Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 3360.

geverbaliseerd; 2°. dat dezelfde bekl. een uur later in dezelfde herberg onder gelag; zittende zich heeft bevonden, zonder bevoegdheid als voren, en dat hij , na bij sub 1 vermelde bekeuring- te zijn aangemaand, door gemelden veldwachter ter zake van deze tweede bevinding op nieuw is bekeurd;

G., dat de kantonregter dit laatste heeft geoordeeld een voortgezet misdrijf (delictum continuatum) te zijn, op grond, dat de bekl. aan de aanmaning van den gemeente-veldwachter tot vertrekken, bij de eerste bekeuring gedaan, niet voldaan had, doch in de herberg was gebleven; en dat uit die omstandigheid het kenmerk van voortduring en eenheid aanwezig blijkt, en er bij gevolg zoodanig verband tusschen het eerste en het tweede feit is ontstaan, dat het als een aaneengeschakeld geheel en alzoo als ééne overtreding moet worden beschouwd;

O., dat bij het cassatie-middel daartegen wordt beweerd: dat, zoo dikwijls als de aanwezigheid van personen in eene herberg na bezetten tijd bevonden wordt, even zoovele malen eene overtreding bestaat tegen de verordening;

G., dat art. 3 der toepasselijke verordening op het sluiten der herbergen te Breskens bepaalt, dat ieder bezoeker eener herberg verpligt is bij het slaan der dorpsklok van het bij art. 1 voor de sluiting bepaalde uur (zijnde in de maand October des avonds ten tien ure) de herberg onverwijld te verlaten, en zulks onverschillig of hij al dan niet door den herbergier tot vertrek was aangemaand;

O., dat dit bevel mitsdien alleen wordt overtreden door hem, die de herberg niet onmiddellijk verlaat op het bepaalde uur , maar niet nogmaals door hem, die later in de herberg blijft, hetzij dan na aanmaning van den herbergier of van den politiebeambte, die de overtreding heeft geconstateerd, hetzij zonder zoodanige aanmaning, vermits op dit laatste feit bij de verordening geene straf is bedreigd;

G., dat de beide processen-verbaai mitsdien dezelfde overtreding constateren, en het middel van cassatie alzoo is ongegrond;

Verwerpt de voorziening in cassatie; de kosten, in cassatie gevallen. te dragen door den Staat.

Hamer van t acantie.

Zitting van den 17 Julij 1871.

Voorzitter, Mr. F. de Greve.

Beweerde verbreking van afsluiting.

Kan er wel sprake zijn van verbreking van afsluittng en dus van toepassing van art. 456 Strafregt, waar men niets anders heeft gedaan dan een touw losknoopen, waarmede een hek was digtgebonden, dat men later weer heeft vastgemaakt? — Neen.

J. Rosmalen, oud acht-en-twintigjaren, boerenknecht, geboren en wonende te Overasselt, is req. van cassatie tegen een arrest van het Prov. Geregtshof in Gelderland van den 18 April 1871, waarbij hij, met te-niet-doening van een vonnis der Arrond.-Regtbank te Nijmegen van den 15 Febr. bevorens, bij welk vonnis hij was ontslagen van regts vervol ging, is schuldig verklaard aan vernieling van afsluiting en, met toepassing van de artt. 456 en 463 Strafregt; en van art. 1, principio en n0. 9, der wet van den 22 April 1864 (Stbl. n<>. 29), is veroordeeld tot eene geldboete van f 10 en in de kosten der beide instantiën, met bepaling, dat, wanneer de veroordeelde de opgelegde boete niet betaalt binnen twee maanden, na daartoe te zijn aangemaand, deze boete door eene gevangenis-straf van één dag zal worden vervangen.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Kist en de advokaat van den req., Jhr. Mr. G. J. T. Beelaerts van Blokland, de voorziening nader bij pleidooi had toegelicht, heeft de adv.-gen. Smits, namens den proc.-gen., geconcludeerd tot vernietiging van het beklaagde arrest; en dat de Hooge Raad, ten principale regt doende, zal bevestigen het vonnis, in eersten aanleg door de Regcbank te Nijmegen in deze zaak gewezen ; al de kosten te dragen door den Staat.

De Hooge Kaad enz.,

Gelet op het middel van cassatie, namens den req. voorgesteld bij pleidooi, bestaande in : schending van art. 456 Strafregt , door als destruction de clöture aan te merken het geheel op de gebruikelijke wijze openen van een hek, zonder aan deze afsluiting iets hoegenaamd te verbreken, te vernielen of te beschadigen;

Overwegende, dat bij art. 456 Strafregt straf wordt bedreigd tegen hem, die omheiningen of afsluitingen, van welke stoffen ook gemaakt, geheel of gedeeltelijk zal hebben vernield of verbroken (dét.ruit) ;

G., dat mitsdien tot toepassing van dat artikel wordt vereischt, dat eene omheining of afsluiting, hetzij dan geheel, hetzij ten deele, zij vernield of verbroken;

G., dat in deze van zoodanige vernieling of verbreking geene sprake is, vermits in facto is uitgemaakt, dat de req. niets anders heelt gedaan dan een touw losgeknoopt, waarmede een hek was digtgebonden, hetwelk hij later weder heeft vastgeknoopt;

0., dat de req. derhalve wel eene afsluiting heeft geopend, zoo als men eene deur door middel van eene kruk of sleutel, of door middel van het wegschuiven van een grendel of het omdraaijen van een wervel opent, maar niets heeft verbroken of vernield;

G., dat gemeld artikel derhalve niet op het bewezen verklaarde feit is toepasselijk ; en het Hof, door dat artikel niettemin op het gepleegde feit toe te passen, dat artikel verkeerd heeft toegepast, en het bestreden arrest dienvolgens behoort te worden vernietigd;

Vernietigt het arrest, door het Prov. Geregtshof in Gelderland op den 18 April 1871 in deze zaak gewezen;

En, ingevolge art. 105 R. O., regt doende ten principale op het hooger beroep van het vonnis der Arrond.-Regtbank te Nijmegen van den 1 5 Febr. i 871,

Bevestigt dat vonnis; de kosten te dragen door den Staat.

PROVINCIALE HOVEN.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN LIMBURG.

Burgerlijke kaxner

Zitting van den 26 Junij 1871.

Voorzitter, Mr. R. J. E. Capitaine.

De verkooper van onroerende goederen, als zijnde verpligt den kooper het rustig genot van het verkochte te waarborgen, heeft belang, dat een beslag ophoude, hetwelk krachtens eene vóór den verkoop bestaande hypotheek gelegd is; hij is uit dien hoofde bevoegd (zonder een eisch tot vrijwaring af te wachten, bij rau-actié) tegen de in-beslag-neming in verzet te komen en de nietigverklaring daarvan te vorderen.

De bepaling, dat huwelijksvoorwaarden tegen derden niet werken dan na overschrijving daarvan ter griffie der Regtbank, heeft alleen ten doel vrijwaring van derden, die met de echtgenooten zouden handelen, maar geldt niet ten aanzien van handelingen , welke vóór het huwelijk met een der echtgenooten hebben plaats gehad

en waarop het ontstaan der huwelijksgemeenschap van invloed kan zijn.

Het is allezins geoorloofd voorwaardelijk bij incidenteel appel de verbetering van een vonnis op een gedeelte te vorderen, alleen voor het geval het principaal appel, dat tegen een ander is ingesteld, moot gegrond bevonden worden.

Hij, die tegen de executie van eene acte, op grond, van bedriegelijke verkorting zijner regten, opkomt en van die executie, benevens van de opgemaakte acte van schuldbekentenis de vernietiging vordert, moet geacht worden deze n ' 'tigverklaring, bij wege van verdediging of exceptie, te doen gelden, zoodat hij niet aan den termijn van vijf jaren gebonden is, art. 14 90 B. W.

Inwoning van den beweerden crediteur bij de schuldenaar ster, vertrouwelijke en intieme betrekkingen tusschen partijen, behoeftige omstandigheden van den crediteur, voldoende geoordeeld ten bewijze, dat eene acte van schuldbekentenis ter bedriegelijke verkorting van de regten eens derden is opgemaakt.

H. Berkelaar, appellant, primitief gedaagde op verzet, procureur

Mr. Eug. van Oppen,

tegen

Ernst en Wiertz, eischers op verzet, nu geappelleerden , procureur

Mr. J. Haex,

en tegen

de erfgenamen Simons , mede-geappelleerden , primitief mede-geoppo-

seerden , procureur J. L. Weygers.

(Zie het vonnis a quo in Weekbl. n°. 3258, hoewel abusivelijk op 13 in stede van 30 Junij 1870.)

Het Hof enz. ,

Gehoord de conclusiën van partijen , bij slotsom luidende :

1°. die van den app., genomen ter teregtzitting van den 9 Jan. 1871: dat het Hof moge vernietigen het vonnis a quo, voor zooverre daarvan is geappelleerd; en, dienaangaande op nieuw regt doende, de twee eerste geappelleerden, Ernst en Wiertz, in hunne als eischers ter eerste instantie gedane vordering en genomen conclusiën moge niet-ontvankelijk en ongegrond verklaren; wijders, voor zooveel noodig, bij reconventie die beide geappelleerden moge veroordeelen tot vergoeding van alle kosten , schade en interessen , te vereffenen volgens de wet of reeds dadelijk door den regter te begrooten, en eindelijk hen moge veroordeelen in de kosten der beide instantiën;

2°. die van de geappelleerden, partij Mr. Haex, genomen ter teregtzitting van den 30 Jan. 1871 : dat het den Hove behage het vonnis a quo te bevestigen , voor zoover daarvan principaal appel is ingesteld, met veroordeeling van den app. in de kosten, op het hooger beroep gevallen; subsidiair en alleen voor het geval het middel van schuldvermenging niet mogt aangenomen worden, regt doende op het incidenteel appel, hetwelk voor dat geval bij deze wordt ingesteld , het vonnis a quo te vernietigen, voor zooveel daarbij de geappelleerden ongegrond zijn verklaard in hunne vordering tot nietigverklaring der overeenkomst van geldleening, op den 18 Febr. 1842 tusschen dea app. en wijlen M. A. Frijns, weduwe van A. Simons, aangegaan; en, doende wat de eerste regter had behooren te doen, aan de geappelleerden hunne in eersten aanleg ingestelde vordering en ten principale genomene conclusiën in haar geheel toe te wijzen, inet veroordeeling van den app. in de kosten van beide instantiën, des noods , na de geappelleerden te hebben toegelaten tot het bewijs door getuigen van de daadzaken, vermeld in hunne conclusie van den 5 Mei 1870;

3U. die van den app., genomen ter teregtzitting van den 6 Maart 1871 : dat het Hof, met vernietiging van het vonnis a quo, in de eerste plaats den geapp. Ernst in zijne vorderingen en conclusiën moge niet-ontvankelijk verklaren, als bevattende dezelve louter regten, welke hem niet, althans nu niet, competeren en welke hij in ieder geval niet bij rau-actie mogt doen gelden; immers de beide geappelleerden niet-ontvankelijk, althans ongegrond moge verklaren in de beweerde en bij het vonnis a quo aangenomen schuldvermenging en de daaraan verbonden vernietiging der hypotheek op de in beslag genomen goederen, en den app., zoowel omtrent de conventie als omtrent de reconventie, zijne reeds genomene conclusie van den 9 Jan. 1871 moge toewijzen, cum expensis; voorts, ten aanzien van het incidenteel appel , de primitieve eischers en da£r appellanten, Ernst en Wiertz, daarin moge verklaren niet-ontvankelijk en te dien aanzien het vonnis a quo bevestigen; immers die beide incidenteel appellanten in de actie tot nietigverklaring der quaestieuse schuldbekentenis van 18 Febr. 1842, wegens gemis aan eene wettige schuld-oorzaak, moge niet-ontvankelijk , althans ongegrond verklaren , en, ten aanzien van den eischer en incidenteel app. Ernst, de door dezen ingestelde actio pauliana moge verklaren te zijn vervallen of verjaard en in ieder geval die actie, onverkort het voorschreven middel van niet-ontvankelijkheid, moge verklaren ongegrond en hem dezelve ontzeggen; alles met veroordeeling van de geappelleerden Ernst en Wiertz in de kosten van beide instantiën;

4°. die van de geappelleerden, partij Mr. Haex, genomen ter teregtzitting van den 17 April 1871: dat het den Move behage, met verwerping van het door den app. tegen den geappelleerde Ernst voorgesteld middel van niet-ontvankelijkheid betrekkelijk diens bevoegdheid om tegen het beslag op te komen en doorhaling der hypothecaire inschrijving te vragen,— aan de geappelleerden hunne vorige op het principaal appel genomen conclusie toe te wijzen; en, voor zoover, naar aanleiding van gezegde vorige conclusie, ook op het incidenteel appel uitspraak mogt worden gedaan , te verwerpen de middelen van niet-ontvankelijkheid, door den app. tegen het incidenteel appel en tegen de vordering tot nietigverklaring der overeenkomst voorgesteld, inbegrepen het middel van verjaring, en wijders aan de geappelleerden hunne vroeger genomene subsidiaire conclusie toe te wijzen;

5°. die van den app., genomen ter teregtzitting van den 24 April 1871: zoo verklaart de ondergeteekende procureur bij de reeds genomene conclusiën te volharden, en concludeert meer bepaald, dat de kosten in beide instantiën door de oproeping van de erfgenamen Simons en door hunne tegenwoordigheid in het geding, ook ten aanzien van den app., zullen gesteld worden ten laste van de geappelleerden Ernst en Wiertz;

6o. die van de geappelleerden, partij Weygers, genomen ter teregtzitting van 8 Mei 1871: zoo conciu ieert de ondergeteekende procureur, namens de mede-geappelleerden Simons, het den Hove moge behagen, regt doende op het appel van Berkelaar, het vonnis a quo te vernietigen, voor zooverre deze is veroordeeld in de kosten, van de zijde der gedaagden Simons gevallen, en deze te stellen ten laste der eischers Ernst en Wiertz; verklarende de ondergeteekende zich voor het overige te refereren aan de wijsheid van het Hof cum expensis;

Gehoord de gehoudene pleidooijen;

Met opzigt tot de daadzaken :

Overnemende de daartoe betrekkelijke overwegingen van den eersten regter; en verder overwegende, dat do Arrond.-Regtbank te Maastricht, bij vonnis van den 30 Junij 1870, heeft verklaard, dat de eischers in verzet wel en teregt zijn gekomen in verzet tegen het executoriaal beslag, bij proces-verbaal van den deurwaarder van Neer, te Gulpen, van den 1 Oct. 1869 , gelegd op de onverdeelde helft van een huis met stalling, mesthof, tuin en verder toebehoor en weiland, gelegen te Vaals, sectie G, n°. 90 en 91, zijnde deze twee nummers thans sectie C, n°. 94 en 95; dat beslag heeft opgeheven, met verbod aan

den eersten ged. op verzet om daaraan eenig verder gevolg te geven ; heeft bevolen , dat de bewaarder der hypotheken te Maastricht, op vertoon van dit vonnis, zal doorhalen, zoowel de van dat beslag op zijne registers gedane overschrijving als de hypothecaire inschrijvingen, ten gevolge van voormelde acte van geldleening van den 18 Febr. 1842 op die goederen genomen den 7 Mei 1842 in deel '2, n'. 65, blad 7 1 tot 72 , dagregister deel 1 , n<>. 823 ; heeft verklaard de eischers in verzet ongegrond in hunne vordering tot nietig- en van-onwaardeverklaring der overeenkomst van geldleening, op den 18 Febr. 1842 tusschen den eersten ged. op verzet en wijle M. A. Frijns , weduwe van A. Simons, aangegaan ; heeft verklaard den eersten ged. in verzet ongegrond in zijne reconventionnele vordering en hem heeft verwezen in al de op dit geding gevallene en bij het vonnis a quo getaxeerde kosten ;

dat de eerste ged., J. U. Berkelaar, zich tegen deze uitspraak bij dit Hof in hooger beroep heeft voorzien , voor zooverre daarbij het verzet, door de eischers ingesteld tegen het beslag, ten zijnen verzoeke bij exploit van den deurwaarder van Neer. dd. 1 Oct. 1869, gelegd op de onverdeelde helft van een huis met stalling, mesthof, tuin en verder toebehoor en weiland , gelegen te Vijhlen , gemeente Vaals, sectie C, n°. 2063 (vroeger sectie C, n°. 90 en 91), voorts sectie C, n". 94 en 95 , is van onwaarde verklaard en dat beslag is opgeheven , met verbod aan den app. om daaraan gevolg te geven; verder de doorhaling van dat beslag is bevolen, de reconventionnele vordering des appellants ten deze is ontzegd en hij is verwezen in al de kosten van het regtsgeding;

dat de oorspronkelijke eischers P. L. Ernst en M. Wiertz bij hunne eerste voor dit Hof genomene conclusie subsidiair, en alleen voor het geval het middel van schuldvermenging niet mogt aangenomen worden, van het vonnis a quo incidenteel hebben geappelleerd, voor zooveel daarbij zij geappelleerden zijn ongegrond verklaard in hunne vordering tot nietigverklaring der overeenkomst van geldleening, op den 18 Febr. 1842 tusschen den app. >). H. Berkelaar en wijlen M. A. Frijns, weduwe van A. Simons , aangegaan ;

dat door partijen voor dit Hof zijn genomen de aan het hoofd dezes o vergeschreven e conclusiën, en tot staving derzelven hoofdzakelijk aangevoerd de reeds in eersten aanleg bijgebragte en in het vonnis a quo vermelde middelen ;

Met opzigt tot het regt:

Eerstens , ten aanzien van het principaal appel :

O., dat, bij acte, verleden voor den notaris ^anders, te Heerlen, den 18 Febr. 1842, M. A. Frijns, winkelierster, weduwe van A. Simons, wonende te Vijhlen, gemeente Vaals, heeft bekend wel en wettelijk schuldig te zijn aan J. H. Berkelaar, rentenier, te gezegd Vijhlen, eene som van f 1600 Ned.; heeft verklaard deze som vóór het passeren dier acte in gereed geld van voornoemden Berkelaar ter leen ontvangen en opgetrokken te hebben en daarvan zonder reserve quitantie en ontlasting te geven ; zich heeft verbonden de voormelde haar ter leen verstrekte som, na verloop van twintig jaren, aan Berkelaar terug te geven , van die gelden jaarlijks vier ten honderd interessen te zullen betalen , die hoofdsom te zullen teruggeven en de jaarlijksche interessen te zullen voldoen ten huize en in handen van den schuldeischer, in goede gangbare gouden of zilveren muntspeciën; tot zekerheid van voormelde obligatie, met interessen en aankleven, heeft verbonden en verhypothekeerd de onverdeelde helft van een huis, met stallingen, mesthof, tuin, weiland en verder toebehoor, gelegen te Vijhlen, gemeente Vaals, hierboven breeder omschreven; heeft verklaard, dat die goederen haar toebehooren, als zijnde dezelve staande huwelijk met haren man A. Simons aangekocht en opgebouwd; en dat bij diezelfde acte is bedongen , dat , bij gebreke van behoorlijke voldoening der hoofdsom of van de betaling der verschuldigde renten , de schuldeischer onherroepelijk gemagtigd is de voormelde verbondene goederen in het openbaar te doen verkoopen , ten einde uit de opbrengst, zoowel de hoofdsom als de interessen en kosten te verhalen; dat, bij acte van 29 Maart 1843, verleden voor den notaris Fey, te Gulpen , de voornoemde weduwe Simons en hare kinderen Simons voormelde gehypothekeerde goederen hebben verkocht aan P. L. Ernst, en dat bij die acte is bedongen, dat de koopprijs op den 1 Junij 1843 zou betaald worden ten kantore van evengenoemden notaris in handen der verkoopers, en dat door hen ieder, voor zooveel hem betreft, uit dien koopprijs dadelijk alle lasten en kapitalen, op voorschrevene goederen geaffecteerd, zouden worden afgelost;

dat, volgens het antwoord van den geapp. P. L. Ernst, op het vijftiende door den app. Berkelaar in eerste instantie gestelde vraagpunt blijkt, dat evengenoemde P. L. Ernst twee a drie weken na evengemelden aankoop van den 29 Maart 1843 de bij die acte aangekochte goederen aan M. 'Viertz met een verlies van ƒ30') a ƒ400 heeft verkocht; dat op den 18 Sept, ! 844 J. H. Berkelaar is gehuwd met M. A. Frijns, weduwe van A. Simons, na vooraf bij huwelijksche voorwaarden te bebben vastgesteld, dat tusschen hen slechts gemeenschap van winst en verlies zou bestaan, en onder anderen bepaald is bedongen , dat de schulden, welke door ieder der echtgenooten voor het voltrekken van het huwelijk zijn aangegaan , zullen komen ten laste van dengene der echtgenooten , door wien zij aangegaan zijn ;

dat, na het overlijden van evengenoemde M. A. Frijns, weduwe van A. Simons, haar tweede man, ,J. H. Berkelaar, op den 14 Aug. 1869 aan de erfgenamen zijner evengenoemde echtgenoote, zijnde de derde, vierde, vijfde en zesde geappelleerden ten deze, kinderen, geboren uit het eerste huwelijk van M. A. Frijns met A. Simons, heeft bevel pedaan om binnen dertig dagen de hierboven gemelde hoofdsom van f 1600 met interessen, door hunne moeder aan hem verschuldigd en eisch baar geworden, te betalen ; en daarna, bij proces-verbaal van den deurwaarder van Neer van den 1 Oct. 1869, onder handen van den tweeden geapp. M. Wiertz, als tegenwoordig en bezitter, ten laste der erfgenamen van meergenoemde weduwe A. Simons in eerste huwelijk, executoriaal beslag heeft gelegd op de onverdeelde helft der onroerende goederen, door den eersten geapp. P. L. Ernst den 29 Maart l^43 van deze weduwe en van hare kinderen gekocht;

dat, bij exploit van den deurwaarder Regniervan den 6 Dec. 1869 en van den deurwaarder van Neer van den 11 Dec. daaropvolgende , de oorspronkelijke eischers P. L. Ernst en M. Wiertz, thans de twee eerste geappelleerden, tegen voormeld executoriaal beslag zijn gekomen in verzet, en den thans app. J. H. Berkelaar, benevens de thans derde, vierde, vijfde en zesde geappelleerden, voor de Arroni .-Regtbank te Maastricht hebben opgeroepen, ten einde onder anceten te hooren uitspreken voor regt, dat de schuld, waarvan ce rere in de meergemelde acte, verleden voor den notaris San eis, te e^r en> den 18 Febr. 1842, door het opvolgend huwelijk van J. ti. Berkelaar met

A. M. Frijns is uitgedoofd; , .

0. dat door J. H. Berkelaar tegen deze vordering is mgebragt, dat d'e eischer P. L. Ernst in dezelve is niet,-ontvankelijk , omdat de ingestelde actie hem niet competeert en ter zake der executie, waartegen hij in verzet is gekomen, geene regtsbetrekking hoegenaamd tusschen hem en den app. bestaat'

G. ten aanzien van dit beweren, aat P. L. Ernst aan M. Wiertz de op dezen in executoriaal beslag genomene onroerende goederen heeft verkocht, derhalve verpligt is hem het rustig genot derzelve te waarborgen, dus belang heeft bedoeld, beslag te doen ophouden en, uit hoofde van dit belang, beregtigd is tegen die in-beslag-neming in verzet te komen en de nietig-verklaring derzelve in regten te vorderen ;

G. ten aanzien van de gegrondheid van het ingesteld principaal appel, dat P. L. Ernst en M. Wiertz, tot ondersteuning van hun verzet

tegen evengemelde in-beslag-neming en vordering tot nietig-verklaring

Sluiten