Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en in 'de aldaar gehoudene boeken yan aangekomen goederen

gezien heeft, dat aldaar voor Douze zijn aangekomen van de plaatsen, in zijne dagvaarding sub nos. 2 , 3, 4 en 5 vermeld, op den 6 en 16 Julij, 17 en 21 Aug. eiken dag 10,01)0 kilo's steenkolen onder de benaming, in zijne dagvaarding voorkomende, en ook uit dezelfde standplaatsen afgezonden, met dien verstande, dat de aankomst van i 7 Aug. was van Heize, kolen van Amalie;

dat op den 8 Sept. 1869 10,000 kilo's en op den 19 Sept. 1869 insgelijks 10,000 kilo's voor Douze zijn aangekomen , komende van Essen ;

dat de prijs der goederen, die in het station aankomen, in de boeken niet wordt aangeteekend;

de zesde getuige te zijn J. H. Meeuwissen, oud een-en-dertig

jaren , koopman in steenkolen en burgemeester, wonenae ie .umuc . dat hij van het begin der maand .Julij tot in de maand Nov. 1869 ,

aan het station te Maasbractit, van lionmnger steenisoieu neen. om.vaneen tot den prijs van 22 thalers de 200 centenaars ;

dat het hem bekend is, dat er kooplieden zijn, die waggons van

180 centenaars voor eenen vollen waggon van iou centenaars verkoopen;

dat hij heeft hooren zeggen van Bönninger, dat kooplieden hem bestelden een waggon van 180 centenaars, om ze verder voor 200 centenaars de waggon te verkoopen :

dat op zijne aanvrage aan Bönninger, hoe Douze, die ook steenkolen van Bönninger ontving, de kolen beterkoop konde verkoopen dan hij het kon , tot antwoord heeft gekregen , dat Douze hem bestelde waggons van 180 centenaars , om ze voor 200 centenaars te verkoopen; en

de zevende getuige te zijn P. H. Coeneri, oud een-en-veertig jaren, landbouwer en ambtenaar van den burgerlijken stand, wonende te i'.cht: dat hij van de maand Julij 1868 tot de maand April 1869 is geweest koopman in steenkolen, en de steenkolen van Bönninger heeft gekocht ad 2i thalers de 200 centenaars;

dat na het verhoor dezer getuigen beide partijen nader hebben geadstrueerd de aan het hootVl dezer omschreven conclusiiin, en, behalve de reeds vroeger bijgebragte en in het bovenvermeld arrest van dit Hof van den 11 Dec. Is70 aangehaalde middelen, hebben beweerd, de geapp., dat het hem bij evengemeld arrest toegestane bewijs door de verklaringen der gehoorde getuigen is geleverd , en de app., dat dit bewijs niet is geleverd;

Met opzigt tot het regt:

O., dat de oorspronkelijke eischer, thans geapp., den oorspronkelijken ged., thans app., heeft gedagvaard tot betaling eener som van 492 thalers, 16 grosschen, of f 861.35, als het saldo eener rekeningcourant, gesloten op den 1 Oct. 1869, en bestaande deze rekening-courant uit een op den 1 .luiij 1869 verschuldigd saldo van 439 thalers, i 6 grosschen. en uit leveringen van steenkolen sedert den 3 Julij tot en met den 30 Sept. 1869 , voor een bedrag van 125 thalers en 20 grosschen, en uit eene ontvangst in geld van den ged. van 73 thalers;

0., dat de oorspronkelijke eischer, ten gevolge van de aanmerkingen, door den ged. gedaan op leveringen van steenkolen, op den 1 Oct. en 21 Nov. 1868 geschied, zijne vordering met 23 thalers heeft vermeerderd;

0., dat, volgens de door den get, C. Jennissen voor den eersten regter afgelegde beëedigde verklaring, de eischer Bönninger hem eene som van f 900 schuldig zijnde, tot betaling dier som hem den ged. Douze had aangewezen en, ten gevolge hiervan, hij (C. Jennissen) zich, op het laatst van Junij of begin van Julij 1869 , bij den ged. Douze is gegaan om deze som op te trekken; dat deze hem toen Te kennen heeft gegeven dat hij wel aan Bönninger verschuldigd was, maar niet zooveel, en geweigerd heeft zich schriftelijk te verbinden de voormelde som voor den eiseher Bönninger te betalen ;

O., dat uit de hierboven vermelde beëedigde verklaring van den vierden en vijfden der voor dit Hof gehoorde getuigen blijkt, dat de aan het hoofd der dagvaarding vermelde hoeveelheden kolen wezenlijk in de maanden Julij, Aug. en Sept. 1869 van wege don oorspronkelijken eiseher Bönninger voor den oorspronkelijk ged. Douze aau het station van den spoorweg te Maasbracht zijn aangekomen; en uit de hierboven vermelde beëedigde verklaring van de insgelijks voor dit Hof gehoorde zesdeen zevende getuigen blijkt, dat inevengemelde maanden Julij, Aug. en Sept. de steenkolen waren tot den prijs, waarvoor zij in die maanden door den eischer aan den ged. geleverd, en in de aan het hoofd der dagvaarding vermelde rekening staan uitgetrokken;

()., dat de ged. op het saldo der rekening op t Julij 1869 geene andere aanmerking heeft gemaakt, dan dat die rekening moest verminderd worden met 23 thalers , als zijnde de leveringen van 1 Oct. en 21 Nov. 1868 niet geweest stukkolen en gemelde posten, in plaats van 33 thalers, 15 grosschen, slechts 22 thalers moesten bedragen, in welke vermindering van 23 thalers de eischer heeft toegestemd;

0., dat de ged. geene de minste aanmerking heeft gemaakt, noch ten aanzien van hoeveelheid, noch ten aanzien der qualiteit, noch ten aanzien van den prijs der steenkolen , in des eischers rekening gebragt als aan hem ged. door den eischer in de maanden Julij, Aug. en Sept. 1869 geleverd;

O., dat de ged. op het door den eischer verminderde bedrag van het saldo zijner rekening op 1 Oct. 1869 niets anders heeft in te brengen gehad , dan dat hij hem eene aanzienlijkere som had betaald dan die door den eischer in zijne rekening als van hem ontvangen is aangeteekend, een beweren waarvan de ged. het bewijs heeft ondernomen , echter niet geleverd;

O., dat uit al het vorenstaande volgt, dat de eiseher, wel is waar, zijne vordering niet volledig heeft bewezen, maar tevens dat dezelve niet geheel van bewijs ontbloot is, en er in dezen stand der zaak termen bestaan om den eischer den hierna omschreven suppletoiren eed op te dragen ;

Doet te niet het ingesteld hooger beroep;

Bevestigt het vonnis, waarvan appel;

Beveelt, dat hetzelve volkomen effect zal sorteren;

Verklaart het arrest te dien aanzien uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande nadere voorziening met borgtogt; en

Verwijst den app. in de kosten , door het hooger beroep veroorzaakt ;

Mits de geapp. den volgenden eed aflegge:

«Ik zweer, dat de app. Douze wegens saldo van rekening op den I Oct. 1869 aan mij schuldig is eene som van 469 thalers en 6 grosschen. Zoo waarlijk helpe mij God almagtig.»

En, bij gebreke van wege den geapp. om dezen eed af te leggen , Doét te niet het vonnis , waarvan appel; en, op nieuw regt doende ,

Verklaart het in eersten aanleg en in appel door den app. gedane

nnnhnd crofid en waarde :

Ontzegt aan den geapp., oorspronkelijken eischer, zijne vordering

en verwijst hem in de koster, der oeiue mstauuen.

(Gepleit voor den appellant Mr. M. Swart Zn. en voor den s appelleerde Mr. E. van Winterstoven.)

MENGELWERK.

EEN PAAR OPMERKINGEN NAAR AANLEIDING VAN DEN TWEEDEN JULÏISTENDAG.

Reeds is in verschillende bladen melding gemaakt van de betrekkelijk geringe deelneming aan de Juristen-Vereeniging, in het bijzonder van de trage opkomst der leden. Welke zijn daarvan de oorzaken ?

Is het de aard van ons volk, de vrees voor iets nieuws, de bezorgdheid, dat de vereeniging alleen tot afbreken, niet tot opbouwen in staat zal zijn ?

Dan zal, wat men ook doe, na langer of korter tijd, de vereeniging zich moeten ontbinden.

Maar zij n er misschien oorzaken, die de leden zelve zouden kunnen wegnemen ?

Dan behoort dit hoe eer hoe liever te geschieden.

Zal toch de vereeniging haar doel bereiken , dan moeten de eminentste mannen, der praktijk zoowel als der wetenschap, aan haar deelnemen. Anders toch zal de zedelijke invloed, dien men beoogt, uiterst gering zijn.

Dat weinig ambtenaren de vergadering bezoeken, werd reeds het vorige jaar opgemerkt. Om de deelneming te vergemakkelijken, werd de vergadering gesteld in de vacantie. Is dit evenwel doeltreffend ? Vele ambtenaren, die vacantie hebben, verlaten met hun gezin het land; en zij, die t'huis blijven, kunnen, juist omdat het vacantie is, of liever omdat een gedeelte der collega's afwezig is , de stad niet verlaten. Misschien is, voor regteriijke ambtenaren althans, Maart of October de geschiktste tijd.

Maar is het ook dan waarschijnlijk, dat vele regteriijke ambtenaren geneigd zullen zijn leden te worden der vereeniging? Zekerlijk niet, wanneer de leden van het Bestuur zich niet ontzien de Nederlandsche magistratuur in een geheel verkeerd daglicht te plaatsen; wanneer b. v. de hoogleeraar Goüdsmit , onder applaus der toehoorders, de vergadering tracht op te vrolijken, door apodictisch te verklaren, dat, op enkele uitzonderingen na, een regter-eommissaris zijn pligt meent gedaan te hebben, wanneer hij een paar uren in zijn kabinet heeft doorgebragt, en dat hij, slechts naar societeit en middagrust verlangende , noodeloos de arme gevangenen in den kerker laat zuchten! Gemakkelijk valt het voorzeker, vooral op het einde eener vergadering, wanneer tegenspraak niet meer mogelijk is , eene geheel ongemotiveerde veroordeeling uit te spreken over een stand, waarvan de leden zich, door den aard hunner betrekking, noch kunnen, noch beliooren te verdedigen. Wenschelijk ook schijnt het, volgens Mr. Goudsmit althans . de regtscollegies in de publieke opinie te doen

dalen en ten aanzien hunner onbekwaamheid en gebrek aan naauwgezetheid eene «communis opinio» te doen ontstaan. Maar is het den ambtenaren niet te vergeven, indien zij weigeren tot het doen ont¬

staan van zulk eene «gemeene overtuiging'/ mede te werken r

Eene andere oorzaak van de geringe deelneming schijnt te liggen

in de wijze van behandeling der zaken.

In de eerste uitnoodiging tot ueeineming reeds werd gezegd, dat eene algemeene overtuiging moet ontstaan door eene degelijk voorbereide mondelinge wisseling van denkbeelden.

Dit nu schijnt ons onmogelijk. Eene mondelinge gedachtenwisseling zal de denkbeelden niet wijzigen van hen, die geacht kunnen worden op de hoogte der zaak te zijn, van hen dus, om wier oordeel het voornamelijk te doen is. Daartoe is schriftelijke gedachtenwisseling noodig en langer overpeinzing dan van eenige weinige uren.

Zoo als thans de zaken behandeld worden, schijnt de vergadering eenvoudig eene debating club, waarin de praeadviseurs hun gegeven advies verdedigen, dikwijls zelfs zonder te bedenken, dat de discussie niet op alle doelen van het advies, maar slechts op de con¬

clusies betrekking moet hebben.

Verschillende leden hebben voorstellen gedaan om eene degelijker

behandeling der zaken mogelijk te maken ; die voorstellen zijn evenwel, als onpraktisch, verworpen.

Toch is eene degelijker behandeling noodig.

Misschien zou men daartoe geraken , indien de vergaderingen b. v.

om de drie jaren genouuen werueu. in uien busscuuubiju alzijdige beschouwing van het onderwerp gelegenheid zijn. Ook aan de praktijk zouden de leden, die dit tot nog toe niet gedaan hebben, de aan de orde zijnde vraag kunnen toetsen. In plaats van aan vuur¬

werken en dergelijke vermakelijkheden de gelden der vereeniging te besteden zou men aan hen, die aan tijdschriften stukken over bet te behandelen vraagstuk inzenden, de gelegenheid kunnen verschaffen aan elk van de leden der vereeniging een exemplaar van hun opstel toe te zenden. En, ofschoon wel niemand om het honorarium een juridiek

betoog schrijft, zou toch de lust tot schrijven opgewekt worden, door aan de inzenders van goede stukken een honorarium toe te staan , een honorarium, dat thans bijna alleen voor bijdragen aan niet-juristische tijdschriften betaald wordt. Op die wijze zouden, zonder noemenswaardige onkosten, èn de tijdschriften zeiven geriefd worden èn het doel, dat men beoogt, het vestigen eener gemeenschappelijke overtuiging, beter worden bereikt.

Wij nemen de vrijheid ook dit denkbeeld aan het Bestuur in overweging te geven.

's Bosch, 29 Augustus. A. F- de Savobnin Lohman.

VERWAARLOOSD EN — VERLOREN? *-r'' ... j h«t. Hof viif ioneens tfireo-f, he~

voor eenige uagen siuuucu — v-u— e>— »-»

schultligd van verschillende diefstallen gepleegd te hebben met braak,

in vereeniging enz.

Ik vermeld dit niet, omdat het zoo zelden voorkomt, jongens, bijna kinderen te regt te zien staan ; integendeel, van de honderd die «voorkomen» 'bestaat de helft uit knapen van veertien, vijftien, tot tweeen-twintig jaren. Dit laatste is echter wel de aandacht waard , maar nog meer het onderzoek naar de oorzaken.

Wat zijn het voor jongens, in het algemeen , die tot die helft, ik neem nu maar de helft, behooren ?

Hebben ze eenige opvoeding genoten , of wel ontbrak hun daartoe de gele'-enheid, de wil, de geneigdheid ?

Deze"laatste vraag is in zulk een geval de natuurlijkste ter wereld; ze komt op de lippen waar men de zaak begonnen is te overwegen en toch — hare beantwoording is moeijelijk te vinden.

Immers, als ik spreek van het ontbrekende, dan wil dat zeggen , dat er iets aan het geheel eens voorwerps gemist wordt, waardoor dit uit den aard der zaak misvormd is.

Ik zou dus slechts het ontbrekende hebben aau te vullen en ... het voorwerp is volmaakt.

Als dit opging ten opzigte van onze laatste vraag, niets ware gemakkelijker, dan aan die jongens gelegenheid te verschaften en ziedaar, ze zullen weldra als welopgevoede en knappe lui weêr te voorschijn komen.

lufonr ïir vrpps. fin wfil ah rlpn"-(lelijke gronden: amvhora coevit

institui, currente rota urceus exit. En wel omdat die jongens geene gelegenheid meer baat; geneigdheid hebben ze nooit gehad, en hun wil, ik zou wel eens willen weten , waar ze dien van daan moesten halen.

Hun jeugd bestaat gewoonlijk uit een voortdurende worsteling tegen de grootste ontberingen, en zoo we hen als kleine kinderen op de straatsteetien aan de ouderlijke woning, weer of geen weer, zien rondkruipen en spelen, dan vragen we onwillekeurig: hoe komen die nog groot?

En toch worden ze groot — ge zult ze, als ze tien of twaalf jaar zijn, op de .Schans tegen komen, met een paar doosjes lucifers in de hand : praetext om te bedelen.

De oorzaak van dit alles is het huwelijk hunner ouders; bijna zonder eenig bestaan komen man en vrouw bij elkander, en zoo blijft het van het eerste tot het zesde kind en tot nu toe.

Naauwelijks genoeg om zich zelf te voeden, drijft honger de kinderen als van zelf de deur uit, eerst naar de buren om brood, maar die hebben ook al niet te over; dan .... de voorbijgangers; eindelijk wagen ze zich op de Singels , later in de stad zelf en

daar niets sneller gewoonte wordt dan zwerven, gaat hun zin er naar staan en zij worden doorkneede bedelaars.

Wie kent het lot dezer ongelukkige zwervers? Wie weet waar ze des nachts vertoeven , die uitgeteerde schepseltjes, wier kleederen, als ze 's morgens u de hand toesteken, nog vochtig zijn van den daauw ?

Zoo gij huivert, mevrouw I bij de beschrijvingen, die u de romanlektuur biedt van die ellendigen hier en elders, meer nog zult gij getroffen worden, als ik u zeide, dat in uw goede Amsterdam wel honderden zijn, die den nacht onder den blooten hemel doorbrengen , en wier legerstee nu een schuit, dan weêr een keldertrap is.

En zoo die zwervers, wier geheel denken slechts gerigt is om zich te verschaffen wat hun ontbreekt, eens een makker ontmoeten , die reeds ondervinding heeft opgedaan en hun beduidt dat men veel sneller en veel gemakkelijker (bedelen maakt lui!) krijgen kan wat men noodig heeft, — wanneer .... zondt ge dan wel gelooven, dat die kleine bedelaar van de Schans spoedig een dief zal worden ?

Wat zou hem terughouden? vraag ik u.

Schaamte, bij geval ? Ik spreek niet eens van goeden naam.

Maar nu nog wat 1 Als die jongen nu voor zijn misdrijf geboet heeft, «gezeten heeft», is het dan zoo'n wonder, als hij weêr steelt, niet precies om te misdoen , maar om weêr in de gevangenis terug te keeren, waar hij, zoo als een zich uitdrukte, ten minste een goed bed had en goed eten, en het altijd beter was dan op straat te zwerven en honger te lijden.

Is er nu geen middel te vinden om dit nomaden-leven tegen te gaan , waarin de ondeugd haren oorsprong vindt en de misdaad haar kweekschool ?

Is er onder ons dan geen miss Bye of een heer van zulk een menschlievend karakter, die ons helpen zal de straten te zuiveren van die ongelukkige wezens, wier lot het schijnt te zijn de wilden van Europa te vormen, maar duizend malen ongelukkiger dan hunne koperkleurige broeders , aan wie de natuur verleent wat de menschheid niet altijd geven kan.

De vraag, welke middelen daartoe aan te wenden zijn, mag wel steeds een grond van overweging uitmaken, zoowel van de Regering als van alle anderen.

Wat te doen tegen dit kwaad, daar bedelaarsgestichten niet voldoende schijnen te zijn om het te weren, getuige het schrijven van brandbrieven enz. om weder in de gevangenis terug te keeren.

Gestichten, door bijzondere personen opgerigt, stellen zich veelal een wel goed gemeend, maar onpraktisch doel voor, voornamelijk door al te zeer zekere godsdienstige rigting op het oog te hebben; al te zeer heeft de ondervinding geleerd, dat de meesten hunner verpleegden of huichelaars worden en dan hunne misdadige bedoelingen ;langs zekerder en bedekter wegen trachten te bereiken, of onbeschaamde schurken, die alle gevoel schijnen te hebben uitgeschud.

Het wordt hoog tijd, dat doortastende maatregelen worden genomen om deze pest der maatschappg tegen te gaan, hetzij dan door kolonisatie of andere middelen , welke de ervaring zal aan de hand geven.

En zoo de filantropie niet genoegzaam het nut inziet om mede te werken, welnu, doe het dan uit egoïsme, want de maatschappij, ja uw eigen huis wordt bedreigd, zoolang dit kwaad blijft bestaan.

Doe het uit egoïsme; ge heb immers wat te verliezen, en weet ge wel dat de vijand tegenover u niets heeft, niets verwacht, en hoe langer hoe meer onverschillig wordt over de wijze, waarop hij verkrijgen zal wat hem ontbreekt.

Mr. A. D. de Vries.

HOOGK RAAD.

Burgerlijke hamer.

Zitting van Vrijdag, 1 September.

Voorzitter, Mr. F. de Greve.

I. Conclusie door pastijen genomen in zake:

lu. (revisie) den Staat der Nederlanden, eischer, procureur Mr. C. J. Franyois , tegen G. van Haaren en C. van Haaren , verweerders, procureur P. J. van der Burgh. Raden-commissarissen Mrs. Gockinga en Pape.

2°. (idem) den Staat der Nederlanden, eischer, procureur Mr. C. J. Franpois, tegen J. Meerhoff en D. of Th. Arntz, verweerders, procureur Mr. M. Eyssell. Raden-commissarissenMrs.de Vos en Donker Curtius.

Beide zaken verwezen naar de openbare teregtzitting.

II. Nieuwe zaken:

1°. (koloniaal) Mr. B. E. Cola90 Belmonte, appellant, procureur Mr. J. van der Jagt, tegen S. C. Halfhide, geïntimeerde, procureur Mr. C. J. Fran^ois.

2". (eerste aanleg) Mr. H. W. Waardenburg e. s., eischers, Pro~ cureur Mr. J. van der .Jagt, tegen den Staat der Nederlanden, gedaagde, procureur Mr. C. J. Erancois.

III. Behandeld het beroep van:

1". (cassatie) den officier bij de Arrond.-Regtbank te Assen, tegen een vonnis in zake J. Schutstal. Rapp., raadsh. Voorciuin. Adv.-gen. Karseboom concludeert tot verwerping. ltspraak 22 September.

■2". (idem) H. A. Meenderink , tegen een vonnis er Arrond.Regtbank te Utrecht. Rapp., raadsh. de os. v-"S?en. Karseboom concludeert tot verwerping. Uitsp.aa _ September.

A1) VEHTENT TEN.

Wordt ten spoedigste gevraagd een exemplaar tapt den Honert, Arresten. Aanbiedingen franco onder iio. 11, aan de Boekhandelaren Is. An. Nijhoff Zoon , te Arnhem.

Snelpendrnh en Uitgave van GEBBOBBBB® BKIiISB'AM'IK « te 'iGraTenbase»

Sluiten