Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor veroordeelde vrouwen op geene minder kostbare wijze kan geschieden dan naar 's Bosch. Ook daar zijn localiteiten beschikbaar, die met betrekkelijk weinig kosten tot het beoogde doel zullen kunnen worden ingerigt. Ziedaar de redenen , waarom ik de voorkeur geef aan eene verplaatsing naar 's Bosch boven Medemblik.

Eindelijk heeft de geachte afgevaardigde uit Middelburg ook over de uitbreiding der cellulaire gevangenis-straf gesproken en gevraagd , of het wenschelijk ware het bedoeld wets-ontwerp te doen wachten , tot wij gekomen zijn aan de herziening van onze strafwetgeving. Juist met het oog op deze laatste omstandigheid, moet ik met dien geachten spreker, overigens met mij een voorstander van het bewuste stelsel, van gevoelen verschillen.

Omtrent de cellulaire gevangenis en het stelsel van eenzame opsluiting heerschen verschillende meeningen. Wierd nu bij de indiening van het Wetboek van Strafregt eene bepaling voorgesteld om de eenzame opsluiting uit te breiden tot een betrekkelijk aanzienlijk aantal jaren, dan zou welligt juist van de zijde der bestrijders van dat stelsel worden gezegd : hoe hebt gij de ervaring, dat de cellulaire straf gedurende eenige jaren zonder eenig bezwaar voor de individuen kauworden ten uitvoer gelegd ? Nu reeds hebben wij gezien, dat dit kan geschieden zonder eenig nadeel voor de gezondheid, en, wat betreft don zielstoestand, gedurende het jaar, dat de wet van 1854 veroorlooft. Uit deze omstandigheid meen ik te mogen afleiden, dat ook de verdubbeling van dat jaar zonder bezwaar kan plaats hebben; en dan acht ik het thans beoogde ontwerp eene voorbereiding om de verdere bepalingen van het Wetboek van Strafregt aannemelijk te doen zijn, en op goede gronden te doen rusten.

De heer van Akerlaken: Met genoegen hoorde ik de verklaring des ministers, dat hij bereid is te Medemblik in loco te onderzoeken , of de daar aanwezige gebouwen geschikt zijn tot opneming der vrouwelijke gevangenen van Hoorn. Ik zou er den minister zeer dankbaar voor zijn, als hij zich derwaarts wilde begeven, om zich van de meerdere of mindere geschiktheid van de gebouwen te overtuigen. Minder gegrond kwam mij het bezwaar van den minister voor, dat de daar aanwezige gebouwen te groot zouden zijn. Ik zou mij wel kunnen begrijpen, dat de minister een bezwaar had, wanneer die gebouwen te klein waren; maar wanneer zij te groot zijn, behoeft alleen het gedeelte, dat voor de bestemming vereiseht wordt, gebruikt te worden , en, wat het onderhoud aangaat, vergete men niet, dat die gebouwen op dit oogenblik ook door het Rijk onderhouden worden. Derhalve zou ik den minister zeer dankbaar wezen, wanneer hij door een persoonlijk onderzoek zich van den staat dier gebouwen zal vergewissen, en vlei mij, dat daarvan het gevolg zal wezen, dat ze bestemd zullen -worden tot strafgevangenis voor vrouwen. Ik meen van den minister vernomen te hebben, dat het in zijn voornemen lag om die vrouwelijke gevangenen naar de strafgevangenis te 's Hertogenbosch te verplaatsen. Als ik het wel heb, dan is die strafgevangenis bestemd voor mannen; en dan neem ik de vrijheid den minister ten ernstigste af te radeu aan dat voornemen gevolg te geven, want het zou aanleiding geven tot groote moeijelijkheden en het maken van onnutte onkosten, daar later weêr de noodzakelijkheid zal geboren worden om do gevangenen weder naar elders te verplaatsen.

Tijdens de Belgische onlusten en een paar jaar later werden de vrouwelijke gevangenen in de strafgevangenis voor mannen in de plaats mijner inwoning -geherbergd; die dames hebben daar drie of vier jaren gelogeerd. Van binnen waren de gebouwen van elkander afgescheiden door stevige muren; op de plaats, tusschen de gebouwen gelegen, waren zeer hooge schuttingen, waarop latten met ijzeren spijkers waren aangebragt, zoodat zij noch van binnen noch van buiten elkander konden zien , en men zou gezegd hebben , dat alle toenadering onmogelijk was. Maar noch de muren, noch de schuttingen waren in staat om de beide seksen van elkander te houden ; de geslachtsdrift overklom de schutting en boorde de muren door. Datzelfde zal waarschijnlijk het geval zijn, wanneer de minister goedvindt eene dergelijke vereenig^ng van gevangenen in de gevangenis te 's Hertogenbosch te doen plaats hebben.

De heer Jolles, Minister van Justitie: Mijnheer de Voorzitter, een enkel antwoord aan den laatsten geachten spreker. Ik heb niet gezegd en het kan ook niet in mijne bedoeling gelegen hebben, om veroordeelde vrouwen over te brengen naar de gevangenis te 's Hertogenbosch, waar zich thans mannen bevinden. Ik heb gezegd: naar de stad 's Hertogenbosch. De localiteit is d£ar van dien aard, dat aldaar geheel afzonderlijke gebouwen kunnen worden ingerigt, die volstrekt geen punten van vereeniging hebben. Het kan toch niet als gewaagd worden aangemerkt, dat in dezelfde stad gevangenissen voor mannelijke en vrouwelijke veroordeelden zich bevinden, mits maar de afscheiding elke toenadering onmogelijk make.

De beraadslaging wordt gesloten.

De onder-artt. 31—40 worden zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd.

Over de afdeelingen VII, VIII en IX hebben geen beraadslagingen plaats.

De onder-artt. 41—49 en art. i van het hoofdstuk worden zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd.

De artt. 2—4 en de beweegredenen worden zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd.

Het wets ontwerp tot definitive vaststelling van hoofdstuk IV der staatsbegrooting voor 1871 {Departement van Justitie), in stemming gebragt, wordt met algemeene stemmen aangenomen.

PROVINCIALE HOVEN.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN NOORDHOLLAND.

SSea ijk»-: kJis»ss»r.

Zitting van den 13 October 1870.

Voorzitter, Mr. G. Schimmelpenninck Jz.

scheidsreoterlijke uitspraak. — hooger beroep. — Verhoor op vraagpunten. uitlegging van het compromis.

Mag een verhoor op vraagpunten alleen worden toegelaten, wanneer de vraagpunten afdoende en tot het geschil betrekkelijk zijn, met andere woorden, wanneer de daarop, op welke wijze ook, te geven antwoorden op de beslissing der zaak van invloed kunnen zijn f — Ja.

Hebben arbiters het compromis teregt in dien zin uitgelegd, dat zij gehouden waren, na verwerping van den incidentelen eisch onmiddellijk omtrent de hoofdzaak te beslissen i — Ja.

De Aziatische zee- en brand-assurantie-maatschappij c. s., appellanten procureur Mr. E. J. Asser,

tegen

EmileC. Nolting en Comp., kooplieden, wonende te Hamburg, geïntimeerden, procureur J. G. Ivuhn.

Het Hof enz.,

Ten aanzien der feiten en geveerde procedures, zich gedragende aan en alzoo overnemende, hetgeen dienaangaande voorkomt in de arbitrale uitspraak, door de heeren Mrs. A. C. Cosman, M. H. 's Jacob en J. Pinnek , advokaten alhier, op 6 Dec. 1869 tusschen partijen gewezen, waarbij, op de gronden, daarin vermeld, de verweerders veroordeeld zijn om aan de eischers te voldoen 3917/ioo pet. over het door hen respectievelijk verzekerd bedrag, bij polis van 3 Junij 1867, op diverse daarbij omschreven goederen en koopmanschappen, geladen of nog te laden in het schip, genaamd Jan Francisco di Paiilo, schipper W. Popham, voor zoodanige reize als in gemelde polis in het breede staat vermeld, met de renten van dien a 6 pet.'sjaars sedert primo Maart 1868 tot de volle voldoening toe; wijders met uitvoerbaarverklaring van de arbitrale uitspraak, zoo als daarin staat vermeld, en veroordeeling van de verweerders in de kosten van het geding; en

Overwegende wijders, dat de verweerders tempore utili van gemeld vonnis in hooger beroep gekomen zijn en de eischers voor den Hove gedagvaard hebben, ten einde te hooren concluderen, dat het Hof, met vernietiging van het vonnis a quo, op nieuw regt doende, met schorsing der zaak ten principale, alsnog aan de appellanten zal toewijzen hun ter eerster instantie incidenteel gedaan verzoek tot het hooren der individuele leden van de firma der geïntimeerden op de daarbij vermelde vraagpunten , onder terugwijzing van partijen naar arbiters , om, met inachtneming van 's Hofs arrest, op dat incident voort te procederen; en subsidiair, in cas het Hof gemeld incidenteel verzoek mogt afwijzen, alsdan aan de appellanten hunne ter eerster instantie genomene conclusie tot niet-ontvankelijk-verklaring, immers tot ontzegging van den eisch zal toewijzen, met veroordeeling van de geïntimeerden in beide gevallen in de kosten der beide instantiën ;

dat vervolgens de appellanten bij memorie van grieven hebben betoogd : 1°. dat het verhoor op vraagpunten ten onregte afgewezen is; en 2°. dat de uitspraak ten principale is nietig, als zijnde buiten de bevoegdheid van arbiters en in strijd met de wet geschied; en hebben geconcludeerd : primario, tot vernietiging van het vonnis a quo en toewijzing van der appellanten ter eerster instantie genomen incidentele conclusie , strekkende orn de geïntimeerden op de daarbij in het breede omschreven vraagpunten te doen hooren, met renvooi naar heeren arbiters om daaraan uitvoering te geven , met bevel, dat de behandeling der hoofdzaak zal zijn geschorst, en veroordeeling der geïntimeerden in de kosten der beide instantiën ; en subsidiair, casu quo het Hof mogt goedvinden het vonnis a quo, wat betreft de uitspraak op het incident, te bekrachtigen, het iïof alsdan nog de uitspraak ten principale, als in strijd met de wet en het compromis gedaan, nietig verklaren en de zaak naar arbiters terugwijzen zal, om op de bestaande dingtalen na gehouden pleidooijen te worden beregt en afgedaan, met veroordeeling der geïntimeerden in de kosten der beide instantiën, wat betreft de alzoo nietig verklaarde uitspraak ten principale;

dat de geïntimeerden bij memorie van antwoord in een breedvoerig betoog getreden zijn en hebben beweerd; 1». dat het verzoek om verhoor op vraagpunten teregt is afgewezen; 2°. dut noch de wet, noch het compromis verbood, met afwijzing van dat verzoek, te gelijk ten principale uitspraak te doen; en 3". dat de arbitrale uitspraak ten principale op goede gronden steunt; en dienvolgens hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van de arbitrale uitspraak, waarvan appel, met veroordeeling van de appellanten in de kosten van het hooger beroep ;

O. alsnu in regten : dat in de eerste plaats te beslissen is , of bij de arbitrale uitspraak, waarvan appel, het verzoek der appellanten om de geïntimeerden op vraagpunten te hooren, teregt afgewezen is;

O. te dien aanzien , dat een verhoor op vraagpunten alléén dan mag toegelaten worden, wanneer de vraagpunten afdoende en tot het geschil betrekkelijk zijn, met andere woorden, wanneer de daarop , op welke wijze ook, te geven antwoorden op de beslissing der zaak van invloed kunnen zijn; dat, wanneer men de gestelde vraagpunten daaraan toetst, deze, met uitzondering van de eerste, tweede, derde en vierde vragen, die vereischten missen, terwijl, wat de zoo even uitgezonderde vraagpunten aangaat, het nut om de geïntimeerden in casu daarop te hooren , den Hove niet gebleken is , vermits er nu reeds ten proeesse allezins voldoende elementen aanwezig zijn om het tusschen partijen bestaand geschil ook zonder zoodanig verhoor op alle punten te beslissen;

0. meer bepaaldelijk omtrent de beide eerstgestelde vragen, doelende op het gemis van interest der geïntimeerden ten deze dat die reeds eene volledige beantwoording vinden in hetgeen ten proeesse blijkt, te weten, dat zij zijn houders der cognoseementen van de bewuste lading, en dat al de verzekerde goederen van hen geconsigneerd zijn , en wijders dat de quaestieuse assurantie gesloten is door ,1. N. Woldson, ingevolge daartoe bekomen order van de geïntimeerden-

0., dat de derde en vierde gestelde vragen, betreffende het niet-dóen van demarches door de geïntimeerden om van schipper Popham, bij zijne komst te Hamburg, behoorlijk rekening en verantwoording te verkrijgen, in verband staan met een punt van verwering der appellanten , dat, ten gevolge daarvan, hunne regres-actie tegen gemelden schipper gepraejudicieerd zou zijn; doch dat heeren arbiters teregt aangemerkt hebben, dat de appellanten ten eenemale in gebreke gebleven zijn om zulks te bewijzen;

0., dat de overige vragen door arbiters zeer juist geoordeeld zijn in geenerlei verband te staan met de gronden van verwering, door de appellanten aangevoerd; en dat uit dit alles volgt, dat het verzoek der appellanten, om de tegenpartij op de quaestieuse vraagpunten te hooren, bij het vonnis a quo teregt afgewezen is;

0., dat in de tweede plaats onderzocht dient te worden, of arbiters bevoegd waren om, zoo als ze gedaan hebben, bij verwerping van het incident, dadelijk de zaak ten principale af te doen;

0., dat die vraag toestemmend beantwoord moet worden; en dat het Hof zich geheel vereenigt met de gronden, die arbiters' daartoe geleid hebben;

O., dat appellanten in hooger beroep zulks ook nog als in strijd met het compromis voorgesteld hebben , doeh ten onregte; dat toch de bepaling van art. 2 van het compromis, waarop de appellanten zich beroepen, geene andere strekking heeft dan om casu quo den termijn , binnen welken de zaak moet beslist zijn, te verlengen, daar het anders alligt zou kunnen gebeuren, dat, ten gevolge van incidentele conclusiën , de tijd, waarvoor het compromis is aangegaan en welke met het oog op alle mogelijke incidenten niet kan worden bepaald, ware verioopen, vóórdat op de hoofdzaak regt ware gedaan; dat ook de artt. 633 en 634 B. R., waarop de appellanten zich insgelijks ten deze beroepen hebben, dezelfde strekking als gemelde bepaling van het compromis hebben; waaruit volgt, dat noch die artikelen , noch het compromis, zoo als de appellanten beweren, aan art. 249 B. R. derogeren, hetwelk bepaalt, dat incidentele vorderingen vooraf worden uitgewezen, indien de zaak het medebrengt;

O., dat heeren arbiters teregt geoordeeld hebben, dat daarvoor in casu geene termen aanwezig waren;

O. eindelijk, wat de zaak ten principale betreft, dat de appellanten eigenlijk geene bepaalde grieven tegen de eindbeslissing in deze aangevoerd hebben, hetgeen ook trouwens in hun systema, namelijk, dat het incident alleen thans te beslissen is, niet te pas kwam; dat echter van hunnentwege bij pleidooi aangevoerd is, dat de schaderekening, te Hamburg opgemaakt, waarvan de inhoud in confesso is, geene dispache zoude zijn, maar eene particuliere schaderekening, geamalgameerd met avarij-gros, waarop geene splitsing voorkomt; doch dat

de appellanten ten eenemale in gebreke zijn gebleven te bewijzen , dat het quaestieuse stuk niet opgemaakt is in den te Hamburg gebruikelijken vorm; dat wel door de appellanten is beweerd geworden, dat daarop geen post van avarij-gros voorkomt, doch dat de appellanten bij dit beweren ten eenemale in gebreke zijn gebleven te weerleggen, dat de schade en kosten in deze enkel ten laste van de lading kwamen, en dus niet als avarij-gros aan te merken waren, weshalve, zoo als de geïntimeerden teregt opgemerkt hebben, in casu eene splitsing van het schadecijfer niet te pas kwain; terwijl voor het overige evenzeer met juistheid door hen is aangevoerd, dat, waaraan de schade ook toe te schrijven zij, hetzij aan zee-evenementen, hetzij aan ontrouw" van de agenten te Nassau of van den schipper Popham, al de door die oorzaken geleden schade, ingevolge de polis van assurantie, welke is de basis der vordering, ten deze ten laste van de appellanten komen;

0., dat ook nog bij pleidooi voor de appellanten aangevoerd is, dat zij niets aan de Hamburgers hadden opgedragen, doch dat zulks ten onregte is gedaan; dat immers ten proeesse blijkt, dat de appellanten, hetgeen door hen hier is tegengesproken, op 31 Aug. 1867 zich verbonden hebben te zullen deelen in alle schikkingen, kosten en schaden, welke door de Hamburger assuradeuren wegens het met schade binnenloopen van het genoemde schip te Nassau zouden worden gemaakt in het belang van de onderwerpelijke zaak ;

0. eindelijk, dat heeren arbiters teregt geoordeeld hebben, dat zeeevenementen hebben plaats gehad , en de geassureerde goederen ten gevolge daarvan beschadigd op die beide plaatsen aangebragt zijn; en dat evenzoo door de geïntimeerden de cijfers zijn opgegeven, waarop de gevorderde schade berust, terwijl tegen het een en ander geene behoorlijk gestaafde aanmerkingen door de appellanten zijn gemaakt geworden ;

Op alle deze gronden zich vereenigende met het vonnis a quo;

Gezien, behalve de reeds aangehaalde wetsbepalingen, art. 56 15. R.;

Ontzegt aan de appellanten, zoowel hunne primaire als subsidiaire conclusiën, in hooger beroep genomen;

Bekrachtigt de arbitrale uitspraak, door de heeren Mrs. A. O. Cosman, M.H.'sJacob en J. Pinner, advokaten alhier, op 6 Dec. 1869 tusschen partijen gewezen ;

Veroordeelt de appellanten in de kosten van het hooger beroep.

(Gepleit voor de appellanten Mr. J. Wertheim, en voor de geïntimeerden Mr. J. W. Tydeman.)

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN OVERIJSSEL.

Burgerlijke kamer,

Raadkamer van den 1 Mei 1871.

Voorzitter , Mr. I. J. H. de Brüyn.

Registratie. — Appel. — Cassatie. — Deskundige.

Is tegen de afwijzende beschikking op het verzoek tot ambtshalve benoeming van een deskundige tot waardering van onroerende goederen appel toegelaten ? — Neen.

Het Hof enz.,

Gezien vorenstaand request van 28 Maart 1871, door het Bestuur der registratie en domeinen aan dit Geregtshof ingediend en ter griffie ingeleverd den 30 Maart daaraanvolgende, waarbij de requestrant" zich in hooger beroep heeft voorzien tegen eene beschikking, door de Arrond.Regtlmnk te Almelo den 31 Dec. 1870 op deszelfs verzoek gegeven, houdende afwijzing van het gedaan verzoek, met de daarbij overgelegde bijlagen ;

Gehoord de door den proc.-gen. in raadkamer op den 17 April 1871 genomene en schriftelijk overgelegde conclusie, daartoe strekkende, dat het den Hove moge behagen het appellerend Bestuur in de onder dagteekening van 28 Maart 11. ingestelde voorziening te verklaren nietontvankelijk ;

Overwegende , dat bij de beschikking , waarvan appel, op daarbij aangevoerde gronden, is afgewezen het verzoek van app. om, op grond van art. 17 der wet van 22 Frimaire jaar VII en art. 22, derde al., van de wet van 31 Mei 182 1 (Stbl. n". 36), ex officio voor partij, met name C. L. A. Preuyt, particulier te Almelo, en E. H. Hofkes , fabrikant te Ootmarsum, een deskundige te willen aanstellen, ten einde, met dien, door het Bestuur benoemd, de waardering der weefgetouwen als onroerend goed door bestemming te verrigten; nadat aan genoemde partij, namens den app., de waardering was aangezegd der onroerende goederen, vermeld in de acten van verkoop, gepasseerd door den notaris ten Pol, te Ootmarsum, den 6 Sept. 1868;

0., dat deze beschikking alzoo betreft eene vervolging of regtsgeding in zake de invordering van registratieregten, welke, ingevolge art. 65 der wet van 22 Frimaire jaar VII, voor de regtbanken in burgerlijke zaken moet gebragt en behandeld worden, terwijl bij de laatste al. van dat artikel is bepaald, dat de vonnissen, in deze materie gewezen, niet vatbaar zijn voor hooger beroep, maar daartegen alleen in cassatie kan worden opgekomen;

0., dat de hiertegen door app. ten requeste ingebragte bewering > dat de wetgever bij voormelde wetsbepaling alleen op het oog had de vonnissen in eigenlijke regtsgedingen, in zake de invordering dei' registratieregten, op tegenspraak gewezen, en dat omtrent beschikkingen op request het hooger beroep niet bij de wet van 22 Primaire jaar VII zoude zijn uitgesloten, en de algemeene regel te dien aanzien moet worden gevolgd, — niet kan worden aangenomen;

0. immers, dat de bepaling van gemeld art. 65 in dé meest algemeene termen is vervat, en dus alle geschillen tusschen het Bestuur der registratie en de belastingschuldigen ter zake de invordering van registratieregten betreft, onverschillig of deze bij eigenlijk gezegde vonnissen , op tegenspraak gewezen , dan wel bij beschikkingen op request zijn beslist, en dat door deze speciale wetsbepaling in registratiezaken de algemeene wet wordt uitgesloten ;

0., dat bovendien de algemeene regel, waarnaar de app. verwijst, niet voorschrijft, dat alle beschikkingen op request aan hooger beroep onderworpen zijn , maar art. 345 B. R., waarop app. schijnt te doelen, alleen den vorm bepaalt, waarin het hooger beroep van beschikkingen op request moet worden ingesteld, ingeval deze beschikkingen aan hooger beroep onderworpen zijn;

0., dat er geene wetsbepaling is aan te wijzen, volgens welke praeparatoire beschikkingen, als de onderwerpelijke, wel aan hooger beroep zouden zijn onderworpen , terwijl de daarop te volgen eindvonnissen in het hoogste ressort worden gewezen;

0., dat derhalve de beschikking , waarvan appel, niet aan hooge1 beroep onderworpen is;

Gezien art. 65 der wet van 22 Frimaire jaar VII;

Regt doende in hooger beroep, op het door den app. ingediend request,

Doet te niet het ingesteld hooger beroep en verklaart den aPP'

aaarin niet ontvun&eiijB..

Sluiten