Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

185 der Regtspleging bij de Landmaat., is schuldig verklaard aan: het plegen van valsehheid in een authentiek en publiek geschrift, en 2". het des bewust gebruik maken van dat valsch geschrift; en te oier zake, met aanneming van verzachtende omstandigheden, vervallen verklaard van den militairen stand, veroordeeld tot eene militaire detentie voor den tijd van acht dagen, ter vervanging van twee geldboeten, en tot gevangenis-straf voor den tijd van zes maanden , in eenzame opsluiting te ondergaan , en verwezen in de kosten en misen van de justitie, alsmede in de kosten van den processe enz.; berustende deze uitspraak op de navolgende in het vonnis vermelde omstandigheden;

dat uit de beëedigde verklaringen der getuigen, F. C. H. Baron V. T. T' S., A. C. Baron li., J. F. N., J. C. E. G. en W. B., weduwe van Th. v.

B., in hoofdzaak is gebleken : dat de gedetineerde in het voorjaar van 1870 de militaire dienst heeft willen verlaten, en, nadat hem een termijn van ééne maand was toegestaan om een rempla^ant te kunnen stellen, in verschillende Duitsche couranten geadverteerd heeft om dien 'e verkrijgen; dat, ten gevolge van de bemoeijingen van den gedetineerde, zekere F. A. Th. R. uit Duitschland overgekomen is, maar dat "j de inlevering van diens papieren gebleken is, dat zijne Entlassung urkunde daaraan ontbrak, waarop aan den gedetineerde, namens den oionel van het regiment rijdende artillerie, Haron v. T. v. G., te kennen gegeven is, dat, zoo dat stuk niet spoedig kwam, de zaak der remP'acering uit zoude zijn ;

dat, volgens de verklaring van den getuige v. T. voornoemd, zeer sP°edig, nadat die mededeeling aan den gedetineerde gedaan was, het ontbrekende stuk van R. gekomen is; dat hij toen door den heer N. vernomen heeft, dat de stukken betreffende de remplacering in orde waren, dat hij, getuige v. T., het valsche stuk niet aandachtig bezien, maar het toch wel op zijn bureau gehad heeft;

dat de getuige N., deze opgave bevestigende, verklaard heeft, dat de gedetineerde hem gezegd had, dat de stukken van den rempla9ant in orde waren, met uitzondering van diens Entlassungs-urkunde;

dat getuige hem daarop had te kennen gegeven , dat die persoon dan moest blijven, totdat dat stuk gekomen zoude zijn, of wel terugkeren ;

dat, zoo als getuige zich meent te herinneren, tenzelfden dage dat de gedetineerde hem die mededeeling deed, deze met zijn remplapant hij hem gekomen is, en dat zij hem toen gezegd hebben, dat het pntbrekende stuk gekomen was; dat hij getuige zich echter niet herinnert, wie van beiden dat stuk toen in handen had, noch dat hij dat 'ngezien zoude hebben; dat hij getuige hen naar het bureau van den kolonel gezonden heeft en daarop de ontheffing van de dienst van den gedetineerde en de in-dienst-trediog van zijn remplapant II. A. Th. R. heeft plaats gehad;

dat de opperwachtmeester J. C. E. G. heeft opgegeven het valsche s'uk te hebben gekregen van den gedetineerde, die voorgaf dat ontvangen te hebben , en dat hij getuige dat stuk aan den kolonel overgegeven heeft;

dat uit de extracten uit het stamboek van den gedetineerde en van H. A. Th. R. blijkt, dat deze tenzelfden dage, dat de eerstgenoemde fit de dienst ontslagen is, in diens plaats is getreden met een engagement alB kanonnier 2de klasse voor den tijd van zes jaren, kosteloos yoor het Rijk, en dat hij R. den 22 Julij 1870 uit het kwartier te Amersfoort vermist en den 19 Aug. daaraanvolgende als deserteur afgevoerd is ;

dat, kort nadat R. was verdwenen, door den kapelmeester (getuige N.) een brief van hem ontvangen is, waarin hij zich verontschuldigde wegens z'jn plotseling en geheimzinnig vertrek en als reden daarvoor opgaf, dat hij gemerkt had, dat hij op valsche papieren, door den gedetineerde vervaardigd, in dienst was getreden en uit angst voor straf, indien hij niet m zijn Vaderland aan zijne militaire verpligtingen ging voldoen, derwaarts getrokken was;

dat, aangaande de vervaardiging van het valsche stuk door de getuige W. B., weduwe Th. v. d. B., is opgegeven: dat de gedetineerde, met haar zullende gaan trouwen, van haar de ƒ 150, die noodig waren om een remplafant te stellen, ontvangen heeft; dat'hij, die zeer veel bij haar in huis was , eenige brieven heeft geschreven om een rempla^ant te krijgen, hetgeen zij getuige hem evenwel niet heeft zien doen; dat in de maand Mei een zekere R. zich daartoe aangeboden heeft en , in Amersfoort gekomen , een paar dagen hij haar getuige doorgebragt heeft; dat de gedetineerde haar toen gezegd heeft, dat de stukken van dien persoon voor zijne in-dienst-treding in orde waren, behalve één stuk, waarom nog geschreven moest worden, daarbij voegende, dat hij niet R. bij den kolonel geweest was; dat de gedetineerde op den zelfden morgen , waarop bij haar die mededeeling deed, om zijne papieren heeft gevraagd, welke zij getuige eenigen tijd te voren van hem in hewarlng ontvangen had en had liggen in de opene lade van een kastje 'n hare huishoudkamer, welke zij getuige steeds op slot hield, wanneer ^'j zich in de gelagkamer bevond; dat zij daarop de deur vaa die kamer geopend en aan den gedetineerde de gevraagde papieren gegeven heeft;

. dat de gedetineerde, die eenige vellen wit papier had medegebragt, °en op een daarvan iets in het Duilsch is gaan schrijven; dat hij aarbij een ander stuk voor zich had liggen, dat al oud scheen en P'enzoo gevouwen was als de ten name van J. D. W. luidende echte ntlassur,gs-urkunde, terwijl daarop bovenaan links een stempel stond, ^«arin een vogel geteekend was; dat zich op dat stuk een zegel betond gelijk aan dat, hetwelk nu op het valsche stuk aanwezig is; dat de gedetineerde, vóórdat hij het papier beschreef, reeds lang bezig was geweest om van het oude stuk een vierkant stukje papier af te krijgen, waarop bovengenoemd zegel was afgedrukt, wrijvende daartoe met een met speeksel bevochtigden vinger daarover heen; dat zij getuige hem 'oen n>jg gevraagd heeft, wat hij toch schreef, waarop de gedetineerde ten antwoord had gegeven : »'ik moet een stuk voor den trompetter schrijven, want anders kan hij niet in dienst komen»; dat zij getuige met tegenwoordig is geweest gedurende al den tijd, dat de gedetineerde het stuk geschreven heeft, maar dat hij , naar hare berekening , een drie kwartier bezig is geweest, en dat zij zich bepaald herinnert, dat 'r niets op het papier geschreven stond, waarop hij onder haar gezigt aanving te schrijven; dat, in den namiddag van dienzelfden dag, de gedetineerde met den remplasant R. bij haar gekomen is, en dat zij

■«on vertelden, ™ u<= post gekomen was en zij het daar

Yan daan gehaald hadden, zonder dat zij getuige juist kan verklaren, ^ie die woorden gesproken heeft, maar dat zij daarop aan den gedetineerde hare bevreemding heelt te kennen gegeven, omdat hij 's morgens "°g aan haar had gezegd, dat er om geschreven moest worden; dat ?'j niet gezien heeft, dat de gedetineerde het zegel op het papier, dat 'j beschreef, geplakt heeft, en ook niet gezien heeft, dat hij ouwels 'hedebragt; dat er geene ouwels in haren inktkoker waren, en zij geen VeHen papier heeft vinden liggen, nadat de gedetineerde vertrokken was; . dat de pertinente opgaven van laatstgenoemde getuige bevestiging pinden in omstandigheden , die de schuld van den gedetineerde mede ^idelijk aanwijzen; dat eene vergelijking van het valsche stuk met f'e echte Entlassungs-urkunde terstond eene getrouwe navolging in "et oog doet springen; maar dat vooral het zich op het valsche geSchrift bevindende zegel klaarblijkelijk sporen van ouderdom draagt en de kleur van het papier, waarop dat zegel afgedrukt is, geheel °Vereenkomt met die van het echte stuk;

dat ook de Pruissische Regering te Dusseldorp, bij hare verklaring n°Pens de echtheid van de Entlassungs-urkunde op naam van den

bGtlfifinporrlft on Hp Vfllf.P.llVlPlfl vnn rlio rrooi m 111 novrl nn naam van 1\

a%egeven te zijn , als haar vermoeden heeft uitgesproken , dat het'

zegel van het echte stuk afgenomen en op het valsche stuk overgebragt is;

dat aan de echte Entlassungs-urkunde duidelijk waar te nemen is, dat het zegel daarvan afgerukt is, terwijl de gedetineerde zich in zijne opgaven, hoe dat zegel van zijne Entlassungs-urkunde afgeraakt zoude zijn, niet altijd gelijk gebleven is, daar hij eerst heeft opgegeven, dat het van ouderdom er afgeraakt zoude zijn en het zich misschien nog tusschen zijne papieren kon bevinden , en later, dat hij dat in zijne zak-portefeuille bewaarde, zoo als ook vrouw B. wel gezien zoude hebben, welke opgave evenwel door deze geenszins bevestigd wordt; dat de gedetineerde echter bij de laatste opgave heeft volhard en daaraan toegevoegd, dat het zich nog bevinden moet tusschen zijne papieren, die hij te Amsterdam bij zekere vrouw, hem alleen bij den naam van Anna bekend en bij wie hij aldaar gewoond had, achtergelaten heeft;

dat de leugenachtigheid der opgave, dat het zegel door ouderdom van het bewuste stuk afgeraakt zoude zijn, reeds daardoor aan het licht komt, dat in dat geval het onmogelijk zoude zijn , dat op de plaats, waar het gezeten heeft, eene zoo groote scheur zou ontstaan zijn, als d£&r nu aanwezig is , terwijl die bewering bovendien geheel wordt weersproken door het getuigenis van J. d. H., broodbakker te Amersfoort, in verband beschouwd met die van vrouw li. en met de opgaven van den gedetineerde zeiven; dat evengenoemde getuige toch onder eede heeft verklaard, dat de gedetineerde in het voorjaar van 1870 aan hem en vrouw B., zijne nicht, een stuk vertoond heeft, overeenkomende met de aan hem vertoonde echte Entlassungs-urkunde; dat hij getuige er zich wel iets van herinnert, dat op dal stuk een zegel zat, maar dat hij zeker weet, dat het niet zoo in het midden gescheurd was;

dat het toen door den gedetineerde vertoonde stuk, dat, naar zijne eigene verklaring, zijne Entlassungs-urkunde is geweest, door vrouw B. in bewaring genomen is met nog andere papieren, die daarop door haar weggeborgen zijn, zoodat er van toen af voor het bewuste stuk geen gelegenheid meer bestond, dat er iets af kon raken;

dat de hierboven reeds vermelde bewering van den gedetineerde, dat het op zijne Entlassungs-urkunde ontbrekende zegel zich bevinden zoude tusschen papieren, door hem bij zekere vrouw Anna te Amsterdam achtergelaten, mede gebleken is geheel onwaar te zijn; dat toch die vrouw, zijnde A. Ch. B., gescheiden huisvrouw van P. N. H., als getuige onder eede gehoord, heeft opgegeven, dat de gedetineerde in de maanden Junij en Julij 1870 bij haar ingewoond heeft; dat zij wel eens zijne papieren van vroegere Pruissische dienst gezien en zelfs in bewaring gehad heeft ; maar dat de gedetineerde, toen hij van haar verhuisde, al zijne papieren medegenomen heeft, zoodat er sedert dien tijd hoegenaamd geene papieren van den gedetineerde onder hare berusting zijn;

dat de herkomst van het valsche geschrift, ondanks des gedetineerden ontkenning, nog bewezen wordt door het schrift (écriture) zelve daarvan,

te vergelijken mei uo scnrnturen, welke van ae Hand van den gedetineerde aanwezig zijn ;

dat de gedetineerde ook getracht heeft brieven , met zijnen naam geteekend, te ontkennen door hem te zijn geschreven, maar dai

niettemin de beeeaigae aesKunaigen als het resultaat hunner onderzoekingen hebben verklaard, dat er tusschen de hun ter vergelijking gegevene stukken en het valsche geschrift een zoodanige karaktertrek bestaat, dat zij vermoed moeten worden van ééne hand afkomstig te zijn;

dat de overeenkomst van hand tusschen het valsche geschrift en een brief, aanvangende: lieve Tera (ged. Amsterdam. 4 Junii 1870).

ofschoon het eene in het Duitsch en de andere in het Hollandsch geschreven is, duidelijk aan te nemen is; dat de blijkbare overeenkomst van handteekeningen, voorkomende in het register van verdiensten en toelagen der trompetters bij het regement rijdende artillerie te Amersfoort, en in de brieven, ten processe aanwezig, sterk doen vermoeden, dat allen van den gedetineerde afkomstig zijn; dat vooral de brief, gedateerd 14 Mei 1870 en geadresseerd aan de redactie van de Dusseldorfsche Zeitung, en waarvan de gedetineerde, ofschoon ontkennende zelf de schrijver te zijn , dien niet kan aanwijzen, de meening zeer bekrachtigt, dat het valsche geschrift door den gedetineerde geschreven is;

dat des gedetineerden opgave, dat hij te slecht kan schrijven om he» valsche stuk geschreven te hebben, en dat anderen , zoo hij te schrijven had, zulks voor hem deden, slechts zeer ten deele is bevestigd geworden door de beëedigde verklaringen van F. F. K., C. Th. F. en O. d. H., waarvan de eerste des gedetineerden bewering, dat hij voor hem aan de redactie van de Magdeburger Zeitung zou geschreven hebben, ontkent; de tweede, G.Th. F., alleen bekent eens eene copy voor den gedetineerde in het Hollandsch op zegel (request aan Z. Exc. den minister van Oorlog) geschreven te hebben; terwijl eveneens de derde, D. d. H., heeft opgegeven eens een brief in het Hollandsch voor den gedetineerde geschreven te hebben;

dat in deze opgaven bevestiging ligt van de verklaring der deskundigen: dat de gedetineerde meer ervaren is in het schrijven van Duitsch dan van Hollandsch schrift, terwijl zij, door de wijze, waarop zij den gedetineerde de pen zagen voeren, tot de conclusie kwamen, dat, hoe hij zijne hand ook bij het schrijven mogt verdraaijen, hij gewoon was met de pen om te gaan;

dat de gedetineerde ontkent zich aan het hem te last gelegde schuldig gemaakt te hebben en tot zijne verdediging aangevoard heeft:

dat er voor hem hoegenaamd geene noodzakelijkheid bestond om, door het vervaardigen van eene valsche Entlassings-urkunde, een remplaijant in zijne dienst te doen treden, daar, behalve R., er nog twee anderen zich aangeboden hadden en hij daarenboven, terwijl R. er reeds was, nog eene maand uitstel gekregen had om te remplaceren ;

dat deze laatste opgave van den gedetineerde, ofschoon bevestigd door die van de getuigen Baron li. en J. C. E. G., zeer bepaald weêrsproken wordt door die van den kolonel v. T., luidende : dat, toen de termijn van ééne maand voorbijgegaan was, zonder dat ae gedetineerde een remplafant had aangebragt eo dus vóórdat R. gekomen was, door hem getuige aan den gedetineerde nog eenige dagen uitstel gegeven is, met bijzondere bemerking, dat het niet lang moest duren en dat hij, ofschoon eigenlijk maar ééne maand gegeven kon worden , dat.uitstel toestond, omdat hij den gedetineerde als een gemeen en gevaarlijk sujet beschouwde en mitsdien hem gaarne het regiment zag verlaten;

dat de evengezegde ongunstige waardering van den gedetineerde door alle getuigen, die met hem in het bijzonder bekend zijn geweest, bevestigd wordt;

dat de gedetineerde tegen het getuigenis van vrouw B., weduwe Th. v. d. B., heeft ingebragt, dat zij tegen hem getuigt uit een gevoel van wrok en lust om hem te becadeelen, en voorts heeft aangevoerd, dat zij hem verzekerd heeft zich op hem te zullen wreken, gelijk dooide getuigeu P. P., C. P. N, en C. E. P., weduwe van J. X., opgegeven kan worden ;

dat de eerstgenoemde getuige verklaart die woorden niet vernomen te hebben, maar dat de tweede bevestigt, dat die gesproken zijn, terwijl de derde getuige heeft opgegeven, dat de gedetineerde haar meermalen gesproken heeft van eene vrouw, die het hem (in Amsterdam) lastig maakte en in Amersfoort woonde, en dat hij haar eens een brief voorgelezen heeft, dien hij voorgaf van die vrouw te komen en waarin zou staan , dat zij zoude beletten, dat hij gedetineerde met eene andere vrouw zou huwen, al kostte het haar ook f 1000;

dat de getuige vrouw B. tegen deze laatste verklaring opmerkt, dat

zij nooit zoodanigen brief aan den gedetineerde geschreven heeft, terwijl die brief dan ook niet door den gedetineerde geproduceerd is kunnen worden; en dat die getuige tevens heeft verklaard, dat liet niet onmogelijk is, dat zij bij haar bezoek, in Amsterdam aan den gedetineerde gebragt (waarbij de getuigen P. en Ch. N. tegenwoordig waren) , in haren regtmatigen toorn over al de van hem ondergane beleedigingen en benadeelingen, zich de bedreiging van wraak heeft doen ontvallen, maar dat zij niettemin met alle gerustheid voor zich zelve, en bij volmaakte bewustheid van het gewigt van den door haar afgelegden eed, bij hare gedane opgaven blijft volharden ;

dat de gedetineerde verder nog tot zijne verdediging in het midden gebragt heeft, dat hij, straf' hebbende, toen R. kwam, niet in de gelegenheid geweest is inet hem in aanraking te komen, en alzoo de narigteu van naam , leeftijd en herkomst van hem te ontvangen, die noodig waren om het valsche geschrift te kunnen opmaken; doch dat ook deze opgaven geheel weersproken worden door die, reeds vroeger vermeld van de getuigen Baron v. T., IN", en vrouw B. ;

zijnde door den Krijgsraad overwogen , dat alzoo wettig en overtuigend bewezen is :

1». dat de gedetineerde zich, tijdens hij als kanonnier 2de klasse in dienst was bij bet regiment rijdende artillerie te Amersfoort, op of omstreeks den 10 Mei 1870, heeft schuldig gemaakt aan het in strijd met de waarheid schrijven van eene Entlassungs-urkunde, houdende het ontslag uit de Preussischen Untherthanenverbande van W. A. Th. II. te Schöuhausen, namens de Regering van dat land, voorzien van eenen rijksstempel en onderteekend met eene onleesbare handteekening, een en ander met het doel om dien persoon op die wijze in dienst te doen treden en zelf zijn ontslag daaruit te erlangen ;

2°. dat hij van dit valsche stuk des bewust heeft gebruik gemaakt, door het zelf aan den wachtmeester J. C. E. G. over te geven, die het daarop aan de bevoegde autoriteit heeft doen toekomen , waarop vervolgens de in-dienst-treding van W. A. Th. R. en het ontslag van den gedetineerde gevolgd zijn ;

dat alzoo als ten volle bewezen moet worden aangenomen, dat er in deze materiële valsehheid heeft plaats gehad, zoomede dat die geschied is met de bedoeling om het Kijk of de gestelde autoriteiten te misleiden ; dat die handeling niet alleen tot verstoring der openbare orde konde leiden, maar daadwerkelijk daartoe geleid heeft, en dat mitsdien al de vereischten tot het strafbaar falsum in deze aanwezig zijn;

dat het gesimuleerde stuk, als quasi afkomstig vau een openbaren ambtenaar, tot het afgeven van zoodanige stukken bevoegd en in den in Pruissen voorgeschreven vorm , als een publiek en authentiek geschrift moet beschouwd worden, weshalve het gepleegde falsum vallende is in de termen van art. 147 C. P.;

dat evenwel niet blijkt, dat juist misdadige nevenbedoelingen den gedetineerde geleid hebben tot het volvoeren van zijne misdaad ; maar dat daarentegen aangenomen kan worden, dat zij alleen door hem begaan is om zich uit de verlegenheid te helpen, waarin hij door het niet aanwezig zijn van de Entlassungs-urkunde van zijn rempla9ant gebragt is;

dat hierin termen aanwezig zijn om bij de bepaling van de door den gedetineerde te ondergane straf verzachtende omstandigheden aan te nemen;

wijders dat de omstandigheden van de misdaad en de geaardheid van den gedetineerde gronden opleveren om hem zijne gevangenisstraf in éénzame opsluiting te doen ondergaan ; terwijl tegen de door hem begane misdaad straffen zijn gesteld , die hem, naar militaire grondbeginselen , ongeschikt maken voor de militaire dienst;

dan van welk vonnis hij gedetineerde zich beroepen heeft op het Hof, alzoo impetrant van mandement van appel gratis en eischer ter eenre, en den advokaat-fiskaal voor 's Konings zee- en landmagt, ambtshalve en als bij resolutie van den Hove van den 7 Febr. jl., geautoriseerd om dit appel r. o. enz. te vervolgen , alzoo gedaagde in voorschreven cas ter andere ziide.

Welke zaak enz.

Het Hoog Militair Geregtshof,

Gehoord de pleidooijen;

Gezien enz.;

Overwegende, dat bij de behandeling dezer zaak ter openbare teregtzitting van des impetrants zijde bedenkingen zijn voorgedragen omtrent de bevoegdheid van den militairen regter om daarin regt te

spreien, zonaer aat eenter ter rolie van den Hove eene exceptie van incompetentie is voorgesteld; maar dat die bedenkingen bereids voldoende zijn opgelost door hetgeen te dien aanzien door den proc.-gen. in Utrecht, bij zijn requisitoir van den 5 Nov. 1870, ten processe sub litt. P overgelegd, waarmede het Prov. Geregtshof alhier zich bij arrest van den 14 derzelve maand ten volle heeft vereenigd, is voorgedragen , en wel bepaaldelijk door de omstandigheid , dat:

zoo de militaire regtspraak al op zich zelve een exceptionneel karakter moge bezitten, te haren opzigte volstrekt geene onderscheiding wordt gemaakt tusschen de commune en de militaire delicten; dat, naar de bepaling van art. 13 van het Crimineel Wetboek voor het krijgsvolk te lande, hetwelk èeö direct en noodzakelijk uitvloeisel was van het beginsel, in de Grondwet van 1814 (art. 115) vervat, de kennisneming van alle misdrijven, gepleegd door personen, behoorenda tot het krijgsvolk te lande, behoudens enkele in de 2de al. gemaakte uitzonderingen , uitsluitend aan den militairen regter is opgedragen, zonder dat de aard der gepleegde overtredingen in deze tot eenige onderscheiding leiden kan ;

dat, wel is waar, de vermelde bepaling der Grondwet van 1814, in die van 1815 (art. 188) gevolgd, bij de grondwetsherziening van 1848 daarin niet meer is opgenomen, en de regeling van het regts^ebied over het krijgsvolk thans aan „den gewonen wetgever is opgedragen; maar dat tot heden geene nadere regeling heeft plaats gehad en de zaak dürhalve nog steeds gcKeel in dezelfden toestand verkeert, als waarin zij bij het Crimineel Wetboek voor het krijgsvolk te lande voorkomt;

dat allje'misdrijven, door militairen gepleegd, mitsdien, voor zoover daaromtrent bij de wet geene uitzonderingen zijn gemaakt, te betsëhöuwen zijn als"onderwerpen, waarover het regtsgebied aan bijzondere col leg Kin' is toegekend en waarvan de kennisneming alzoo, naar luid vai} art. j R. O,, aan den gewonen burgerlijken regter is onttrokken;

en dat hieruit noodwendig volgt, dat, evenzeer als de personen tot het krijgsvolk te lande behoorende wegens vergrijpen, vóór hunne in-dienst-treding gepleegd, bij den burgerlijken regter justitiabel zijn , de ontslagen militair voor alle misdrijven, gedurende zijnen diensttijd begaan , bij den militairen regter moet worden teregtgesteid;

O. ten aanzien der feiten, dat, zoo als zulks bij het vonnis a quo, hiervoren vermeld, in het breede is uiteengezet, van bet den impetrant en gedetineerde ten laste gelegd misdrijf ten processe voldoende is gebleken ; en dat het mede door de beëedigde verklaringen der getuigen , in verband beschouwd met de overgelegde schrifturen en de inlichtingen, door de rapporten der zaakkundigen verkregen, wettig en overtuigend is bewezen, dat de ge letineerde zich daaraan heeft schuldig gemaakt;

0., wat het regt betreft, dat het certificaat, de Entlassungs-urkunde, waardoor het den gedetineerde is gelukt zich van zijne hier te lande aangegane dienstverpligtingen te bevrijden, is opgemaakt in den vorm waarin zoodanige stukken in het Koningrijk 1'ruissen namens de Regering worden afgegeven , geheel overeenkomstig het getuigschrift, dat ten jare 1862 te Dusseldorf aan den gedetineerde, ten blijke van

Sluiten