Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 5376.

Met het ontslag der bedelaars uit Omraerschans zou volgens sommigen vrij willekeurig en ongeregeld worden gehandeld.

Art. 39. Deze post ontmoette in meer dan éóne afdeeling bedenking. Vóór twee jaren heeft men uit de mededeelingen van 's ministers ambtsvoorganger meenen te mogen opmaken, dat men aan het einde der uitgaven was ; en nu draagt de minister eene aanzienlijke verhooging voor. Men wilde tot de Regering het verzoek gerigt hebben om op te geven, hoeveel dit gesticht nu reeds gekost heeft. Men vreesde, dat de inrigting te weelderig was en de jeugdige bewoners hier aan behoeften gewend werden, die zij later in de maatschappij niet zouden kunnen bevredigen. Men waarschuwde om overigens nuttige zaken , zoo als het bouwen van eene keuken, eene eetzaal en een badlokaal, toch niet op te weelderige schaal in te rigten.

Vilde afdeeling.

Art. 41, 6, 6 '. Tegenover de kleine vermindering op art, 31, c, wordt dit artikel gebragt op de aanzienlijke som van f 40,000. In drie afdeelingen werd dit voorstel vrij algemeen afgekeurd. Men zag hierin een zwichten van het Departement van Justitie voor dat van Oorlog. Men oordeelde het minder aannemelijk het kasteel van Woerden , sedert 1830 bij Justitie in gebruik, nu weder op te eischen. Men vreesde dus in dezen post eene bedekte uitgave voor Oorlog te moeten zien. Sommige leden meenden echter, dat de maatregel in verband staat met het plan om alle magazijnen te plaatsen achter onze liniën van defensie. Maar hoeveel zal de overbrenging in het geheel kosten ? Op de begrooting var. Oorlog voor 1872 vindt men thans reeds onder art. 23, 6, voor het herstellen van het huis van verzekering te Woerden eene som van ƒ 5000 uitgetrokken. Zouden niet voor mindere kosten te Woerden nieuwe gebouwen voor magazijnen kunnen worden ingerigt ? De Regering erkent, dat haar voorstel aanvankelijk veel kost, doch later tot bezuiniging leiden zal. Dit schijnt eenige nadere toelichting te behoeven. Nog vroeg men , of, indien tot de overbrenging wierd overgegaan , het huis van verzekering te 's Hertogenbosch niet voor cellulaire gevangenis kon worden ingerigt. Daartegen werd aangevoerd , dat niet-cellulair veroordeelden toch niet in cellen konden worden geplaatst.

9°. Is eene eigen gas-stokerij noodig en voordeelig ?

16o. Volgens art. 2 is een ingenieur-architect met dusdanige werkzaamheden belast. Op dien grond had men tegen deze raming bezwaar.

Art. 42. Een groot aantal leden oordeelde de som van J *25,000 voor het terrein eener nieuwe cellulaire gevangenis te Zwolle te hoog. Andere leden verdedigden den post, door te wijzen op de geschikte ligging van den bedoelden grond tusschen de Vecht en het Zwarte Water, waardoor de aanvoer van materialen met betrekkelijk geringe kosten kon geschieden. Men vroeg evenwel, hoeveel de voltooijing der gevangenis, volgens het oordeel der Regering, kosten zou. In eene afdeeling achtte men het ontworpen gebouw in elk geval wederom te groot. De Regering heeft bij de behandeling der wet van 24 .Julij 1871 (Staatsblad n<\ 84) erkend, dat eene goede werking van het cellulair stelsel afhangt van een geregeld en doelmatig bezoek; maar hoe zal het mogelijk zijn in een gebouw van 2 20 cellen een behoorlijk bezoek te doen plaats hebben ? In eene andere afdeeling achtte men het onraadzaam de gevangenissen altijd in of in de nabijheid van groote steden te bouwen. Men wees op Bruchsal, waar bijna alle gevangenen van Baden worden opgesloten.

Vastgesteld 10 October 1871.

HeYDENRIJCK , wlntgens , heemskerk Bz., Rutgers van Rozenburg, Bredius.

HOOGE BAAD DEK NEDERLANDEN.

Hamer van Vacantie.

Zitting van den 29 Augustus 1871.

Voorzitter, Jhr. Mr. B. van den Velden. Plaatselijke "verordening. — Openbare markt. — Potten en

pannen. — dagelijksche benoodigdheden.

Behooren potten en pannen, zoowel in de gewone beteekenis, als naar den geest der bepalingen van het reglement van politie voor de algemeene markt te Breda, tot de dagelijksche benoodigdheden? — Ja.

De ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt te Breda heeft zich in cassatie voorzien tegen een vonnis van den kantonregter aldaar van den 10 Junij 1871, waarbij H. van Wanrooy, oud vier-envijftig jaren, geboren te Kaatsheuvel, van beroep koopman in aardewerk, wonende te Oosterhout, beklaagd van op den 20 Mei 1871, des voormiddags ten half elf ure, en alzoo tusschen des morgens zes en des namiddags één ure, ten verkoop te hebben aangeboden potten en ander grof aardewerk in de Veemarktstraat te Breda, zijnde dit eene plaats , alwaar het verhandelen of ten verkoop aanbieden van voornoemde voorwerpen gedurende den evengenoemden tijd is verboden , — is ontslagen van alle regtsvervolging te dier zake, de kosten ten laste van den Staat.

Nadat te dezer zake door den raadsheer Gertsen het verslag was uitgebragt, heeft de adv.-gen. Smits de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heeren, President en Raden! Op de memorie van cassatie staat niet aangeteekend de dag van inlevering van dat stuk ter griffie van het Kantongeregt. Blijkens missive van den heer griffier bij dezen Raad , waarbij de ontvangst der stukken ter griffie van den Raad werd berigt, en die ik de eer zal hebben aan den Raad over te leggen, zijn de stukken van het onderwerpelijk geding, waarbij zich, volgens den inventaris , ook bevond de memorie van cassatie, alhier ontvangen den 22 Junij jl., zoodat de memorie binnen den voorgeschreven termijn moet zijn ingediend.

Het geldt hier de vraag, wat moet verstaan worden door dagelijksche benoodigdheden, die, volgens art. 4 j '. art. 1 van het reglement van politie voor de algemeene markt in de gemeente Breda , met en benevens levensbehoeften gedurende den markttijd alleen op de aangewezen markt mogen verhandeld en ten verkoop aangeboden worden. De gereq. heeft gedurende den bedoelden tijd elders dan op de markt potten en ander grof aardewerk ten verkoop aangeboden.

De kantonregter achtte dit feit niet strafbaar, dewijl hier geen sprake was van levensbehoeften, en aarden potten en dergelijke, ook volgens hem, niet konden gerangschikt worden onder de dagelijksche benoodigdheden. lJe heer req. meent, dat door die opvatting zijn geschonden de artt. 4 en 5 van het vermelde reglement, en ik kan die meening wel deelen.

De bedoeling toch van den gemeentewetgever kan m. i. wel geene andere geweest zijn dan om , ten gerieve van het publiek, op de markt, gedurende den markttijd, te concentreren al die voorwerpen, welke men daar gemeenlijk zoekt, en daarom is de verkoop elders, gedurende dien tijd, verboden. Onder die voorwerpen behooren groenten , vruchten en dergelijke, in de verordening aangeduid onder den

naam van «levensbehoeften»' , r,.:iar ook geringe voorwerpen van dagelijksch gebruik, zoo als potten en pannen. Als deze laatste voorwerpen niet worden bedoeld met de woorden «dagelijksche benoodigdheden" , in onderscheiding van levensbehoeften , moet ik verklaren niet te begrijpen , wat dan onder dien naam zou te verstaan zijn.

Ik heb derhalve de eer, namens den heer proc.-gen., te concluderen tot vernietiging van het beklaagde vonnis ; en dat de Hooge Raad, ten principale regt doende, den gereq., met toepassing der artt. 1, 4 en 5 van het vermelde reglement en art. 1 der wet van 22 April 1864 (Stbl. n». 29), zal veroordeelen tot eene geldboete van f !, bij wanbetaling , binnen twee maanden na aanmaning, te vervangen door gevangenis-straf van éénen dag, en in al de kosten van het geding.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op het middel van cassatie , door den req. voorgesteld bij memorie, te weten : schending van de artt. 4 en 5 van het reglement van politie voor de algemeene markt in de gemeente Breda, vastgesteld den 25 Febr. 1871, door te verstaan, dat potten en ander grof aardewerk niet gerekend kunnen worden tot de dagelijksche benoodigdheden , waarvan gemeld reglement handelt;

Overwegende, dat bij art. 4 van het gemelde reglement verboden is, gedurende den bij art. 1 van hetzelve bepaalden tijd, op andere dan aangewezen plaatsen in de gemeente Breda, voorwerpen van de soort, in art. 1 genoemd, te verhandelen of ten verkoop aan te bieden, met uitzondering van het bedienen van vaste klanten door het te huis brengen van vooraf bestelde goederen en den gewonen verkoop van melk aan vaste huizen;

O., dat de in art. 1 genoemde voorwerpen zijn: levensbehoeften en dagelijksche benoodigdheden;

0., dat onder dagelijksche benoodigdheden, in dit artikel bedoeld, ook geacht moeten worden begrepen te zijn de voorwerpen van de soort, als waarvan in de dagvaarding melding is gemaakt;

0. toch , dat die voorwerpen niet alleen naar de letterlijke beteekenis der woorden vallen onder de voorwerpen van dagelijksche benoodigdheden, als zijnde derzelver gebruik in ieder huisgezin dagelijks benoodigd, maar zij ook naar den geest en de bedoeling van het reglement gerekend moeten worden daartoe te behooren , omdat het reglement blijkbaar heeft willen tegengaan het gedurende de markturen buiten de plaatsen, tot het houden van markt bestemd, ten verkoop aanbieden of rondventen van zoodanige zaken , ais waarmede gewoonlijk het rondventen geschiedt, en dat daaronder bepaaldelijk ook gerekend moeten worden de in casu ten verkoop aangeboden voorwerpen ;

O,, dat het alzoo niets ter zake doet, dat die voorwerpen ook kunnen gerangschikt worden onder de werktuigen of gereedschappen, die niet tot een voorbijgaand, maar tot een blijvend gebruik bestemd zijn;

O. toch, dat het reglement geene uitzondering te dien opzigte maakt;

0., dat mitsdien het cassatie-middel is gegrond ;

Doet het beklaagde vonnis te niet •

Eu, krachtens art. 105 R. O., ten principale regt doende op de als bewezen aangenomen daadzaken,

Verklaart, dat die daarstellen het binnen de gemeente Breda elders dan voor het houden van markt aldaar aangewezen plaatsen , en gedurende de uren , voor het houden van markt bepaald, ten verkoop aanbieden van voorwerpen van dagelijksche benoodigdheden, zijnde overtreding van art. 4, in verband met art. !, van het reglement van politie voor de algemeene markt in de gemeente Breda , vastgesteld den 25 Febr. 1871, strafbaar gesteld met de straf van art. 5 eod.;

Verklaart den gereq. schuldig aan die overtreding ;

Gezien gemelde artikelen , alsmede art. 1 , aanhef en voorlaatste lid, der wet van den 22 April 1864 {Stbl. n°. 29), luidende enz.;

Mede gezien de artt. 207, 227 en 253 Strafvord., art. 469 Strafregt en art. 164 der gemeentewet;

Veroordeelt den alzoo schuldigverklaarde in eene geldboete van ƒ I ten voordeele van de gemeente Breda;

Bepaalt, dat de boete, zoo de veroordeelde haar niet betaalt binnen twee maanden, na daartoe te zijn aangemaand, zal vervangen worden door gevangenis-straf van één dag;

Veroordeelt den schuldigverklaarde wijders in de kosten , gevallen zoo bij het Kantongeregt als in cassatie.

PRO V INCIAL E H O V E N.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN ZUID HOLLAND.

Bnrgeirlijke hamer.

Zitting van den 3 April 18 71.

Voorzitter, Mr. Schmolck.

clvieluegtelijke overeenkomst tusschen twee gemeentebesturen. — elsch tot ontbinding dier overeenkomst. —

Sluis- of schotgeld. — Uitlegging dek overeenkomst.

Kunnen gemeentebesturen met elkander eene civielregtelijke overeenkomst sluiten over het gebruik van gemeente-eigendom ? — Ja.

Is bij art. 3 der overeenkomst van 8 April 1808 , tusschen de gemeenten Sommelsdijk en Middelharnis gesloten, vrije scheepvaart verleend alleen en uitsluitend aan Sommeldijksche ingezetenen en niet aan alle schippers, die van het Haringvliet naar Sommelsdijk of van Sommelsdijk naar het Haringvliet varen?—Ja.

De burgemeester van Middelharnis , appellant, procureur Mr. A. Q.

Kraijenhofp van de Leur ,

tegen

den burgemeester van Sommelsdijk, geïntimeerde, procureur Mr. C.

J. Fran^ois.

Het Hof enz,,

Gehoord partijen in hare wederzijds genomen conclusiën en gehouden pleidooijen;

Gehoord den proc.-gen. in zijne conclusie, strekkende tot vernietiging van het vonnis a quo, wat betreft de beslissing ten principale, en tot toewijzing van des appellants subordinate conclusie , alles met veroordeeling des geïntimeerden in de kosten der beide instantiën;

Met opzigt tot de feiten en iu eersten aanleg gevoerde procedures, zich gedragende aan- en alzoo overnemende al wat daaromtrent in het vonnis a quo is vermeld ; bij welk vonnis, met verwerping der door den toen ged., nu app., voorgestelde exceptie van onbevoegdheid ratione materiae, en passerende het door den eischer, nu geïnt., subsidiair aangeboden getuigenbewijs, de principale vordering van dezen is toegewezen , en de ten gedinge omschreven overeenkomst, tusschen partijen op den 8 April 1808 aangegaan , is ontbonden verklaard, met veroordeeling des appellants tot vergoeding der kosten , schaden en interessen , door den geïnt. gehad en geleden en nog te hebben en te lijden, alsmede met verwijzing des appellants in de kosten van den processe;

Overwegende, dat van dit vonnis hooger beroep is ingesteld, en de app. thans vordert, dat het Hof, met vernietiging van het vonnis a quo, zich ratione materiae zal verklaren onbevoegd om van den door den geïnt. in eersten aanleg ingestelden eiseh kennis te nemen , of daarop

uitspraak te doen ; en subordinaat aan den geïnt. zijnen zoo evengemelden eisch zal ontzeggen, immers en in allen gevalle hem daarin niet-ontvankelijk te verklaren; terwijl door den geïnt. tot verwerping der door den app. voorgestelde exceptie van onbevoegdheid en tot bevestiging van het vonnis a quo is geconcludeerd, onder subsidiair aanbod van getuigenbewijs, een en ander, zoo als zulks breeder is vermeld in de van wederzijden gewisselde ea aan het Hof overgelegde schrifturen en conclusiën ;

0., dat de oorspronkelijke eisch des geïnt. strekt tot ontbinding van eene tusschen partijen op den 8 April 1808 aangegane overeenkomst , op grond van het niet-nakomen derzelve van de zijde des appellants, door sedert Febr. 1866, ten behoeve ven Middelharnis, gelden , onder den naam van sluis- of schutgeld, van de vaartuigen, die, zonder de kade van Middelharnis aan te doen, regtstreeks naar en van Sommelsdijk varen, te doen heffen, op die wijze te bezwaren en te belemmeren de vrije scheepvaart in- en door de haven van Middelharnis naar- en van het Haringvliet, welke vrije scheepvaart bij genoemde overeenkomst, die op genoemden datum door de gemeentebesturen der beide gemeenten Middelharnis en Sommelsdijk is gesloten en door den landdrost in het departement Maasland op den 15 April 1808 is geapprobeerd en gesanctionneerd, aan Sommelsdijk, tegen betaling eener jaarlijks door deze gemeente aan Middelharnis uit te keeren geldsom, was verzekerd ;

0., dat de kennisneming van zoodanige vordering wel degelijk tot de bevoegdheid der regterlijke magt behoort, daar zij de ontbinding betreft van eene overeenkomst omtrent het gebruik van eens anders eigendom , waaromtrent de een zich tot het aan den ander praesteren van dat gebruik en de andere zich tot het voor dat genot betalen eener jaarlijksche geldsom heeft verbonden ; dat het dus hier geldt een twistgeding over een onderwerp van gewoon burgerlijk regt, waarvan de kennisneming door de Grondwet uitsluitend aan de regterlijke magt is opgedragen;

O., dat hiertegen niet afdoet de omstandigheid, dat de twee handelende partijen waren de gemeentebesturen van twee gemeenten , en dat de handeling liep over het gebruik van gemeente-eigendom , en dat er approbatie en sanctie van de hoogere overheid aanwezig was, en tot de geldigheid der overeenkomst ook moest aanwezig zijn; daar dit een en ander het innerlijk gehalte der overeenkomst, als betreffende een onderwerp van gewoon burgerlijk regt, niet wegneemt of verandert; maar buitendien ook in den jare 1808 , evenzeer als ten huidigeu dage, aan gemeenten met gelijk regt en op gelijken voet als aan particulieren , vrijstond overeenkomsten van gewoon burgerlijk regt onderling aan te gaan, en dit evenzeer gemeente-eigendommen kon en kan betreffen , terwijl de vereischte en verleende approbatie en sanctie eener op de gemeentebesturen toezigt houdende hoogere overheid aan de gesloten overeenkomst, even als zulks met sommige handelingen van voogden of curators ten behoeve der onder hen gestelde particuliere personen vereischt wordt, de eindsluiting geeft en op de aangegane verbindtenis het zegel drukt, zonder dat daarom dit staatsregtelijk toezigt aan de overeenkomst zelve een staatsregtelijken aard of natuur schenkt ;

0., wat nu de zaak zelve aangaat, dat bij meergemelde en ten processe overgelegde overeenkomst van den jare 1808 in art. 3 aan die van Sommelsdijk, alsmede aan de verdere nieuwbedijkt wordendelanden , de vrije en onbelemmerde scheepvaart wordt verleend door dü in art. 1 vermelde schutsluis, in en door de haven van Middelharnis, naar en van het Haringvliet;

O., dat het onderwerp van het geschil loopt over het regt verstand van dat artikel, en in het bijzonder over het regt verstand der woorden «die van Sommelsdijk;» want dat de geïnt. beweert, dat daarbij de vrije scheepvaart is verleend aan alle schippers, die van het Haringvliet naar Sommeldijk en van Sommelsdijk naar het Haringvliet varen, onverschillig of die schippers Sommelsdijkers of niet Sommelsdijkers zijn, terwijl de app. vermeent, dat die vrijdom daarbij alléén en uitsluitend aan Sommelsdijksche ingezetenen is toegekend, en bij dit dan ook streng in acht genomen en nimmer eenig sluis- of schutgeld van schippers, die Sommelsdijksche ingezetenen zijn, heeft gehe" ven , welk feit door den geïnt. ook niet wordt wedersproken;

0., ter beslissing omtrent het regt verstand der bewuste woorden van gezegd artikel, dat in het algemeen, ter aanduiding van ingezetenen of inwoners of burgers van deze of gene bepaalde landstreek > gewest, stad, dorp of plaats , zeer dikwijls slechts het aanwijzend voornaamwoord «die» wordt gebezigd, in plaats van de zelfstandige naamwoorden : «de inwoners, de ingezetenen , de burgers » en da' zulks vooral vroeger en ook in het begin dezer eeuw nog 'meer gebruikelijk was , ook in openbare stukken en tractaten; "dat dus opvatting der woorden: «die van Sommelsdijk» in den 'zin van: »d0 schippers, die ingezetenen van Sommelsdijk zijn» of die te Sommelsdijk te huis behooren, met die algemeen gebruikelijke wijze van uitdruk' king geheel strookt; maar dat die opvatting duidelijk aan het liet' komt door de sluitwoorden derzelfde zinsnede: «naar en van het Haringvliet ;«

O. toch, dat het eerst gewagen van de vaart naar het Haringvliet niet anders kan doelen dan op degenen, die derwaarts van Sommelsdijk uitgaan, en het| later gewagen van de vaart van het Haringvliet niet anders dan op degenen , die van ddar naar Sommelsdij'' terugkeeren: dat dit dan ook alleen met te Sommelsdijk te huis behoorende schippers bet geval kan zijn, daar andere schippers, niet aldaar te buis behoorende, noodwendig, om Sommelsdijk te berei^ ken, eerst van het Haringvliet moeten komen en daarna later, bij terugkeer naar hunne woonplaatsen, uit Sommelsdijk naar het Haring' vliet moeten varen ;

O., dat zoodanige opvatting van art. 3, ais alleen Sommelsdij kscb0 ingezetenen bedoelende, ook nog nader blijkt uit, en geheel strookt me' art. 8 der overeenkomst, waarin gezegd wordt, dat de te Sommelsdij'' te huis behoorende schippers, ten aanzien van het leggen hunne1' schuiten en het lossen en laden in de haven van Middelharnis, door de plaatselijke verordeningen van Middelharnis niet boven de schipPerS van Middelharnis zelf zullen bezwaard of belemmerd worden , welke gelijkstelling alzoo uitsluitend tot de Sommelsdijkers beperkt wor

deade>

een natuurlijken zin in deze overeenkomst heeft en met art. 3 geb«e strookt, wanneer men door de in dit laatste artikel gebezigde woorden : «die van Sommelsdijk» verstaat «de ingezetenen van Somme'6' dijk//, dat is //de schippers, die te Sommelsdijk te huis behooren;"

0., dat die opvatting almede voortvloeit uit art. 7 der overee'J komst, waarbij , ten einde de schippers of veeren van Middelh»rïl! geen nadeel zouden lijden, aan de schippers, te Sommelsdijk te hu' behoorende, geboden wordt niet anders dan in de kade en jurisdict* van Sommelsdijk en geenszins verder in de haven van Sommelsdij » noch in die van Middelharnis, goederen te laden eri te lossen, alleen die, welke te Sommelsdijk te huis behooren , of door iflopgezetenen van Sommelsdijk verzonden of ontvangen worden, voorschrift zeker niet op de Sommelsdijksche ingezetenen alleen toepassing zoude verklaard zijn, maar ook alle andere schippers ond^ algemeene aanduiding zoude omvat hebben , indien art. 3 moest staan worden , den vrijen doorvoer aan alle deze laatstgenoemden hebben toegestaan;

0,, dat evenzeer de kleine jaarlijksche som van slechts f 100,

volge art. 6, door Sommelsdijk, voor die vrije doorvaart der schui te betalen , pleit voor de genoemde meer beperkte opvatting van a ^ 3 ; en dat daartegen niets afdoet, dat in de aan het sluiten der ove eenkomst voorafgegane en door Middelharnis geconcipieerde eÜ a0p den landdrost aangeboden hoofdpointen bij de aan Sommelsdij&

Sluiten