Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

andere zijde, bij het plaatsen der kaarten, sommige neringen volkomen blijven bestaan, die niet zoo geheel en al schadeloos zijn. — Zoo bijv. kwamen mij in den laatsten tijd twee gevallen van varinlae verae voor in één gezin ; de woning was zeer bekrompen; de voorwoning was een groentewinkel, de achterkamer was de ligplaats der beide zieken, Natuurlijk moest, ter vermeerdering en verzuivering van lucht voor de zieken , de deur, die deze kamers verbindt, geopend blij ven en waren deze beide kamers gelijkelijk van de besmette lucht doortrokken, vooral des nachts, wanneer geene versehe lucht werd ingelaten.— Welnu, die groenten werden dagelijks, op de gewone wijs, door de moeder, die des nachts hare kinderen had verzorgd, langs de woningen rondgebragt en verkocht; hoewel bet eten dier groenten zeer zeker niet schadelijk voor de gebruikers zal geweest zijn, zal niettemin de besmette lucht in het loof en gebladerte dier groenten zijn medegevoerd en dien ten gevolge zeer ligt aan kinderen en dienstboden de besmetting hebben medegedeeld; hier nu was een opschrift, van het heerschen der pokken, voor die woning geplaatst.

Wat vermag dan op die wijs die halve maatregel op den loop der epidemie ? niets, volstekt niets; alleen oefent hij op den middenstand een grooten druk uit, terwijl de ziekte haren weg vervolgt, en alzoo hen toch vinden zal, die zulk eene voorbeschiktheid voor het ontstaan der ziekte bij zich omdragen, dat zij besmet worden, alleen door bet intreden in eene woning, alwaar op een verwijderd punt een zieke zich bevindt.

De druk echter, dien deze maatregel in de maatschappij uitoefent, is zoo groot, dat vele menschen besluiten, liever geene geneeskunde in te roepen , dan eene, waaraan het openbaar maken der ziekte en het plaatsen der kaarten verbonden is.

Een der karaktertrekken van ons volk is onderworpenheid aan de wet • maar hoe geneigd daartoe , met deze verordening heeft het en zal het nooit vrede hebben. — Op alle mogelijke wijzen ziet men die te ontduiken, en ook ik, die, als geneesheer, het nuttelooze van die zaak geheel inzie , houd dien maatregel — bij zijne voor ieder oog blijkbare magteloosheid — voor zoo hard en drukkend, dat ik de uitvoering daarvan onmogelijk acht bij een ander volkskarakter. Het zou onmogelijk zijn dezen maatregel in België en Frankrijk uit te voeren. In Duitschiand misschien, maar daar ook zou men zich niet met zulke halve maatregelen vergenoegen.

Alleen algeheele afzondering kan baten. — Hiervan zou men eenig gevolg zien ; en dan ook zou men algemeene medewerking der geneeskundigen verkrijgen, niet alzoo bij halve en onvruchtbare maatregelen, die misschien nog meer drukkend zijn dan de hier genoemde.

Nadat de ziekte zich algemeen door de stad verspreid had, werd de verordening geheel en al doelloos; — en kon men met zekerheid voorzien , dat de epidemie haren weg zou vervolgen, tot zoo lang als er stof tot voeding derzelve aanwezig was.

Thans echter achtte ik ten deze , zoo als ik dit openlijk had te kennen gegeven, mijn pligt volkomen betracht te hebben, door met de meeste kracht te hebben medegewerkt ter proefneming, of door volkomen uitvoering onzer poiitie-verordening de ontwikkeling der ziekte tegen te houden was ; — eene uitkomst, waarvan ik mij vooraf reeds overtuigd hield, die wij niet zouden bereiken. — Daar de maatregel van nu af nergens toe strekte dan om onze inwoners te plagen en" hen in hun beroep te fnuiken, zoo deed ik van nu af geene aangiften meer, hetgeen ook door geene poiitie-verordening ons kan worden opgedragen , daar onze werkking door de wet is omschreven , de uitvoering van een maatregel, dien ik zoo zeer veroordeel, geheel aan aoderen overlatende. — Aan de andere zijde ook geen tegenwerking , alleen mijne medewerking werd er aan onttrokken.

Ik had hoop gehad , daar de wet mij niet tot aangifte verpligtte , dat men ook niet trachten zou, mij een soort van verraad te laten plegen, daar het bewaren van het geheim eener ziekte zeer zeker nog meer mijn regt was dan de ongehoudenheid der aangifte , en ikbij eede vroeger in een plegtig oogenblik mij daartoe zelfs verbonden had.

Men begrijpt, dat ieder mijner patiënten dien middeneeuwschen en doelloozen" maatregel van nu af zag te ontduiken. — De epidemie bleef haren langzamen gang vervolgen, zonder merkbare verandering. — En indien ik uit mijne ondervinding in deze eenig gevolg ma<' trekken, dan heb ik het duidelijk meenen op te merken , dat die ziekten, waarvan geene aangifte gedaan is, minder aanleiding gegeven hebben tot volgende besmettingen, dan waar bordjes geplaatst waren, en waarvan men niet zelden de besmetting als met

den vinger kon aanwijzen. . ... ,

Het spreekt van zelf, dat niet die ongelukkige bordjes daarvan oorzaak kunnen zijn, doch dat het feit door mij is waargenomen, hiervan geef ik aan mijne ambtgenooten de verzekering.

Ik verklaar mij dit op de volgende wijze. — Men gaf den zieke een af.'eWen kamer, men vermeed zooveel mogelijk het bezoek van nabestaanden en bekenden, en hierin ligt misschien de meer gunstige uitkomst van het niet-plaatsen der bordjes.

Ik ben dus overtuigd door mijne handeling nut, wel verre van eenic nadeel aan den loop der epidemie te hebben toegebragt, terwijl ik aan de andere zijde in mijne cliëntele steeds voortging met vaccineren en revaccineren, zoodat het getal zieken, in de laatste weken door mij behandeld, ongeveer tot nul is gereduceerd en ik op dit oogenblik, terwijl ik dit nederschrijf, zonder een enkelen pok-

Er is echter eene vervolging ingesteld tegen zekeren winkelier Bik als de aangifte van een pokziekte te hebben verzuimd, en waar ik ook in betrokken werd. Het feit is algemeen in de nieuwsbladen medegedeeld, en in het voorafgaande nummer dezer courant overgenomen. Mijne kunstbroeders, die mijne overtuiging kennen ten

opzigte 'van dezen politie-maatregel, zullen zeer zeker met het oog hierop , het verhaal van het feit hebben gelezen en behoef ik bij hen mii niet te verontschuldigen. _

Er was echter in deze eene regts-kwestie in liet spel over een zaak, die ik vroeger als heilig en onaantastbaar had geacht. Namelijk, — onze pligt en tevens ons regt het geheim der zieken te bewaren, welke die ziekte ook zij, indien de wet ons niet bijzonderlijk verpligt daarvan mededeeling te doen of het geheim, daaruit ons bekend geworden, aan den regter te-openbaren.

En niettegenstaande de Arrondissements-Regtbank te Rotterdam dit anders beslist heeft, is mijne overtuiging ten deze niet veranderd.

Ten einde over deze voor ons zoo gewigtige kwestie met kennis te kunnen oordeelen, beveel ik mijnen kunstbroeders aan , hierover eene verhandeling te lezen van Mr. L. S. Koningswarter geschreven in de «Bijdragen tot regtsgeleerdheid en wetgeving, verzameld en uitgegeven door Mr. M. C. den Tex en Mr. J. van Hall dl. 12 p 396 « onder den titel: «Welke zijn de personen, in art. 3,8 C 'p bedoeld en welke is hunne verpligting, wanneer zij voor den re-ter geroepen worden om getuigenis af te leggen omtrent de m hunne betrekking hun toevertrouwde geheimen ?»

Eene schoone en duidelijke verhandeling, voor de bevatting van elk ontwikkeld man volkomen toegankelijk.

Het wordt ons bij het lezen hiervan volkomen duidelijk, dat he niet alleen onze pligt, maar tevens ons regt is, naar onzen eed het toevertrouwde geheim eener ziekte te bewaren, welke ziekte die ook zij van welken aard die ook wezen moge van de geringste tot de g óotste, wanneer zij slechts buiten de gevallen zij , waartoe de wet ons verpligt aanbrenger te wezen; geheel en al overeenkomsig den indruk, dien. men verkrijgt, bij de aandachtige lezing van art. 189 Wetboek van Strafvordering, in verband met art. 378 van net wetboek van Strafregt (Coda Pénal).

Wanneer het alzoo gold de aangifte van het eerste geval eener besmettelijke ziekte, waardoor de volksgezondheid bedreigd wordt, waarvan de aangifte ons is opge ' ragen bij art. 6 der wet van 6 Junij ; 1865 , regelende de uitoefening der geneeskunde, dan zou de ver- ; schooning om daarvan getuigenis af te leggen voor den regter niet j mogen worden ingeroepen. — Daar ons ten opzigte der volgende ziektegevallen geene aangiften zijn opgedragen, blijven deze wel degelijk vallen onder die ziekten, waarvan het regt van geheimhouding ons bij art. 189 is gegeven, en kunnen wij hieromtrent verschooning van getuigenis af te leggen voor den regter inroepen.

Ik had dus niet kunnen denken, als behandelend geneesheer, over eenen politie-maatregel ten deze lastig gevallen te zullen worden, en heb mijn regt voor den regter staande gehouden , totdat het vonnis op het weigeren van getuigenis af te leggen, op mij zou worden toegepast. Ik zou natuurlijk na het uitspreken van het vonnis appel hebben doen aanteekenen en houd mij overtuigd, dat het Hof en de Hooge Raad eene andere uitspraak zouden gedaan hebben.

Bij dien loop zou intusschen de voortzetting van het geding van den bekl. worden uitgesteld tot na de algeheele uitspraak van mijne zaak. — En daar de regtskundige van den bekl. mij verzekerde, dat mijne verklaring , hoe die ook zijn moge , geen invloed op den goeden afloop der zaak zoude hebben , dat de vrijspraak van den beschuldigde noodwendig moest volgen , daar geene enkele, maar eene dubbele getuigenis voor de schuldigverklaring vereischt wordt, en het alzoo in het belang van den beschuldigde was, voor de spoedige afdoening der zaak, dat ik verklaring in deze aflegde, heb ik medegedeeld, dat naar mijn oordeel "de zieke, waaraan patiënt overleden was, de pokken waren," met die einduitkomst, dat na verloop van twee dagen door diezelfde Regtbank , die mijn geheim mij als het ware had afgedwongen, de beschuldigde als niet schuldig verklaard werd en van alle regtsvervolging werd ontslagen.

De voor den geneesheer zoo gewigtige regtskwestie bleef onbeslist, daar volharding in het niet-afleggen van getuigenis ten nadeele van den beschuldigde zou geweest zijn, en ik mij waarschijnlijk gedurende een jaar den last en de moeite zou hebben moeten getroosten , aan de behandeling dezer regtszaak verbonden, ten einde eene kwestie uit te maken , voor mij van niet meer belang dan voor elk ander geneeskundige. Ik heb om die reden en op het uitdrukkelijk verzoek van den regtskundige van den beschuldigde van verdere volharding afgezien; en mijne verklaring, hoewel met leedwezen , afgelegd. Met leedwezen , omdat ik de geheimhouding der door mij behandelde ziekte voor een mijner heiligste regten hield.

HOOGE RAAD. — Kamer van Vacantie.

Zitting van Dingsdag, 29 Augustus.

Voorzitter, .1 hr. Mr. B. van den Velden.

I. Becedigd als advokaten , de heeren Mrs.: J. Ph. van Bosse, W. N. van Hamels en A. J. W. van Koijen.

II. Uitspraak gedaan in zake:

1«. M. L. van de Woestijne Voerman c. s., tegen een arrest van het Hof in Friesland. Het arrest vernietigd en de zaak verwezen naar het Hof in Groningen.

2°. den ambtenaar van het Openb. Min. bij het lvantongeregt te Groningen, tegen een vonnis in zake J. Depping. iViet-ontvankelijk verklaard,

3°. J. Dorst, tegen een arrest van het Hof in Zeeland. Het arrest vernietigd en de zaak verwezen naar het Hof in Zuidholland.

4°. den ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt te Breda, tegen een vonnis in zake H. van Wanrooy. Het vonnis vernietigd en den gereq. veroordeeld tot f 1 boete of één dag subs. gevangenis-straf.

5". den officier bij de Arrond.-Regtbank te 's Gravenhage, tegen een vonnis in zake W. Bal. Het vonnis vernietigd en den gereq. veroordeeld tot /' 10 boete of subs. gevangenis-straf van twee dagen.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Z M. besluit van den 24 dezer, n°. 20, is benoemd tot kantonregter té Hindeloopen, Mr. A. van Deinse, thans griffier bij het Kantongeregt te Medemblik.

— Bij Z. M. besluit van den 25 dezer, n". 21, is benoemd tot notaris binnen het arrondissement Breda, ter standplaats de gemeente Zwaluwe , G. Vos, candidaat-notaris te Werkendam.

gij z. M. besluit van den 26 dezer, n°. 3 , is A. R. van der

Ileyden, commissaris van politie te Delfshaven , tevens benoemd tot commissaris van rijks-politie.

Bij Z. M. besluit van den 28 dezer, n". 15, is aan Mr. b. O.

van Appeltere, op zijn daartoe gedaan verzoek, eervol ontslag verleend als regter-plaatsvervanger in de Arrond.-Regtbank te Gorinchem.

Bij de verkiezing van één lid voor de Eerste Kamer der Stnten-

Generaal, op 29 dezer door de Prov. Staten van Noordholland gehouden z'ijn ingekomen 65 biljetten, waarvan de heer M. H. Insinger bekwam 21 stemmen , A. Prins 31 , Dr. E. C. Buchner 2 , Mr. H. J Koenen I , JozuavanEyk 3, C. P.vanEeghen 1 en A. Teding van Berkhout 6. Bij de daarop gevolgde herstemming heeft de heer A. Prins bekomen 37 stemmen en M. H. Insinger 2n stemmen terwijl drie blanco-briefjes werden ingeleverd. De heer A. PRINS is dus

gekozen. ^ aanbeVelingslijst ter vervulling der bij de Regtbank te Alkmaar bestaande vacature van regter, zijn geplaatst de heeren: 1» Jhr Mr S Laman Trip, commies bij het Departement van Binne'nl z'aken'te 's Gravenhage; 2„. Mr. W. A. L. Domis , griffier bij het kantongeregt te Zwolle, en 3». Mr. C. H. Q. van Strijen, subst.griffier bij de Regtbank te Hoorn.

Men meldt uit Paramaribo, den 31 Julij :

Bij Gouvernements-resolutie dd. 28 dezer, n°. 13, is: 1°. de heer E. P. Kamerling, op het daartoe door hem gedaan verzoek, gedurende de hem bij Gouvernements-resolutie dd. 24 Jan. jl., n0. 3, opgedragen tijdelijke waarneming der functiën van districts-commissaris, ontheven van de betrekking van lid-plaatsvervanger bij het Hof van justitie • en 2°. te zijner vervanging, gedurende die ontheffing , tot lid-plaatsvervanger bij het Hof van justitie tijdelijk gequalificeerd de heer F. P. Bouguenon.

jy[en meldt uit Curaijao van den 21 .Jufij :

Bii Gouvernements-besluit van den 10 dezer, n„. 324, is de heer B. van der Veen Quant, plaatsvervangend kantonregter op Aruba, benoemd tot kantonregter aldaar; en van den 4 Aug.:

Bii Gouvernements-besluit dd. 31 Julij jl., n0. 361 , is aan den heer W. M. 15. Gravenhorst, op daartoe gedaan verzoek eervol ontslno- verleend als plaatsvervanger van den kantonregter alhier, en in zi^ne plaats als zoodanig benoemd de heer J. J. Naar.

BERTGTEN.

""s Gravenhage, den 30 Augustus.

De laatste vergadering van de Nederlandsche Juristen-Vereeniging op 26 Augustus is uitsluitend gewijd geweest aan een zeer uitvoerig debat over de preventieve gevangenis. Eene kleine meerderheid der vergadering heeft zich o. a. verklaard tegen de voorloopige in-vrijheid-stelling onder borgtogt en tegen de schadeloosstelling ingeval van vrijspraak. — Nadat als leden van het bestuur waren benoemd de heeren J. A. Fruin, A. Philips en D. J. MomVisch, en Arnhem was aangewezen als plaats voor de volgende bijeenkomst, is de vergadering gesloten. — Deze laatste vergadering werd bijgewoond door den minister van justitie. De Amsterdamsche magistratuur schitterde, tot ons leedwezen, door hare afwezigheid.

— In ons nummer van Donderdag jl. is opgegeven de missive, door de Kamer van Koophandel te Groningen aan de Nederlandsche Juristenvereeniging gezonden, betreffende de exceptionnele regtsmagt in handelszaken.

Naar aanleiding dezer missive heeft de heer Mr. T. M. C. Asser, praeadviseur over het gemelde onderwerp, op 24 dezer het volgende schrijven tot de Juristen-Vereeniging gerigt:

«Door de dagbladen heb ik kennis genomen van eene tot u gerigte missive der Groningsche Kamer van Koophandel, waarin verzocht wordt de behandeling van het vraagstuk der exceptionnele regtsmagt in handelszaken uit te stellen, en inmiddels het gevoelen der Kamers van Koophandel daaromtrent in te winnen.

«Het denkbeeld om in deze zaak geene beslissing te nemen dan na ook de organen van den handel te hebben gehoord , acht ik bij zonder gelukkig. Wel houd ik mij overtuigd, dat de in mijn praeadvies uitgedrukte meening omtrent de weinige sympathie, die hier te lande over het algemeen voor de regtbanken van koophandel bestaat, niet al te gewaagd is, en niet uitsluitend ten aanzien van de meerderheid der juristen waarheid bevat; maar het is billij k , dat de handel zelf van zijn gevoelen kunne doen blijken.

«Ik weet niet, of het mogelijk zal zijn daartoe vanwege deze vereeniging regtstreeks eene uitnoodiging tot de kamers van koophandel te rigten, zoo als de Groningsche Kamer voorstelt. In allen gevalle echter zal uitstel van behandeling ten gevolge kunnen hebben, dat, in den geest der Groningsche missive, nog andere handels-organen van hun gevoelen doen blijken. Ik neem daarom de vrijheid in dit opzigt den wensch der Groningsche Kamer te ondersteunen.

«Er zal te minder bezwaar bestaan tot dit uitstel te besluiten , daar, bij eenigzins gunstige behandeling der andere aan de orde gestelde vraagstukken, toch wel geen of weinig tijd zou overblijven om ook het onderwerp der exceptionnele regtsmagt in handelszaken in deze bijeenkomst te behandelen.«

Amsterdam. — Den 27 dezer werd op de Israëlitische begraafplaats te Muiderberg het stoffelijk overschot van den door zoo velen betreurden Mr. H. A. Hartogh, officier van justitie bij de Arrond.-Regtbank alhier, ter aarde besteld. De lijkwagen werd gevolgd door een tiental koetsen, waarin zich de naaste bloedverwanten en vrienden des overledenen bevonden. In de straten en op de grachten , waarlangs de trein de Muiderpoort bereikte, bevond zich eene digte menigte belangstellenden , waaronder zeker menige behoeftige, die de weldadigheid van dezen aanzienlijke naar de wereld bij diens leven had ondervonden, gelijk hij ook gewild heeft, dat zijn verscheiden nog door weldoen aan armen zou verzeld gaan. Op de begraafplaats hield de heer D. K. Sluis, leeraar van het Nederlandsch-Israëlitisch jongens-weeshuis, waaraan de heer Hartogh vroeger zijne zorgen wijdde, eene korte rede naar de gelegenheid der plegtigheid. Aan de groeve schetste de heer Mr. J. Heemskerk Az., lid van de Tweede Kamer der StatenGeneraal, wat Hartogh voor de wetenschap, de maatschappij en zijne vrienden geweest was; — hiermede voldoende aan de belofte, die zij elkander eenmaal, als jongelingen, in het begin hunner gedurende zoo vele jaren nooit verstoorde vriendschapsbetrekking gedaan hadden, dat wie het eerst van hen verscheidde, niet ten grave zou dalen, zonder dat de ander daarbij van die vriendschapsbetrekking zou getuigd hebben. De subst.-officier van justitie, Mr. Johan C. Bijleveld , sprak vervolgens een zeer gepast woord over den geest, waarin Hartogh zijn belangrijk ambt had waargenomen, waarna een der zoons van den overledene dank zeide voor de laatste eer, zijnen vader bewezen , en eindelijk een knaapje uit genoemd gesticht in kinderlijken eenvoud een ten deze gebruikelijk gebed las. Op het kerkhof had zich eene zeer aanzienlijke schare vereenigd, waaronder de voorzitter der Regtbank Jhr. Dedel, de subst.-officier Kist, de raadsheer de Vries, de adv.gen Backer en leden van de Amsterdamsche balie. Nog langen tijd — wij zijn er zeker van — zal de begraafplaats te Muiderberg de herinnering verlevendigen aan Mr. Hendrik Alexander Hartogh, als aan een man, wien bij uitstekende regtsgeleerde gaven een voortreffelijk vriendenhart eigen was, en bij wiens heengaan menigeen dankbaarheid de ziel vervulde, daarvoor dat hij dezen reisgenoot op den

levensweg had mogen ontmoeten. ' v

— Den 25 dezer is te Deventer overleden de heer Mr. F. G. Houck, in leven subst.-griffier bij de Arrond.-Regtbank aldaar.

Duitschiand. — Men leest in het Weekblad van Keulen: «De Duitsche bondsregering heeft, luidens een particulier schrijven uit Bcrliju, reeds vóór een jaar den wensch te kennen gegeven naar eene meer regtstreeksche gemeenschap tusschen de regterlijke autoriteiten in Noord-Duitschen bond en die in Nederland. De bondskanselier dien wensch toen aan de Nederlandsche Regering kenbaar S°™*ksch die zich dadelijk bereid verklaarde tot magtiging voor een regre^ verkeer tusschen de Nederlandsche procureurs-generaal en ^

banken in den Noord-Duitschen bond met betrekking vo]^e[)S y^or_ verhoor in civiele en strafzaken enz. Voorts bestaat e , heid yau da noemd schrijven, geen reden tot twijfel aan de g uitbreidi tfl Nederlandsche Regering om aan de regeling 'z iiksgebied kan worden geven, dat zij thans over het geheele nuItsc"iiksJkanselier de noodige uitgestrekt, zoodra de Bondsraad aan de ^ ^ yerleend hebben. magtiging tot eene overeenkomst te cleze Heidelberg eeu(J commissie - In het begin van September z»i'boekhandel te zamen komen, uit de vereeniging van den D<"ts^ststellil,g van een, na de grondten einde te raadplegen over dzakelijk geachte verdrag over den vesting van het Duitsche Rot "n het Dajtsche Rijk en dfi vroemde letterkundigen eigendom raa(jpleging zullen aan de Rijks kanselarij Staten. De uit om® . aan voornoemde commissie een omstandig worden onder^drphee'ft oyer alle gebreken en wenschelijke veranderingen8 in" de*bestaande internationale verdragen tot bescherming van den letterkundigen eigendom.

Snelpendink en Uitgave van

BBLlXCASVBt te 'iCiraveobage.

Sluiten