Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat de eischers in die vordering niet-ontvankelijk zijn, omdat de beschikking , waartegen de eischers opgekomen zijn, niet is een vonnis bij verstek en mitsdien geen verzet daartegen is toegelaten en omdat hij , die zich meent te beklagen te hebben over eene regteilijke uitspraak , in geen geval de vernietiging daarvan kan vragen bij denzelfden regter die de uitspraak heeft gegeven ; dat die vordering bovendien van allen grond is ontbloot; dat op het Bestuur geene verpligting rustte om na het gedane verzet, de vraag tot waardering contradictoir te doen behandelen en het Bestuur tot de gevraagde waardering, ingevolge de wet, bevoegd was en eene bevoegdverklaring niet noodig was;

In regten:

0., dat het Bestuur de bepalingen der artt. 17 en 18 der wet van 22 Frimaire jaar VII en art. 22 der wet van den 31 Mei 1824 (Stbl. n°. 36) heeft opgevolgd en zich bij verzoekschrift tot de Regtbank gewend heeft tot benoeming ambtshalve van een deskundige ;

0., dat bij beschikking dezer Kegtbank bovenvermeld die benoeming heeft plaats gehad;

O., dat bet Bestuur bevoegd was de benoeming van een deskundige van de Kegtbank te vragen, nadat de eischers, gesommeerd, den bij de wet gestelden termijn ongebruikt hadden laten verstrijken ;

O., dat het verzet tegen die benoeming, door de eischers aan het Bestuur beteekend, was een extra-judiciële handeling buiten de wet, die geene regtsgevolgen kon hebben en het Bestuur niet de verpligting opleggen dat verzet ter kennis van de Regtbank te brengen ;

O., dat door dat verzet ook op het Bestunr geene verpligting bestond om de zaak contradictoir te behandelen, ten einde zich bevoegd te hooren verklaren, daar die bevoegdverklaring niet noodig was, maar het Bestuur bevoegd was , ingevolge de stellige bepalingen der wet;

O. omtrent het gedaan verzet, dat verzet alleen toegelaten wordt tegen vonnissen bij verstek gewezen;

O., dat bij de bovengemelde beschikking geen verstek is verleend;

O., dat bij die beschikking ook geen verstek te pas kwam en dit alleen wordt verleend bij eene contradictoire procedure;

O. toch, dat bij art. 76 B. R. is bepaald, dat, indien de ged. niet verschijnt en de termijnen en formaliteiten zijn in acht genomen, verstek wordt verleend;

O., dat in casu noch verzet, noch termijnen, noch formaliteiten waren, en dus het geval van art. 76 van gemeld wetboek, het eenige artikel waarin de wet verstek en verzet kent, niet aanwezig is en de eischers gevolgelijk niet-ontvankelijk dienen verklaard te worden;

Gelet op art. 56 B. R.;

Regt doende enz.,

Verklaart de eischers niet-ontvankelijk in hunne vordering, met veroordeeling in de kosten van het regtsgeding.

(Gepleit voor de eischers Jhr. Mr. J. F. X. Michiels van KesSenich , en voor den gedaagde Mr. A. de Pinto.)

KOLONIALE ZAKEN.

HOOG GEREGTSHOF VAN NEDERLANDSCH IN DIE.

Eerste kauier.

Zitting van den 22 Junij 1871.

Voorzitter, Mr. J. de Wal.

Vendumeester. — Vendu-accept. — Regering. — Verantwoordelijkheid.

Kan de regering worden aangesproken tot betaling van een door den vendumeester afgegeven vendu-accept ? — Neen.

De Chinees Chan Chouw Yam, handelaar, wonende te Bencoelen, eischer, procureur Mr. J. H. J. Hoek,

tegen

de Regering van Nederlandsch Indië, als vertegenwoordigende den Lande, gedaagde.

Het Hof enz.,

Wat betreft de daadzaken en gevoerde procedure :

Overwegende, dat de eischer als feiten stellende, dat hij houder is Van twee vendu-accepten , respectievelijk groot f 6613 en / 5927, beiden gedagteekend 24 Junij 1870 en vervallen den 23 Dec. daaraanvolgende , afgegeven door den vendumeester te Bencoelen en voor gezien geteekend door den super-intendent van het vendukantoor aldaar , en dat deze accepten behoorlijk zijn geprotesteerd van nonbetaling, bij deurwaarders-acte van den 21 Maart 1871, de Regering van Ned. Indië, als vertegenwoordigende den Lande, na beteekening der protesten en vruchtelooze sommatie, tot betaling heeft gedagvaard ter rolle van dit Hof van den 30 Maart daaraanvolgende en ten dienende dage, overeenkomstig deze dagvaarding, heeft genomen conclusie, strekkende tot veroordeeling van de ged. om aan hem eischer, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, dan wel, des verlangd wordende, tegen cessie, bij afzonderlijke acte van den eigendom der bovenbedoelde accepten, te betalen de sommen van f 6613 en f 5927, of wel een gezamenlijk bedrag van f 12,540, benevens 2 % pet. voor onkosten en de interessen over de hoofdsom van af den dag van protest, zijnde den 24 Dec. 1870, alsmede over de protestkosten van af den dag der dagvaarding, ad 9 ten honderd 's jaars , alles met veroordeeling der ged. in de kosten des gedings, en zulks op grond, dat de ged. aansprakelijk is voor de rigtige voldoening der vendu-acceptatiën , met 2 pet. voor onkosten en de interessen evengemeld ;

dat de gedaagde Regering, bij conclusie van antwoord, het regt van den eischer om ex contractu combiali tegen haar te ageren heeft betwist , vermits zij op geene der beide acceptatiën als onderteekenaar of in eenige andere wisselbetrekking voorkomt en de handteekening van den super intendent, welke daarop wordt aangetroffen, slechts eene administratieve formaliteit daarstelt en wijders tegen de vordering heeft aangevoerd, dat het Gouvernement zich bij Stbl. 1847, O". *, art. l,voor de uitkeering der opbrengst van de door de vendukantoren in Ned. Indië verkochte goederen, in het algemeen civiliter aansprakelijk gesteld hebbende, de eischer, van haar de voldoening der accept vorderende, moet bewijzen, dat werkelijk op 23 Junij 1870 door het vendukantoor te Bencoelen goederen ten behoeve van Lie Goeandjoe zijn verkocht, en dit bewijs wel nimmer door hem zal kunnen geleverd worden, vermits op dien dag, blijkens ten processe overgelegde missive van den adsistent-resident van Bencoelen van 10 Jan. 1871, n°. 114, geene vendutie ten behoeve van Lie Goerandjoe is gehouden en dit dan ook door haar, ged., pertinent wordt ontkend en er mitsdien van hare zijde geenerlei aansprakelijkheid tegenover den houder der acceptatiën bestaat, concluderende zij op deze gronden VtJor antwoord tot niet-ontvankelijk-verklaring, immers ontzegging yan den gedanen eisch , cum expensis;

dat, nadat de eischer vervolgens bij pleidooi zijne vordering nader toegelicht en het door de ged. aangevoerde bestreden had, partijen hebben regt gevraagd op de stukken;

Wat betreft het regt:

O., dat de vorenomschreven vendu-acceptatiën, als voldoende aan

de vereischten van art. 207 W. K., orderbriefjes op promessen van

order zijn ;

dat mitsdien de houder van zoodanige acceptatiën, welke van nonbetaling zijn geprotesteerd , krachtens art. 185 , in verband met art. 208, W. K., geregtigd is eene vordering als de onderwerpelijke in te stellen tegen den onderteekenaar (acceptant) en de endossanten , alsmede tegen degenen die op eenige andere wijze te dier zake wisselregtelijk verbonden , volgens eene uitdrukkelijke wetsbepaling door dezelfde middelen als de onderteekenaar (acceptant) en de endossanten tot betaling kunnen genoodzaakt worden; dat, vermits nu do ged. op de vorenomschrevene acceptatiën noch als onderteekenaar (acceptant) , noch als endossant voorkomt, naar aanleiding van het evenoverwogene en hetgeen door de ged. is aangevoerd tot betwisting van des eischers regt om de onderwerpelijke vordering tegen haar in te stellen, in de eerste plaats te onderzoeken valt, of de ged., ter zake van vendu-acceptatiën als de vorenomschrevene , uit anderen hoofde wisselregtelijk verbonden is, zoodat zij, volgens eenige speciale wetsbepaling , door dezelfde middelen als de onderteekenaar (acceptant) en de endossanten tot betaling kan genoodzaakt worden;

O. ten aanzien dezer vraag, dat bij de instructie voor de vendukantoren op de Nederlandsch Oost-Indische bezittingen buiten Java en Madura (Stbl., 1822, n°. 29) en art. 13 is bepaald :

dat de vendumeester moet goedstaan voor het geheel bedrag der rendementen der door hem gehouden wordende verkoopingen en zij éénig en geheel daarvoor verantwoordelijk zijn , en hem verder bij art. 36 van Stbl. 1819, n°. 81, in verband met art. 24 der voormelde instructie, de verpligting is opgelegd voor het bedrag dier rendementen , op aanvrage der belanghebbenden , te verleenen acceptatiën tot betaling op den vervaldag;

dat nu wel bij besluit van den 17 Jan. 1847, n°. 1 (Stbl. n°. 4), sub 1, het Gouvernement zich in het algemeen civiliter heeft aansprakelijk gesteld voor de uitkeering der opbrengst van door de vendukantoren in Ned. Indië verkochte goederen, doch dat deze aansprakelijkstelling, getoetst aan de artt. 1820 sqq. B. W., niets anders is dan eene gewone verbindtenis als borg, en mitsdien het Gouvernement, dat is de gedaagde Regering, op grond daarvan niet wisselregtelijk verbonden is ter zake der acceptatiën, door de vendukantoren voor de rendementen der door dezelve gehoudene verkoopingen afgegeven ;

dat hieruit volgt, dat de vorenaangehaalde vraag ontkennend moet worden beantwoord; de eischer alzoo niet geregtigd is de ged., als ter zake der voormelde accepten wisselregtelijk verbonden, in regten aan te spreken, en hij mitsdien met zijne vordering behoort te worden verklaard niet-ontvankelijk;

Gelet op de vorenaangehaalde wetsbepalingen en op art. 58 van het reglement op de burgerlijke regtsvordering;

Regt doende enz.,

Verklaart den eischer met zijne tegen de ged. ingestelde vordering niet-ontvankelijk;

Veroordeelt hem in de kosten van dit regtsgeding.

MENGELWERK.

ANTICRITIEK.

In n0. 3288 van het Weekblad van het Regt komt eene kritiek voor van mijne brochure door Dixi.

Het is te bejammeren, dat men bij recensiën zoo dikwijls den naam van den recensent verzwijgt; waarom toch, vraag ik mij af, komt men niet met open visier voor den dag, niemand toch kan het laken , dat men voor zijn gevoelen uitkomt; ik heb ten minste niet geschroomd openlijk ie verklaren, dat ik mij met de uitspraak der Rotterdamsche Regtbank niet kon vereenigen en niet alleen ik maar velen mijner collegas.

Ook na het lezen van het vonnis blijf ik volhouden dat Dr. Vriens zich vergist heeft in het stellen eener diagnose, en als men de verklaringen van enkele getuigen nagaat, dan blijkt het duidelijk, dat mijne bewering van kracht is.

Alleen een plaatselijk onderzoek na de baring had kunnen uitmaken in hoeverre Dr. Vriens verkeerd had gehandeld. Dat men allen de uterus heeft gezien, die Vriens , volgens de getuigen , op eene ruwe wijze zou verwijderd hebben, bewijst nog niets, evenmin als het verwonden van nabijgelegen deelen , hetgeen zelfs de groote Langenbeek, Sauter en Smith is overkomen, die de uterus volgens deregelen der kunst verwijderd hadden; de eerste verwondde de blaas, de laatste de endeldarm, de derde opereerde even als Vriens met de schaar; de beide eerste vrouwen stierven, de laatste genas.

Verder beweert Dixi, dat ik eene brochure zou geschreven hebben, zonder met de omstandigheden en détail bekend te zijn. Ik kan D. verzekeren, dat ik vrij wel ingelicht was omtrent de verschillende feiten, terwijl bovendien in de N. Rotterd. Courant van 20 Sept. jl. een uittreksel van het verhandelde in de zitting van de Rotterdamsche Rechtbank voorkomt, waaruit ik nog eenige nadere bijzonderheden kon putten. En hiermede acht ik het schrijven van Dixi alsmede van W. P. voldoende beantwoord; ik kan ZEd. verzekeren, dat ik door zijne aanmerking volstrekt niet uit het veld geslagen ben, maar dat ik integendeel nog sterker bij hetgeen ik in mijne brochure geschreven heb, blijf persisteren.

Nijmegen, 23 November 1871. F. D. Sneltjes.

VRIJHEID VAN UITOEFENING VAN HET NOTARIAAT.

(Ingezonden.)

Wederom kan men zich vergasten aan de lezing van eene discussie in de Tweede Kamer over dit onderwerp. De lezers van bet Bijblad vinden de daarover handelende redevoering van professor de Bruyn Kops in het verslag der zitting van 18 November jl.

De heer Kops schijnt te meenen, dat de heer Oldenhuis Gratama nog altijd een voorstander is van het phantastisch ding, dat door «emancipatie van het notariaat» wordt aangeduid.

Niets is echter minder juist (l). De heer Gratama heeft op dat veld sedert lang den aftogt geblazen en dekt dien nu met eenige schoten op het nepotisme bij benoemingen af te zenden.

Ik wil thans niet vragen of die schoten het wit treffen ; ik wil alleen trachten in het licht te stellen, dat de heer Kops bewijsgronden van weinig waarde heeft aangevoerd.

Volgens hem heeft het beginsel der vrij-verklaring, te oordeelen naar hetgeen daarover in geschriften is gehandeld, reeds bij een deel der bevolking althans , eenigen ingang gevonden.

Men deel der bevolking 1 Het beginsel behoorde, om aanbevolen te kunnen worden, aan deskundigen als theoretisch juist en practisch uitvoerbaar gebleken te zijn. En wat is nu de stand der quaestie ? Dat de voorstanders of een groote hoeveelheid water in hun wijn doen of het antwoord schuldig blijven. Reeds worden geheel andere

(1) Zie dit betoog in n '. 74 van het Weekblad van het Notarisambt en Registratie.

denkbeelden over de organisatie van het notariaat op den voorgrond

gesteld (1).

In de tweede plaats voert de heer Kops aan, het zich dikwijls voordoend geval dat er bij sollicitatiën eene groote lijst van candidaten is, alle met gelijke aanspraak op benoeming.

Waarlijk een wanhopig geval. Mocht het zich voordoen, ik zou geen uitweg vinden — ten zij eene lezing der wet op het notarisambt , uit welke blijkt dat er geen enkel candidaat-notaris is, met eenige aanspraak op benoeming. Gesterkt door deze lectuur zou men dan dien persoon kunnen uitkiezen, dien men in gemoede na grondig onderzoek voor den geschiktste houdl.

In de derde plaats argumenteert de heer Kops uit de praemis dat een notaris bestemd is "de belangen der ingezetenen te behartigen* en daartoe (mirabile auditu. vooral voor een staathuishoudkundige) door den Koning wordt aangesteld.

Een fraaije karakteristiek van het notariaat 1 zoo moge er de boer, burger of koopman over denken, maar hoe komt daartoe iemand , die onze rechtsinstellingen en wetten kent ?

Ten slotte geeft de heer Kops dit erbarmelijk betoog: "Wanneer

het, publiek alle waarborgen heeft, dat degenen, die zich na het

radicaal daartoe bekomen te hebben — tot uitoefening van dit gewig tig ambt neêrzetten, ook voldoen aan de eischen door het publiek belang gevorderd, is er , naar mijne meening. geen afdoende reden om hier af te wijken van den regel, die ten aanzien van andere mede zeer gewigtige betrekkingen geldt, als bijv. die van geneesheer».

Wat zou de heer Kops wel zeggen van hem die, in plaats van zijn goed gedresseerde paarden , een paar leeuwen voor zijn rijtuig wilde spannen? Zou hij het aanraden met de opmerking : «Waarom niet? het zijn mede zeer sterke dieren».

De heer Kops moest bewezen hebben , dat het wezen van het Nederlandsche notariaat zeer goed vereenigbaar is met vrije uitoefening der betrekking.

Indien ik mij niet zeer bedrieg, zou hij bij een onderzoek naar dat wezen spoedig ontdekt hebben, welke ongerijmdheden hij op zijn eenzijdig staathuishoudkundig standpunt heeft aanbevolen.

Lith. W. F. Frijlikck.

Iets omtrent gevangenisstelsels, door Jhr. Mr. O. Q. vam Swinderen , lid der Arrond.-Regtbank te Almelo.

In het Beilageheft zum Gerichtssaal, Jahrgang 1871, komt een opstel voor van Dr. M. Zülzer, getiteld: Ein Beitrag zur Geschichte der Geoangniszsysteme.

De omstandigheid, dat het bewuste Tijdschrift bij ons te lande weinig bekend is, bewoog mij er toe, hetgeen mij in dat opstel belangrijk voorkwam, mede te deelen.

Bestaat er omtrent elke regtsvraag verschil van gevoelen, en dus ook omtrent die, welk gevangenisstelsel het verkiesselijkste is, toch kan men zeggen, dat de groote meerderheid der juristen zich voor het zoogenaamde Iersche stelsel verklaard heeft.

Dat evenwel gemeld stelsel geenszins oorspronkelijk is , is echter weinig bekend.

Dit heeft Dr. Zülzer in zijne bovengenoemde bijdrage m. i. overtuigend aangetoond.

Hij vermeldt als den eerste, die de denkbeelden, bij het Iersche stelsel in toepassing gebragt, heeft medegedeeld , lang vóór de invoering van dat stelsel, den hoogleeraar in de regten aan de hoogeschool te New-York, Dr. J. L. Tellkahpf.

In den loop van zijn betoog toont hij aan, door telkenmale woordelijk mede te deelen, wat Dr. Tellkahpf in zijn werk over de gevangenissen in Noord-America en Engeland (2) , alsmede in zijn opstel in het 21ste deel van de Kritische Zeitschrift fïïr Rechtswissenschaft und Gesetzgebung des Auslandes had beweerd, dat deze schrijver reeds alle denkbeelden had ontwikkeld, die man ten onregte aan anderen toeschrijft; dat al wat in 1858 door Mittermaier in zijn werk over de verbetering der gevangenissen, en in 1859 door F. von Holtzendorff in zijn werk over het Iersche gevangenisstelsel was verkondigd, in geenen deele nieuw is, maar reeds in 1844 door Tellkampf was aanbevolen.

De juistheid der beweringen van Dr. Zülzer blijkt nog daarenboven op afdoende wijze uit het uittreksel, door hem in zijn opstel gegeven uit het 1ste en 25ste jaarlijksche verslag der vereeniging voor de gevangenissen te New-York.

Op één punt bestaat er echter verschil tusschen de opvatting van Tellkampf en het denkbeeld dat aan het Iersche stelsel ten grondslag ligt.

Terwijl namelijk T. wil, dat de Staat op de door hem aangeduide wijzen, door inrigting van fabrieken en het aanwijzen van landerijen, voor het onderkomen en bezig houden der ontslagene gevangenen zal zorgen, beschouwt het Iersche stelsel de zoogenaamde intermediate prisons als een deel der straf.

Wat Dr. Zülzer hieromtrent zegt, verdient allezins de aandacht.

Het komt in hoofdzaak hierop neder:

Het Iersche stelsel wil, en voert dit denkbeeld consequent door, dat de misdadiger in gemelde tusschen-inrigtingen, wel is waar, zooveel mogelijk, binnen de grenzen der discipline, naar zijn verlangen zal mogen handelen, maar er toch steeds aan zal worden herinnerd, dat hij zijne straf nog ondergaat. Van eene overbrenging uit den toestand van gevangenschap tot dien van vrijheid, kan hier in zooverre geene sprake zijn, daar de misdadiger zich zeer goed bewust is welke gevolgen aan het overtreden der regelen van discipline verbonden zijn, en hij door strikte nakoming der regelen van het huis kan voorkomen , dat hij teruggebragt wordt tot eene der stadieënj, die hij reeds doorloopen heeft. Hij gedraagt zich dus goed uit vrees. Het bewijst derhalve ook weinig, dat in die Iersche tusschen-inrigtingen betrekkelijk weinig recidivisten voorkomen. Het voorbeeld, door Crofton aangevoerd, van een timmerman, die, dagelij ks uitgezonden , gedurende twee maanden twee keer per dag te Dublin kwam en telkens terugkeerde, bewijst dan ook niets voor diens verbeterden zedelijken toestand of standvastiger geworden karakter. Immers vrees en zij alleen bewoog dien timmerman terug te keeren, daar op ontsnapping geene de minste kans bestond. De moraliteit der misdadigers wordt dus door die Iersche tusschen-inrigtingen niet voldoende verbeterd.

Het denkbeeld van Tellkampf, om voor de ontslagen misdadigers van staatswege te zorgen , is althans even goed. Want dan veronderstelt men bij den misdadiger inderdaad den wil, om zich goed te gedragen en is van vrees geene sprake.

De ontslagene weet dat hij vrij is, dat hij niet in eene proefperiode , om het zoo eens te noemen , verkeert; maar dat de Staat verder voor hem zorgt. Tellkampf wil echter ook, dat de ontslagen misdadiger, als hij in die fabrieken , op die landerijen niet werkt, gelijk het behoort, als niet bijzonder vatbaar voor verbetering, naar de gevangenis zal worden teruggezonden.

Het gronddenkbeeld is dus eigenlijk hetzelfde.

(1) Zie Mr. P. van Bemmelen , in de Nieuwe Bijdragen, XXI , do. 2; en mijzelf in nos. 66 en 70 van het Weekblad voor het Notaris-ambt en Registratie, blz. 108 en 138.

(2) Dit werk gaf Professor T. in 1844 uit met zijn broeder, practiserend geneesheer te Cincinnati.

Sluiten