Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 24 Julij 1871.

N». 5546.

WEEKBLAD VAN HET REGT.

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

DRIE-EN- DERTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITA8.

Dit blad verschijnt des Maandags en Donderdags, en om de veertien dagen ook des Dingsdags. — Prijs per jaargang f 20 ; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der advertentiën, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 23 Junij 1871.

Voorzitter, Mr. F. de Greve.

Eisch tot voldoening eener geldsom. — Moratoike interessen.

— Aanbod van betaling. — Proceskosten.

Kan bereidverklaring bij conclusie om de geèïschte gelden te voldoen en het vragen van acte, dat men met dat aanbod en de praestatie daarvan kan volstaan , geacht worden de mora in de voldoening te voorkomen ? — Niet beslist.

I' in ieder geval eene bereidverklaring op schrift nog niet eene werkelijke betaling? — Ja.

Wordt hij, die tot de voldoening van eene geldsom, waartoe hij bij dagvaarding is in mora gesteld, niet overgaat, vóórdat de regter eene veroordeeling heeft uitgesproken, en die ten onregte beweert, dat de renten niet sedert zijn verschuldigd, in het ongelijk gesteld, en is hij alzoo , krachtens art. 56 B. R., tot betaling der geregtskosten verpligt ? — Ja.

Brands, eiseher in cassatie, procureur Mr. J. H. C. Lisman, tegen

W. Lutkie, verweerder, niet comparerende.

De adv.-gen. Karseboom heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen :

De proe..gen. enz.,

Overwegende, dat bij memorie is voorgedragen één middel van cassatie, schending namelijk en verkeerde toepassing van artt. 1275 , 1279, 1286, 1274, 1440, 1441 B. W., 59 , 56 B. R.;

O., dat, hoezeer de memorie niet kortelijk zamenvat het beweren, waarom die artikelen zouden zijn geschonden of verkeerd toegepast, en alzoo niet afzonderlijk aangeeft het middel van cassatie, ingevolge art. 406, n°. 1, B. R., uit de adstructie echter mag worden afgeleid, dat de schending en verkeerde toepassing van de aangevoerde artikelen wordt beweerd, op grond, dat de eiseher bij het bestreden vonnis ten onregte is veroordeeld: 1°. in de renten sedert den dag der dagvaarding ; 2°. in de kosten, en 3°. omdat geen regt zou zijn gedaan op zijne conclusie, dat zijn aanbod en de praestatie daarvan zou worden voldoende verklaard, het laatste in strijd met art. 59 13. R.;

O., dat bij het bestreden vonnis geen der voorgedragene artikelen bepaaldelijk is toegepast, en alzoo van verkeerde toepassing geene sprake kan zijn, maar ten hoogste van schending daarvan;

O., dat het laatste punt, de schending van art. 59 B. R. namelijk, als de vormen betreffende, in de eerste plaats moet worden behandeld;

0. te dien aanzien, dat in de eerste plaats ten deze, om het middel te doen opgaan , had behooren te zijn beweerd , niet schending der Wet, in art. 99, n". 2, R. O. aangegeven, maar verzuim der vormen, voorgeschreven op straffe van nietigheid, met aanhaling der artikelen, waarbij die straffe is geschreven, hetwelk niet in art. 56 B. R. is geschied;

O. verder, dat het vonnis in facto vermeldt, dat ged. erkent per resto aan den eiseher schuldig te zijn f 222.17 (de som, waartoe is

ciuoraeeld), welke som hij bij conclusie aanbiedt te betalen, aanvoerende daarin nooit weigerachtig te zijn geweest, doch niet verpligt te ZIJn tot betaling van % per maand, wegens te late voldoening; dat mitsdien de eiseher de proceskosten behoort te dragen; dat het vonnis vervolgens vermeldt, dat de eiseher, ter bekorting van het geding, zijn eisch met die renten heeft verminderd, en beweerd heeft, dat de ged. wel weigerachtig is geweest, hetgeen ook alzoo in regten is behandeld en beslist, zoodat de vordering, zoo ten principale (welke niet ■was betwist geworden) is toegewezen , met de rente sedert de dagvaarding en veroordeeling in de kosten; waardoor tevens op gezegde Tirar^f '^8^'kkeld is beslist, dat de ged. met zijn aanbod en de is "crpm 'laafvan n'et kon volstaau, welke beslissing ook behoorlijk o ïveerd (daargelaten de juistheid of onjuistheid der motieven , waarover het m.ddel verder handelt), terwijl het beweren is opgenomen en alzoo acte daarvan is verleend;

. °J,en§e°s ten aanzien der schending van de verdere artikelen, dat in faco aangenomen: dat ten deze verkoop en levering, dd. 25 Aug. , is eweeid op zes maanden crediet; dat per resto daarop nog was verschuldigd / i22.17 > en bij de e(jrste 0/erweging

in regten, dat ae eisch, na verminderd te zijn, niet wordt betwist en dus voor toewijzing vatbaar is; dat het vonnis verder zegt, in overeenstemming met art. 56 B. K, dat de proceskosten komen ten laste van hem, die in het ongelijk wordt gesteld; en dat daarbij wordt gevoegd, dat de ged. als oorzaak van het proces is te beschouwen, en wel, omdat blijkt, dat hij erkende daartoe (d. i. tot de betaling) niet in staat te zijn, en sedert, noch in der minne noch geregtelijk, een aanbod in klinkende munt gedaan, en alzoo blijkbaar een executorialen titel noodig gemiaakt heeft;

0., dat er alzoo ten deze sprake is van verkoop en levering op 25 Aug. 1868, betaalbaar met zes maanden crediet, en alzoo op 26 Febr. 1869, welke som op 8 Oct. 1870, tijdstip der dagvaarding, nog niet was voldaan; dat de judex facti heeft uitgemaakt verder : dat uit drie door den ged. erkende brieven, dd. '29 Aug. 1869 , 16 Dec. 1869 en 3 Aug. 1870, volgt, dat ged. erkende daartoe, tot de afdoening, niet in staat te zijn; dat er, noch in der minne noch in regten, aanbod tot gereede betaling is gevolgd, en dat nu uit art. 1286 B. W. volgt, dat, bij verbindtenissen tot betaling alleen van zekere geldsom, de schadevergoeding ex mora, uit vertraging in de uitvoering vooi tkomende , verschuldigd is van den dag, dat dezelve in regten gevorderd is, dus van den dag der dagvaarding, maar door den schuldenaar , volgens art. 1274, in mora wordt gesteld, hetwelk spreekt

van een bevel, of andere soortgelijke acte, waaronder de dagvaarding tot betaling geacht mag worden begrepen te zijn (1);

O., dat, vermits in deze de wettelijke interessen zijn uitgesproken sedert den dag der dagvaarding als dies morae, niet behoeft te worden onderzocht, of uit de niet betwiste brieven en daarbij gedane erkentenis van gelden verschuldigd te zijn en niet bij magte te zijn om die voor alsnog te kunnen voldoen , de in-gebreke-stelling mag worden afgeleid, vermits deze niet is aangenomen op dat tijdstip (2);

0., dat, wat er zij van de vraag, of bereidverklaring bij conclusie om de gelden te voldoen en het vragen van acte, dat men met dat aanbod en de praestatie daarvan kan volstaan, geacht kan worden do mora in de voldoening te voorkomen, in allen gevalle eene bereidverklaring op schrift nog niet is werkelijke betaling, en niet is gebleken, dat werkelijk gepraesteerd is, wat de eiseher schriftelijk aanbood te willen doen, en de conclusie zelfs aantoont dergelijke praestatie te willen uitstellen , totdat het vonnis dit als voldoende zal hebben verklaard, terwijl intusschen de schuldeischer van het genot en gebruik der verschuldigde geldsom verstoken blijft (3);

O-, dat hierin geene verandering komt, doordien aanvankelijk ook conventionnele renten werden bijgevoegd bij de dagvaarding, vermits het eenen eiseher vrijstaat zijne vordering te verminderen, en dit in deze op de eerste tegenspraak, om het geding te bekorten, heeft

O., dat het vonnis, door te verklaren, dat er geen aanbod in klin¬

kende munt, hetzij in der minne, hetzij geregtelij k (waarmede bedoeld is de opgevolgde consignatie der aangebodene offres re'elles), gedaan is, evenmin de artt. 1440 en 1441 B. W". kan hebben geschonden;

O., dat hij , die tot de voldoening van eene geldsom , waartoe hij bij dagvaarding is in mora gesteld, niet overgaat, vóórdat de regter eene condemnatie heeft uitgesproken, en ten onregte beweert, dat de renten niet sedert zijn verschuldigd, wordt in het ongelijk gesteld en alzoo, volgens art. 56 B. R., ;n de geregtskosten moet worden verwezen , en het bestreden vonnis alzoo door zijne beslissing geen der aangehaalde artikelen heeft geschonden ;

Concludeert tot verwerping der voorziening en veroordeeling van den eiseher in de kosten.

De Hooge Raad enz.,

Overwegende, dat als éénig middel van cassatie is voorgesteld: schending en verkeerde toepassing van de artt. 1275 , 1279 , 1286 , 1274, 1440 en 1441 B. W. en van de artt. 59 en 56 B. R., als zijnde in strijd daarmede de veroordeeling van den eiseher in de kosten, en zulks , vermits : 1°. niet is gebleken , dat hij was nalatig ; 2°. hij de toegewezen vordering niet heeft betwist, maar hij integendeel voor den regter, voor wien hij was gedagvaard, heeft gedaan aanbod van het verschuldigde, en 3°. hij alzoo niet was de oorzaak van het geding, maar integendeel de ligtvaardige oorspronkelijke eiseher, die, indien hij in gebreke had gesteld, betaling had kunnen erlangen en daardoor het geding had kunnen voorkomen;

0., dat (volgens het beklaagde vonnis) feitelijk vaststaat: 1°. dat de eiseher in cassatie heeft erkend de gevorderde som schuldig te zijn, en hij bij conclusie heeft aangeboden haar te betalen, daarbij aanvoerende daarin nooit weigerachtig te zijn geweest; 2°. dat hij wel beweert altijd gereed te zijn geweest tot betaling, maar dat uit de brieven, door zijn schuldeischer aangehaald, blijkt, dat hij daarbij herhaaldelijk heeft erkend daartoe niet in staat te zijn ; en 3°. dat hij ook, nadat zijn schuldeischer had verklaard met het mondeling aan¬

bod geen genoegen te nemen , noch in der minne, noch geregtelijk, een aanbod in klinkende munt heeft gedaan; en dat uit dit alles bij het beklaagde vonnis is opgemaakt het besluit, dat de eiseher in cassatie is te beschouwen als Oorzaak van het geding;

O., dat deze beslissing is gegrond op de feitelijke waardering van al het gebeurde in zijn onderling verband, als zijnde namelijk door den regter geoordeeld, dat, evenmin als de eiseher ooit te voren inderdaad is geweest bereid tot betalen, ook zijn louter mondeling, volstrekt op geen zweem van wezenlijkheid en waarachtige voldoening gegrond, in den loop van het geding gedaan aanbod moet worden beschouwd als volstrekt niet kunnende gelden als een tot voldoening der schuld leidend aanbod, maar als geheel illusoir; en dat daaruit volgt, zoowel dat is in overweging genomen het gedaan , maar onvoldoend geoordeeld, aanbod, en alzoo art. 59 B. K. volkomen is betracht, als dat hij, zonder schending van art. 56 B. R., teregt is veroordeeld in de kosten ;

0., wat meer in het bijzonder aangaat des eischers veroordeeling

(1) Men vergelijke art. 1550 B. W. Het vonnis der Regtbank te Amsterdam van 19 Sept. 1867 (Regtsg. Bijbl. 1868) nam de dagvaarding blijkbaar niet aan als in-moro-stelling, vermits de eiseher alstoen nog te leveren had de bewijzen: 1°. dat er geleverd was; 2o. dat hij was cessionaris, en als zoodanig geregtigd was de betaling te ontvangen.

(2) Men kan daaromtrent vergelijken de conclusie van mijnen geachten voorganger Mr. Gregory , voorafgegaan aan het arrest van 24 Dec. 1857 (v. d. Honert, B. R., 21 , 467).

(3) Men vergelijke echter de arresten, door den geëerden pleiter aangehaald, van 21 Nov. 1851 en 8 Nov. 1861 (v. d. Honert, B.R., 13, 279 , G. Z., 18 , 476 , Regtspr., 40 , 187 , 69 , 107); in beide welke zaken echter geene sprake was van de eenvoudige verbindtenis tot betaling eener geldsom , bij art. 1286 B. W. bedoeld. Ook bij aanname van dergelijk beginsel zouden m. i. de renten te vergoeden zijn van den dag der dagvaarding tot den tijd van het aanbod en evenzoo de kosten tot dien tyd. Ook de Regtsgeleerde adviezen,

102, verschillen ten deze. Of echter het argument: in elk geval is de dagvaarding bestemd om eerst tegen den dag der teregtzitting effect te hebben, afdoende kan heeten, meen ik sterk te moeten betwijfelen. In het algemeen zou ik dergelijke opvatting wel ietwat gevaarlijk achten, als kunnende bewerken, dat kwade betalers altijd maar de dagvaarding zouden kunnen afwachten en den schuldeischer alzoo kosten doen maken, terwijl zij niets in de waagschaal stelden, door te wachten tot hunne conclusie van antwoord.

in de moratoire interessen der toegewezen en door den verweerder verminderde hoofdschuld in zijne tegen die veroordeeling gerigte bewering , dat zij niet had mogen plaats hebben zonder opzettelijke , aan de dagvaarding voorafgegane, in-gebreke-stelling, — dat ook die bewering is ongegrond;

O. toch, dat het in catu betreft eene verbindtenis tot betaling eener geldsom; en dat dus te dezen aanzien uitsluitend in aanmerking komt art. 1286 B. W., houdende, dat alle vergoeding van kosten, schaden en interessen, wegens vertraging in de uitvoering van zoodanige verbindtenis , bestaat in de bij de wet bepaalde interessen , en dat die verschuldigd zijn van den dag, dat die in regten gevorderd zijn, en dus van af de dagvaarding;

O., dat alzoo door die wetsbepaling volkomen is geregtvaardigd de ten deze bestreden veroordeeling; en dat dus ook niet kunnen geschonden zijn de artt. 1274 , 1275 en 1279 B. W., welke hier volstrekt ontoepasselijk zijn;

O. eindelijk, wat betreft de beweerde schending der artt. 1440 en 1441 B. W., ter zake dat de eiseher na zijn gedaan aanbod ten onregte zou zijn aangemerkt als oorzaak van het geding, — dat ook dit beweren niet opgaat;

0. toch, dat 's regters oordeel, aangaande de door den eiseher veroorzaakte noodzakelijkheid van een exeentoiren titel tot verhaal van hoofdschuld en interessen, zijn grond vindt daarin, dat de ingeroepen verbindtenis niet is te niet gegaan, hetzij door betaling, hetzij door een daarmede, vooral na gebleken vroegere nalatigheid van betaling, gelijkstaand aanbod van het verschuldigde in klinkende munt, door hoedanig aanbod alleen de schuldeischer de beschikking daarover zou hebben kunnen erlangen;

O. nu, dat door die beslissing evenmin de ingeroepen artt. 1440 en 1441, als met 's regters oordeel niet in strijd, kunnen zijn geschonden of verkeerd toegepast;

O., dat alzoo het aangevoerde middel van cassatie is ongegrond;

Verwerpt het beroep en veroordeelt den eiseher in de kosten.

(Gepleit voor den eiseher Mr. W. Thorbecke, zijnde de verweerder niet gecompareerd.)

PROVINCIALE HOYEN.

J

ARRONDISSEMENTS-REGTBANli TE ROTTERDAM.

Eerste kamer.

Zitting van den 16 Junij 1869.

Voorzitter , Mr. J. A. Vaillant.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN ZUIDHOLLAND.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 6 Februarij 1871.

Voorzitter, Mr. S. Schmolck.

Delfland. — Hellinggat. — Eigendom. — Bezit. Is Delfland als eigenaar te beschouwen van het Hellinggat? —■ Neen.

Dijkgraaf en Hoogheemraden van Delfland, eischers, procureur Mr.

W. Siewertsz van Reesema , appellanten, procureur P. J. van

der Burgh ,

tegen

G. H. Uitdenbogaardt c. s., gedaagden, procureur Mr. M. L. A.

Vorstman, geïntimeerden, procureur Mr. C. J. Fran^ois.

De Regtbank enz.,

Gehoord partijen in hare conclusiën en pleidooijen ;

Gehoord de conclusie van het Openb. Min., strekkende daartoe: dat den eischers hun eisch zal worden ontzegd, in allen gevalle dat zij daarin zullen worden verklaard niet-ontvankelijk , met veroordeeling in de kosten van het proces ;

Gelet op het interlocutoir vonnis van 23 Maart 1868 , door deze Regtbank tusschen partijen gewezen, bij geregistreerd afschrift ten processe overgelegd , waarbij , uit overweging, dat de vordering der eischers tot wegneming van zekeren drijf balk , door den auteur der gedaagden in het Hellinggat te Maassluis gelegd, zoude zijn gegrond op der eischers eigendomsregt van het Hellinggat aldaar, aan de eischers verlof gegeven werd zekere door hen opgegevene feiten en omstandigheden, in gezegd vonnis vermeld, door getuigen te bewijzen; alsmede gelet op de geregistreerde extracten uit de minuten , berustende ter griffie dezer Regtbank , bevattende de processen-verbaal der op den 14 Dec. 1868 aan de zijde der eischers en op den 20 Junij daaraanvolgende aan de zijde der gedaagden gehouden getuigenverhooren ;

Overwegende, dat de eischers daarna, bewerende, dat bij het gehouden verhoor bedoelde punten volledig tot klaarheid waren gebragt en dat de contra-enquête noch eenig het minste bewijs voor het beweerde eigendomsregt van de gedaagden opgeleverd, noch de onwaarheid van de door de eischers gestelde feiten aangetoond zoude hebben,— bij hunne oorspronkelijke conclusie zijn blijven persisteren; terwijl de gedaagden, onder vooropstelling, dat de eischers het eigendomsregt van Delfland op het Hellinggat moeten bewijzen , hebben opgemerkt, dat dit regt niet alleen door de productie der eischers en de door hen geroepene getuigen niet was bewezen, maar dat zij gedaagden daartegen door hunne productie, in verband met het gehouden getuigenverhoor, zonneklaar hadden aangetoond, dat Delfland nimmer eigenaar van het Hellinggat geweest is en het nog niet is; weshalve ook zij bij hunne conclusie van antwoord tot ontzegging aan de eischers van hunnea

Sluiten