Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dingsdag, 15 Junij 1871.

N». 5533.

WEEKBLAD YAN HET REGT

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVEKTKNTIE-BLAD.

DRIE-JEN- DERTlG&TE JAARGANG.

JUS ET VERITA8.

Dit blad verschijnt des Maandags en Donderdags, en om de oeertien dagen ook des Dingsdags. — Prijs per jaargang f 20 ; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der advertentiën, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers.

WETGEVING.

REGELING VAN DE BEVOEGDHEID DER CONSULAIRE AMBTENAREN TOT HET OPMAKEN VAN BURGERLIJKE ACTEN, EN VAN DE CONSULAIIIE REGTSMAGT.

Nota ter beantwoording van het eind ver» lag.

(Zie het eindverslag in Weekblad n». 3311.)

Aangenaam was het den ondergeteekenden te vernemen , dat dit 'mtwerp, ook bij een tweede onderzoek in de afdeelingen der Kamer, '»ver het algemeen een zeer gunstig onthaal heeft gevonden. De zienswijze van eenige leden omtrent de ontijdigheid van deze voordragt en 'nkele andere bedenkingen van algemeenen aard, ontwikkeld in de '■ § I—3 van het eindverslag, eischen geene verdere schriftelijke be' indeling, na hetgeen ter wederlegging daarvan reeds is aangevoerd de vroegere memorie van beantwoording, te minder, omdat de '■'roote meerderheid der in de afdeelingen bij het tweede onderzoek Aanwezige leden zieh over het algemeen volkomen schijnt te hebben 'ereenigd met de in § § 1—4 dier memorie voorkomende beschouwingen. Overigens geeft de Regering gaarne de zekerheid, dat zij de "i het eindverslag gegeven wenken over de maatregelen ter bevordering van eene goede werking der wet zooveel mogelijk ter harte Zal nemen.

HOOFDSTUK I.

Eene omzetting van de artt. 1 en 2 achten de ondergeteekenden hiet noodzakelijk. Art. 1 bevat het hoofdbeginsel der wet; art. 2 •■'Heen eene nadere omschrijving van de in art. 1 voorkomende alge'neeiie uitdrukking: consulaire ambtenaren.

Art. 1. Het antwoord op de hier in de eerste plaats gestelde vraag "erd reeds in de afdeelingen der Kamer gegeven door eene allezins juiste verwijzing naar de vroegere memorie van beantwoording en haar eenige artikelen van het ontwerp.

Wat dit artikel overlaat aan een algemeenen maatregel van bestuur, 'n de wet op te nemen, zoude, zoo al niet onmogelijk, zeer zeker praktisch aan groote bezwaren onderhevig zijn. De wet zoude dan niet ' Heen moeten treden in vele bijzonderheden , maar daarenboven telkens wijziging of uitbreiding eischen, daar het geen betoog behoeft, 'lat de omstandigheden dikwijls veranderingen noodig kunnen maken m de bepaling der consulaire ressorten en in de opdragt van regtsmagt aan de consulaire ambtenaren binnen den kring dier ressorten. Is nu de regeling van dit een en ander bij Koninklijk besluit, den Raad van State gehoord, in strijd met art. 149 der Grondwet? De Ondergeteekenden kannen dit niet toegeven , omdat, naar hunne overtuiging, dit artikel alleen betreft de regtspraak, uitgeoefend binnen de grenzen van het territoriaal gebied van het Koningrijk.

In zoodanige ressorten, waar aan den consulairen ambtenaar geen regtsmagt is opgedragen, zal de regtstoestand der Nederlanders zich regelen naar de wetten des lands, in verband met de algemeen erkende beginselen van internationaal regt. Zij zullen dus in den regel onderworpen zijn aan de territoriale jurisdictie.

De ondergeteekenden zijn van oordeel, dat de woorden andere burgerlijke aden behouden moeten worden , om de reden, daarvoor reeds aangegeven in de memorie van toelichting, welke het ontwerp 'Jij de derde indiening (zitting 1868—1869) vergezelde.

In litt. c acht men het minder juist te spreken van de bevoegdheid tot de uitoefening van regtsmagt, om de onderstelde reden.

De opmerking, dat de woorden «een en ander volgens de regelen, ('ij deze wet te stellen», eene afzonderlijke alinea moeten vormen , 's juist.

Art. 2. Voor alsnog bestaat het voornemen niet om in de wijze van benoeming van de vice-consnls eenige verandering te brengen.

Art. 3. De wet bepaalt werkelijk niet, door wien de persoon wordt aangewezen, die, bij ontstentenis van een consulairen ambtenaar van Blinderen rang, den titularis van het consulaat vervangt. De ondergeteekenden vereenigen zich echter met de zienswijze hunner ambtsvoorgangers , dat deze voorziening, als van reglemeritairen aard, aan (le uitvoerende magt kan worden overgelaten.

Art. 4. Tegen de voorgestelde wijziging van redactie bestaat geene bedenking. Van de hier gegeven faculteit zal de consulaire ambtenaar, aan wien de uitoefening van regtsmagt is opgedragen, wel steeds gebruik moeten maken. Daar dit echter volgt uit het tweede lid van art. 20, behoeft hier niet met zooveel woorden te worden gezegd.

Art. 5. De gemaakte aanmerking is juist. Daaraan is in de nota van wijzigingen het noodige gevolg gegeven, ook ten aanzien van de artt. 40, 59, 66 en 67.

Art. 6. Met de bedenking tegen de redactie van dit artikel kan Wen zich niet vereenigen , daar niet wordt ingezien en het verslag ''°k niet zegt, waarom de eenvoudige verwijzing naar art. I hier en '1 volgende artikelen van het ontwerp niet geheel juist ia.

Uitbreiding der regtspraak sub 2°. van dit artikel, bedoeld buiten het geval van vrijwillige opdragt, zoude, waar dit onderwerp niet bij ''■ictaat geregeld is, inbreuk maken op de territoriale jurisdictie van ''en Staat, binnen welks gebied het Nederlandsche schip zich tijdelijk

hevindt.

Art. 7. Bij de wet of bij een algemeenen maatregel van bestuur te stellen regelen omtrent de vereischte legalisatie, schijnt onnoodig. Ook «onder zoodanige algemeene regeling zal het aan geen twijfel onderworpen Zljn, dat de hier bedoelde grossen, om in Nederland ten uitvoer te worden gelegd, in de laatste plaats zullen moeten zijn gelegaliseerd oor den minister van Buitenlandsche Zaken, terwijl, tor executie in 8 koloniën en bezittingen in andere werelddeelen, de laatste legalis iei zal moeten zijn, hetzij die van den minister van Koloniën, 6 zij die van het hoofd van het Bestuur in de kolonie of bezitting, ®ar het vonnis of de authentieke acte wordt geëxecuteerd.

Art. 8. Aan de kanseliers de bevoegdheid toe te kennen om vonnissen te wijzen of regterlijke beschikkingen te nemen, ligt noch in de woorden, noch in de bedoeling van dit artikel. Dit is reeds volkomen juist uiteengezet in de vroegere memorie van beantwoording, en de ondergeteekenden hebben daarbij niets te voegen.

Aan de andere bedenking, bij dit artikel aangeteekend, is in de nota van wijzigingen te gemoet gekomen.

Art. 10. Tegen de bekendmaking der hier bedoelde politie-reglementen in de Staatscourant bestaat van de zijde der Regering geen bedenking. Het artikel is in dien zin aangevuld.

Art. 11. In het Nederlandsch strafregt geldt de regel, dat, waar geene andere bestemming is aangewezen (zoo als in art. 466 C. F.), de opbrengst der geldboeten ten bate van 's Rijks schatkist komt. De algemeene verwijzing naar het Nederlandsch strafregt, in art. 22 van het ontwerp, maakt dus eene uitdrukkelijke bepaling overbodig aangaande de bestemming der boeten, die, hetzij krachtens de in art. 11 bedoelde politie-reglementen , hetzij ingevolge de Nederlandsche wetten, door de consulaire ambtenaren of de consulaire regtbanken, regt doende in strafzaken, worden uitgesproken.

HOOFDSTUK H.

Artt. 15 en 16. Uit den tekst dezer artikelen blijkt duidelijk, dat de aan het Departement van Buitenlandsche Zaken ingekomen authentieke afschriften der binnen de consulaire ressorten opgemaakte acten van den burgerlijken stand dair niet blijven berusten, maar worden doorgezonden aan de in de artikelen aangewezen ambtenaren. Intusschen bestaat het voornemen om, ook in voldoening aan het in de afdeelingen der Kamer geuit verlangen, aan het genoemd Departement ter inlichting van belanghebbenden een register aan te leggen, waarin de door te zenden afschriften worden overgeschreven.

Art. 18. Het voegwoord of strekt hier kennelijk niet ter gelijkstelling, maar ter onderscheiding. Kr bestaat echter geene bedenking tegen in de plaats daarvan te lezen en.

Daarentegen kan de Regering niet voldoen aan het verlangen, om de woorden »binnen het ressort' enz. te doen wegvallen. De stelling toch, dat het een Nederlander, die zich in een vreemd land bevindt, in het algemeen niet vrijstaat, bij olographisch of geheim testament over zijn goed te beschikken, door het verslag een dwaalbegrip genoemd, volgt duidelijk uit art. 992 Burg. Wetboek.

Nu is het de bedoeling nimmer geweest dit artikel af te schaffen, maar alleen daaraan binnen de hier gestelde grenzen door eene bijzondere bepaling te derogeren, gelijk meer in het breede is aangetoond iu de oorspronkelijke memorie van toelichting, ad art. 18.

Het antwoord op de vraag, hoe de consulaire ambtenaar moet handelen met het bij hem in bewaring gestelde testament, als de erflater komt te overlijden, geven de artt. 984 en 989 B. W., ook in verband met art. 35 van het ontwerp.

Art. 19. De kanselier mag geen huwelijk sluiten. De bevoegdheid daartoe wordt hem nergens toegekend. Alleen de consulaire ambtenaren worden in art. 12 bevoegd verklaard tot alle verrigtingen, aan de ambtenaren van den burgerlijken stand bij de Nederlandsche wetten opgedragen.

Art.^ 20. De wet mag, naar het oordeel van de ondergeteekenden, niet uitgaan van de onderstelling, dat de consulaire regtbank, welker instelling zij beveelt, niet zal kunnen worden zamengesteld. Met het oog op art. 37, dat toelaat de bijzitters, des noods, uit vreemdelingen te kiezen, bestaat hiervoor ook weinig of geen gevaar. De bevoegdheid, bij § 13 der Pruissische wet aan den consul gegeven, is aan veel bedenking onderhevig, en het valt niet te ontkennen, dat zij aanleiding kan geven tot groote misbruiken.

Art. 21. De tegenstelling, in het verslag gemaakt tusschen "het Nederlandsch burgerlijk regt* en de "regelen daarvan*, lag volstrekt niet in de bedoeling van dit artikel. Ter voorkoming van verder misverstand zijn dus thans de woorden de regelen van vervallen.

Art. 23. De Regering kan nog niet inzien, dat de doorgraving der landengte van Suez eene verandering van dit artikel en van art. 45 noodzakelijk heeft gemaakt. Wanneer men een blik slaat op de landen, waar, krachtens de in de oorspronkelijke memorie van toelichting (bladz. 1—3) genoemde tractaten, de consulaire regtsmagt wordt uitgeoefend, dan schijnt de onderscheiding tusschen de landen, gelegen aan deze of aan gene zijde van de Kaap de Goede Hoop en van Kaap Hoorn, ook thans hare bruikbaarheid niet te hebben verloren.

Art. 29. De ondergeteekenden kunnen zich hier gedragen aan de opmerking der vroegere memorie van beantwoording, dat het regt tot vrijen toegang, in dit artikel aan de Nederlanders gegeven, niet insluit de verpligting van den consulairen ambtenaar om alle anderen te weren.

Art. 30. De Regering kan niet aannemen, dat art. 16 2 der Grondwet andere regterlijke collegiën betreft dan die, welke gevestigd zijn binnen het Koningrijk in Europa. Er bestaat dus geen strijd tusschen het grondwettig voorschrift en de uitzondering op den in dit artikel gestelden regel.

Art. 33. Eene uitdrukkelijke bepaling, dat in geen geval Nederlanders, buiten het consulair ressort wonende, in het geding voor den consulairen regter kunnen worden betrokken, zelfs niet als gedaagden in vrijwaring, schijnt onnoodig. Jurisdictie over personen , hetzij Nederlanders of vreemdelingen, buiten zijn ressort wonende, komt den consulairen regter niet toe, omdat zij hem nergens is gegeven. Maar daarenboven blijkt duidelijk uit art. 51 van het ontwerp, dat niemand voor den consulairen regter a's verweerder in een burgerlijk geding kan worden gedagvaard buiten hen, die hunne woon- of verblijfplaats hebben binnen het ressort van het consulaat.

Artt. 37 en 38. Tegen de omzetting dezer artikelen bestaat geen bezwaar.

Dat het tweede lid van art. 38 in strijd zoude zijn met art. 3, kan niet worden toegegeven, liet eerste artikel duidt aan, wie den consulairen ambtenaar in het algemeen, en dus ook als voorzitter der consulaire regtbank vervangt; het tweede voorziet in het geval van

tijdelijke verhindering van den voorzitter, om als zoodanig op te treden.

Art. 43. Het slot van dit artikel is thans in meer algemeene termen vervat. Men merkt intusschen op, dat de bevoegdheid der consulaire regtbank, om kennis te nemen van eene vordering tot echtscheiding, reeds volgt uit art. 41.

Art. 46. De door eenige leden aangevoerde gronden hebben de Regering niet overtuigd van de wenschelijkheid om het hof van appel te Konstantinopel op te heffen. Zij bleef veel hechten aan de redenen, in de oorspronkelijke memorie van toelichting voor het behoud dier instelling aangevoerd. Ook de Belgische wet heeft haar behouden, maar alleen in art. 31 een tweede appel toegelaten, voor vorderingen, wier waarde meer dan 500 francs bedraagt. Dit laatste nu schijnt geene aanbeveling te verdienen.

Art. 51. Men blijft de uitdrukking van het artikel juister achten dan die, welke sommige leden daarvoor in de plaats wilden stellen.

Art. 66. De verlangde bijvoeging schijnt onnoodig. Alleen de inhoud van den eed is sacramenteel. Omtrent den vorm bepaalt de wet niets. Zij laat dus de vrijheid om ten aanzien daarvan het gebruik van het land of den landaard te volgen.

Art. 86. De artt. 93 en 102 zijn thans aangevuld met de bepaling, dat de consulaire ambtenaar het door hem uitgevaardigde bevelschrift van voorloopige aanhouding, van gevangenhouding of gevangenneming onmiddellijk mededeelt aan de consulaire regtbank.

Wat de hier voorkomende afwijking van het gemeene regt betreft, kunnen de ondergeteekenden zieh blijven gedragen aan hetgeen dienaangaande is opgemerkt in de oorspronkelijke memorie van toelichting ad art. 86.

Art. 89. De verlangde aanvulling heeft plaats gehad.

Art. 91. De verpligting, hier aan den consulairen ambtenaar opgelegd, om de verklaringen in te winnen van hen, die bij het misdrijf tegenwoordig zijn geweest, sluit niet uit zijne bevoegdheid om ook andere personen te hooren.

Art. !05. De beperking, waarvan hier sprake is, lag niet in de bedoeling van het artikel.

Ten einde echter allen twijfel dienaangaande op te heffen, is thans eene wijziging gebragt in dit artikel en in verband daarmede een nieuw lid toegevoegd aan art. 107.

Art. 12 2. Binnen de hier aangewezen grenzen, die veel minder ruim zijn gesteld dan iu Frausche en Belgische wetten (confr. de oorspronkelijke memorie van toelichting, pag. 16, sub IV), blijft men het middel van verzet onmisbaar achten.

Art. 14i. Op het behoud der slotbepaling van dit artikel, die met de billijkheid overeenstemt, blijven de ondergetenkeuden prijs stellen.

De Minister van Buitenlandsche Zaken , L. Gericke.

De Minister van Justitie, J. A. Jolles.

Nota van wijzigingen.

Art. 1 wordt gelezen als volgt:

"Aan de consulaire ambtenaren, door Ons bij algemeenen maatregel, den Raad van State gehoord, aan te wijzen en binnen het daarbij te bepalen ressort, wordt toegekend:

«a. de bevoegdheid tot het opmaken van acten van den burgerlijken stand;

i'b. de bevoegdheid tot het opmaken van andere burgerlijke acten;

»c. de uitoefening van regtsmagt -.

«een en ander volgens de regelen, bij deze wet te stellen.»

Art. 4. In den tweeden regel tusschen de woorden of en tolk te voegen het woord «eenen».

Art. 5 wordt gelezen als volgt:

»De personen, krachtens het voorgaande artikel aangewezen of benoemd, leggen, alvorens hunne betrekking te aanvaarden, in handen van den consulairen ambtenaar, den volgenden eed (belofte) af:

»»Ik zweer (beloof) getrouwheid aan den Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de Nederlandsche wetten, alsme le dat ik mijne betrekking getrouw zal waarnemen.»

«Vreemdelingen zijnde, zweren (beloven) zij, dat zij hunne betrekking getrouw en overeenkomstig de Nederlandsche wetten zullen waarnemen.

»De eed kan door vreemdelingen ook in eene vreemde taal worden afgelegd.»

Art. 8 wordt gelezen als volgt:

»Voor alle vonnissen , beschikkingen en acten, uit kracht van deze wet door de consulaire ambtenaren of hunne kanseliers opgemaakt of verleden, is het gebruik van elke levende taal geoorloofd, mits de gebezigde taal verstaan worde door partijen en door allen , die bij het opmaken of verlijden der acte verschijnen ; of wel de inhoud vertolkt worde aan hen, die de gebezigde taal niet verstaan , door eenen, volgens art. 67 der wet, beëedigden tolk.»

Het laatste lid van art. 10 wordt gelezen als volgt:

«Zij worden onmiddellijk na hunne afkondiging in afschrift medegedeeld aan Onzen minister van Buitenlandsche Zaken en daarna bekend gemaakt in de Nederlandsche Staats courant.»

In art. 13, regel 1, in de plaats van of, te lezen en.

In de eerste zinsnede van art. 21 vervallen de woorden: de regelen van.

Art. 37 wordt art. 38.

Art. 38 wordt art. 37.

De aanvang van art. 40 wordt gelezen als volgt:

»De bijzitters leggen, alvorens hunne bediening te aanvaarden , in handen van den consulairen ambtenaar den eed (de belofte) af, dat zij den hun toevertrouwden last getrouw eu overeenkomstig de Nederlandsche wet zullen vervullen, en zullen handelen, zoo als een braaf en eerlijk regterlijk ambtenaar betaamt."

Sluiten