Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 3340.

Het tweede bij de pleidooi voorgestelde middel laidt aldus: schen- • i ding van de artt. 206 en 2 11 Strafvord., in verband met art. 174 0. P., < omdat het arrest gebrekkig is gemotiveerd , wat betreft de opgelegde boete, aangezien het niet iotidem verbis inhoudt, welke som door der. req. te veel zou zijn ontvangen, en dien ten gevolge de basis ontbreekt voor de berekening der opgelegde boete.

Het zal den Hoogen Raad niet ontgaan zijn, dat de geachte pleiter bij den aanvang zijner rede er op genezen heeft, dat het bedrag deite veel ingevorderde regten zoo gering was , ja , dat hij dat bedrag juist aan den Raad heeft opgegeven. Dat bedrag blijkt derhalve uit het arrest en wordt ook bij ieder bewezen verklaard misdrijf door den regter bepaald opgegeven. En dit is m. i. volkomen voldoende. Het Hof had zeker aan het slot van het arrest het gezamenlijk bedrag kunnen resumeren; maar het is voldoende, indien uit het gewijsde blijkt, hoe groot het bedrag der te veel gevorderde regten is geweest. Aan het voorschrift van de artt. i06 en 211 Strafvord. is dan voldaan; en art. 174C. P. zoude slechts dan verkeerd zijn toegepast, indien bleek, dat de opgelegde boete te hoog of te laag was, hetwelk niet beweerd, veel minder bewezen is.

Ook dit middel is m. i. ongegrond.

Ik ga over tot het onderzoek der beide middelen , bij de memorie voorgesteld, welk stuk geheel noodeloos op zegel is geschreven.

In de eerste plaats wordt aangevoerd : schending van de artt. 434, 206 en 211 Strafvord., in verband met art. 174 Strafregt.

Het gepleegde misdrijf is bekend onder den naam van knevelarij Het te veel gevorderde moet dus als regten zijn geheven. liet Hof heeft dit ook uitdrukkelijk beslist op de verklaringen van de getuigen, die hebben opgegeven het te veel als regten te hebben voldaan. Eu nu wordt daartegen aangevoerd , dat de getuigen daardoor geen feil, maar eene meening of gissing hebben opgegeven. De grief is m. i. geheel ongegrond. Een getuige kan zeer goed opgaven , dat eene som van hem als regt gevraagd en door hem als regt betaald wordt. De geachte pleiter heeft zelf deze tegenwerping gevoeld. Hij zeide: «het vorderen als regt is meer een intern dan een extern bewijs; maar toch had kunnen gehoord worden, dat de ontvanger het vorderde als regt". Wanneer ik nu die stelling aanneem , dan ligt de wederlegging van het middel voor de hand.

Indien het betreft een intern feit, dan zijn de gewone regelen van het bewijs er niet op toepasselijk. Is het echter een feit, dat gehoord en derhalve door de zintuigen waargenomen kan worden, dan is het geene meening of gissing. Dit laatste gedeelte der stelling is alleen waar. Het is een feit, hetwelk door de getuigen kan worden waargenomen. De ontvanger vordert het bedrag in, als volgens de wet of volgens het tarief verschuldigd. De belastingschuldige betaalt dat bedrag en niet als geschenk of als achterstallig regt, zoo als de req. in casu beweerde dat het geval was. I 'e grief zoude alleen hierop nederkomen, dat de getuigen geene redenen van wetenschap hebben opgegeven. En nu zal ik eenvoudig aan den Raad herinneren , dat de redenen van wetenschap wel aan den regter moeten worden opgegeven, tenzij zij gelegen zijn iu de afgelegde verklaring, waarin zij dikwijls noodwendig zijn opgesloten , maar dat de regter niet verpligt is die redenen in zijne uitspraak te vermelden. Het Hof is met de meeste zorgvuldigheid in dit opzigt tewerk gegaan. De commies verklaart o. a. de betaling van een post te hebben gezien. Hij geeft op zijne daarna gemaakte berekening , en het Hof toetst dit een en ander aan de wet.

Ook üit middel is onaannemelijk.

Eindelijk het laatste middel van cassatie.

Dit middel is aldus geformuleerd: schending van art. 436 Strafvord., in verband met art. 1907 B. W. Het middel hangt te zamen met het voorgaande middel. Er bestaan hier, volgens den req., quitantiën , welke het juiste bedrag der geheven regten uitdrukken ; die stukken zijn niet van valschheid beticht, zij zijn de overeenkomst tusschen partijen; en tegen haren inhoud mag dus niet worden aangenomen , dat grootere sommen dan daarin zijn uitgedrukt, als regten zijn betaald.

De kracht van dergelijke argumenten, geput uit de bepalingen van het burgerlijk regt, is meermalen door den Hoogen Kaad onderzocht. Men behoort niet uit het oog te verliezen, dat, bij het onderzoek van misdaden, het materiële feit op den voorgrond staat, en dat de strafrcgter in het bewijs daarvan alleen gehouden is de voorschriften van het Wetboek van Strafvordering in acht te nemen. Ik heb dit punt vroeger opzettelijk behandeld ; en de Hooire Raad heeft in dien zin beslist bij het arrest van 28 Jan. 1868 ( Weekbl. n°. 2983,Ned. Regtspr., d. 88, bl. 139 volg., V. i>. Honert, Stra/r., 1868, bl. 27).

Ik zal dit vraagpunt thans niet op nieuw breedvoerig behandelen. De verdediging van den req. was niet afhankelijk van een geschilpunt van burgerlijk regt. Het was alleen de vraag, welke sommen als verschuldigde regten gevorderd en betaald zijn. Hieromtrent kunnen getuigen eene verklaring afleggen. En zonder nu te treden in een onderzoek naar de burgerlijke regtsgevolgen van de quitantiën, door den req. afgegeven, zoo is het alleen de vraag, of de regelen van het bewijs in strafzaken behoorlijk zijn in acht genomen.

In het burgerlijk regt moet eene overeenkomst tusschen partijen worden geëerbiedigd. Eene authentieke acte levert een volledig bewijs op van hetgeen daarin vermeld staat. In het strafregt wordt een schriftelijk bescheid evenzeer onder de wettige bewijsmiddelen opgenomen ; en, niettegenstaande die bepaling, kan ook zoodanig schriftelijk bescheid door tegenbewijs worden ontzenuwd , en is het niet verpligtend tot veroordeeling, indien de regter daardoor niet is overtuigd.

Op de verschillende beginselen , waarvan in beide regten wordt uitgegaan , moet steeds naauwkeurig worden acht gegeven. Ook het burgerlijke regt kent zoodanige exceptie. In art. 1955 B. W. is bepaald , dat door een strafvonnis , en mitsdien door eene authentieke acte, het bewijs kan worden geleverd van eene gepleegde daad, doch

behoudens tegenbewijs.

Ik acht dus ook dit middel en alzoo de geheele voorziening niet gegrond; en ik heb de eer, namens den heer proc.-gen., te concluderen tot niet-ontvankelijk-verklaring der voorziening, voor zooveel de feiten betreft, waarvan de req. is vrijgesproken, en overigens tot verwerping van het beroep en veroordeeling van den req. in de kosten, in cassatie gevallen.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op de middelen van cassatie, zoo op die, door den req. voorgesteld bij memorie, als op die, namens hem voorgesteld bij pleidooi;

Overwegende, dat de req. bij het beklaagde arrest ten opzigte van een der hem bij acte van beschuldiging ten laste gelegde feiten is vrijgesproken;

0., dat tegen vrijspraak geene gewone voorziening openstaat; O-, dat echter ten deze de voorziening in cassatie onbeperkt is ingesteld ;

Verklaart den req. niet-ontvankelijk in zijne voorziening, voor wat betreft dat gedeelte van het arrest;

Ten aanzien van het eerste middel, aangevoerd bij pleidooi, bestaande in schending van art. 443 Strafvord., in verband met de artt. 4;7 en 4ï8 Strafvord., omdat er veroordeeld is, onder anderen, op ; grond van aanwijzingen , zonder dat blijkt, hoe die aanwijzingen be- j wezen zijn, ja zonder dat er zelfs iets aangevoerd is tot bewijs dier j aanwijzingen;

O., dat ten aanzien vari elk der feiten, die bij het arrest bewezen zijn verklaard, door het Hof is vermeld, wat de getuigen daaromtrent hadden verklaard en wat de besch. daaromtrent had erkend, en dat

die verklaringen en erkentenis bij het arrest zijn verklaard te zijn even zoovele aanwijzingen ;

O. dat alzoo uit het arrest blijkt, hoe die aanwijzingen bewezen zijn, namelijk door getuigen en bekentenis en wat deze inhielden, en dat het Hof die getuigenissen en bekentenis tot bewijs der aanwijzingen heeft aangevoerd ;

O., dat liet bestaan van aanwijzingen kan bewezen worden , zoo door getuigen als door bekentenis; dat de beoordeeling der kracht van bewijs, welke aanwijzingen in elk bijzonder geval hebben, aan de bescheidenheid van den judex facti is overgelaten ; en dat het Hof niet verpligt was verdere redenen in het arrest aan te voeren, waarom het die aanwijzingen als bewijs aannam;

O., dat mitsdien dit middel is ongegrond ;

Ten aanzien van het tweede middel, aangevoerd bij pleidooi, bestaande in: schending der artt. 206 en 211 Strafvord., in verband met art. 174, al. 2, Strafregt, omdat het arrest gebrekkig is gemotiveerd, wat betreft de opgelegde boete, aangezien het niet Iotidem verbis inhoudt, v.elke som door den req. te veel zou zijn ontvangen, en dien ten gevolge de basis ontbreekt voor de berekening der opgelegde boete;

O., dat bij het toegepaste art. 74 Strafregt op de misdaad van knevelarij onder anderen is bedreigd bij het 2de lid van het artikel eene geldboete, waarvan het maximum het een vierde en het minimum het een twaalfde moet bedragen van de teruggave en schaden en interessen ;

0., dat req. bij het beklaagde arrest is veroordeeld tot eene geldboete van f ~;

O., dat bii gevolg uit het arrest moet kunnen worden opgemaakt, of die boete met het voorschrift der wet overeenkomt;

0., dat zulks uit het beklaagde arrest voldoende kan worden opgemaakt :

O. toch , dat bij acht der negen als bewezen aangenomen feiten telkens afzonderlijk is vermeld, welk bedrag verschuldigd was, alsmede welk bedrag is gevorderd en ontvangen , met vermelding bovendien van hetgeen alzoo te veel was gevorderd en ontvangen;

0., dat ten aanzien van een der negen als bewezen aangenomen feiten, dat namelijk, vermeld sub B3 van het arrest, wel niet afzonderlijk is vermeld, wat te veel was gevorderd en ontvangen; doch dat daarbij is vermeld, hoeveel verschuldigd was en hoeveel is betaald , zoodat ook daaruit voldoende volgt, welk bedrag te vee! is betaald;

O., dat nu wel al dat te veel betaalde niet te zamen opgeteld in het arrest is uitgedrukt, doch dat de wet zulks niet voorschrijft, en het gezamenlijk bedrag, zijnde f 28.33 , volgt uit de in het arrest bij ieder feit afzonderlijk opgegeven cijfers, zoodat de grondslag ter berekening der boete in het arrest niet ontbreekt ;

O., dat mitsdien ook dit middel is ongegrond;

Ten aanzien van het eerste bij memorie voorgestelde en bij pleidooi ontwikkelde middel, te weten : schending van art. 434 Strafvord., in verband met de artt. 206 en 2! I ibid., j°. art. 174 C. P.:

0., dat dit middel hierop nederkomt, dat de omstandigheid, dat het te veel door den req. ontvangene door hem zou gevorderd en ontvangen zijn qua regten, berust op gissingen of meeningen der getuigen, omdat de verklaringen der getuigen wei konden loopen over het feit, dat er meer gevorderd en ontvangen is dan telkens voor regten verschuldigd was, maar onmogelijk over de vraag, als hoedanig en onder welken titel het surplus gevorderd en ontvangen is ;

O., dat het vorderen eener som onder den bepaalden titel als regten is eene daadzaak, welk door de getuigen kon zijn gehoord ; dat het onder den titel van regten betalen van hetgeen als zoodanig is gevorderd , is een stellig feit, eene handeling van de getuigen zeiven , waaromtrent getuigen stellig mogen verklaren , en dat de getuigen zulks ten aanzien van het een en ander hebben gedaan;

0., dat de omstandigheid, dat de getuigen, bij het betalen van het gevorderde, telkens in dwaling waren gebragt door den besch., wel te weeg brengt, dat zij ten onregte te veel onder een bepaalden titel hebben betaald, maar niet dat hunne latere verklaring daaromtrent slechts zoude zijn eene meening of gissing omtrent het feit zelf der gedane betalingen onder eenen bepaalden titel;

O., dat mitsdien ook dit middel is ongegrond;

Ten aanzien van het tweede middel, bij memorie voorgesteld en toegelicht bij pleidooi, luidende: schending van art. 436 Strafvord., ju. art. 1907 B. W.:

0., dat dit middel steunt op het beweren , dat. in casu de quitantiën van consignatie en de volgbrieven een volledig bewijs opleveren van hetgeen door den besch. voor regten en kosten is gevorderd , althans ontvangen en door de getuigen is betaald; en dat dit uit schriftelijke bescheiden voortvloeijende bewijs door geene verklaringen van getuigen kan worden ontzenuwd;

0., dat de wet als wettige bewijsmiddelen in strafzaken erkent zoowel bewijs door getuigen, bekentenis en aanwijzingen , als schriftelijke bescheiden ; dat, volgens art. 429 Strafvord., deze bewijsmiddelen, zoowel op zich zelve afzonderlijk als onderling vereenigd, tot daarstelling van regterlijk bewijs kunnen dienen , voor zooverre zij met de voorschriften der wet overeenkomen ; en dat, volgens art. 430 eod., alle soort van bewijsmiddelen door tegenbewijs kan worden ontzenuwd ;

O., dat bij gevolg het eene bewijsmiddel het andere niet uitsluit, en niets belet om, onafhankelijk van en zelfs tegenover schriftelijk bescheid, het bestaan van misdrijf aan te nemen op bewijs door getuigen, bekentenis of aanwijzingen ;

0., dat de bewijskracht van de in het arrest vermelde schriftelijke bescheiden niet belette het aannemen van het bewijs door andere middelen, dat ten deze meer is gevorderd en ontvangen qua regten , dan de schriftelijk bescheiden vermeldden :

O., dat mitsdien het volledig bewijs, waarvan in art. 1907 IS. W. de rede is, zelfs in verband met het bepaalde bij art. 436 Straf vord., ■ de bij het arrest geleverde bewijsvoering niet wraakt;

i O., dat bet Hof alzoo, door u'.s bewezen aan te nemen , dat meer was gevorderd en betaald qua regten dan de schriftelijke bescheiden vermelden, de als geschonden aangewezen artikelen niet heeft geschonden ;

O., dat mitsdien ook dit laatste middel is ongegrond;

Verwerpt enz.

PROVINCIALE HOVEN.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN GELDERLAND.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 8 Maart 1871.

Voorzitter, Mr. C. P. Henny.

Verhoor op vraagpunten. — Veroordkemng in de kosten.

Is het verzoek tot verhoor op vraagpunten nog ontvankelijk, nadat de dag der pleidooijen reeds is be/iaald ? — Ja.

Wanneer de tegenpartij het verzoek niet bestrijdt, maar het toch in strijd acht met eene proces-orde, en zich overigens refereert aan het oordeel van den regter, kan zij dan , ingeval van toewijzing van het verzoek , in de kosten veroordeeld worden f — Neen.

De firma G. J. T., te A., appellante, procureur Mr. T. Böhti.ingk ,

tegen

D. J. d. , te A. , geïntimeerde, procureur Mr. S. T. A. van Meurs.

Het Hof enz.,

Gezien de wederzijds genomene conclusiën ;

Gehoord de gevoerde pleidooijen; mede gezien de stukken betrekkelijk deze procedure, wederzijds door beide partijen overgelegd, voor zooverre noodig geregistreerd;

Ten aanzien der daadzaken en procedure zich vereenigende met en mitsdien overnemende hetgeen daaromtrent voorkomt in iiet vonnis , waarvan appel , op den 17 Nov. 1870 door de Arrond.-Regtbank te Arnhem tusschen de appellante als ged. en incidentele eiseheres , en den geïnt., als eischer en incidentelen verweerder, gewezen; en voorts dienaangaande

Overwegende, dat bij dat vonnis de app. is verklaard niet-ontvankelijk in haar verzoek en vordering tot verhoor van den geïnt. op de door haar gestelde vraagpunten, met veroordeeling in de kosten van het incident, en zulks op grond, dat de bevoegdheid tot het doen van zoodanig verzoek in een geding ophoudt, wanneer de pleidooijen daarin zijn bepaald, en dat alzoo het ondenverpelij k verzoek , als eerst door de appellante gedaan en aan den geïnt. beteekend na de bepaling der pleidooijen in het tusschen hen aanhangige regtsgeding, en overeenkomstig welk verzoek vervolgens de appellante ten dage, voor de pleidooijen bestemd, heeft geconcludeerd, — als ontijdig, door den regter niet mag worden aangenomen;

0., dat de appellante bij hare conclusie in hooger beroep gezegd vonnis heeft bestreden, op grond der algemeenheid van de bepaling van art. 237 B. R., waarna zij heeft geconcludeerd, dat het den Hove moge behagen :

1°. hare voorziening in hooger beroep aan te nemen;

2". dezelve, mitsgaders het vonnis, waarvan beroep, te niet ie doen; 3". op nieuw regt doende, alsnog aan de appellante toe te wijzen haren in eersten aanleg gedanen eisch en genomen conclusie ; en

4". den geïnt. te vetoordeelen in de kosten van beide instantiën; O., dat de geïnt. bij zijne conclusie heeft doen voordragen : dat hij zich ter eerster instantie, ter voorkoming van nieuw oponthoud en noodelooze kosten , geen partij heeft gesteld op het incidenteel verzoek der appellante en zich tot 's regters prudentie heeft gerefereerd ; dat hij zich om dezelfde reden ook in deze instantie aan 's Hoves oordeel wenscht te refereren en ten aanzien van dit incident buiten alle kosten wenscht te blijven ; dat de appellante wel vraagt zijne veroordeeling in de kosten van beide instantiën , doch dat: lü. de loop der zaak daartoe geen grond of regt geeft; en 2°. de appellante bij het instellen van haar incident die veroordeeling alleen heeft gevraagd voor het geval van tegenspraak, welke niet is gevoerd; op welke gronden geïnt. heeft geconcludeerd , dat bet den Hove moge behage hem te verleenen acte, dat hij zich ook in deze instantie, overeenkomstig het boven aangevoerde , tot 's regters prudentie refereert;

Wat het regt betreft:

0., dat de bepaling van art. 237 B. R., dat de partijen in eiken stand van het geding een verzoek mogen doen om elkander op ter zake dienende en niet tot iets anders betrekkelijke vraagpunten te doen hooren, is zoo algemeen mogelijk; en dat derhalve aan partijen die bevoegdheid niet kan worden ontzegd, zoolang er in het tusschen haar gevoerd wordende geding voor haar de gelegenheid bestaat om haar geschil aan den regter voor te dragen ;

O. , dat dit niet slechts het geval is tijdens het wisselen der dingtalen of conclusiën , maar ook ten dage , voor het houden der pleidooijen bepaald, tot en op welken ingelijks dienenden dag alzoo door eene partij het verzoek om hare wederpartij op vraagpunten te hooren kan worden gedaan;

0., dat, wanneer men dit niet aanneemt, maar de bevoegdheid tot het doen van zoodanig verzoek na de wisseling der dingtalen of conclusiën en de bepaling van den dag voor de pleidooijen verloren acht, de woorden der wet: «in eiken stand van het geding» zonder beteekenis zouden zijn, daar het ook, zonder die woorden, wel niet twijfelachtig wezen zou, dat het verzoek tijdens het wisselen der dingtalen of conclusiën zou kunnen geschieden ;

O., dat, zoo ook al het doen van het verzoek na de bepaling dep pleidooijen of ten dage, voor deze bestemd, eenige vertraging in de afdoening der zaak ten gevolge heeft, dit bezwaar niet kan gelden tegenover de algemeenheid der wetsbepaling, vooral, nu in deze niet is opgenomen de beperking, welke in het overigens overeenstemmende art. 324 Code de Proc. Civ. wordt aangetroffen in de woorden : «saus retard de 1'instruetion ni du jugement;«

O., dat uit het aangevoerde volgt, dat het door appellante in eerste instantie na de bepaling van den dag voor de pleidooijen, in het tusschen haar en den geïnt. aanhangig regtsgeding gedaan en aan dezen beteekend, en vervolgens ten vóór de pleidooijen dienende dage bij conclusie voorgedragen verzoek om den geïnt. op de daarbij gestelde vraagpunten te hooren , verkeerdelijk door den eersten regter als ontijdig is beschouwd, en op dien min juisten grond met-ontvankelijk is verklaard *

O., dat van geen anderen grond van niet-ontvankelijkheid van het verzoek in deze sprake is; en dat do geïnt. zijne gehoudenheid om op de gestelde vraagpunten te antwoorden niet heeft betwist, alsmede dat die vraagpunten den Hove na onderzoek zijn voorgekomen ter zake dienende en tot het geschil der partijen en niet tot iéts anders betrekkelijk te zijn ;

O., dat mitsdien het vonnis a quo behoort te worden vernietigd en met, verbetering daarvan , appellantes verzoek tot het hooren van den geïnt. op de gestelde vraagpunten moet worden toegestaan :

O. met betrekking tot de kosten, dat de geïnt. in eerste instantie bij zijne referte aan 'sregters oordeel, wel is waar, eenige bedenkingen ten aanzien van appellante's verzoek heeft geopperd; doch dat daardoor geen meerdere kosten zijn veroorzaakt, en voorts dat hij zicü in hooger beroep eenvoudig aan 's Hoves prudentie heeft gerefereerd, er alleen op aandringende buiten kosten te blijven, in welke omstandigheden het Hof aanleiding vindt om de kosten van het incident zoowel in eerste instantie als in hooger beroep te reserveren tot s regters uitspraak ten principale;

Op voorschreven gronden;

Regt doende enz,;

Gezien art. 56 B. R.;

Verleent aan den geïnt. de gevraagde acte;

Doet te niet het appel en het vonnis, waarvan appel, door de A.rrond.Regtbank te Arnhem op den 17 Nov. 1870 tusschen partijen ge-

wezen; ,.

Staat toe het hooren van den geïnt. op de navolgende gestelde

vraagpunten Dec 1869 „iet van de firma T. heeft

ontvangen de gewigtlijst van 10 vaten petroleum en tevens berigt van de aankomst der petroleum in quaestie, en of hem toen met namens T. gevraagd is , waar de petroleum moest gebragt worden l 2". of hij^op die vraag niet heeft geantwoord, dat ze moest gebragt worden in de loods ?

3-, of hij niet op dienzelfden 17 Dec. 100 vaten petroleum Per schipper A. heeft ontvangen?

4". of hij niet op den avond van dien dag of op den volgenden morgen iemand bij de firma T. heeft gezonden, met de vraag . 0

Sluiten