Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daardoor terugtrad in haren yroegeren toestand en dus bf het bestaan der huur-overeenkomst door andere middelen kon trachten te bewijzen, 'of harerzijds aan de geïnt. een anders geformuleerden beslissenden eed opdragen;

dat zij het laatste middel verkoos; en zij mitsdien heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis a quo, tot opdragt aan de geïnt. v»n den volgenden beslissenden eed : «dat zij der appellante woning Biet erf en tuin, staande en gelegen te Hilversum aan de Langstraat, F 390, niet voor één jaar, ingegaan den 1 Mei 1869 , tegen f 200, in twee gelijke deelen vooruit te betalen, gehuurd heeft, met ontzegging van hare vordering en verwijzing in de kosten , ingeval de geïnt. dien eed mogt afleggen, doch met toewijzing harer vordering met de kosten, ingeval de geïnt. mogt in gebreke blijven of weigeren dien eed af te leggen, met verklaring wel te mogen lijden , dat die eed werd afgenomen door den kantonregter ;

dat de geïnt. daartegen heeft voorgesteld twee exceptiën: 1°. dat <ic appellante niet-ontvankelijk zou zijn in haar hooger beroep, omdat zij, door tegenwoordig te zijn bij het afleggen van den eed, in het vonnis had berust; 2°. dat de appellante , die in eersten aanleg te zümen met hare zuster heelt geproeedeard, nu niet bevoegd is alléén, zich qualificerende éénige erfgename harer zuster te zijn , zonder dat positief te bewijzen , in hooger beroep te procederen ; en , voor het g':val de Regtbank zich met deze exceptiën niet mogt vereenigen , den haar opgedragen beslissenden eed bij eigenhandig geteekende conclusie heeft aangenomen ;

concluderende, dat, na aflegging van dien eed , de conclusiën der appellante zullen worden ontzegd, met de kosten der beide instantiën ;

dat de appellante de beide exceptiën heeft bestreden op grond van later in het geding gebragte bewijzen, niet persistit bij hare conclusie v»n eisch;

O. alsnu in regten, en wel 1". ten aanzien der voorgestelde exceptiën :

dat de eerste niet kan opgaan, omdat uit het proces-verbaal der eedsaflegging, behoorlijk geregistreerd overgelegd, blijkt, dat de appellsnte daarbij verklaard heeft, dat zij, in weerwil van den afgelegden e'=d, zich alle regten, bij de wet toegekend, voorbehoudt en dus niet !tan gezegd worden in het vonnis a quo te hebben berust;

dat de tweede exceptie niet kan worden toegewezen, omdat uit een notarieel geregistreerd testament is gebleken, dat de appellante door T. S. , die met haar in eersten aanleg is opgetreden, met haren broeder Huibert tot éénige en algeheele erfgenamen zijn ingesteld bij vooroverlijden van een van beiden , de langstlevende , terwijl door partijen niet is wedersproken, dat H. S. reeds vooroverleden is; Regt doende op de voorgestelde exceptiën ,

Verwerpt die en veroordeelt de geïnt. in de kosten, daarop

gevallen ;

En alsnu op de hoofdzaak regt doende :

O., dat de geïnt. zoowel in eersten aanleg als in hooger beroep heeft ontkend, dat er tusschen partijen eene overeenkomst van huur en verhuur van het bedoelde perceel te Hilversum, F 390, is tot stand gekomen;

dat tnsschen partijen in conjesso is, dat de huur, welke de appellante beweert mondeling te zijn aangegaan , nog op eenigerlei wijze i» ten uitvoer gebragt; dat derhalve van diegenen der partijen, die de huur ontkent, de beslissende eed kan worden gevorderd, en dat geen bewijs door getuigen in dat geval toelaatbaar is ;

dat echter de beslissende eed alleen dan door den regter kan worden opgelegd, wanneer die door een der partijen aan de wederpartij i« opgedragen ; dat de geïnt. zich in eersten aanleg wel bereid heeft Verklaard eenen beslissenden eed af te leggen , doch dat een zoodanige eed haar niet door de appellante is opgedragen, en dus uit dien h'>ofde het vonnis a quo behoort vernietigd te worden;

0. nu met betrekking tot de vordering zelve :

dat uit den brief, door de geïnt. aan den raadsman van de appellante geschreven, behoorlijk geregistreerd, volstrekt niet blijkt, dat er *en geschreven huur-contract is aangegaan;

dat echter nu in hooger beroep de appellante aan de geïnt. bij -'genhandig geteekende conclusie den boven breeder omschreven beslissenden eed heeft opgedragen en door laatstgenoemde bij soortgelijke conclusie is aangenomen ;

-ï.,. . .. -< ï 11 lrnn nmiv an anrvoilvorron

aat die eed in eiken stand van net geuuig fcn de geformuleerde eed het geschil beslist;

Gezien artt. 1604, 1966, 1971, 1981 B. W. en 56 B. R.:

Regt doende enz.,

Vernietigt het vonnis van den kantonregter in het zevende kanton •an dit arrondissement, tusschen partijen gewezen den 1 Julij 1869 , daarvan is geappelleerd ; en , alsnu op nieuw regt doende,

Ontzegt aan de appellante hare vordering, ingesteld bij exploit van * Jnnii 1869. en veroordeelt haar iri dp. knstp.n der beide instantiën ,

*nits de geïnt., in tegenwoordigheid van de appellante, of deze althans tot het bijwonen daarvan behoorlijk opgeroepen zijnde, zwere: "dat zij '^r appellante woning met erf en tuin, staande en gelegen te Hilvers,3m aan de Langstraat, F 390, niet voor één jaar, ingaande den 1 Mei '869, tegen ƒ200, in twee gelijke deelen vooruit te betalen, gehuurd 'Wt/Z :

Draagt het afnemen van dien eed op aan den kantonregter in het. /övènde kanton van dit arrondissement, ten tijde en plaatse, door Zijn *del Achtbare te bepalen ;

En, voor het geval de geïnt. mogt in gebreke blijven of weigeren ''en eed af te leggen , veroordeelt haar voor dat geval nu voor alsdan r,t betaling aan de appellante eener somma van f 100, voor een half j^ar huurpenningen van het huis, boven meermalen gemeld, verschenen geweest den 1 Nov. J869, met de renten van dien k vijf pet.'sjaars, <"an den dag der dagvaarding in eersten aanleg tot de voldoening, met 'ie kosten der beide instantiën.

(bepleit voor de appellante Mr. A. W. K. Ariens , en voor de geïntimeerde Mr. H. J. VAN LlEll )

tweede kaïner,

Zitting van den 19 Januarij 1871.

Voorzitter, Mr. a. e. Penning.

Verkoop op inschrijving van sigaren, te zien gesteld, sluit uit verkoop op monster, al is bij de koop-conditie ook geen melding gemaakt van monsterkistjes.

L. H. en Comp.. eischers, procureur Mr. E. J. Asser,

tegen

H., gedaagde, procureur Mr. J. H. van Ets.

De Regtbank enz.,

Overwegende ten aanzien der feiten :

dat de eischers op 13 Mei 1870, bij inschrijving, door tusschen*°mst van de makelaars R. en S.. hebben aangeboden eene partij van ' • • stuks havanna-sigaren, welke partij op 6, 12 en 13 Mei ten kan°re van de eischers te zien was en die op 14 Mei moest worden ontJangen, terwijl de monsterkistjes bij de laatste serie van ieder merk ^°uden worden afgeleverd, en de daaraan ontbrekende stuks van de ®kening worden afgetrokken ;

ü&t de ged. op 10 Mei 1870 door de makelaars Z. en B. de geheele Uy Van de eischers heeft gekocht, onder voorwaarde, dat de aan¬

gekondigde inschrijving voor zijne rekening zou doorgaan, terwijl hij ged. zelf door zijne makelaars op die partij heeft doen inschrijven hooger dan den door hem gestipuleerden koopprijs; dat echter geene inschrijving verder is ingekomen, en dat op 14 Mei 1870 de eischers eene partij van ongeveer . . . stuks sigaren ten huize van den ged. hebben doen bezorgen;

dat, terstond na de bezorging van die partij sigaren ten huize van den ged., diens makelaars aan de eischers hebben te kennen gegeven, dat de door hen bezorgde partij sigaren zich in ge'navenden toestand bevond , hetgeen bij de inschrijvings-conditiën niet was vermeld ; dat ook bij de opening van een kistje was gebleken, dat de sigaren beslag hadden, terwijl de monster-kistjes gezond waren; dat dus die partij door den ged. niet werd geaccepteerd ;

dat dit protest van de makelaars des ged. op 17 Mei 1870 is herhaald door den ged., waarbij wordt beweerd, dat de gezondene partij niet is de partij, door de makelaars Z. en A. ten behoeve van den ged. gekocht en in geenen deele voldoende aan het monster ;

dat op deze insinuatie van den ged. is gevolgd eene contra-insinuatie , waarbij de eischers, op grond, dat van geen verkoop op monster spraak is geweest, den ged. tot betaling der verkochte partij sigaren hebben gesommeerd;

dat vorenstaande feiten tusschen partijen zijn in confesso ;

O., dat hierop is gevolgd dagvaarding van den ged. om te worden veroordeeld tot betaling van ƒ ... i wegens verkochte en geleverde sigaren, met renten en proceskosten;

O., dat, bij antwoord op die vordering, de ged, den koop op 11 Mei 1870 niet heeft ontkend, doch heeft beweerd, dat genoemde partij niet in behoorlijken staat en voldoende aan de monster-kistjes is geleverd; dat de op 14 Mei gezondene kistjes niet zijn die, welke door gedaagde's makelaars zijn aangekocht; en op dien grond tot ontzegging, immers tot niet-ontvankelijk-verklaring der vordering cum expensis heeft geconcludeerd en, eisch doende in reconventie wegens nalatigheid van de oorspronkelijke eischers in de behoorlijke voldoening aan de overeenkomst van koop en verkoop, vernietiging van die overeenkomst met schadevergoeding heeft gevorderd;

0., dat bij repliek, onder verwijzing naar het exploit van 18 Mei 1870 , de verkoop op monster is ontkend; voorts is beweerd, dat is geleverd dezelfde partij, die te zien is geweest en door de makelaars van de eischers is aangeboden bij inschrijving, weshalve de vordering wel is gefundeerd;

dat de ged., eischer in reconventie, in gebreke is gebleven om aan te toonen, waarin de eischers nalatig zouden zijn geweest ten aanzien der levering, zoodat de vordering in reconventie niet-ontvankelijk verklaard, immers ontzegd moet worden cum expensis;

O., dat bij dupliek de ged. den verkoop op monster heeft volgehouden en heeft beweerd: dat de bewijslast omtrent behoorlijke levering van de door ged. gekochte sigaren berust op de eischers, terwijl hij ged. aanbiedt te bewijzen : dat de op 11 Mei 1870 door tusschen komst van de makelaars Z. en A. gesloten koop en verkoop der quaestieuse partij llavannah-sigaren heeft plaats gehad op monster, terwijl uit eene eventuele expertise zal blijken, dat de gezondene partij niet aan het monster voldoet; overigens onder persistit, zoo in conventie als in reconventie bij de vroegere dingtalen;

0. in regten :

dat de grond; door den ged. aangevoerd, zoo ter verdediging tegen de vordering in conventie als tot staving van den eisch in reconventie, hierop nederkomt: "de door de eischers geleverde partij sigaren is niet overeenkomstig het monster, waarop is gekocht" ;

dat dus moet worden onderzocht, wat hiervan ten processe blijkt; 0., dat al dadelijk vaststaat, dat de partij sigaren, op 11 Mei 18 70

door den ged. van de eischers gekocht, is dezelfde, die door de eischers op 6 , 12 en 13 Mei 1-70 was te zien gesteld en op laatstgemelden datum ter inschrijving aangeboden;

dat in het koopbriefje van de makelaars Z. en A. van geen monster wordt gesproken ;

dat evenmin in de nota van de makelaars R. en S., waarbij zij namens de eischers de inschrijving bekend maken en de conditiën stellen van monsters, in den zin der wet sprake is ;

dat toch daarin staat vermeld: dat de sigaren te zien zijn op 6 , 12 en 13 Mei 1870 aan het kantoor van de eischers ;

dat zoodanig te zien stellen van eene geheele partij sigaren eene inschrijving op monster uitsluit, en dus evenzoo de op 11 Mei 1870 gesloten koop op geene andere conditiën is voldongen ;

u., dat wel de ged. beweert, dat 111 die conditiën, en dus ook voor zijnen koop, melding wordt gemaakt van monster-kistjes, doch dat daaruit niet volgt, dat inschrijving of koop op monster zou zijn geschied;

dat toch, uit den aard der zaak, sigaren niet enkel op het gezigt, maar ook op de proef worden verkocht en gekocht, zoodat, ten einde ze te kunnen proeven, kistjes, die dan monster-kistjes genoemd worden, moeten worden geopend, ten einde gegadigden zich van kleur en van smaak , door ze te rooken, kunnen overtuigen ;

dat hierbij nog komt, dat niet is tegengesproken, dat gegadigden en dus ook de ged., toen de partij sigaren te zien was, het regt hadden ook de overige kistjes te inspecteren, zoodat, wanneer hiervan geen gebruik gemaakt is, de ged. dit zich zelven te wijten heeft;

dat het er dus regtens voor te houden is, dat noch de inschrijving op 13 Mei, noch de koop op 11 Mei 1870 heeft plaats gehad op monster;

dat, voor zooveel de eed. in de dingtalen beweert, dat de partii

sigaren hem niet in behoorlijken staat is geleverd , ten processe niet blijkt, wat de ged. daarmede bedoelt, tenzij men deze bewering aanvuile met den brief van de makelaars Z. en A.. waarin van uitwen¬

dig gehavenden toestand der kistjes wordt gesproken, doch dat dit gebrek, als uitwendig zigtbaar, niet voor rekening des verkoopers

Komt, die in casu al wat hij ter inschrijving 01 ter verkoop aanbood, heeft laten zien;

dat, wanneer die uitdrukking van "levering in niet behoorlijken toestand" slaat op hetgeen mede in voormelden brief voorkomt, "dat bij opening van een kistje gebleken was, dat de sigaren beslag hadden", en ged. dus bedoelt verborgen gebrek, waarvoor de verkooper moet instaan, hij dan de keus had bf om het gekochte terug te geven, wat niet is aangeboden , bf om op den prijs te korten wat niet is gevraagd; dat mitsdien de verdediging is ongegrond en nader aangeboden bewijs, na vorenstaande beslissing, is overbodig, terwijl de vordering in reconventie den ged. niet kan volgen;

Gezien artt. 1902, 1493, 1540, 1541, 1542 B. W., 210,315, 5S6, n°. 1 , en 56 B. R.;

Regt doende enz.,

i°. op de vordering in conventie:

Veroordeelt den ged. om aan de eischers tegen kwijting te voldoen de som van f . . ., wegens door de eischers aan den ged. verkochte en geleverde sigaren , met den interest h, 6 pet. van den dag der dagvaarding tot de voldoening;

2". op de vordering in reconventie:

Ontzegt den eischer in reconventie zijne reconventionnele vordering;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, mits stellende zekerheid en bij lijfsdwang van de individuele leden der gedaagde firma;

Veroordeelt den ged. in de kosten, zoo in conventie als in reconventie.

(Gepleit voor de eischers Mrs. J. Pinner en J. van S. Mulder , en voor den gedaagde Mr. W. K. van der Breqgen.)

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE MAASTRICHT.

Burgerlijke hauier.

Zitting van den 25 Februarij 1864.

Voorzitter, Mr. A. Gordon.

Üe woorden " zetel van zijn vermogen » in art. 1 der wet van 27 Dec. 1817, op het regt van successie, zijn slechts de omschrijving van het onmiddellijk voorafgaande woord "domicilium*; zij duiden mets anders aan dan dit laatste woord en wijzigen daarvan de be teekenis niet.

Iemand, die gedurende zijne minderjarigheid uit de ouderlijk ewoniny is vertrokken, vervolgens slechts van tijd tot tijd in zijne geboorteplaats is teruggekomen, en a/stoen zijn intrek ten huize van zijn vader heeft genomen, daarentegen te Parijs eene handelsinrigtim7 heeft gevestigd, aldaar steeds is verbleven , zich hier te lande in IS39 niet, maar wel in 1851 op het bevolkingsregister heeft doen plaatsen, ook te Parijs is gehuwd, zonder afkondigingen hier te lande te laten doen , ja zelfs in sommige openbare acten Parijs als zijn domiciiie heeft opgegeven, en ein delijky na het overlijden zijner echtgenoot, als voogd ten behoeve van zijne minderjarige kinderen ter griffie der Regtbank van het departement der Seine de verklaring heeft gedaan van de aanvaarding onder voorregt van boedelbeschrijving, moet niettemin geacht worden zijn domicilium originis te hebben behouden, en geene voldoende blijken hebben gegeven van het voornemen om zijne woonplaats naar Parijs over te brengen.

P. O. von Clerucont, koopman , wettig gedomicilieerd te Vaals , tijdelijk verblijf houdende te Parijs , zoo voor zich zelven als in zijne hoedanigheid van vader en wettigen voogd der minderjarigen: Lodewijk Hendrik Auguste, Izaak Albert Gaston en Herman von Clermont, opposant, procureur Mr. Eügène van Oppen .

tegen

het Bestuur der Registratie, geopposeerde.

De Regtbank enz.,

Gehoord het verslag van den regter Mr. van deb Maesen de sombreff;

Gehoord het Openb. Min. bij monde van den officier van justitie, concluderende : het behage der Regtbank overeenkomstig de conclusiën des opposants regt te doen;

Gezien de stukken, Yoor zooveel noodig geregistreerd, en daaronder de tusschen partijen gewisselde memoriën , bij slotsom luidende:

1°. die van het Bestuur van den 20 Junij 1863 : *dat het der Regtbank moge behagen aan den opp. zijnen eisch tot vernietiging van het dwangschrift te ontzeggen; voorts , met te-niet-doening van het verzet , dat dwangschrift goed en van waarde te verklaren, en den opp, te veroordeelen in de kosten , zoo als zulks bij de wet is bepaald;»

2o. die van den opp. van den 25 Sept. 1863 : "dat het der Regtbank behage aan te nemen en geldig te verklaren het bij exploit van den 10 Junij 11. gedane verzet tegen het dwangbevel van den 3 April dezes jaars, tegen den opp. uitgevaardigd; dit dwangbevel en de daarop gevolgde procedures te vernietigen of buiten effect te stellen en niet-ontvankelijk of ongegrond te verklaren de ten deze tegen den opp. gedane vorderingen en dezelve te vei werpen , met veroordeeling van den geopp. in de kosten van het regtsgeding;*

3°. die van het Bestuur van den 13 Oct. Is63 : "het Bestuur volhardt bij zijne genomene conclusie tot van-waarde-verklaring van het dwangschrift, met veroordeeling van den opp. in de kosten ;*

40. die van den opp. van 8 Nov. 1863: *de opp. verklaart te volharden bij zijne genomen conclusie;"

5°. die van het Bestuur van den 5 Dec. Is63: "het Bestuur persisteert bij zijne genomene conclusie tot bevestiging van het dwangschrift en vernietiging van het verzet, met veroordeeling van den opp. in de kosten ;"

Overwegende, wat de daadzaken en de gevoerde procedure betreft, dat de opp., bij exploit van den deurwaarder van Engelshoven, te Maastricht, van den 11 Dec. 1862, ten verzoeke van het Bestuur der Registratie, op grond van art. 10, 1ste lid, der wet van den 27 Dec. 1817 {Stbl. n°. 37), is gesommeerd geworden, zoo voor zich zelven als in hoedanigheid van vader en voogd der minderjarigen: Lodewijk

Hendrik Auguste, Isaak Albert Gaston, en Herman von Clermont, uit zijn huwelijk met wijlen H. E. Blache, om binnen de eerstvolgende veertien dagen ten kantore van het regt van successie te Gulpen te doen aangifte voor het regt van overgang van den aard, ligging, grootte en waarde der onroerende goederen , gelegen in het ressort van voormeld kantoor, nagelaten door voormelde, op den 8 Febr. 1858, te Parijs, overledene H. E. Blache; dat, onder dagteekening van den 3 April 1863, door den ontvanger der registratie-en successie-regten te Gulpen is uitgevaardigd een op dienzelfden dag door den kantonregter aldaar executoir verklaard, en bij exploit van den deurwaarder a Campo, te Maastricht, van den 7 daaropvolgende, aan den opp. beteekend, dwangschrift tot betaling aan voormeld Bestuur van ƒ 414, behoudens regularisatie voor hetgeen bij finale afrekening bevonden zal worden meerder of minder verschuldigd te zijn voor regt van overgang, vermeerderd met de helft als boete en daarop verschuldigde opcenten , verschuldigd voor de voorbedoelde , in het ressort van het kantoor Gulpen gelegen, en door meergemelde wijlen H. K. Blache nagelaten goederen; dat de opp., zoo in eigen naam als in zijne voormelde hoedanigheid van voogd, bij exploit van den deurwaarder Cobbenhagen, te Gulpen, van den 10 Junij 1863 , is gekomen in verzet tegen voormeld dwangschrift, en daarbij het geopposeerd Bestuur voor deze Regtbank gedagvaard heeft tot van-waarde-verklaring van dat verzet, tot vernietiging en buiteneffect-stelling van het dwangschrift en van de daarop gevolgde procedure, tot verwerping als niet-ontvankelijk of ongegrond van de tegen hem gedane vordering, zulks op grond, dat een hoofdvereischte tot de heffing van het regt van overgang is, dat de erflater geen ingezeten was van liet Rijk ; dat de opp. het bestaan in casu van dit vereischte ontkent, daar toch hij zelf zijn wettig domicilie te Vaals

nooit heeft venalen, aldaar voortdurend den zetel van zijn vermogen heeft gevestigd, en te Parijs alleen verblijf houdt ter zake van zijnen handel, zonder ooit het voornemen te hebben gehad of aan den dag gelegd om zich te dier stede te vestigen, en dat dienvolgens de erflaatster ten tijde van haar overlijden niet woonachtig was buiten het Rük;

dat daarop partijen hebben gewisseld de voormelde memoriën , die zijn beteekend geworden, die van het Bestuur bij exploiten van den deurwaarder Regnier, te Maastricht, van den 22 Junij, 14 Oct. en 8 Dec. ! 863, en die van den opp. bij exploiten van de voormelde deurwaarders van Engelshoven en a Campo , van den 26 Sept. en 10 Nov. van datzelfde jaar; en dat, ter teregtzitting dezer Regtbank van den 2 Jan. 1864 rapport is uitgebragt door den regter-commissaris;

O., dat, blijkens voormelde memoriën, het tusschen partijen onbetwist is, dat de opp. is geboren te Vails op den 22 Sept. 18i5; dat hij is zoon van de echtelieden F. H. von Clermont en C. A. Hass; dat deze steeds te Vaals hebben gewoond en aldaar zijn overleden, de eerste op den 9 Julij 1861 en de andere op den 18 Dec.

Sluiten