Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

appellants, waarop de eiseh is gegrond, niets anders behelst dan

schade aan grasgewas, ondervonden door menschen en dieren, en de wegruiming der keet. ook door des menschen toedoen opgerigt, en de plaats zijnde, waar de paarden, die het kwaad bedreven, gestald werden, nu ook niet. in de eerste plaats of als hoofdzaak gevraagd wordt, maar slechts als een geheel ondergeschikt middel om dat kwaad voor het vervolg, en dus toekomstige schade te voorkomen , zonder aan het genoemd onderwerp van het beklag, schade aan het grasgewas ot aan den eigenlijken eiseh, vergoeding voor die schade, iets te veranderen ;

0., dat de vermelding van het woord som, in den aanhef van genoemd art. 39, e toepasselijkheid van dat artikel, bij het bestaan van den ondergesc ïkten eiseh tot wegruiming der keet, niet in den weg staa , aar uit het laatste lid van n°. 3 van dat artikel, waar van hr^let ^6tSwm> maar a^eeD van waarde sprake kan zijn, duidelijk i l wetgever beide woorden som en waarde als synoniem

heeft beschouwd en bedoeld;

• vei der , dat in den ganschen inhoud der dagvaarding niets voorom , wat aan de bewering of klagt over schending van eenig zakey regt, of vau aanspraak op eenig zakelijk regt als zoodanig , zou

kunnen doen denken;

, dat uit alles volgt, dat de door den geïnt. in eersten aanleg voorgestelde exceptie van onbevoegdheid der Arrond.-Regtbank, ratione matenae, is gegrond, en de eerste regter zich alzoo teregt onbevoegd heeft verklaard;

Gezien artt. 39 R. O. en 56 B. R.;

Hegt doende op het hooger beroep,

Doet hetzelve te niet;

Bevestigt het vonnis der Arrond.-Regtbank te Gorinchem, op den 13 Dec. 1870 tusschen partijen gewezen, en waarvan is geappelleerd; en beveelt, dat het geheel en volkomen gevolg zal hebben;

Veroordeelt den app. in de kosten van dit hooger beroep.

(Gepleit voor den appellant Mr. J. Kappeyne van de Coppello, en voor den geïntimeerde Mr. A. M. van Stipriaan Luïscxus.)

Aft RONDISS EMENT8-REGTBA \TKEN.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE AMSTERDAM.

Eerste kamer.

Zitting van den 28 Maart 1871.

Voorzitter, Jhr. Mr. B. J. Ploos van Am*tel.

bepalingen der artt. 612 en volg. B. R. beletten niet, dat de yull61"0'1^9 Van Proces^os^en bij rau-actie worde aanhangig gemaakt.

u is te minder het geval, wanneer er nog meerdere onderwerpen Ind[i^ tusschen partijen bestaan.

n ten huur is opgezegd en de huurder niettemin na verloop van m ^et ^ezblijft, het gehuurde land gebruikt enz., I 6 verloop van den huur tijd verkregen hooi wegvoert, ^ daardoor eene onreqtmatiqe daad, die hem verpliqt tot

Aanj"'ieT?°edin? Wen* den verhuurder.

an erge ij^ e actie obsteert niet, dat bij de vroegere actie tot ontruiming \waaraan eerst later was qeobtempereerd) qeene schadevergoeding als sequele gevraagd was.

1 oepassmg van art. 202, ai 2, B. R.

grondeigenaar en veehouder, tonende aan de Wetering bij de öchagerlaan , onder de gemeente Nieuwer-Amstel, eischer , procureur F. E. Dammers ,

tegen

A. van Engen, veehouder, wonende aan den Overtoom, gemeente Nieuwer-Amstel, gedaagde, procureur Mr. J. H. van Eys.

De Regt bank enz.,

Overwegende in facto:

dat, blijkens een vonnis dezer Regtbank dd. 15 .Junij 1870 (geregistreerd) , de ged. is veroordeeld om de ten processe bedoelde zes kampen weiland, gelegen aan deu Amstelveenschen weg tot aan de groentuinen onder de gemeente Nieuwer-Amstel, te ontruimen en te ontdoen van al wat zich daarop bevindt, en ter vrije beschikking van n eischer te stellen, mits de eischer ter teregtzitting dd. 12 Julij 1870 zwoer, dat het niet waar is,'dat hij in het najaar van 1869 wonüeling aan den ged. heeft verhuurd de zes kampen weiland, ten Pi'ocesse bedoeld, en zulks voor den termijn van vijf jaren, in te gaan 1 Febr. 1S68, tegen een jaarlijkschen huurprijs van f 4a0 ;

dat, blijkens het daarvan opgemaakt proces-verbaal (geregistreerd), die eed op 12 Julij 1870 is afgelegd; en dat de eischer daarna, bij geregistreerd exploit van den deurwaarder J. S. Stadig dd. 12 Sept. 1870 , op grond, dat de ged., niettegenstaande hem de huur tegen 1 ïebr. ib70 was opgezegd, goedgevonden had zich aan die opzegging niet te storen , na dien tijd in het bezit was gebleven van de anderijen , eene groote partij hooi van dSar vervoerd en zich onregtmatig toegeëigend had en thans weigert de geleden schade te vergoeden , den ged. heeft gedagvaard tot betaling:

/ 195 51° de kosteH' aan zijne praktizijns betaald, ten bedrage van

3" de Van 'ïet door den Sed- weggevoerde hooi ad ƒ 280;

den dag der ontruiming^ ^ ^ 1 '87°

4". het weidengeld van i ■ ' ' ,

dat tijdstip, zijnde acht weken Ü6"6? eD ^ Paard ' VaD Md '0t of van zoodanige som , als des' ! t0t ee" bedrag van/703-51

door den regter zal worden beoaaM !' * °°r V<m deskundigen •

dat de eischer overeenkomst deda,Lr en dat de ged. daarop bij concdusie vaJ antwo /f fconcludeerd: de ingestelde vordering even inadmissibel als ongegrond8is^dat de vordering liaren grond ontleent aan een tusseho,? ? ' j

huur van het bewuste land gevoerde en in het "derTaand Julij jl. met de aflegging van den aan den eischer opgedragen eed geëindigde procedure, en dat alzoo van geene onregtmatige daad sprake kan zijn;

dat, wat de proceskosten aangaat, een speciaal voorschrift ter verlening is voorgeschreven; dat hij ontkent eenig hooi te hebben we»Sevoerd wat hem niet toekwam, en het daarvoor uitgetrokken cijfer "et wist;

dat hij evenzeer zijne schuldpligtigheid ontkent tot vergoeding van schade voor het gemis van het land en tot betaling van weidegeld, alsmede de regtmatigheid van het daarvoor in rekening gebragt be'rag; concluderende mitsdien tot niet-ontvankelijk-verklaring, immers °t ontzegging van de vordering, met veroordeeling van den eischer 'O de kosten van het gedino-;

dat de eischer, replicerende, heeft doen opmerken , dat het onregtwno'®]6 Vf", de handelingen van den ged. niet, zoo als deze bij antharl ^ W j voorkomen, gelegen is in het feit, dat hij zich verstout hop/..!11 f16!. eiseher een proces te voeren, maar daarin, dat hij, ona^. i "r r bewuste landerijen tegen 1 Febr. 1870 tijdig was Waar^H- n'et.al,leen in het bezit was gebleven van die landerijen , edt kunnen goedvinden het hooi daarvan weg te voeren

en zich toe te eigenen ; dat niets in den weg staat om bij rau-actie het bedrag der proceskosten , als ook de overige schadevergoedingen, door onregtmatige daad geleden , te doen bepalen;

dat hei hooi in quaestie in het jaar 1870, en dus na den afloop van de" huurtijd, was verkregen , en dat dus geene sprake kan zijn van eenig regt van den ged. op dat hooi; dat bewezen kan worden , dat dit hooi is weggevoerd, en hij den ged. sommeert om zich omtrent dit feit uitdrukkelijk te verklaren ; dat dit bij stilzwijgen voor erkend zal worden gehouden en , bij ontkentenis, zoo noodig, bewezen ; dat de schuldpligtigheid van den ged. tot vergoeding der schade , sub n°. 3 en 4, voortvloeit uit diens onregtmatia: bezit, en de eischer bereid

is en in staat het quantum der vergoeding nader te staven , onder opmerking, dat de laatste post met f 12 behoort te worden verminderd , en concluderende mitsdien :

t°. dat hem van die vermindering zal worden verleend acte ; en 2U. dat hij subsidiair en incidenteel aanbiedt al de door hem gestelde feiten door getuigen en alle andere middelen regtens te bewijzen ; terwijl hij zich met betrekking tot het te fixeren cijfer van schadevergoeding eerbiedig refereert aan het oordeel der Regtbank, zich, onder aanbod van specificatie der praktizijnskosten, mede bereid verklarende de gevraagde cijfers nader , zoo noodig , door deskundigen te staven ; persisterende overigens bij zijnen gedanen eiseh en genomen conclusie;

dat de ged. niet heeft gedupliceerd •

O. in jure :

dat in de eerste plaats behoort te worden onderzocht, of de vordering van den eischer ontvankelijk is?

dat de ged. dit heeft betwist, wat de proceskosten betreft, op grond,

— — -v^uvumg unarvuu etjue oijzonüere proces-orde is voorgeschreven, waarvan niet mag worden afgeweken, en, wat de schadevergoeding betreft, omdat deze het gevolg is , niet van eene onregtmatige daad, maar van de niet-nakoming eener tusschen partijen gesloten overeenkomst, en de eischer de vergoeding, die hij nu vordert, bij zijne vordering tot ontruiming van het verhuurde land had moeten vragen ;

dat beide beweringen evenwel onjuist zijn en ongegrond; dat tusschen partijen niet alleen verschil bestaat over de vereffening van de proceskosten, tot de betaling waarvan de ged. bij vonnis is veroordeeld, maar ook over de vergoeding van schade , waartoe hij niet is veroordeeld; dat, mogen deze beide vorderingen niet bij dezelfde dagvaarding worden aanhangig gemaakt, daarover twee gedingen zouden moeten gevoerd worden. en rilt KAAr 7.Alcnr in striid v.nn '/.iin

met eene goede proces-orde, die medebrengt, dat al de geschillen, die er tusschen eene partij en hare wederpartij bestaan, zooveel mogelijk te gelijker tijd worden behandeld en beslist;

dat art. 612 en volgende B. R. dit niet belet; dat daarin , wel is waar, bijzondere bepalingen zijn vastgesteld voor de vereffening van kosten , schaden en interessen , mitsgaders voor de vereffening van proces-kosten, maar dat daaruit niet volgt, dat deze geacht moeten worden eene uitzondering te maken op den algemeenen regel; dat elke regtsingang met eene dagvaarding aanvangt, met dat gevolg, dat daarvan in geen geval mag worden afgeweken; dat voor die opvatting in de bepalingen zei ven geen enkele grond te vinden is; dat buitendien door het aanbrengen van het tusschen nartiien bestaande crpsnhïl

op de vereffening der proceskosten , waartoe de ged. is veroordeeld , bii dagvaarding, diens belangen in geen enkel opzigt worden benadeeld ; dat het voor de beslissing van dat geding ook geen verschil

luazuu., Ui uil uij ua^vaaruing uan wei Dij acte van procureur tot procureur ter teregtzitting is gebragt; dat art. 612 volg. hoofdzakelijk strekken om de kennisneming van een geding over de vereffening van proceskosten aan denzelfden regter te onderwerpen, die de hoofdzaak besliste; dat in casu in overeenstemming met dat beginsel is gehane , en dat derhalve ten onregte, op grond van de bovenstaande bevTeercT-11' nlet_or,tvankelijkheid van dit gedeelte der vordering is

O. met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding, dat het vaststaat, dat de tusschen partijen gesloten overeenkomst met 1 Febr. 1870 geeindigd was ;

dat nu van het niet-nakomen eener overeenkomst, die niet bestaat, geen spiake kan zijn; en dat alzoo ook de ingestelde vordering tot schadevergoeding van het niet-nakomen van die overeenkomst het gevolg niet kan zijn; dat de wet nergens aan de vordering tot ontruiming die tot vergoeding van kosten, schaden en interessen verin t,^ zoo als in artt. 1302 en 1393 U. W. ten aanzien van de vordering tot nakoming of tot ontbinding eener verbindtenis het geval is; en dat derhalve voor het beweren van den ged., dat de vordering van den eischer niet ontvankeliik «nu "/iir 1 .mui... ,1 w. v,;;

— J ■ ■ ) uu1wk, u.c jl ij

vraagt, eene contractuele schade is, die niet nu, maar vroeger bij de vordering tot ontruiming moest gevraagd zijn, geen grond bestaat;

dat de ged., door in het bezit te blijven van het land van den eischer na den 1 Febr. 1870, en dus nadat de tusschen hen gesloten overeenkomst geëindigd was, eene daad heeft gepleegd, waartoe hij niet geregtigd was; dat dit bezit alzoo als onregtmatig moet worden beschouwd, en dat de eischer , vermits hem daardoor schade is toegebragt, teregt op dien grond, krachtens art. 140 i B.W., veraoedintr vordert;

dat hieruit volgt, dat de eischer in zijne vordering tot betaling van proceskosten en tot vergoeding van kosten ontvankelijk moet worden verklaard;

O., dat thans te onderzoeken valt, of de door den eischer gevorderde kosten en schade op het door hem bepaalde quantum kan worden vastgesteld ?

dat de ged. het gevorderd bedrag van proceskosten niet heeft betwist; dat dit bedrag behoorlijk is gejustificeerd en niet onregtmatig voorkomt, zoodat dit op het daarvoor uitgetrokken cijfer kan worden begroot;

dat in de tweede plaats schadevergoeding is verlangd voor het door den ged. weggevoerde hooi, en dat, blijkens de conclusie van dupliek, daaronder het hooi wordt verstaan, dat in het jaar 1870, en dus na het verstrijken van den huurtijd, van het land van den eischer gewonnen is;

dat teregt is opgemerkt, dat er geen sprake kan zijn van eenig regt van den ged. op dit hooi; dat de eischer den ged. heeft gesommeerd om het door hem gestelde feit, dat dit hooi was weggevoerd, te erkennen of te ontkennen ; dat de ged. niettemin goedgevonden heeft daarop niet te antwoorden, maar dat hij nu ook het aan dat stilzwijgen te danken heeft, dat dit feit, krachtens de bepaling van al. 2 van art. 202 li. R., voor erkend moet worden gehouden ;

dat voor de schade, door de wegvoering van het bedoelde hooi veroorzaakt, een bedrag van f 280 is uitg«trokken ; maar dat de regter, ■>u de juistheid van dit cijfer is betwist, dit niet kan vaststellen, "zonder daaromtrent door deskundigen te zijn vooro-elicht -

dat in de derde plaats is gevraagd schade voor het'gemis vau het and van i Febr. tot den dag der ontruiming ongeveer einde Julij,

Mp, is7n°U' e"' iD de Vierde plaatS'- V00r weidegeld / 116, van 12 ei is70 tot net gemelde tijdstip, voor zes koeijen a f 2 per koe

enrfeeUriPaar ad ^ 3-50 's weeks > gedurende acht weken ;

dat de ged. ten aanzien dezer beide posten ontkend heeft, zoowel zijne verphgtmg tot vergoeding van die schade, als de regtmatigheid van het daarvoor gestelde bedrag;

dat, wat het eerste betreft, de ged., door na het eindigen van den huurtijd in het bezit te bliiven van het land van 1 fln pisf>Vif»r rl iiïon

daardoor belet heeft daarover in zijn belang te beschikken; dat daar¬

door dus uit den aard der zaak de eischer schade heeft geleden, en de ged. verpligt is die te vergoeden; dat, nu de ged. ook het daarvoor uitgetrokken cijfer bestreden heeft, de regter mede, om tot vaststelling daarvan te geraken , de voorlichting van deskundigen behoeft ;

dat de eischer subsidiair voor dit geval tot de benoeming van deskundigen heeft geconcludeerd, en dat die incidentele vordering mitsdien behoort te worden toegewezen ;

Gezien, behalve de aangehaalde artikelen, artt. 56, 134, 222 volg. B. R., 4 1 van de wet van 29 Dec. 1843 (Stbl. n<>. 66);

Verleent aan den eischer de door hem verlangde acte;

Verklaart den eischer ontvankelijk in zijne vordering; en, alvorens ten principale te beslissen ,

Benoemt, voor het geval, dat partijen zich omtrent de keuze van deskundigen niet hebben verstaan, als zoodanig K. Blokhuis, H. Bon en Gr. Pol, allen veehouders aan den Amstelveenschen weg, gemeente Nieuwer-Amstel, ten einde te onderzoeken de schade, door den eischer geleden: 1°. ten gevolge van de wegvoering van het hooi, dat van 1 Febr. tot het einde der maand Julij 1870 van het bedoelde land heeft kunnen gewonnen worden; 2°. door het gemis van dat land, en 3°. van weidegeld voor zes koeijen en één paard, van 12 Mei 1870 af, gedurende acht weken , met opgave van de som, die voor eiken post afzonderlijk in billijkheid behoort te worden vastgesteld;

Beveelt, dat de gekozen of benoemde deskundigen den bij de wet voorgeschreven eed zullen afleggen ter teregtzitting dezer Regtbank van 25 April eerstkomende, des voormiddags ten elf ure;

Beveelt, dat de deskundigen, binnen ééne maand na de aflegging van den eed, het schriftelijk berigt van hunne bevinding ter griffie dezer Regtbank zullen overbrengen ;

Reserveert de kosten.

(Gepleit voor den eischer Mr. A. J. Hovy, en voor den gedaagde mr. Ph. A. Haas Azn.)

Tweede kamer.

Zitting van den 6 April 1871.

Voorzitter, Mr. A. tan Etk Bijleveld.

Het exploit der dagvaarding is in den zin der wet eene in morastelling.

Ofschoon geene voorafgegane in mora stelling heeft plaats gehad, en de gedaagde bij antwoord zich bereid verklaard heeft het gevorderde te betalen, moet toch in casu de gedaagde in de proceskosten veroordeeld worden.

de Jong, eischers, procureur L. Boas,

tegen

van Breemen , gedaagde, procureur Mr. J. H. van Eys.

De Regtbank enz.,

Overwegende ten aanzien der feiten :

dat de vordering strekt tot betaling van f .. ., voor saldo van rekening-courant, onder reserve van de vorderingen der eischers ten

laste van den ged., wegens uitkeering , den eischers toekomende voor door den ged. aan het Gouvernement verkochte en geleverde fourrages ;

0., dat de ged. bij antwoord zich bereid verklaard heeft het gevraagde saldo te betalen, acte van die bereid-verklaring heeft gevraagd, met veroordeeling van de eischers in de kosten, opgrond, dat vroeger de eischers als saldo van rekening hebben gevorderd f .. ., welk saldo, als te hoog, is geweigerd, waarop, zonder eenige nadere opgave of insinuatie, de tegenwoordige, zooveel verminderde vordering is ingesteld ; dat de ged. de rekening heeft nagezien en accoord bevonden, doch daar hij eerst bij dagvaarding kennis kon nemen van die hem vroeger onbekende rekening, en hij dadelijk bereid is het saldo te voldoen, geene noodeloos gemaakte kosten behoeft te betalen ;

0.. dat bil repliek de eischers ook on betaling van renten en nrn.

ceskosten zijn blijven aandringen, hoofdzakelijk op grond, dat de ged. reeds vóór de dagvaarding bekend was met hetgeen door hem aan de eischers was verschuldigd, en hij zich, door aanbod en consignatie van proceskosten, had kunnen libereren , terwijl hij zelfs thans in regten zich bepaalt tot eene eenvoudige bereidwilligheid zonder offre reël ;

0. in regten :

dat het gevorderd bedrag niet is betwist, en dus alleen moet worden onderzocht, wie van beide partijen in de proceskosten moet worden veroordeeld;

dat de ged. beweert niet in mora te zijn gesteld en van de rekeningcourant, waaruit wordt geageerd, vóór den dag der dagvaarding geen kennis te hebben gehad;

dat echter deze beweringen zijn onjuist; dat toch de ged. zelf erkent vroeger van de eischers te hebben ontvangen eene rekeningcourant, sluitende met een saldo ten faveure der eischers van f ...;

dat diezelfde rekening-courant, sluitende met datzelfde saldo, thans in regten is overgelegd , met toevoeging van eene andere rekening voor wissel-operatiën, sluitende met een saldo ten behoeve van den ged. ad f ... , welk bedrag, afgetrokken van het saldo der zoogenaamde hooi-rekening, juist oplevert wat de eischers thans vorderen ;

dat hierbij komt, dat ged. niet heeft ontkend, dat de hooi-rekening over 1868 en die tot 14 Febr. 1869, waaruit thans wordt geageerd, hem reeds in April 1869 zijn gezonden, terwijl de dagvaarding eerst ruim zestien maanden later, op 6 Sept. 1870 is gedaan; uit welk tijdsverloop genoegzaam blijkt, dat de ged., zoo het hem met de betaling ernst ware geweest, gelegenheid te over had gehad om te voldoen, althans aan te bieden , wat hij werkelijk meende schuldig te zijn;

dat, wel is waar, geene sommatie tot in mora-stelling aan de dagvaarding is voorafgegaan; doch dat tusschen den dag der dagvaarding en dien, waarop de zaak ter rolle voorkwam, de ged. zich van verdere last, moeite en kosten had kunnen ontheffen door reëel aanbod, des noods gevolgd door consignatie ;

dat toch een exploit van dagvaarding wel is in de eerste plaats de inleiding tot een regtsgeding, doch tevens in den zin der wet eene in wiora-stelling, aangezien de renten voor verschuldigde geldsommen loopen sedert den dag der dagvaarding, en omdat volgens art. 2017 B. W. ook eene nietige dagvaarding als bewijs van stuiting bij loopende verjaring erkend wordt;

dat mitsdien de ged., door niet vóór den dienenden dag te betalen of reëel aanbod te doen , zelf oorzaak is van de gemaakte proceskosten, tot betaling waarvan hij dus, even als van de hoofdsom en renten, moet worden veroordeeld;

Gezien art. 10 W. K., 56, 315, 586, n°. I, B. R.;

Regt doende enz.,

Verleent acte aan den ged. van zijne bereid-verklaring;

Veroordeelt hem om aan de eischers tegen behoorlijke kwijting te betalen de som van / . .. voor door den ged. aan de eischers verschuldigd saldo van rekening-courant, en zulks met den interest & 6 pet. sedert den dag der dagvaarding tot de voldoening, onder reserve van de vorderingen der eischers ten laste van den ged. wegens uitkeeringen, aan de eischers toekomende voor door den ged. aan het Gouvernement verkochte en geleverde fourrages;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bii voorraad , zonder hnrofitpiHnir

en bij lijfsdwang;

Veroordeelt den ged. in de kosten.

(Gepleit voor de eischers Mr. j. Pinner , en voor den gedaagde

V. xx. ivlulöluik.j

Sluiten