de oorzaken, die het ontvangen /an tijdingen hebben kunnen verhinderen, vermits ten eenemale in 'et onzekere is gebleven, of het schip, waarmede de ged. is vertrokal of niet de plaats zijner bestemming heeft bereikt en de ged. 'aitsuien werkelijk in Amerika is aangekomen, of hij het voornemen j^d zich da&r voortdurend met der woon te vestigen, en of ook aan 'et ontvangen van tijdingen van den ged. mogelijk in den weg staat, 'at hij de kunst van lezen of schrijven niet verstaat of wel in onmin 18 met zijne familie;

dat het belang des afwezigen, naar het oordeel des regters, in <eze vordert, dat deze en dergelijke omstandigheden nader blijken; bezien art. 525 B. W.;

^egt doende enz.,

Verleent verstek tegen den ged.;

belast, alvorena ten principale te beslissen, den eischer door alle 'ülddelen regtens, speciaal door getuigen, de beweegredenen der afwezigheid van den ged. en de verdere omstandigheden, tot het vermoe'eD van overlijden betrekkelijk, nader toe te lichten ;

Verstaat, dat dit getuigenbewijs zal plaats hebben op enz.; En reserveert de kosten tot aan de eind-uitspraak.

KANTONGEB EGTEN.

KANTONGEREGT TE WAGENINGEN. Zitting van den S Maart 1871. Kantonregter, Mr. F. C. W. Koker.

'fidblljk liochaam. beheer der kerkelijke goederen bij

dn Heuvoümden. — Leden der Hervormde kerk. — Veroordeeling in de proceskosten.

Zijn kerkelijke gemeenten bij de Grondwet en de wetten des Rijks erkend, zoodat zij geene nadere erkenning behoeven , om als zedelijk ligchaam in regten te kunnen optreden ! — Ja.

Was het Bestuur van de Hervormde gemeente van Veenendaal qeregtigd en geroepen om te zorgen voor de vestiging en regeling van een nieuw bestuur, nadat, ten gevolge van de Koninklijke besluiten van 13 Febr. 1866 en n Febr. 1869, het bestaande beheer der kerkelijke goederen en fondsen op 1 Oct. 1869 was vervallend — Ja.

Is door het vervallen der provinciale reglementen op de kerkelijke administratie, niet alleen het geheele bestaande bestuur, maar tevens de wijze, waarop dit en het stemregt iverd geregeld , te niet geguan ? — Ja.

Kan het Bestuur, slechts gekozen ten gevolge van besluiten en een reglement, genomen en vastgesteld door een deel der leden van de gemeente Veenendaal, geacht worden die gemeente wettig te vertegenwoordigen ? —• Neen.

Het

colleo-ie van kerkvoogden der Hervormde gemeente te Veenen¬

daal, ten deze voor die gemeente optredende krachtens art. 24 van bet reglement op haar kerkelijk beheer, vastgesteld den 14 Sept. 1869, eischer, verschijnende in den persoon van hunnen schriftelijk gev°lmagtigde Mr. D. J. H. van Eeden , procureur en advokaat te Utrecht,

tegen

S. ivrythé, rijks-ambtenaar te Geldersch-Veenendaal, gedaagde, eomparant in persoon.

kantonregter enz. ,

(jezien het in den hoofde dezes vermeld exploit van dagvaarding, 'aarbij alle de formaliteiten zijn in acht genomen ;

, behoord partijen in hunne ter teregtzitting genomene conclusiën , ■0 ^ens den eischer door zijn gemagtigde, en door den ged. in eigen H t800n ;

<o^.e2*en ons RPP°in'einen*1 van ^en ^ Febr. 1871, waarbij het ver Van ^en 001 *n l^eze zaa^ gratis te mogen procederen , is

^ezen van de hand;

genoegende, wat de feiten aanbelangt, dat de gemagtigde van het t end collegie heeft beweerd, dat, op grond van de Koninklijke n 8|uiten van 9 Febr. 1866 en 5 Febr. 1869, de kerkelijke gemeenten * Oct. 1869 het regt bezaten om in het beheer harer goederen . Hr Welgevallen te voorzien ; dat dien ten gevolge ook aan mansmaten dier gemeente den 10 Aug. 1869 de vraag is voorgelegd, . 2Ü wenschte na I Oct. daaraanvolgende zich aan te sluiten aan yr-. a%emeen collegie van toezigt, dan wel hare goederen zoogenaamd b^0*e belleeren* Met 170 te£en 57 stemmen wenl tot het laatiite

ra ^erv°lgens werd eene commissie benoemd, om een ontwerp regle°P dat beheer te maken , dat ontwerp weder aan het oordeel % /nanslidmaten te onderwerpen, en door hen goedgekeurd, eindelijk

q °ndigd en aan de Regering medegedeeld.

<l% vereenkomstig dat reglement werden toen notabelen gekozen en ^ ' deze de kerkvoogden, de tegenwoordige eischers, aan wie bij IS verleend om voor de gemeente eischend en :r;()tJ,ei'ende in regten op te treden, na goedkeuring van het collegie^elen, welke zij in casu hadden verkregen.

bestrijding der uitgaven werd volgens art. 20 , gelijk reeds

jaren te v eenenaaai net geval is . een nooraeiiiKe omslag

geheven en over allen, die door doop of belijdenis aan d© Hervormde kerk waren verbonden en te Veenendaal wonen, eigene middelen yan bestaan hebben en geacht kunnen worden een aandeel daarin te kunnen bijdragen, verdeeld. De ged., lidmaat der gemeente, die als zoodanig zijne kerkelijke attestatie had ingediend, te Veenendaal woonde en eigen middelen van bestaan had, al hetwelk de eischer bij tegenspraak verzocht te bewijzen, was in dien omslag over het jaar 1869 voor J 2 aangeslagen en , niettegenstaande wettigheid zijner schuld, steeds weigerachtig om dit bedrag te betalen ; — op alle welke gronden alzoo de eischer concludeerde tot veroordeeling van den ged. om, tegen behoorlijke kwijting ter zake voormeld, voornoemd bedrag aan het eischend collegie te betalen, met de renten, ingevolge de wet. en in de kosten van het regtsgeding ;

0-, dat de ged. heeft beweerd: dat het eischend collegie geen wettig bestuur uitmaakte, dat het ten opzigte van hem ged. bestond uit privaatpersonen, die geenerlei regt hadden belastingen van hem te heffen ; dat het reglement, waarop het zich beriep en dat voor alle leden der Hervormde kerk van Veenendaal zoude moeten gelden , zonder eenige kracht was, dewijl het niet door alle leden dier gemeente, maar slechts door enkele was tot stand gebragt, en aan de anderen de stemming geweigerd ; verder beweerde ged., dat hij wel zich als lidmaat der Hervormde kerk, door indiening der attestatie bij den Kerkeraad te Veenendaal aan die gemeente , voor zooveel het geestelijke betrof, had aangesloten , doch niet aan de tegenwoordige bestuurders en het bestuur harer goederen, hetwelk alzoo ook geen regt had van hem belastingen te vorderen, ofschoon hij erkent, dat het bedrag van ƒ 2 voor hem niet te hoog was; eindelijk beweerde ged., dat de gemeente, waarvoor het eischend Bestuur in deze optrad, niet was erkend als regtspersoon en alzoo, na hare afscheiding van het wettig toezigt, niet in regten kan optreden ; op deze gronden concludeerde de ged. tot ontzegging van den gedanen eisch, en veroordeeling van den eischer in de kosten ;

0., dat eischers gemagtigde de wettigheid van den aanslag nader verdedigde en beweerde, dat geene erkenning als regtspersoon noodig was, dewijl de Hervormde gemeente te Veenendaal als een geoorloofd zedelijk ligchaam was toegelaten en geene nadere erkenning behoefde; verder bewerende, dat alle manslidmaten dier gemeente tot de stemming waren toegelaten; vervolgens verzocht de eischer acte van gedaagdes verklaring, dat hij lidmaat was der Hervormde gemeente te Veenendaal, en niet te onvermogend was om de gevraagde som van J 2 als kerkelijken hoofdelijken omslag te betalen , en persisteerde vervolgens bij zijne genomene conclusiën ;

0-, dat de ged., onder nadere adstructie zijner bezwaren , evenzoo bij zijne conclusie heeft volhard;

0., wat het regt aanbelangt : dat door den eischer van den ged. de voldoening wordt geëischt van eene som van f 2, als aandeel in den hoofdelijken omslag der kerkelijke gemeente te Veenendaal ten behoeve van het tekort van 1869 ; dat de eischer als gronden, waarop de ged. tot betaling dier som verpligt is, heeft aangevoerd, dat hij , als lidmaat der Hervormde kerk, zich aan de gemeente te Veenendaal, door inlevering zijner kerkelijke attestatie, heeft aangesloten ; dat hij inwoner is dier gemeente en eigene middelen van bestaan heeft, en alzoo, overeenkomstig art. 20 van meergemeld reglement, tot betaling is verpligt; dat omtrent deze feiten tusschen partijen geen verschil is, doch de ged. zijne verpligting tot betaling dier som heeft ontkend:

l". op grond, dat de eischer in deze optrad als Bestuur over eene vereeniging, die niet als regtspersoon was erkend;

2U. op grond, dat ged., ofschoon hij zich,voor zooveel het geestelijk bestuur betrof, aan de kerkelijke gemeente van Veenendaal had aangesloten, hij dat niet had gedaan, voor zooveel het geldelijk beheer en het tegenwoordig eischend Bestuur aangaat:

3°. op grond, dat het eischend Bestuur de gemeente niet wettig vertegenwoordigen kan, omdat de geheele regeling van het kerkelijk beheer en de verkiezing van eischeren dien ten gevolge slechts was geschied door enkele leden dier gemeente, terwijl aan velen de stemming was geweigerd; en, vertegenwoordigde dat Bestuur dus niet de geheele gemeente, dan kon het ook niet namens de gemeente belastingen heffen ;

0-, wat het eerste punt van bestrijding van eischers conclusie door den ged. betreft, dat kerkgenootschappen en hare onderdeelen, de kerkelijke gemeenten, bij de Grondwet en andere wetten zijn erkend, en dat in casu de Hervormde gemeente van Veenen laai en het Bestuur, namens haar optredende, valt onder de bepalingen van art. 1690 B. W., en alzoo geene nadere erkenning behoeft, om als een zedelijk ligchaam in regten te kunnen optreden;

0., dat alzoo dit punt van bezwaar is ongegrond en dat, wat het tweede punt der verdediging aanbelangt, dat ten gevolge van de meergenoemde Koninklijke besluiten van 13 Febr. 1866 en 5 Febr. 1869, alleen het bestaande beheer der kerkelijke goederen en fondsen den 1 Oct. 1869 is vervallen, en er alzoo een nieuw bestuur over die goederen moest worden in het leven geroepen door de daartoe geregtigden;

0., dat het bestaande zedelijk ligchaam, de Hervormde gemeente van Veenendaal, als rcgthebbende op die anders onbeheerde goederen, aliezins geregtigd was en geroepen om daarvoor te zorgen, en met in acht-neming der wettelijke bepalingen dat bestuur te regelen -s

O., dat de ged. zich aan die gemeente had aangesloten met al zijne lusten en lasten, en, zoolang hij van dat lidmaatschap geen afstand had gedaan, zich moest onderwerpen aan de besluiten, door de meerderheid harer leden genomen, waaruit volgt, dat alzoo dit bezwaar des gedaagden ongegrond is ;

0. eindelijk, wat het derde punt van bezwaar betreft, dat tusschen partijen in confesso is, dat alleen de manslidmaten dier gemeente over de keuze van beheer, het vaststellen van het reglement op de kerkelijke administratie en de verkiezing der notabelen hebben gestemd en daartoe zijn opgeroepen ;

0., dat, door het meergemeld vervallen der provinciale reglementen op de kerkelijke administratie, niet alleen het geheele bestaande Bestuur, m«ar tevens de wijze, waarop dit in het stemregt werd geregeld, is te niet gegaan;

0.y dat bij geene andere reglementen, noch bij de instellingen of overeenkomsten bepalingen zijn gemaakt omtrent de wijze, waarop het stemregt, betreffende het beheer der kerkelijke goederen, zoude worden geregeld; en dat alzoo , overeenkomstig art. 1696 B. W-, ieder lid van dat zedelijk ligchaam het regt heeft zijne stem uit te brengen;

0., dat, wel is waar, voor het geestelijk bestuur het stemregt alleen aan manslidmaten is geschonken, doch dat deze beperking van het stemregt, alleen vastgesteld voor het geestelijk bestuur, niet kan worden uitgebreid tot het daarvan steeds afgescheiden geldelijk beheer, tenzij voor of daartoe , door de tot het nemen van zulk een besluit geregtigden, bij meerderheid van stemmen was besloten;

O,, dat van zulk een besluit , aan die stemming over het beheer enz. voorafgaande, niets blijkt en dit ook niet is beweerd, en alzoo moet worden onderzocht, of de manslidmaten kunnen geacht worden de éénige leden dier gemeente te zijn;

0., dat, volgens het algemeen reglement voor de Hervormde kerk in de Nederlanden van 9 Sept. 1851, tot iedere bijzondere gemeente dier kerk behooren, niet alleen zij, die op belijdenis tot lidmaten zijn aangenomen, maar tevens die door den doop in hare gemeenschap zijn ingelijfd ;

0., dat ook in het meergenoemd Veenendaalsche reglement, niet

alleen de lidmaten worden opgenoemd in art. 20, welke tot het betalen van den hoofdelijken omslag zijn verpligt, zonder onderscheid van mannelijke of vrouwelijke lidmaten, maar in het algemeen allen, die door doop of belijdenis aan de Hervormde gemeente zijn verbonden ;

0., dat uit dit algemeen reglement blijkt en stilzwijgende wordt erkend door het Veenendaalsche reglement, dat de manslidmaten niet alleen de kerkelijke gemeente van Veennedaal uitmaken, en dat deze dus alleen niet wettig dat beheer hebben kunnen regelen, waaraan alle leden hadden moeten medewerken ;

0., dat daaruit volgt, dat het eischend Bestuur, als gekozen ingevolge besluiten en een reglement, genomen en vastgesteld door een deel slechts der leden der gemeente van Veenendaal, terwijl aan de anderen de stemming was onthouden, niet kan geacht worden die gemeente wettig te vertegenwoordigen, en alzoo ook niet namens haar in regten kan optreden; en dat even zoo de geheele hoofdelijke omslag, rustende op dat, niet volgens den eisch der wet vastgestelde reglement, mede moet geacht worden onverbindende te zijn ;

0., dat alzoo dat punt van bezwaar is gegrond en dien ten gevolge eischers conclusie tot veroordeel ing van den ged. tot betaling van dien omslag aan het eischend collegie ten behoeve dier gemeente, zal behooren te worden ontzegd;

0., dat ieder, die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten moet worden veroordeeld ;

0., dat het eischend collegie, volgens de dagvaarding en zijne conclusiën ter teregtzitting, is opgetreden voor de Hervormde gemeente te Veenendaal, doch, blijkens de voorgaande overwegingen, niet de bevoegdheid bezat om namens haar op te treden en dus ook niet de geregtskosten ten laste dier gemeente kunnen worden gebragt, maar de eischers in privé daarin zullen moeten worden veroordeeld ;

Gezien art. 1690 en volg. B. W-, art. 165 en volg. der Grondwet en art. 56 B. R. ;

Regt doende enz.,

Verleenen acte, waarvan acte gevraagd is;

Ontzeggen den eischer zijne ingestelde vordering;

Veroordeelen de leden van het eischend collegie in privé in de kosten, zonder die op de Hervormde gemeente van Veenendaal te kunnen verhalen.

ARBITRALE UITSPRAKEN.

Amstekdam , den 26 October i870.

Scheidslieden , Mrs.: Auo. Philips, J. van S. Muldeb en J. C. de Vries.

Indien eene vennootschap onder eene firma, welker twee leden gelijkelijk regt hadden op beheer, wordt ontbonden en de liquidatie inzonderheid gevoerd schijnt (of welligt uitsluitend gevoerd is) door den eenen vennoot, kan die laatste dan door den anderen gewezen vennoot rauwelijks in regten worden aangesproken tot rekening en verantwoording, met uitkeering van saldo? — Neen.

Tusschen gewezen vennooten kan slechts de actie tot scheiding en verdeeling worden ingesteld.— De door den een aan den ander of over en weder te geven rekening is van dat scheidingsproces een onderdeel.

Het feit van onthouding van het regt tot liquideren door een der vennooten maakt daarin geene verandering.

J. W. Holzman , eischer ,

tegen

W. Bakker B/.n., verweerder.

Wij arbiters enz.,

Overwegende, wat de feiten betreft:

dat de eischer heeft geconcludeerd , dat het heeren arbiters moge behagen den verweerder te veroordeelen om, binnen den daartoe bij het vonnis te bepalen termijn, aan den eischer te doen en te geren behoorlijke rekening en verantwoording van de door den verweerder in zijne bedoelde betrekking van liquidateur der tusschen partijen bestaan hebbende vennootschap gevoerde gestie en administratie, met overlegging van alle stukken en justificatoire bescheiden, daartoe betrekkelijk ; en om voorts tot adjustement van die rekening en verantwoording voort te procederen, op den voet en de wijze, bij het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering bepaald, met veroordeeling van den verweerder om het aandeel van den eischer in het saldo , waarmede die rekening en verantwoording, hetzij in der minne, hetzij geregtelijk, mogt worden geadjusteerd en gesloten, tegen behoorlijke kwijting en décharge, aan den eischer uit te keeren, alles met bepaling , dat, bijaldien de verweerder in gebreke blijft rekening te doen, hij daartoe zal worden genoodzaakt door de inbeslagneming en verkoop zijner goederen tot een bedrag van f 12,000, of zooveel meer of minder als heeren scheidslieden zullen vermeenen te behooren ; wijders het te vallen vonnis zal worden verklaard uitvoerbaar bij lijfsdwang, met veroordeeling van den verweerder in de kosten;

dat de verweerder, antwoordende, heeft geconcludeerd, dat het heeren arbiters moge behagen den eischer niet-ontvankelijk te verklaren in zijne actie, zoo als die ten deze is ingesteld, met veroordeeling van den eischer in de kosten;

dat de eischer daarop, bij incidentele conclusie, heeft verzocht en geconcludeerd, dat het arbiters moge behagen te bevelen, dat de verweerder op dag, uur en plaats, door arbiters te bepalen, zal worden gehoord op de daarbij omschreven vragen en de zoodanige, die arbiters ambtshalve zullen willen voorstellen, met reserve van kosten , maar met veroordeeling van den verweerder, ingeval van tegenspraak ;

dat de verweerder, onder opmerking , dat de vragen in het algemeen als niet ter zake dienende kunnen worden beschouwd, en dat de zesde vraag in het bijzonder niet kan en behoeft te worden beantwoord , zich echter geheel aan het oordeel van arbiters heeft gerefereerd , concluderende tot reserve der kosten;

dat de verweerder, bij pleidooi, zijne tegenspraak omtrent de zesde vraag, als berustende die tegenspraak op eene misvatting, heeft laten varen ;

0. in regten :

dat partijen in eiken stand van het geding verzoek mogen doen om elkander op ter zake dienende en niet tot iets anders betrekkelijke vraagpunten te doen hooren, en de regter slechts te onderzoeken heeft, of de vraagpunten tot het geschil betrekkelijk zijn;

dat het a priori niet blijkt, dat de gestelde vragen van dien aard zijn , dat de (in welken zin dan ook) te geven antwoorden geheel zonder invloed zouden moeten blijven op het geschil omtrent de ontvankelijkheid der actie ;

dat alzoo, waar de vragen niet blijken tot iets anders betrekkelijk te zijn en de verweerder zich heeft gerefereerd, het gedaan verzoek behoort te worden toegewezen;

dat de beslissing omtrent de kosten gevoegelijk kan worden aangehouden tot het eindvonnis ;

Gezien de artt. ?37, 238, 239 en 5fi, 2°., B. R.;

Gelasten , dat de verweerder zal worden gehoord op de volgende vragen :

' '• Hebt gij, na de dissolutie van uwe vennootschap met den eischer, niet alleen en uitsluitend de liquidatie gevoerd?

Sluiten