Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

partijen hebben goedgevonden, dat een deel der som door verdeeling der meubelen zou voldaan worden; dat hij erkent den eischer nog f... daarop schuldig te zijn; dat de ingestelde actie den eischer nimmer competeert, omdat in diens eigen stelsel de ontbinding der overeenkomst zou leiden tot het bestaan blijven der vennootschap, waarin hij zou moeten beginnen met terug te brengen de gelden, die hij genoten heeft; dat dit te meer stringeert bij de gedeeltelijke uitvoering, door partijen aan de overeenkomst gegeven; op welke gronden hij tot nietontvankelijk-verklaring, immers ontzegging dier vordering geconcludeerd heeft; _

dat de eischer daarop heeft gerepliceerd: dat de verdediging des gedaagden alleen ten gevolge kan hebben , dat hem het laatste deel zijner vordering ontzegd wordt ; dat de ged., zoo hij de opzegging van 14 Maart jl. als illegaal beschouwde, dit geschil aan arbiters had moeten onderwerpen en daarop niet meer kan terugkomen; dat hij de ontvangst van waarden zelf heeft gesteld en die krachtens de wet zelve tusschen partijen, welke ook hunne regtsbetrekking zij, in verrekening komt; op welke gronden hij heeft gepersisteerd, onder dien verstande, dat hij zich refereert aan 's regters oordeel, of, tot sequeel zijner actie, de liquidatie der firma hem al dan niet kunne volgen;

dat de ged., bij dupliek de ongegrondheid der opzegging van 14 Maart volhoudende, nader de admissibiliteit der geheele vordering, ook bij erkenning van hetgeen juist is in de feitelijke opgaven des eischers, heeft bestreden , onder meer aanvoerende, dat de door den eischer bedoelde verrekening met de restitutie van partijen in iniegrum kwalijk is te rijmen, en alleen in het stelsel eener voortgezette liquidatie zou kunnen te pas komen; op welke gronden hij bij zijne conclusie van antwoord heeft gepersisteerd ;

dat de eischer bij incidentele conclusie heeft verzocht de geregtelijke sequestratie der activiteiten, behoorende tot de firma ; terwijl de ged. heeft geconcludeerd tot ontzegging of niet-ontvankelijk-verklaring dier vordering, op grond, dat zij eene verboden vermeerdering van den eisch zou daarstellen, en er bovendien naar de wet geene de minste termen tot sequestratie bestaan ,O. in jure :

dat het tusschen partijen in confesso is, dat zij in April 1870 zijn overeengekomen, dat de tusschen hen bestaande vennootschap zou ontbonden worden, tegen betaling eener som van f , welke de ged. aan den eischer zou voldoen ;

dat dit feit voor zooveel noodig nog wordt bewezen door een brief van den raadsman des gedaagden aau den raadsman des eischers, dd. 8 April 18 70, waarin uitdrukkelijk gezegd wordt, dat de ged., om de zaak te termineren, besloten heeft genoegen te nemen met een voorstel van laatstgenoemde in dien geest ;

dat mede tusschen partijen in confesso is , dat de betaling der bedongen gelden niet op een bepaalden dag en evenmin later ten volle heeft plaats gehad, zoodat alsnog f . . . door den ged. te betalen overblijven;

dat de wet aan hem, ten wiens opzigte de verbindtenis niet is nagekomen , bij wederkeerige overeenkomsten , het regt geeft om hare ontbinding te vorderen, met vergoeding van kosten, schaden en interessen ;

dat derhalve de eischer het regt heeft om , op grond van des gedaagden wanpraestatie, de ontbinding te vragen van de voormelde, nog altijd tusschen partijen bestaande overeenkomst ;

dat de ged., wel is waar, daartegen heeft aangevoerd, dat de eischer, om in die vordering ontvankelijk te zijn, moet beginnen met terug te geven, hetgeen hij reeds genoten heeft, zijnde J ...;

dat dit echter onjuist is , daar de wet nergens eene dergelijke voorwaarde stelt, en van eene teruggave bovendien eigenlijk eerst sprake kan zijn na de ontbinding, en dus nadat de titel vervallen is, krachtens welken de bedoelde gelden afgegeven zijn;

O. alsnu, wat betreft de gevolgen der uit te spreken ontbinding : dat deze op het al niet voortbestaan der vennootschap en hare liquidatie geen dadelijken invloed kan uitoefenen ;

dat toch, al ware de boven omschrevene overeenkomst vau kracht gebleven, hare bedoeling alleen kon zijn de dissolutie der vennootschap voor te bereiden, maar tot die dissolutie zelve eene nieuwe overeenkomst noodig was, waarvan de acte wel was ontworpen, maar niet geteekend;

dat thans, nu de bedoelde overeenkomst ontbonden wordt, uit den aard der zaak van eene dissolutie der vennootschap nog veel minder sprake kan wezen, en er in de feiten, die tot grondslag van dit geding dienen, niet eene reden is om die dissolutie aan te nemen;

dat de eischer zich, tot staving van het door hem gewilde regtsgevolg, dan ook minder beroept op die feiten, dan wel op de opzegging, welke hij bij exploit gedaan heeft, en in welke de ged. toegestemd zou hebben;

dat deze toestemming, welke de ged. bepaaldelijk ontkent, niet blijkt, zoodat de eischer, indien hij zich op de door hem gedane opzegging wilde beroepen, eerst de dissolutie door arbiters zoude moeten doen uitspreken, eer zij in regten als bestaande kan worden aangemerkt;

dat, zoolang dit geen plaats heeft gehad, ook van liquidatie geene sprake kan zijn, zoodat de daartoe strekkende vordering des eischers voor geene toewijzing vatbaar is;

O. eindelijk, wat betreft de bij de incidentele conclusie gevraagde sequestratie:

dat de ged. zich daartegen heeft verzet, omdat zij eene ongeoorloofde vermeerdering van den eisch zoude bevatten ;

dat zulks onjuist is, omdat sequestratie, die alleen kan gevraagd worden gedurende een geschil en ophoudt met de eindbeslissing , nimmer beschouwd kan worden als een deel van het geëischte, maar veeleer als een tijdelijke maatregel, die hangende het geding tot verrekening van ieders regten noodig kan worden ;

dat de vordering daartoe dus een incident vormt in den regelmatigen gang der procedure, hetwelk, volgens de bepaling van art. 247 B. R., bij eene eenvoudige acte behoort te worden aangebragt;

dat de ged. in de tweede plaats heeft ontkend, dat ten deze voldoende redenen voor eene sequestratie zouden aanwezig zijn ;

dat deze grond van tegenspraak op de wet berust;

dat toch het geschil in casu niet betreft den eigendom of het bezit eener zaak, maar de ontbinding eener overeenkomst, op grond van wanpraestatie; en de regter in zoodanig geval noch door art. 1775 B. W-, noch door eenig ander voorschrift der wet gemagtigd wordt om eene sequestratie te bevelen;

dat dus ook de daartoe strekkende conclusie des eischers voor geene toewijzing vatbaar is;

Gezien artt. 1302, 1303, 1374, 1775 B. W., 26, 247 volg.B.R.; Verklaart ontbonden de overeenkomst, tusschen den eischer en den ged. gesloten, dat de eischer tegen betaling eener som van /... in contanten bij de dissolutie, die op 1°. April 1870 uiterlijk zou moeten geschieden, zou treden uit de vennootschap S. en Comp., zoo als die bij contract op 1 Oct. 1867 door partijen is gesloten;

Veroordeelt den ged. om aan den eischer te vergoeden kosten, schaden en interessen, ten gevolge der niet-naleving dier overeenkomst bij hem geleden of nog te lijden , op te maken bij staat;

Verklaart den eischer niet-ontvankelijk , zoowel in zijnen meerderen eisch als in zijne incidentele conclusie tot sequestratie;

Veroordeelt den ged. tot betaling van drie vierde, en den eischer jOt betaling van een vierde der proceskosten.

(Gepleit voor den eischer Mr. J. G. A. Fabee, en voor den gedaagde Mr. Ph. A. Haas Az.1

Zitting van den 18 Januarij 1871.

Voorzitter, Jhr. Mr. B. J. Ploos van Amstbl. Ontbinding van hudr. — Artt. 1933 en 1934 B. W.

Kieffer , eischer , procureur H. P. Loggere ,

tegen

Makelaar , gedaagde, procureur L. Boa».

De Regtbank enz.,

Overwegende in facto :

dat de vordering, na bekomen verlof van den voorzitter dezer Regtbank op korten termijn ingesteld, strekt tot ontbinding der huur-overeenkomst, in 1867 voor den tijd van vier jaren tusschen partijen gesloten van het huis op den Haarlemmerdijk alhier, met schadevergoeding tot een bedrag van / . . ., als subintrerende over één jaar huurpenningen, op grond, dat de ged. in gebreke blijft in de nakoming zijner verpligtingen als huurder, door lo.niet te betalen de huurpenningen, verschenen geweest 1 Aug. 1870 ; en 2". de gehuurde woning niet te voorzien van de noodige meubelen, niettegenstaande hij tot beiden gesommeerd is;

dat de ged. hierop heeft geantwoord: dat de tusschen partijen aangegane huur-overeenkomst, welke hij erkent, met Mei 1870 in gemeen overleg is ontbonden ; en tot staving daarvan de volgende feiten heeft gesteld: I". dat de eischer den timmerman J., toen deze voor den ged. bij hem aanzoek deed de bestaande huur met Mei II. te doen eindigen en den ged., die den huurprijs niet meer kon betalen, te vergunnen het perceel te verlaten, geantwoord heeft, dat zulks goed was, want dat hij den ged. onder die omstandigheden wel moest ontslaan; 2o. dat de eischer dan ook het perceel toen zelf te huur heeft aangeslagen , en met verschillende kijkers over eene nieuwe met Mei 11. aan te vangen huur heeft onderhandeld; 3°. dat hij eischer op verhuisdag van Mei 11., toen de ged. het perceel verliet, dan ook den sleutel van het perceel heeft aan- en overgenomen; 4°. dat de eischer daarna ook in het perceel heeft laten werken en vertimmeringen is gaan doen; dat de ged. voorts, onder aanbod van het gevorderd bewijs dezer feiten in cas van ontkentenis, heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk-verklaring of ontzegging der vordering ;

dat de eischer, ter teregtzitting het tweede gestelde feit erkennende en de overige ontkennende, heeft beweerd:

dat hij alleenlijk beloofd had den ged. te zullen ontslaan , indien het hem gelukte eenen anderen huurder in zijne plaats te vinden, en voorts, de admissibiliteit van getuigenbewijs in deze bestrijdende, acte heeft gevraagd, dat hij, op grond van eene nadere overeenkomst, op 30 Aug. 1870 hangende het geding tusschen partijen aangegaan, zijne vordering beperkte tot de gevraagde schadevergoeding ad f . . ., als subintrerende voor vier maanden huurpenningen ;

dat de ged. ter teregtzitting acte heeft gevraagd van zijn aanbod om als vijfde feit te bewijzen, dat de eischer dadelijk na Mei 1870, toen hij in het bezit van den sleutel gesteld was, dien sleutel heeft gegeven aan de vrouw, die in het benedenhuis woont, ten einde het perceel te doen bezigtigen, als er kijkers kwamen, en dien later heeft teruggehaald, zeggende: dat hij zelf het huis wel zou laten zien ; 0. in jure :

dat de éénige vragen in deze te beslissen zijn : of de feiten , die door den ged. gesteld zijn, als pertinent en concludent kunnen worden aangemerkt, en of het bewijs door getuigen ten hunnen aanzien is toegelaten ;

O. hieromtrent, en wel wat betreft het eerste feit, dat art. 1933 B. W. het bewijs door getuigen uitsluit, o. a. om het aanwezen te toonen van eenige overeenkomst, welke eene ontheffing van schuld bevat, wanneer het onderwerp de som van f 300 te boven gaat;

dat door deze wetsbepaling het getuigenbewijs omtrent het feit wordt verboden, omdat, indien de eischer werkelijk aan den persoon, die namens den ged. tot hem kwam, het door dezen bewaerde antwoord gegeven heeft, daarin de overeenkomst zelve, welke den ged. van alle verdere verpligtingen onthief, gelegen zou zijn geweest;

dat deze overeenkomst, als loopende over een jaar huur, ten bedrage van f 325 , een onderwerp zou betreffen, de wettelijke som te boven gaande;

O. voorts omtrent de overige door den ged. gestelde feiten, dat het bewijs van deze als niet ter zake dienende en afdoende behoort te worden aangemerkt;

dat zij toch alleen dan eene voor de beweringen des gedaagden gun stige beteekenis verkrijgen, wanneer men ze beschouwt in verband met het eerste feit; maar dat zij, indien dit laatste buiten aanmerking moet blijven, even goed passen in het stelsel des eischers, dat hij den ged. ontslagen had, als in dat des gedaagden, dat hij zulks onbepaald gedaan zou hebben ;

dat dus, ook al wil men met den ged. aannemen, dat het bewijs dezer feiten niet door art. 1933 B. W. verboden wordt, hij toch uit dezen hoofde in het door hem aangeboden bewijs niet-ontvankelijk te achten is;

0., wat betreft de gevolgen, die de vorenstaande overwegingen op de beslissing der zaak behooren te hebben:

dat, bij gemis van bewijs omtrent eene vroegere ontbinding der huurovereenkomst, deze, waarvan het in confesso is, dat zij tot 1 Mei 1871 zou moeten voortduren, ten tijde der dagvaarding als nog bestaande behoort te worden aangemerkt;

dat het mede tusschen partijen in confesso is, dat de ged. niet heeft voldaan aan de verpligtingen des huurders , wat betreft betaling van den huurprijs en stoffering van het huis;

dat de eischer dus geregtigd is schadevergoeding op grond dezer wanpraestatie te vorderen ;

Gezien art. 1279, 1596, 1617, 1933 B. W., 56, 203, 134, 612B. R.; Verleent aan partijen de gevraagde acte;

Verklaart den ged. niet-ontvankelijk in het door hem aangeboden getuigenbewijs;

Veroordeelt den ged. tot vergoeding van alle kosten, schaden en interessen *

Veroordeelt den ged. in de kosten van het regtsgeding.

(Gepleit voor den eischer Mr. J. tan S. Mulder, en voor den gedaagde Mr. Ph. A. Haas Az.)

HOOGE RAAD. — Kamer van Strafzaken.

Zitting van Woensdag, 28 Junij.

Voorzitter, Jhr. Mr. B- "van den Velden.

Uitspraak gedaan in zake:

1°. den proc.-gen. bij het Hof in Noordbrabant, tegen een arrest

in zake J. W. Christan. Niet-ontvankelijk verklaard. 2". N. Polak, tegen een arrest van het Hof in Drenthe. Het arrest

vernietigd en de zaak verwezen naar het Hof in Friesland. 3". den ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt te

Oostburg, tegen een vonnis in zake A. de Puyt. Verworpen. 4°. T. Grift c. tegen een arrest van het Hof in Utrecht. Het

arrest vernietigd en de zaak verwezen naar het Hof in Gelderland.

5°. den proc.-gen. bij het Hof in Overijssel, tegen een arrest in zake G. Oeverman. Verworpen.

NB. Maandag en Dingsdag is er geene zitting gehouden.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Z. M. besluit van den 23 dezer, nf). 28, zijn benoemd: tot raadsheer in het Prov. Geregtshof in Noordholland, Mr. C. Polis, thans adv.-gen. bij het Prov. Geregtshof in Noordbrabant; tot adv.gen. bij het Prov. Geregtshof in Noordbrabant, Jhr. Mr. P. M. F. van Meeuwen, thans subst.-officier van justitie bij de Arrond.-Regtbank te 's Hertogenbosch.

— Bij Z. M. besluit van dezelfde dagteekening, n». 29, is aan Mr. A. J. Wijnstroom , op zijn daartoe gedaan verzoek , eervol ontslag verleend als plaatsvervangend kantonregter te Leiden.

— Bij Z. M. besluit van dezelfde dagteekening, n°. 36, is benoemd tot griffier bij het Kantongeregt te Nieuwer-Amstel, Mr. J. A. de Bas , advokaat te 's Gravenhage.

— Bij Z. M. besluit van dezelfde dagteekening, n". 37, is aan Mr. J. H. W. Swellengrebel, op zijn daartoe gedaan verzoek, met ingang van 1 Aug. e. k., eervol ontslag verleend ais officier van justitie bij de Arrond.-liegtbank te Rotterdam, onder dankbetuiging voor de diensten , door hem in regterlijke betrekkingen aan den lande bewezen; en zijn benoemd, met ingang van 1 Aug. aanst.: tot officier van justitie bij de Arrond.-Regtbank te Rotterdam, Mr. J. G. Patijn, thans subst.officier van justitie bij die Regtbank; tot subst.-officier van justitie bij de Arrond.-Regtbank te Rotterdam, Mr. R. van de Werk, thans subst.officier van justitie bij de Arrond.-Regtbank te Gorinchem ; tot subst.officier van justitie bij de Arrond.-Regtbank te Gorinchem, Mr. A. J. E. Jolles, thans regter in de Arrond.-Regtbank te Appingedam.

— Bij Z. M. besluit van den 24 dezer, n". 25, zijn benoemd: tot subst.-officier van justitie bij de Arrond.-Regtbank te's Hertogenboscb, Jhr. Mr. T. Serraris, thans subst.-officier van justitie bij de Arrond.Regtbank te Tiel; tot subst.-officier van justitie bij de Arrond.-Regtbank te Tiel, Mr. P. Dijckmeester, thans subst.-griffier bij die Regtbank; tot subst.-griffier bij de Arrond.-Regtbank te Tiel, Mr. J. ten Bosch, thans regter-plaatsvervanger in die Regtbank en advokaat aldaar.

— Bij Z. M. besluit van dezelfde dagteekening, n°. 26 , zijn benoemd, met ingang van 1 Julij aanst.: tot kommandant van het huis van militaire detentie, nabij Leiden, Z. ileyl Bz., thans adjunct-kommandant voor het opzigt over den arbeid in die strafgevangenis; en tot adjunct-kommandant voor het opzigt over den arbeid in het huis van militaire detentie , nabij Leiden, H. J. van Riet, thans directeur van het burgerlijk en militair huis van verzekering te Arnhem.

— Naar men verneemt is, ten gevolge van het onlangs op verzoek verleend eervol ontslag aan Mr. F. van Dam van Isselt, als subst. griffier bij het Hoog Militair Geregtshof, naar aanleiding der wijziging in het personeel der griffie bij Kon. besluit van 1 Junij jl., n°. 11, gemaakt, tot commies ter griffie bij hetzelve benoemd Mr. P. A. L. A. van Ittersum, advokaat en regter-plaatsvervanger bij de Arrond.Regtbank te Utrecht.

Verkiezingen tot leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

HERSTEMMINGEN.

28 Junij (Per telegraaf).

Hoofd-kiesdistrict Amsterdam. Ingekomen 2018. Van onwaarde 7. Herkozen de heer Mr. E. H. 'S JACOB, met 1017 stemmen. —De heer J. P. de Bordes verkreeg 994.

Utrecht. Uitgebragt 1389. Herkozen Mr. N. P. J. KIEN, met 818 stemmen. — Mr. W. R. Boer verkreeg 571.

Amersfoort. Uitgebragt 2 130. Van onwaarde 11. Herkozen Mr. E. L. Baron VAN HARDENBROEK VAN LOOKHORST, met 1559 stemmen. De heer Alberdingh Thijm verkreeg 560.

BERIGTEN.

Gravenhage, den 2S Junij.

De Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft, in hare zitting van 27 dezer, na beraadslaging gedurende twee dagen, met 50 stemmen tegen 1 (de heer van Eek) aangenomen het wets-ontwerp tot regeling van de bevoegdheid der consulaire ambtenaren tot het opmaken van burgerlijke acten , en van de consulaire regtsmagt. Dat ontwerp werd in den loop der discussiën nog eenigzins gewijzigd.

CORRESPONDENTIE.

Aan de Redactie van het Weekblad van het Regt.

Ik lees in uw n°. 3334, van den 19 dezer, eenige woorden over mijne "Proeve van eene herziening der wetgeving op de overdragt en den eigendoms-overgang van onroerende zaken" enz. , doch verzoek u beleefdelijk daarin te verbeteren twee bepaalde onjuistheden , zoo als u, bij herlezing, dadelijk moet ontwaren.

Ik stel niet in de proeve vóór om de verificatie der stukken ter inschrijving, in het grondboek aangeboden , op te dragen aan den notaris (dit deed ik vroeger), maar organiseerde eene eenvoudige en spoedig werkende beslissing door den kantonregter, om aan het grondboek authentieke bewijskracht te kunnen geven.

Ten andere verdedig ik geenszins mijne meening tegen de meerderheid der commissie, maar geef eene proeve van een ander voorstel, door mij in de commissie niet zóó gedaan, zoodat hier van geene bestrijding sprake kan zijn. Ik bied, als naast het werk der commissie, een ander ter overweging aan.

Ik vertrouw, dat u aan dezen mijn, zoo ik meen billijken, wensch zal willen gevolg geven.

24 Junij 1871. Brüno Tideman.

REGTSGELEERDE UITGAVEN.

AMERIKAANSCHE LITERATUUR.

A Comparison of the Common and Civil Law Systems, as embraced

in the Jurisprudence of the United States; by Judge Cocke.

Law of Insanity, being a Digest with the leading Cases in full,

John J. Elwell, M. D.

Snelpersdruk en Uitgave van gebrok»®I*s ISKf JUFilMTK!, te 'KjravenKiiiffe.

Sluiten