Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dingsdag, 31 October 1871.

N<\ 3382.

WEEKBLAD YAM HET REGT.

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTKNTIE-BLAD.

BR IJL-EN- BER TL GS TE JAARGANG.

JUS ET VfiRITAS.

Bit Had verschijnt des Maandags en Donderdags, en om de veertien dagen ook des Dingsdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per

„ ^ 1 AA n*s>nfi7irtnnvirtn PW«« //nv n /Itiovf/itof.'iP/n 9,ft opw.t.st n/J4" wonol 7??°1*iJ.i'nftt>vi hvt.anona /ju v -Pvnnanrï n.n.VL /l.P TTl.t.nP.WPY.Q

JJUoO ff Lob f l.UU €/&/ *wy • ƒ""" / lyiyi/i/, — , i// bi/i/w/», j / » wuvc» ~ " •

ARRONDISSEMENTS-REGTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TJS ROTTERDAM. '

Hamer van Itrafzaliea.

S

Zitting van den 26 September 1871. j

Voorzitter, Mr. G. Mees Az. ]

Het beginsel der strafregterlijke verantwoordelijkheid moet ookwor- c

Jen toegepast op verloskundigen in de uitoefening zelve van i

hunne bediening. \

Alzoo is de verloskundige, die, een persoon in hare bevalling bij - <

staande , daarbij door zijne onvoorzigtige handelingen en daden < onwillig oorzaak is geweest van den dood van dien persoon, allezins strafbaar.

Deze straf wordt bedreigd bij de algemeene bepaling van art. 319 [ Strafregt.

De wet laat daaromtrent voor verloskundigen evenmin uitzondering toe. f

De beleedigingen en verwondingen, door deskundigen op het lijk van '>

een persoon waargenomen, kunnen in regten niet worden bewezen i

door het visum repertam, dat slechts tot 's regters inlichting 5

kan strekken, maar wel door hetgeen die deskundigen op de i

teregtzitting onder eede als getuigen verklaren daaromtrent te <

hebben bevonden, gezien en waargenomen. \

^e regter is bevoegd zich te vereenigen met het oordeel en gevoelen i der deskundigen omtrent de oorzaak van den dood van een perron , en dit tot eigen beslissing te maken.

>)c' °ff*cier van justitie bij gemelde Regtbank, ambtshalve eisen er, 1

tegen

/. H. L. VrienS> volgens zijne opgave oud vier-en-dertig jaren, geboren en wonende te Rotterdam, van beroep doctor in de genees-, heelen verloskunde.

Jn de Nieuwe Rotterdamsche Courant van "20 Sept. vinden wij het volgende verslag :

De volgende belangrijke en gelukkig zeldzaam voorkomende zaak ^erd heden voor de Regtbank alhier behandeld. Een doctor in de genees-, heel- en verloskunde, de heer G. II. L. V., had den 2 Aug.

de vrouw van den hoedenmaker H., alhier, als verloskundige bij hare bevalling bijgestaan, waarna die vrouw denzelfden nacht *as overleden. Uit hetgeen bij die verlossing had plaats gehad scheen 'nen te kunnen opmaken, dat de behandeling zoodanig was geweest, dat de dood daarvan het gevolg moest zijn. Tegen den geneesheer werd 'lien ten gevolge een strafproces ingesteld, ter zake van, door onbedre'enheid, onhandigheid, onvoorzigtigheid en gemis aan voorzorg, onwillig ernstige beleedigingen en verwondingen te hebben toegebragt | '*an de inwendige ligchaamsdeelen der kraamvrouw en haar den uterus J geheel te hebben uitgerukt en uitgesneden, ten gevolge waarvan ver- 8 'loeding is ontstaan en de dood dier vrouw is veroorzaakt.

®e advokaten Mrs. G. J. de Haas en K. E. Havelaar traden 7°or den bekl. op. De laatste verzocht aan de Regtbank, dat de '■aak niet gesloten denren zou worden behandeld, omdat hij haar ginder geschikt voor het publiek oordeelde. De subst.-officier Mr. A. ' * Koest verzette zich echter hiertegen, omdat het naar zijn oordeel [e Woeling der wet niet is, zaken als deze met gesloten deuren te ^handelen;— met welk gevoelen de Regtbank zich vereenigde.

Alvorens werden daarop de heeren RienderhofF en Lycklama & yyeholt gehoord, die eene lijkschouwing van de overledene hadden | gedaan, en die ook nu bij hunne meening persisteerden, uitgedrukt in net daarvan opgemaa^t -verslag, namelijk dat de vrouw goed gevormd vas en dat de dood moet worden toegeschreven aan verbloeding, ten gevolge van inwendige mechanische beleedigingen. Volgens hen was de uterus met eene sch.aar in het ligchaam weggesneden en daarop verwijderd; hoezeer zij t;oegeven, dat het leven mogelijk is zonder aanwezigheid van den uterus, doch niet als die verwijderd is op deze wijze, dadelijk na de veirlossing. Beiden zijn van oordeel, dat de bekl. «eer onvoorzigtig heeft gehandeld.

Bekl. verklaaide, dat hij, bij de vronw geroepen, zich tot haar heeft begeven, zonder instrument bij zich te hebben. Hij geeft wijders op, 'lat hij, toen er bij de verwijdering der placenta bloeding ontstond, beende, dat er een polyp aanwezig was, die hij wilde verwijderen ; daarom hij eerst geruimen tijd heeft getrokken en gescheurd en daarna Uitwendig iets heeft afgeknipt, wat later bleek de uterus te zijn.

De derde getuige was de man der ongelukkige vrouw. Hij deelde mede, dat hij eerst sedert negen maanden met haar was gehuwd, en 4at zij zich in eene volmaakte gezondheid mogt verheugen. De verassing was aanvankelijk zeer voorspoedig gegaan; het kindje was flink en gezond, doch bij .het verwijderen der placenta, waartoe de loctor, die in een opgewonden toestand was, onmiddellijk overging dat met rukken en veel geweld gepaard ging, vroeg de doctor eene 8chaar, waarop de vrouw riep: «God helpe mij, ik ben zoo naar \» jaarna het voorwerp, dat Sater bleek de uterus te zijn, te voorschijn kwam. Op aanmaning van getuige ging de doctor daarop een anderen geneeskundige halen om diens raad in te winnen, die zulks thans als getuige bevestigde. Spoedig daarop overleed de kraamvrouw.

Nog werden de schoonmoeder, de baker en eene bekende gehoord, 16 bij de verlossing tegenwoordig waren geweest en geene bloedstorting voór de placenta bespeurd hebben, als ook twee vroedvrouwen, die den uterus hebben gezien. Deze werd later door den bekl. mede genomen

ut0,en ^em terug werd verzocht, bekende hij dien in het privaat nebben geworpen.

d J^j\.a^00P van het getuigen verhoor nam de officier zijn requisitoir, a nij toelichtte. Zijns inziens ontbrak niets aan het bewijs. De bekl.

öe officier

tegen

/. H. L. Vriens, volgens zijne opgave oud vier-en-dertig jaren, geboren en wonende te Rotterdam, van beroep doctor in de genees-, heel-

en verloskunde.

Xn de Nieuwe Rotter damsche volgende verslag :

heeft niet gehandeld met de noodige bedaardheid; hij had eene verkeerde diagnose. Indien hij aan een polyp dacht, had hij een tweeden geneesheer moeten ontbieden ; terwijl hij de middelen niet heeft aangewend, die de wetenschap aangeeft. Spreker citeerde eenige schrijvers, volgens wie eene verwisseling tusschen polyp en uterus, onmiddellijk na de bevalling, niet ligt mogelijk is, terwijl hij de opgaven van bekl. niet geloofwaardig achtte. Wat de straf baarheid van het feit betreft, merkte spreker op, dat alle schrijvers eenstemmig zijn , dat er geen vrijbrief bestaat voor geneeskundigen ten opzigte van handelingen met hunne

pa tien ten. De Code Pénal bedreigt straf tegen ieder, die door onvoor- ! zigtigheid of onbedrevenheid een manslag begaat, zonder hiervan iemand, ! dus ook niet geneeskundigen, uit te zonderen. Hier nu is een onwillige manslag gepleegd onder zulke zware omstandigheden, dat Z. Ed. meende het maximum te moeten eischen van de straf, bij art. 319 Code Pénal op dit misdrijf gesteld, en wel eene gevangenis-straf van twee jaren en eene boete van f 25.

Vervolgens nam advokaat Mr. Havelaar het woord en trachtte in eene uitgewerkte rede de n iet-straf baarheid van het feit aan te toonen. Pleiter wilde niet twisten over de vraag: of geneesheeren al dan niet strafschuldig kunnen worden geacht. Vele schrijvers beweren zulks ; anderen weder het tegendeel, maar in ieder geval moet èn schuld aanwezig zijn èn geen onkunde in casu. In deze toch heeft eene allezins mogelijke vergissing plaats gehad, die niet strafbaar is. Culpa moet aanwezig zijn, zeide pleiter, en hij toonde dit met verschillende citaten nader aan. Wel is volgens Chauveau en Helie art. 319 C. P. op ieder toepasselijk; maar wanneer dit op ieder wordt toegepast, dan is er geen stand zoo zeer als de geneeskundige blootgesteld aan eene straf-actie. Pleiter verdedigde niet alleen dezen bekl., maar trad op voor de belangen der geheele geneeskundige faculteit, omdat toch, wanneer dit artikel zoodanig wordt uitgebreid als het Openb. Min. wenscht, de geneeskundige praktijk onmogelijk is geworden. Geen der gevallen, bij art. 319 genoemd, is volgens pleiter hier aanwezig, terwijl een doctor nimmer strafbaar is, omdat hij niet bekwaam genoeg is. Deze gevallen nu, waar culpa genoegzaam is, zijn zeer exceptionneel in den Code Pénal, daar bij alle andere dolus vereischt wordt en zij niet mogen worden uitgebreid.

Bij repliek adstrueerde de heer officier nog nader zijn requisitoir en wees op het lijden en de ellende, die de bekl. heeft gesticht in het huishouden der ongelukkige vrouw , wie hij zooveel nameloos lijden heeft doen ondergaan. De bekl., zeide spreker, heeft aan zijn naam een gedenkteeken verbonden, jje familie van het slagtoffer zal hem herdenken als een naam van jammer en kommer en de geneesheeren dezer stad als een, die de praktyk tot oneer strekt.

Met de voorstelling van het lijden kon Mr. Havelaar zich bij dupliek wel vereenigen; maar hij geloofde evenwel, dat bekl., die zulks deed ter goeder trouw , naar zijn beste weten, daarvoor niet strafbaar is en integendeel zijn pligt heeft betracht, waarvoor hij lof verdient.

Thans zijn wij in staat mede te deelen het vonnis, in deze zaak gewezen:

De Regtbank enz.,

Gezien de dagvaarding, den bekl. beteekend en inhoudende vermelding van de feiten, hem ten laste gelegd;

Gehoord de voordragt van den heer officier;

Gehoord de voorlezing van] twee processen-verbaal, in deze zaak opgemaakt op 4 en 5 Aug. 18 71 door den commissaris van politie te Rotterdam, D. M. Ebbeler; van een proces-verbaal van lijkschouwing, in dato 5 Aug. i871, door den heer regter-commissaris, Mr. J. Pols, in deze zaak opgemaakt, en van een verslag van de uit- en inwendige schouwing van het lijk der huisvrouw van den na te melden getuige J. Heniger, opgemaakt door de heeren Dr. Rienderhoff en Lijcklama a Nijeholt, doctoren inde genees-, heel-en verloskunde; van een proces-verbaal, in dato 18 Aug. 1671, opgemaakt door den heer regter-commissaris, Mr. J. Pols, inhoudende verklaringen van gemelde twee doctoren; van twee processen-verbaal, dd. 14 en 15 Aug. 1»71 , opgemaakt door genoemden heer regter-commissaris, inhoudende de verklaringen van den bekl., voor dien regter afgelegd; eindelijk van een uittreksel uit het register van overlijden der gemeente tiotterdam, waaruit blijkt, dat na te noemen J. L. Faas is gestorven den 3 Aug. 1871 ;

Gehoord de verklaringen van de getuigen, alsmede den bekl. ondervraagd ;

Gehoord de conclusie van den heer officier, strekkende tot veroordeeling van den bekl. in eene gevangenis-straf van twee jaren en in eene geldboete van f '15 , en in de kosten , des noods bij lijfsdwang op hem te verhalen, met bepaling, dat de boete, zoo de veroordeelde haar niet betaalt binnen twee maanden, na daartoe te zijn aangemaand, vervangen zal worden door gevangenis-straf van drie dagen , en dat het stuk van overtuiging aan eigenaar of regthebbende zal worden teruggegeven ;

Gehoord den bekl. in zijne verdediging, bijgestaan door den advokaat Mr. 0. E. Havelaar;

Overwegende, dat de bekl. is gedagvaard, als zoude hij in den nacht van den 2 op den 3 Aug. 1871, te Rotterdam, ten huize van I. Heniger , toen hij diens echtgenoote, J. L. Faas , als verloskundige bij hare bevalling bijstond, aan deze vrouw, door onbedrevenheid, onhandigheid, onvoorzigtigheid en gemis aan voorzorg , onwillig ernstige beleedigingen en verwondingen hebben toegebragt aan buikvlies , scheede, baarmoederbanden, blaas en urethra en haar de baarmoeder geheel hebben uitgerukt en uitgesneden, ten gevolge waarvan verbloeding is ontstaan en de dood dier vrouw denzelfden nacht is veroorzaakt ;

O., dat daaromtrent ter teregfczitting door de navolgende beëedigde getuigen in hoofdzaak is verklaard, en wei:

1°. door denderden getuige, L Heniger; dat, nadat onder gunstige

voorteekens, volgens de verklaring van den bekl., de verlossing zijner vrouw, J. L. Faas, en die hij steeds als zeer gezond had gekend, voorspoedig van een welgeschapen zoon had plaats gehad, onder bijstand van den bekl., en deze onmiddellijk daarop tot de verwijdering der placenta zou overgaan , de zesde getuige, M. Meijer, huisvrouw van H. Serry, nog aan bekl. opmerkte: "of hij met die verwijdering niet eenige oogenblikken zou wachten, ten einde de vrouw wat rust te laten» ;

dat bekl. zulks weigerend beantwoordde, zeggende : dat er bloedstorting zou komen; dat hij echter van eene bloedstorting alstoen niets bemerkte ; dat de bekl, daarop met veel krachtsinspanning de placenta uit het ligchaam heeft verwijderd, gedurende al welken tijd zijne vrouw, ofschoon teekenen van smart gevende, blijkbaar hare kennis en tegenwoordigheid van geest nog behield ; dat hij ook toen den bekl. van eene bloedstorting bij zijne vrouw niet heeft hooren spreken ; dat dan ook toen door den bekl. geene bloedstelpende middelen, en meer bepaald geen azijn en koud water zijn aangewend; dat zijne vrouw voor de verwijdering der placenta niet heeft geroepen : "God help mij; ik ben zoo naar\» maar dat zulks later was, toen de bekl. zoo hard uit haar ligchaam iets trok; dat hij eenigen tijd na de verwijdering der placenta, met de hand in het ligchaam zijner vrouw andermaal tastende, tegen de zesde getuige voornoemd hoorde zeggen: *voel eens wat een dikte daar is, het is alsof er nog een moet komen" ;

dat hij daarop bij herhaling met de hand diep in het ligchaam zijner vrouw in de hoogte als het ware iets trachtte vast te grijpen, hetgeen hem echter telkens uit de hand scheen te ontglippen, waarna hij om doeken vroeg, waarmede hij de hand omwoelde, met behulp waarvan hij 'toen trok als een paard'/, terwijl het vastgegrepene andermaal in het ligchaam terugsprong, hoorende hij daarbij een plomp of hol geluid ;dat de bekl. met dit trekken en rukken ongeveer % uur bezig is geweest; dat er toen eene veel grootere bloeding ontstond en zijne vrouw buiten kennis geraakte, na nog het Opperwezen gesmeekt te hebben haar uit haar lijden te verlossen; dat de bekl. daarop aan getuige vroeg om eene schaar, als wanneer hij hem de ten processe herkende groote kleedermakersschaar ter hand stelde , waarna de bekl. met de eene hand het in het ligchaam vastgegrepene vasthield, terwijl hij hem met de schaar twee è, drie knippen hoorde geven; dat bekl. toen een stuk vleesch uit het ligchaam te voorschijn bragt, waarop hij zeide : "kijk, zoo iets vreemds heb ik nog nooit gezien//, terwijl hij later gewaagde van een polyp; dat onmiddellijk na de afknipping eene zoo sterke bloeding bij zijne vrouw ontstond, alsof er een beest geslagt was; dat er dan ook, op verzoek van bekl., doeken tot stelping van het bloed werden gegeven, en daartoe tevens door hem koud water en azijn werden aangewend; dat hij , getuige, zelf nog stukken molton heeft ter hand gesteld tot stelping van het bloed ; dat hij den bekl. nog vroeg om doctor Bosz te laten halen als deskundige, waarop bekl. antwoordde: waarvoor; dat bekl. echter spoedig een geestelijke liet halen om de vrouw, die buiten kennis en stervende scheen, bij te staan en zelf chirurgijn van der liinde, den vierden getuige, ging halen, als wanneer zij beiden, ten ruim één ure in dien nacht teruggekomen, zijne vrouw echter reeds overleden vonden;

dat de bekl., vóór de afknipping voormeld, aan zijne vrouw nog een groot deel uit eene kom, met brandewijn gevuld en waarom hij haastig gevraagd had, heeft ingegeven; dat de bekl., na het uitgesneden stuk vleesch te hebben bezigtigd, nog sprak «over het zetten op sterk water daarvan», doch later weder verzocht het met de placenta weg te gooijen, hetgeen echter verzuimd is geworden, als wanneer het nog in den avond van den 3 Aug. 1871 door de negende en tiende getuigen is bezigtigd geworden, waarna de bekl. het zelf op den 4 Aug. 1871 bij hem is wezen halen en het heeft medegenomen ; dat hij, getuige, bepaald kan zeggen, dat na de verlossing zijner vrouw deze alstoen niet over vloeijing heeft geklaagd; dat de bekl., vóór de afknipping voormeld , noch over levensgevaar, noch over het halen van een geestelijke bij zijne vrouw, heeft gesproken;

2°. door de zesde getuige, iVl. Meijer, huisvrouw van H. Serry: dat zij, bevriend met gemelde J. L. Faas en die zij steeds als eene gezonde vrouw kende, bij hare verlossing, den 2 Aug. 1871, is tegenwoordig geweest; dat de bekl. deze vrouw alstoen bijstond en vóór de verlossing nog verklaarde: «dat alles bij haar goed zat»; dat zij na de zeer voorspoedige verlossing het kind aan de baker, de zevende getuige , overgaf, doch ook zelve daarmede bezig bleef, zoodat zij niet zoo bepaald gezien heeft al wat na de verlossing met de kraamvrouw is gebeurd; dat zij echter wel weet aan den bekl., die onmiddellijk na de verlossing tot de verwijdering der placenta wilde overgaan , nog te hebben opgemerkt »of hij daartoe al zoo spoedig geregtigd was», en dat zij tevens gehoord heeft, dat de bekl. zeide, »dat het was om bloedstorting tegen .te gaan ; dat zij echter nog zelve met de zevende getuige bij de vrouw heeft onderzocht en gevoeld, en toen niets bemerkte van eene bloedstorting; dat zij zich ook herinnert den bekl. te hebben hooren zeggen, »dat er nog iets zat,» eene verharding of gezwel; dat zij ook gezien heeft, dat de beki. met alle kracht bij de vrouw werkzaam was en wel gedurende ruim een half uur , als als wanneer zij hem nog opmerkte »niet zoo hard te trekken ;» dat zij ook bespeurde, dat aan de hand van bekl. telkens iets in het ligchaam der gemelde vrouw ontglipte; dat hij toen om doeken heeft gevraagd, waarmede hij de hand omwond; dat de vrouw zeer kermde en beki. haastig om brandewijn vroeg, dien hij aan haar ingaf; dat er eene menigte doeken tegen het bloedverlies , nadat de bekl. iets uit het ligchaam der kraamvrouw had afgeknipt, op verzoek van i bekl. alstoen zijn gegeven; dat zij ook zelfs nog azijn en koud water , tegen het onderlijf heeft gehouden, en op den buik heeft gewreven ; ' dat zij geen uterus voelde, maar wel het gutsen van bloed in den buik;

dat de vrouw buiten kennis was, kort daarna stierf en zij getuige zelve ■ zeer ontsteld; dat zij, kort na het overlijden der vrouw, ten één ure des nachts, het lijk met de zevende getuige heeft afgelegd en dat ge! durende den tijd, waarop de vrouw is gestorven, totdat het lijk door den achtsten getuige naar het ziekenhuis te Rotterdam werd getranspori teerd, niemand aan dit 1'gk iets heeft gedaan of onderzocht"

Sluiten