Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den dader, kan de daad slechts aanleiding geven tot eene civiele actie tot schadevergoeding. De Erausche schrijvers over den Code Pénal begrijpen ook allen het artikel in dien zin. Men zie Carnot op het artikel, n". 2 , Roqbon op het artikel, n". 1, Chauveau et Faustin, n". 4249 volg. De laatstgenoemde schrijvers stellen als eerste voorwaarde voor de overtreding: »la volonté de causer nn dommage» , en gaan verder aldus voort: »Le concours de la volonte' prouve ici . . . qu'il s'agit moins d'une contravention que d'uri de'lit inoral, qui n a éte réduit a ia proportion d u?ie contravention qu'a raison de ia modicite' présume'e du dommage cause'. XI faut donc que cette volonté soit constatée; si le dommage n'avait été cause' que par 1'effet d'une ne'gligence, d'unc imprndence ou d'un de'faut de pre'caution, il n'y aurait plus lieu qu'a une action civile pour la réparation» etc.

De geachte steller van de memorie beweert, dat de gereq. strafregtelijk verantwoordelijk is voor de gevolgen zijner daad, omdat die daad moedwillig was. Ik geloof, dat wij hier wel moeten onderscheiden. Wat de gevolgen betreft van eene moedwillig gepleegde, door de wet verboden daad, van een delictum dolosum, kan de verantwoordelijkheid daarvoor in het algemeen (die sommigen niet verder uitstrekken, dan voor zooveel de dader die heeft gewild en volvoerd) hoog-

otenn wuiucu aangenomen voor cue mogejijKe en waarschijnlijke gevolgen , die de dader moest en konde voorzien (eonf. van Deinse, Alg. Bep. van Strafregt, 1ste uitgave, § 133 volg., meer bijzonder §§ 135 en 138). Het is waar, eenigzius in strijd met deze leer maakte de Ilooge Raad meermalen uit, dat de gevolgen van mishandelingen ook dan, als die niet zijn bedoeld of voorzien, den dader moeten worden toegerekend, zoodat b. v. tot daarstelling van «meurtre» de wil om te beleedigen voldoende is, en niet wordt vereischt de wil om te dooden (men zie Schooneveld, op art. 295 C. 1'., n". 2). Maar tot deze beslissingen werd de Hooge Kaad gedrongen door de stellige voorschriften van den Code Pe'nal in die materie. Stelde het afschieten van het pistool, waarvan hier sprake is, daar een delictum dolosum dan zoude nog te onderzoeken zijn, of de gereq. het daardoor in brand geraken der kleederen had moeten en kunnen voorzien. Maar die daad stelt zulk een delict niet daar. Het is waar, de Regtbank maakt uit, en in de memorie wordt daar zeer op gedrukt, dat de gereq. moedwillig een pistool heeft afgeschoten; maar ik geloof, dat men hier wel moet letten op de beteekenis, aan dat woord «moedwilliff» to

rratran IVTrvarl «ril 11<r 16 ir> 111 ri/11 C/-.V» qm r»,".-, .KI • • 1 _ • . .

— jwu ui&wijib synoniem metdoleus; en men moet dan onder moedwil verstaan een kwaden wil den wil het voornemen om een misdrijf te doen. In dien zin kan het woord door de Regtbank niet gebezigd zijn, daar tevens wordt uitgemaakt dat er geen doel om schade toe te brengen heeft bestaan. Moedwillig is hier dus in meer algemeenen zin genomen en moet beteekenen vrij-

willis. wil men baldadigH P. CTPrArt linf U i.

A . => 7 UGÜ piOfcVUl ^UIU JitJU ZOO

uit te drukken) expres afgeschoten, het is niet bij ongeluk afgegaan. Maar het afschieten van een pistool op zich zelf is geei;e ongeoorloofde daad ; het moge hier en daar bij politie-reglementen zijn verboden (waarvan in casu niet blijkt), dan is het nog hoogstens eene gewone politie-overtreding, geen delictum dolosum. En voorzeker zal men voor de gevolgen van dergelijke daad slechts dan strafregtelijk verantwoordelijk zijn, wanneer de strafwet het, bij het bestaan van culpa, uitdrukkelijk voorschrijft. Om een voorbeeld te stellen, iemand werpt| zonder het minste doel om iemand te beleedigen of schade te berokkenen, een zwaar voorwerp uit een bovenvenster op straat. Hij doet dit vrijwillig, wat die daad zelve betreft, opzettelijk.

Treft het geworpen voorwerp een voorbijganger, zoodat die sterft of verwond wordt, niemand zal er aan denken om den dader schuldig te houden aan moedwilligen manslag of moedwillige verwonding" hoewel die manslag of verwonding het gevolg is van de opzettelijke daad, maar slechts aan onwilligen manslag of onwillige verwonding, waartegen bij onze strafwet straf is bedreigd. Valt het geworpen voorwerp op roerende goederen, een ander toebehoorende, die daardoor schade lijden, evenmin zal hij schuldig zijn aan het opzettelijk toebrengen van schade aan eens anders goed, maar aan het onwillig toebrengen van schade, waarvoor geen straf is bedreigd, maar men slechts civielregtelijk verantwoordelijk is. Evenzoo in casu. Wanneer door het pistoolschot, dat op zich zelf opzettelijk is gelost, maar zonder het doel om iemand te beleedigen of schade toe te brengen, een persoon was gewond oi' gedood, dan zou de qualificatie moeten zijn: onwillige verwonding of onwillige doodslag door onvoorzigtigheid, en nu er schade is toegebragt aan eens anders roerend goed, is dit o-een opzettelijke, maar onwillige toebrenging van schade, vallende buiten het bereik van de strafwet.

Bij de memorie wordt verwezen naar een arrest van den 22 Jan. 1856 (te vinden bij v. d. Honert, van dat jaar, I, bl. 30, Ned. Regtspr., d. 52, bl. 82). De heer req. merkt echter reeds zelf op, dat de toedragt der zaak niet geheel dezelfde is. En het verschil is inderdaad aanmerkelijk. Daar toch was uitgemaakt, dat men met de zaak, die schade veroorzaakte, het doel had gehad om niet alleen last, maar ook nadeel toe te brengen. Er bestond dus dolus, en de daad kon in een juridischen zin moedwillig worden genoemd. Voor de schade, door die daad, gepleegd met het doel om nadeel toe te brengen , veroorzaakt, werd de dader teregt strafregtelijk verantwoordelijk verklaard. Maar, ik herhaal het, van dergelijk doel blijkt in casu niets.

Ik heb derhalve de eer, namens den heer proc.-gen., te concluderen tot verwerping der voorziening; de kosten, in cassatie gevallen, te

aragen uoor aen staat.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteid bij memorie, bestaande in: schending van art. 479 , n'. 1, Strafregt, door dit ten deze niet toe te passen ;

Overwegende, dat bij het bestreden vonnis in facto als bewezen is aangenomen, dat de gereq., op den 1 Jan. jl,, in de woning van den herbergier G. J. Engbers, met een pistool moedwillig heeft geschoten, waardoor de rokken van J. Rikhof in brand zijn geraakt en aan die kledingstukken schade is toegebragt, doch niet bewezen is verklaard, dat de gereq. zoude bedoeld hebben op de rokken van genoemde j! Rikhof te schieten;

0., dat de req. beweert, dat op dit feit art. 479, n°. 1 , Strafregt had moeten zijn toegepast, omdat de gereq. het pistool moedwillig heeft afgeschoten en voor de gevolgen van die moedwillige daad strafregtelijk zoude zijn verantwoordelijk;

O. echter, dat tot toepassing van art. 479, n°. l, twee omstandigheden moeten zamenloopen: lo. dat de dader schade hebbe toegebragt aan eens anders roerende goederen ; -i". dat hij met opzet (volontairemmt) schade heb'oe toegebragt, dat hij den wil had om schade toe te brengen;

O., dat in deze, waar in facto is beslist, dat niet is gebleken, dat de dader den wil had om op de beschadigde kleederen te schieten , ook niet is gebleken , dat hij den wil had om die kleederen te beschadigen , zoodat in casu het tweede vereischte tot toepassing van gemeld artikgl ontbreekt;

O., dat de Regtbank dat artikel teregt niet op de bewezen feiten heeft toegepast, en het middel van cassatie derhalve is ongegrond ;

Verwerpt de voorziening in cassatie; de kosten, in cassatie gevallen , te dragen door den Staat.

Zitting van den 16 Mei 1871.

Getuigenbewijs. — Motieven.

Ten deze het feit als bewezen aangenomen op regtstreeJcsch getuigenbewijs , niet op testimonia de auditu.

Ook op grond van wettige bewijsmiddelen aangenomen, dat er eene bekentenis bestaat.

Door 'sregters opgave, door welke getuigen omtrent de door den beklaagde erkende omstandigheden is verklaard, volkomen aan de wettelijke voorschriften omtrent het bewijs voldaan.

G. Beekhoven , oud twee en-veertig jaren , van beroep houtkooper geboren te Wormerveer, wonende te Zaandam, heeft zich in cassatie voorzien tegen een arrest van het Prov. Geregtshof in Noordholland van den 22 Febr. 1S71 , waarbij gemeld Geregtshof, zich ten deele vereenigende met een vonnis van de Arrond.-Regtbank te Haarlem van den 22 Dec. 1870 , hij welk vonnis de req. is schuldig verklaard aan medepligtigheid aan diefstal, gepleegd door handwerkslieden in de werkplaats huns meesters en te diens nadeele, door des bewust de door diefstal verkregen goederen te hebben geheeld, onder de verzwarende omstandigheid van vroegere veroordeeling tot eene

"U,U|UW° onai, ou met, buepaoouig van art. ö«ü , n0. 3, Strafregt, jo. art. 14, n". 6, der wet van den 29 Junij 1854 (Stbl. n°. 102)', art. 62 j°. art. 59 Strafregt, art. 207 Strafvord. m art. 11 dor «-«t v»„

den 29 Junij 1854, is veroordeeld tot eene gevangenis-straf van drie jaren en solidair met zijne mede-veroordeelden in de kosten van het regtsgeding, invorderbaar bij lijfsdwang, dit vonnis heeft bekrachtigd met uitzondering van de aan den req. opgelegde straf en van dat gedeelte, waarbij al de veroordeelden solidair in de kosten zijn veroordeeld , en hetzelve te dien aanzien heeft vernietigd ; en, op nieuw regt doende, met toepassing van de artt. 1, 2 en 3"der wét van den 28 Junij 1851 (Stbl. no. 68) en van art. 7 der wet van den 29 Junij 1854 (Stbl. n'>. 102), den req. heeft veroordeeld tot eene gevangenisstraf van één jaar, in eenzame opsluiting te ondergaan ; den eersten veroordeelde heeft veroordeeld in de kosten van het wilino- in

eersten aanleg als in hooger beroep, voor zoover zij zijn veroorzaakt door zijne vervolging wegens den diefstal, hem alleen ten laste gelegd, en de drie veroordeelden solidair in de overige kosten van het°regtsding, zoo in eersten aanleg als in hooger beroep, alles invorderbaar bij lijfsdwang.

Nadat te dezer zake door den raadsheer Kist het verslag was uitgebragt, heeft de adv.-gen. Romer de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heeren, President en Raden! De memorie van cassatie bevat twee middelen. Het eerste middel luidt: schending van artt. 434 i". 427 Strafvord., omdat de veroordeel;™ i.k hot-

nis a quo berust of kan berusten op eene verklaring de auditu.

Deze grief is ook reeds aangevoerd voor het Hof; en ook het Openb. .Min. requireerde op dien grond de vernietiging van het vonnis te Haarlem. In dat vonnis zelf komt geene verklaring de auditu voor ; maar uit het proces-verbaal der teregtzitting blijkt, dat een der getuigen ook de omstandigheden heeft medegedeeld , die hem niet door eigen ondervinden waren gebleken. Het llof overweegt echter , dat de Regtbank kennelijk alleen het oog heeft gehad op datgene wat de getuige aangaande het feit heeft verklaard. Er is dus geen regt gesproken op eene verklaring de auditu. Art. 434 Strafvord. is mitsdien niet geschonden, en de Hooge Raad kan niet treden in een onderzoek, of het Hof in dit opzigt het vonnis der Regtbank al dan niet juist heeft opgevat.

liet eerste middel is dus onaannemelijk.

Het tweede middel luidt: schending van de artt. 206 en 211 Strafvord., op grond, dat de schuldig-verklaring niet behoorlijk is gemotiveerd, omdat de req. steeds heeft volgehouden, dat hij niet heeft bekend.

Ook dit middel, E. H. A. H. 1 betreft de uitlegging van het procesverbaal, waaruit volgens het Hof voortvloeit, dat de req. heeft afgelegd eene volledige bekentenis, en deze op geene aannemelijke gronden heeft herroepen. In de memorie wordt dan ook toegegeven, dat dit facti is, doch beweerd, dat het vonnis niet kon volstaan met de beslissing, zoo als die gegeven is, omdat niet blijkt, of de verklaringen, die in verband worden gebragt met de bekentenis, zijn gebezigd als aanwijzingen of als direct bewijs.

Ik moet daaromtrent doen opmerken, dat eene bekentenis reeds op zich zelve een bewijsmiddel is, indien de omstandigheden, daarbij vermeld, slechts van elders blijken. Uit de eerste overwemn'sr van het

-.Tz-vnv^c -nr/VIW .1 „ ... ® "

YwxtiiM» lüiton uwi utj genoemae getuigen zijn

verklaard; dit zijn feiten, die ook door den req. zijn erkend, zoodat de motivering der schuld berust op eene bekentenis, waarvan de omstandigheden aliunde blijken, en mitsdien op wettig bewijs.

Ook dit middel kan m. i. niet leiden tot cassatie.

Ik heb al zoo de eer, namens den heer proc.-gen., te concluderen tot

verwerping uer voorziening en veroorueenng van aen req. in de kosten, in cassatie gevallen.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op de middelen van cassatie , namens den req. voorgesteld bij memorie, bestaande in :

1°. schending van art. 431 Strafvord. j». art. 427 van dat wpt-

boek, op grond, dat het bij arrest a quo bekrachtigd vonnis der Regtbank te Haarlem dd. 22 Dec. 18 70 onder de bewijsmiddelen opneemt, en de schuldig-verklaring van den req. daarop mitsdien mede berust of berusten kan, eene verklaring «de auditu«, althans die niet uitdrukkelijk heeft uitgesloten;

2U. schending of verkeerde toepassing van de artt. 206 en 211 Strafvord., omdat het vonnis a quo teil aanzien van de schuldig-verklaring van den req. niet behoorlijk met redenen is omkleed;

Overwegende ten aanzien van het eerste middel van cassatie dat het Hof bij de vijfde overweging van het bestreden arrest heeft aangenomen : «dat de Regtbank kennelijk bij hare overweging ten aanzien van het feit, den bekl. Beekhoven ten laste gelegd, alleen het oog gehad heeft op hetgeen de getuigen ten aanzien van dat feit hadden verklaard; dat noch uit de woorden van de beklaagde overweging, noch uit den zamenhang van het vonnis kan worden aangenomen , dat de Regtbank de verklaring van den getuige van Ooijen, ten aanzien van een feit, dat den bekl. Beekhoven niet betrof, zoude hebben aangenomen ;»

0., dat die beslissing van het Hof, als feitelijk, aan de beoordeeling van den regter in cassatie is onttrokken en daarenboven ten duidelijkste aantoont, dat het Hof, hoe de Regtbank de verklaring van den getuige van Ooijen dan ook moge hebben opgevat, in allen gevalle bij zijne bevestiging van de door de Regtbank uitgesprokene schuldig-verklaring van den req. niet gelet heeft op dat gedeelte van de verklaring van dien getuige, hetwelk den req. niet betrof, en die schuldig-verklaring mitsdien niet berust op eene verklaring de auditu;

0., dat het eerste middel van cassatie derhalve is ongegrond;

O. ten aanzien van het tweede middel van cassatie, dat het' beweerde gebrek aan motivering daarin zoude bestaan, dat, vermits de erkentenis op zich zelf geen bewijsmiddel is, de regter had moeten opnemen hetgeen de getuigen hebben verklaard, en wat tot opbouwing van het bewijs door hem wordt gebruikt, hetgeen in casu te meer zoude klemmen, waar de erkentenis zelve wordt betwist en

waar het een bewijs geldt door erkentenis met aanwijzingen, geen direct bewijs;

O., dat het Hof, op grond van wettige bewijsmiddelen, lieeft aangenomen, dat er eene bekentenis bestaat, en deze bekentenis volgens de wet op zich zelve is een bewijsmiddel, mits de erkende omstandigheden ook door andere bewijsmiddelen bekend zijn ;

0., dat hier dus geene sprake is van bewijs door aanwijzingen of door getuigen , maar van bewijs door bekentenis ; en de regter, door op te geven , welke getuigen omtrent de door den req. erkende omstandigheden hebben verklaard, volkomen aan de wettelijke voorschriften omtrent het bewijs heeft voldaan ;

O., dat mitsdien ook het tweede middel van cassatie is ongegrond ;

Verwerpt enz.

Zitting van den 23 Mei 1871.

Brandstichting. — Bewijs. — Gevolgtrekking.

Heeft de regter gebruik gemaakt van een onwettig bewijsmiddel, door de gepleegde brandstichting als bewezen aan te nemen op de volgende gevolgtrekking van getuigen en die tot de zijne te maken , als: dat de brand aanvankelijk het hevigst woedde en dan ook ontstaan moet zijn in dat gedeelte der schuur , waar zich een kippenhok bevond; en op hunne verklaring, dat geene andere oorzaak voor den brand kan worden aangenomen dan brandstichting door middel van petroleum ? — Ja.

H. van As , huisvrouw van H. Ilaire. oud 52 iaren. winkelierster.

geboren en wonende te Scherpenisse, is requirante van cassatie tegen een arrest van het Prov. Geregtshof in Zeeland van den 3 Maart 1871, waarbij zij is schuldig verklaard aan moedwillige brandstichtng in een gebouw , waarbij niet te voorzien was, dat eenig menschenleven in gevaar kon worden gebragt; en zij te dier zake , met toepassing van art. 434 Strafregt en art. 13, principio en n°. 5, der wet van den 29 Junij 1854 (Stbl. n". 102), alsmede de artt. 52 en 36 Strafregt en 207 en 216 Strafvord., is veroordeeld tot eene tuchthuisstraf voor den tijd van vijf jaren, met bevel, dat een uittreksel van dat arrest zal worden gedrukt en aangeplakt te Middelburg en te Scherpenisse , ter plaatse , waar zulks te doen gebruikelijk is , met verwijzing voorts der veroordeelde in de kosten der procedure, ten behoeve van den Staat, te verhalen , is het nood , bij lijfsdwang.

Nadat wns gehoord het versla!' van den raadsheer (tertsen en de

advokaat van de requirante , Mr. J. J. van Geuns , de voorziening nader bij pleidooi had toegelicht, heeft de adv.-gen. Smits de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Heeren, President en Raden ! De beide voorgestelde cassatie-middelen betreffen den vorm. Het eerste heet: schending van de artt. '.'06, 211, 427, 429 en 434 Strafvord., omdat bij de bewijsvoering, dat de brand moedwillig is gesticht het twijfelachtig is of sommige daarbij opgenoemde daadzaken als feiten , die gedeeltelijk de auditu getuigd zijn, dan wel als feiten, die door de getuigen geheel zelve zijn gehoord, gezien of ondervonden , zijn te beschouwen , en zelfs evengemelden twijfel in de bewijsvoering over te laten niet is geoorloofd.

vm tijfel hier niet kan bestaan. Het komt mij dui¬

delijk voor, dat al de feiten , in de tweede overweging opgenomen , zijn waargenomen door de getuigen zelve , en wel die, in het tweede lid van die overweging vermeld door de beide rijks-veldwachters, en die , opgenoemd in het verdere gedeelte der overweging, door deze beambten en den gemeen te-veld wachter.

ik acht het echter onnoodig dit nader aan te toonen , daar het tweede middel mij ongegrond toeschijnt, en het arrest dus m. i. gecasseerd zal moeten worden.

Dit middel luidt: schending van geheel dezelfde artikelen , omdat in de bij het eerste middel vermelde bewijsvoering de beëedigde verklaringen yan getuigen zijn opgenomen: a. dat de brand ontstaan moet zijn in dat gedeelte der schuur, waar zich een kippenhok bevond enz.; b. dat geene andere oorzaak van den brand kan aangenomen worden dan brandstichting door middel van petroleum, zijnde oordeelvellingen of bijzondere meeningen, bij redenering opgemaakt.

Het laatste lid der tweede overweging is in deze woorden vervat: «dat er, volgens hunne eenstemmige beëedigde verklaringen , geene andere oorzaak voor den brand aangenomen kan worden °dan brandstichting door middel van petroleum.'/ Misschien zoude men de' uitlegging kunnen bepioeven , dat dit was eene oordeelvelling van den regter, naar aanleiding van de in het vroegere gedeelte der overweging vermelde getuigenverklaringen. Dit schynt echter te strijden met de inngtmg van de geheele overweging, die aanvangt met de vermelding, "dat de verklaringen der getuigen hierop nederkomen" en waaraan zich het bovenbedoelde lid zonder eenige afscheiding aansluit.

Wat daarvan zij , in het derde lid der overweging wordt bepaaldelijk als eene verklaring door getuigen vermeld, dat de brand moet ontstaan zijn in dat gedeelte der schuur, waar zich een kippenhok bevond; en dat is niet anders dan eene gevolgtrekking, door hen gemaakt uit de door hen waargenomen omstandigheid, dat da£r de brand aanvankelijk het hevigst woedde. En deze verklaring heeft, blijkens het eerste lid der overwefirip*. mfidp.o-pwprkt t.ot. hp.f: wptticr pn over*

tuigend bewijs, dat de brand moedwillig gesticht is.

Ik acht mij dus verpligt, namens den heer proc.-gen., te concluderen tot vernietiging van het beklaagde arrest en verwijzing der zaak naar een aangrenzend Geregtshof, ten einde op de bestaande acte van beschuldiging op nieuw te worden beregt en afgedaan ; de kosten, cassatie gevallen, te dragen door den Staat.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op de middelen van cassatie, namens de requirante voorgssteld bij pleidooi, te weten :

l". schending van de artt. 206, 211, 427, 429 en 434 Strafvord., omdat bij de bewijsvoering, dat de' brand moedwillig is gesticht (tweede overweging), het twijfelachtig is, of sommige daarbij opgenoemde daadzaken als feiten, die gedeeltelijk de auditu getuigd zijn , dan wel als feiten , die door de getuigen geheel zelve zijn gehoord, gezien en ondervonden, zijn te beschouwen, en zelfs evengemelden twijfel in de bewijsvoering over te laten niet is geoorloofd;

2°- schending van geheel dezelfde artikelen , omdat in de bij net eerste middel vermelde bewijsvoering de beëedigde verklaringen van getuigen zijn opgenomen : a. dat de brand ontstaan moet zijn in dat gedeelte der schuur , waar zich een kippenhok bevond enz.; b. dat geene andere oorzaak van den brand kan aangenomen worden dan brandstichting door middel van petroleum , zijnde oordeelvellingen of bijzondere meeningen , bij redenering opgemaakt;

Ten aanzien van het eerste middel:

Overwegende, dat de bewoordingen van het beklaagde arrest geene de minste aanleiding geven om aan te nemen, dat er zoude zijn regt gedaan op verklaringen de auditu, noch zelfs naar aanleiding bewoordingen eenige onzekerheid kan bestaan , of zulks het geval geweest;

0., dat wel tot ondersteuning van dit middel is aangevoerd, dat da

nri'/pkprhpid znnrlfl hpptnfin vonvpprcf <1 tran U0"

5 ' v-'Hluaij Uit UCII 1U11UUV* T——

derde lid van den tweeden considerans niet zoude blijken, of de "a£" bedoelde getuigen ieder voor zich, dan wel de een voor den ander

Sluiten