Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 3379.

niet cezegd worden het besvezeua der daadzaken aan te nemen naar aanleiding van hetgeen nit het onderzoek op de teregtzitting is gebleken , zoo" als art. 206 Strafvord. dit vordert. Ook het regt van verdediging wordt verkort door het aannemen van feiten op algemeene bekendheid, steunende op eigen wetenschap van den regter. Tegen ieder bewijsmiddel moet een besch. zich kunnen verdedigen. Dwalingen moeten kunnen aangetoond, verkeerde voorstellingen kunnen opgehelderd worden. Tegen hetgeen de regter zegt van algemeene bekendheid te zijn, tegen het feit, dat niet op de teregtzitting is gebleken, maar dat de regter uit eigen wetenschap als waar stelt, is geene verdediging mogelijk.

Ik vind voor mijne zienswijze steun bij de jurisprudentie van den Hoogen Raad. Ik verwijs vooral naar twee arresten , het eene van 2 Maart I s52 (v. d. Honert, Strafr., vau dat jaar, I, bl. 105, Ned. Reqtspr., d. 41, § 33); het andere van 24 Junij 1356 (v. d. Honert, Stra.fr., van dat jaar, X, 423, Ned. Regtspr., d. 53, § 45. Het eerste betrof een geval, waarbij een feit was aangenomen op grond der persoonlijke wetenschap van den regter; het tweede, waarbij het feit was aangenomen op algemeene bekendheid. De Hooge Raai vond dit in str\jd met de regelen van het bewijs en casseerde , als zijnde de gewijsden op de bedoelde feitelijke punten niet genoegzaam met redenen bekleed. Alen vergelijke hiermede de arresten van 2 febr. 134 7 (v.o. Honert, Strafr., van dat jaar, I, 59, Ned. Regtspr., i. 26, § 60) en van 27 Oct. 1846 (v. d. Honert, Strafr., van dat jaar, II, -294, Ned. Regtspr., d. 25, § 54), en hetgeen Mr. F. de Greye ten aanzien van dit onderwerp zegt in de Themis, 1ste deel (1839), bl. 386 volg. In strijd met de door mij aangegeven jurisprudentie van den Hoogen Raad is een vroeger arrest, en wel dat van 30 Jan. 1S44 (v. d. IIonebt, Strafr., d. XII, bl. 136, Regtspr., d. 17, § 21).

Ik vermeen dus, dat het bewijs der opgegevene feiten gebrekkig is, en daarom het arrest zal behooreo te worden gecasseerd. Waren deze feiten behoorlijk bewezen, dan zoude ik vermeenen, dat art. 330 C. P. teregt was toegepast, omdat dan daaruit volgde, dat de spoorwegbeambten, die toevallig het raam van de coupé waren gepasseerd, hadden kunnen waarnemen, wat daarin voorviel, en daardoor in hun kieschheidscevoel worden gekrenkt. Zoodanige openbaarheid is m. i. tot toepassing van art. 330 voldoende. Men vergelijke het arrest van dezen Raad van g Junij 1S">4 (v. d. Honert, Strafr., vau dat jaar,

1 217, Ned. Regtspr., d. 47, § 70), waar sprake was van eene handeling, die alleen zigtbaar was van eene plaats, die niet voor elk eeu, maar slechts voor de bewoners van eenige huizen toegankelijk was. Voorts zie men een arrest van het Fransche Hof van cassatie van

2 April 1869 (Blanche, 1. 1., n". 81, V, 73), waar het eene handeling betrof, gepleegd op eene niet publieke plaats en alleen uit eene niet publieke plaats waar te nemen. Het gedeelte van het cassatiemiddel, dat op de qualifieatie betrekking heeft, acht ik dus ongegrond.

Ook kau ik mij niet vereenigen met het middel, door den geachten pleiter voorgesteld, namelijk schending van artt. 2j4 en 210, al. 2, Strafvord., in verband met artt. 223 van dat wetboek en 330 O. I'., omdat de regter had behooren te ontslaan van regtsvervolging, vermits in casu niets anders is ten laste gelegd en ook niets anders is hewezen verklaard dan dat het feit zou gebeurd zijn op oeue plaats,

die, zoo als zij in die dagvaarding is omschreven, noch het karakter heeft van publicité absoiue , noch dat van eene publicité accidentelle, en ergo ontbrak èn de te-laste-legging èn het bewijs van de in dat geval voor outrage public a la pudeur onmisbare omstandigheid, dat het feit door een of meerdere personen., zich op den openbaren weg of andere openbare plaatsen bevindende, was gezien of althans had kunnen gezien worden.

Bij de dagvaarding wordt ten laste gelegd, dat de onzedelijke handelingen zouden hebben plaats gehad in een spoorwegwaggon tusschen de stations Wolvega en Oudeschoot, en dit wordt ook als bewezen aangenomen. Dit is allezins voldoende, en op dat feit kau art. 330 toegepast worden, wanneer de regter van oordeel is, dat onder die omstandigheden de handeling in den zin der wet heeft plaats gehad in het openbaar. Alleen dan, wanneer geene openbaarheid bestond, dan , wanneer de handeling van den openbaren weg of andere openbare plaatsen kon gezien worden , zou de gemelde bijvoeging noodzakelijk hebben kunnen zijn; maar, zoo als ik reeds mededeelde, zoowel onze jurisprudentie als de Fransche stellen dit vereischte niet.

Ik heb de eer te concluderen tot vernietiging van het beklaagde arrest en verwijzing der zaak naar eeu aangrenzend Geregtshof, ten einde op het bestaande hooger beroep op nieuw te worden beregt en afgedaan ; de kosten, in cassatie gevallen, te dragen door den Staat.

T~ï- TT ~ D „ „ ,1 nryrw

ue nuu^e ivttttu

Gelet op de middelen van cassatie, voor de requiranten voorgesteld bij memorie en pleidooi;

Overwegende, dat bij de ingediende memorie een tweeledig cassatiemiddel is voorgedragen, in het tweede onderdeel luidende : schending van de artt. 427 en 428 Strafvord., doordat het Hof als wettig bewijsmiddel van sommige in het arre ' als bewezen aangeduide omstandigheden heeft aangenomen derzelver (trouwens door niets gestaafde) algemeene bekendheid;

0. dienaangaande, dat bij bet bestreden arrest is aangenomen, dat het gepleegde feit door anderen is kunnen gezien worden, en dat het bewustzijn hiervan bij de requiranten moet hebben bestaan ;

0., dat deze beslissing berust op hetgeen in de achtste overweging voorkomt, te weten : »dat het van algemeene bekendheid is, dat de conducteurs zich niet zelden , ook onder het loopsn van den trein, ter vervulling hunner dienstpligten , begeven langs de loopplank en op die wijze kunnen zien, wat er in de onderscheidene coupé's voorvalt, terwijl zij zelfs de bevoegdheid hebben om, indien zij dit noodig achten , in die coupé's binnen te treden ;

0., dat die achtste overweging, wel is waar, eene beknopte voorstelling inhoudt van hetgeen , luidens de eerste overweging, door de beide dienstdoende conducteurs, als getuigen a charge, was verklaard omtrent hunne dienstverrigtingen en hoe zij juist daardoor m de gelegenheid waren geweest om de plaats hebbende schennis der eerbaarheid te zien ; maar dat niet op die verklaringen als bewijsmiddelen door het Hof is regt gedaan, maar op 's Hofs eigen wetenschap omtrent de algemeene bekendheid van zoodanige dienstverrigtingen ;

(J., dat daardoor zijn overtreden de regelen, bij het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven voor het bewijs der feiten en van alle omstandigheden, vereischt voor het aanwezig zijn der elementen vau het misdrijf, waarvan bij de aanklagt sprake is;

0., dat in de bij het cassatie-middel genoemde artt. 427 en 428 Strafvord. onder de aldaar genoemde wettige bewijsmiddelen niet voorkomt 's regters eigen wetenschap omtrent hetgeen gebruikelijk en alzoo van algemeene bekendheid is;

O., dat dienvolgens het in de tweede plaats bij het in de memorie van cassatie voorgedragen middel beweerde is gegrond, en, het bestreden arrest uit dien hoofde moetende worden vernietigd, het onnoodig is in een onderzoek te treden omtrent hetgeen primario bij dat middel en bij het bij pleidooi voorgedragen middel is beweerd;

Vernietigt het arrest van het Prov. Geregtshof in Friesland, den 30 Mei 1871 in deze zaak gewezen;

Verwijst de zaak naar het Prov. Geregtshof in Groningen, om op het bestaande hooger beroep op nieuw te worden onderzocht en afgedaan ; de kosten , in cassatie gevallen, te dragen door den Staat.

PROVINCIALE HOVEN.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN ZÜIDHOLLAND.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 2 October 1871.

Voorzitter, Jhr. Mr. F. W. A. Beelaerts van Blokland.

Is het zoogenaamd zeekantoor te Rotterdam eigendom der gemeente? — Ja.

(Zie het vonnis van eersten aanleg in Weekbl. n". 3204.)

De minister van Finantiën , appellant, procureur Mr. C. J. Fkanijois,

tegen

den burgemeester der gemeente Rotterdam , geïntimeerde, procureur Mr. J. van der Jagt.

Het Hof eriz.,

Gehoord partijen in hunne wederzijds genomene conclusiën en gehoudene pleidooijen;

Gehoord den heer proc.-gen. in zijne conclusie, strekkende tot bevestiging van het vonnis a quo, met bevel, dat het geheel en volkomen gevolg zal hebben, en met veroordeeling des appellants in de kosten van het hooger beroep;

Met opzigt tot de feiten en in eersten aanleg gevoerde procedures, zich gedragende aan en alzoo overnemende al wat daaromtrent in het vonnis a quo is vermeld; bij welk vonnis de toen ged., nu app., is veroordeeld om, binnen drie maanden na beteekening van hetzelve, de gebouwen, genaamd het Zeekantoor te Rotterdam, kadastraal aldaar bekend onder sectie F, nos. 201 en 202, ten behoeve der stad Rotterdam te ontruimen er) ter harer beschikking te stellen ; en waarbij verder de toon eischer, nu geïnt., is gemagtigd om zoo noodig de ontruiming door den sterken arm der justitie of politie te doen ten uitvoer brengen; zijnde verder de ged. qq. veroordeeld in de proceskosten ;

Overwegende, dat laatstgenoemde van die uitspraak is hooger beroep is gekomen, concluderende, dat het Hof, met vernietiging van het hooger beroep, alsmede van het vonnis voornoemd, alsnog zal toewijzen des appellants in eersten aanleg als ged. genomene conclusie, strekkende tot niet-ontvaukelijk-verklaring, immers tot ontzegging der ingestelde vordering, met veroordeeling der geïnt. in de kosten der beide instantiën ; terwijl daartegen door den geïnt. is geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis a quo, met last, dat het geheel en volkomen gevolg zal hebben, en met veroordeeling des appellants in de kosten van het hooger beroep, een en ander zoo als zulks in de van wederzijden gewisselde en aan den Hove overgelegde schrifturen en conclusiën breeder is uiteengezet ;

li dat de eisen des geïntimeerden tot ontruiming van de te Rot-

tprHn m staande en aldaar onder den naam van het Zeekantoor bekend

zijnde gebouwen gegrond is eensdeels op het eigendomsregt, dat ue geïnt. beweert daarop altijd te hebben gehad en bij voortduring te hebben behouden, anderdeels op de omstandigheid, dat de Slaat die gebouwen niet anders dan bij wijze van vergunning tot wederopzeggen (precario) in bezit en gebruik heeft gehad en nog heeft;

O., dat uit de ten processe aanwezige bescheiden wettig en overtuigend is gebleken :

1». dat genoemd Zeekantoor . gelegen aan den Haringvliet bij het Oude Hoofd, staat ter plaatse, waar in het laatst der zestiende eeuw door de stad Rotterdam, op eigen kosten en op eigen grond, is gebouwd eene koopmansbeurs;

2». dat omstreeks het midden der zeventiende eeuw door de stad een nieuw beursgebouw is gesticht op eene andere plaats, en wel ter plaatse, waar het zich nog heden bevindt;

3 '. dat de Vroedschap daarop het eerste beursgebouw van de zestiende eeuw, als zijnde nu buiten gebruik en zonder bestemming gemaakt, aan de Admiraliteit, die op het Prinsenhof of voormalige Agnietenklooster aan de Botersloot gevestigd was, tot logement heeft aangeboden , welk aanbod door gezegd eollegie is aangenomen, met dat gevolg, dat de Admiraliteit van de Maas, van den jare 1644 tot aan dezelfde opheffing in 1795 , voordurend daarin is gevestigd geweest;

4». dat vooraf, ten einde dat oude beursgebouw, voor de huisvesting

der Admiraliteit geschikt, in te rigten tot logement, te adopteren, genjK. de Vroedschap zich uitdrukt, er eene geheele verbouwing noodig is geweest, die ook werkelijk, krachtens vroedschaps-resolutie van den 25 Nov. 16-11 en den 9 Febr. 1643, heeft plaats gehad, eu wel bij aanbestedingen, in 1642 eu 1643 door de stad gedaan, naar bestekken, door haar opgemaakt en gegeven, en wel in 1642 het Admiraliteitshuis en in 1643 een daarbij behoorend gevangenhuis en cipierswoning, een en ander te zamen voor eene kapitale som van f 86,950;

v'. dat de verbouwintr is areschied voor rekening der stad, die haren

thesaurier, bij vroedschaps-resolutie van den 14 Mei 1642 , heeft gemagtigd, tot dat einde, ter betaling der eerste paye of termijn, ten laste der stad te negociëren eene som van 12,000 caroli-guldens;

6». dat het dus vaststaat, dat gezegde gebouwen met den grond aan de stad toebehoorden, toen de Admiraliteit zich daarin vestigde; maar dat het ook evenzeer blijkt, dat die vestiging heelt plaats gehad, niet

krachtens eene schenking of eenige eigendoms-overdragt lioe ook genaamd , maar krachtens eene vergunning van stadswege , tot bloot gebruik als logement op denzelfden voet, als waarop de Admiraliteit in gebruik had gehad , en gevestigd was geweest in het reeds genoemd Prinsenhof, of voormalig Agniet Jrt-klooster:

70. dat namelijk dit laatstgenoemd gebouw door de Stedelijke Regering in 1575 tot logement van Prins Willem den eersten was ingerigt geworden, en kort daarna, daar de Prins zich juist te Rotterdam kwam vestigen, aan de heeren der Admiraliteit, nadat het voor die bestemming, ook weder op stadskosten, was geschikt gemaakt, ook als logement ten gebruike was gegeven en door die heeren was geaccepteerd en gebruikt; terwijl, nadat de Admiraliteit in 1644 het nieuwe Admiraliteitshuis aan het Oude Hoofd had betrokken, de opstal van het Prinsenhof door de stad voor stadsrekening is verkocht, krachtens Vroedschaps-resolutie van 23 Jan. 1645, zonder eenige inmenging van ander of hooger gezag;

8°. dat dat bezit in gebruik van dat nieuwe Admiraliteitshuis tot den jare 1795 voortdurend op denzelfden voet is gebleven, en het gebouw met den grond op de stedelijke blafferts over dat tijdvak, steeds onafgebroken, als stads-eigendom voorkomt, met verwijzing steeds naar de reeds vermelde Vroedschaps-resolutiën van den 25 Nov. 1641 en den 9 Febr. 1643; en dat, terwijl alzoo het eigendomsregt der stad Rotterdam op gezegd Admiraliteitshuis voldingend is geble¬

ken, en er geen stuk ten processe aanwezig is, waaruit een amoend bewijs van dat regt aan de zijde der Admiraliteit of Generaliteit zoude kunnen worden aangenomen ; zoodat liet gemeld gebouw , door stichking op stadsgrond en met stadspenningen door en voor de stad liotterdam verkregen, ook onafgebroken tot 1795 haar eigendom is gebleven ;

9°. dat, na de opheffing der Admiraliteiten in 1795 , het gebouw wel bij andere staatócollegiën en besturen is in gebruik genomen, en

door de stad Rotterdam aan hen in gebruik gelaten ; maar dat door of tengevolge, of in weêrwil van de elkander opvolgende Regeringen, aan liet eigendomsregt der stad Rotterdam op dat gebouw, tot op den hniuigen dag, niets is veranderd noch gederogeerd, al mogen de bestemmingen, waartoe het sedert 1795 gebruikt is geworden , verschillend zijn geweest en afwijkende van die vóór 1795;

10°. dat hier ook geene verjaring als middel van eigendomsverkrijging met eenig regt door den app. kan worden ingeroepen, daar het bezit en gebruik van meergemeld gebouw, even als vroeger van het Prinsenhof, aan de Admiraliteit evenzeer als aan de andere eollegiën en besturen is toegestaan of toegelaten titulo precario, hetzij bij wijze van vergunning, hetzij bij gedoogen; en alle die bezitters en gebruikers niet voor zich zelveu als eigenaars bezaten en bezitten, maar voor de stad Rotterdam, en zij in den titel van hun bezit eigenmagtig en eenzijdig geene verandering konden of kunnen brengen ;

I lu. dat, indien al uit eene missive van Burgemeester en Wethouders van Rotterdam van den 14 Aug. 1834 eene toestemming van stadswege in de verandering van des appellants titel van bezit, door erkenning van zijn eigendomsregt, zoude kunnen worden afgeleid , toch het wettige tijdsverloop, ter verkrijging van eigendom vereischt, ontbreekt;

12". dat hier evenmin eene verjaring van des geïntimeerden regtsvordering (praescriptio extinctiva) aanwezig is, aangezien de voor die verjaring getelde termijn niet kan beginnen te loopen dan van het oogenblik, waarop de actie is geboren, dat is, wanneer de laesie des eigenaars heeft plaats gehad, en zoodanige krenking van des geïntimeerden eigendomsregt in casu niet is geschied ;

0., dat alle deze punten in het vonnis a quo zoo juist en zoo volledig zijn uiteengezet en ontwikkeld, dat het Hof, om in geene noodelooze eu niet te vermijden herhalingen te vallen, hierbij verklaart zich daarmede geheel te vereenigen eu zulks over te nemen , alleen met toevoeging van deze twee punten:

1°. dat de ten processe aanwezige Vroedschaps-resolntie van 3 Oct. 1620, genomen op een verzoek der Admiraliteit, om een door haar in het Prinsenhof, waar zij toen nog gevestigd was, op 's lands kosten gestelde timmerage, bestaande in pakhuis, wagenhuis en provoostwoning, ten dienste vau het Land te mogen gebruiken en in eigendom te bezitten, en bij welke resolutie dat verzoek, mits niet ten aanzien van den grond-eigendom, als welken de stad uitdrukkelijk aan zich verklaart te honden , doch alleen ten aanzien van den opstal ingewilligd wordt, met bijgevoegde verzekering van rustige en vredelijke possessie en gebruik ten allen tijde, — niet anders dan des geïntimeerden regtsvordering tot ontruiming van het Zeekantoor aan het Oude Hoofd in den weg staat, daar de opstal van het geheele Prinsenhof aan de Botersloot; reeds krachtens de bovermelde Vroedschapsresolutie van 23 Jan. 1645, toen was verkocht en aan de Generaliteit, zoo deze haar regtmatig aandeel in de verkoops-opbrengst niet heeft genoten, daartoe eene regtsvordering toekwam; maar haar eigendomsregt op haar opstal in het Prinsenhof niet tacite per se ipso jure is kunnen overgaan op het gevangenhuis en de cipierswoning vau liet nieuwe Admiraliteitshuis, veelmin op dit geheeie huis zelf;

2". dat, wat aangaat de in de laatste plaats behandelde veijaring, al kon de daartoe vereischte termijn geacht worden te zijn aangevangen, er dan nog eene stuiting heeft plaatsgehad teil gevolge van eene door den app. zeiven gedane erkenning van des geïntimeerden eigendomsregt, voorkomende in eeu van wege den Staat met de stad

Rotterdam aangegaan contract dd. 8 April isdi over de plaatsing van eene brievenbus;

O., dat tegen des geïntimeerden vordering, thans in appel, voor 't eerst ook is tegengeworpen de stelling, dat het meergemelde Zeekautoor, als bestemd voor de publieke landsdienst, is buiten den handel; maar dat voor die stelling geen grond te vinden is in de wet, en zeker hier niet van toepassing is, daar door die bestemming een ander niet kau worden verhinderd, zijn privaat eigendom op te vorderen;

0., dat alzoo uit al het bovenstaande volgt, dat des gedaagden vordering is gegrond, en de app. bij het vonnis a quo niet is bezwaard;

Gezien artt. 591, 592, 629, 1996 13. W., en art. 56 B. R.;

Regt doende op het hooger beroep,

Doet hetzelve te niet;

Bevestigt het vonnis der Arrond.-Regtbank te Rotterdam, op den 24 Febr. 1870 tusschen partijen gewezen en waarvan is geappelleerd, en beveelt, dat het geheel en volkomen gevolg zal hebben;

Veroordeelt den app. in de kosten van het hooger beroep.

(Gepleit voor den appellant Mrs. A. de Pinto en G. M. van des Linden, en voor den geïntimeerde Mr. J. Kafpeyne yan de

coffello.)

AftRONDISSEMENTS-REGT BANKEN.

ARRONDISSEMEtfTS-REGTBANK TE '3 GR ^VENH.VGE. Slurg-erlijke hamer.

Zitting van den 6 Maart 1866 (11.

Is eene vordering ontvankelijk, door een Polderbestuur ingesteld ten name van het Polderbestuur en niet van den voorzitter daarvan, zoo als is voorgeschreven in art. 70 van het algemeen polderreglement voor de provincie Zuidholland van 24 Julij 1S56? — Neen.

Is dit een voorschrift van algemeen belang 0f openbare orde, en dus niet vatbaar om te worden gedekt 't — Ja.

Het Bestuur van den Tedingerbroekpolder, onder Stompwijk, eischers, procureur Mr. P. J. LySSEll ,

tegen

Dijkgraaf en Hoogheemraden van Delfland , gevestigd te Delft, zoowel eenvoudig qua tales, als in hoedanigheid als beheerende do atkoopkas iler verveende landen in gemelde?) Tedingerbroekpolder, gedaagden, procureur H. L. Troost.

De Regtbank enz.,

Gehoord de conclusie van het Openb. Min., strekkende: dat het dei Regtbank behage, bij baar te wijzen vonnis: 1". acte te verleenen aan de gedaagden, waarvan acte is gevraagd; 2 .. den eischer, zoo als hij procedeert, niet-ontvankelijk te verklaren in zijne vorderingen , met veroordeeling in de kosten ;

en voor het geval de Regtbank deze niet-ontvankelijkheid niet m°S

aannemen, ,

dat, wat de eerste vordering aangaat, deze als ontvankelijk in hei

algeineen zal aannemen;

döch haar zal verklaren niet-ontvankelijk, uit hoofde van de inge vallen verjaring ten opzigte van de aanslagen over 1858 en 1859; ^ en, ten aanzien van het jaar 1860, de gedaagden als beheerders der afkoopkas zal veroordeelen tot betaling van den aanslag over 186 > ten beloope van /' 1,165.11, met de wettelijke interessen, en wijdei»

(1) Eerst nu ingezonden.

i

Sluiten