Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitvaardigt, tegenover diegenen, welke deze bevelen, ingevolge de wet, onder strafbedreiging moeten opvolgen't — Neen.

Is het naleven van de voorschriften van het Kon. besluit van 1 2 Mei 1863 (Stbl. n". 58) onder eenigen anderen waarborg gesteld dan dien van de ministeriële verimtwoordelijkheid ? — Neen.

Kan dus de naleving dier voorschriften de voorwaarde uitmaken van de strafbaarheid van feiten als de onderwerpelijke? — Neen.

Het Hof enz.,

Gezien het vonnis, door de Arrond.-Regtbank te Amsterdam , regt doende in correetionnele zaken, op den 26 Jan. 1870 in eersten aanleg gewezen tusschen den officier van justitie bij die Regtbank , eischer ter eenre, en D. J. C. van Lennep , oud twee-en-veertig jaren , van beroep directeur der Ned. Centraal-spoorweg-maatschappij, geboren en wonende te Amsterdam , bekl., ter andere zijde , M aarbij deze, naar aanleiding van art. 52 Strafregt, artt. 22, 44, al. 2, der wet van 21 Aug. 1859 {Stbl. n°. 98), artt. 1, 2, 3, 4 der wet van 92 April 1864 {Stbl. n". 29), artt. 207 , 227 Strafvord., is veroordeeld tot betaling eener geldboete van ƒ 100, met bepaling, dat de boete, zoo de veroordeelde haar niet betaalt binnen twee maanden , na daartoe te zijn aangemaand, vervangen zal worden door gevangenis-straf van drie dagen , en in de kosten van het regtsgeding , ten behoeve van den Staat en invorderbaar bij lijfsdwang: en zulks ter zake van zich te hebben schuldig gemaakt aan het niet-voldoen aan eene beschikking van den minister van Binnenlandsche Zaken , waarbij het stilhouden van trein 6 van de dienstregeling op den Nederlandschen Centraal-spoorweg was gelast;

Gehoord het requisitoir van den proc.-gen., strekkende : dat het Geregtshof voornoemd, regt doende op het hooger beroep, het voormeld vonnis zal vernietigen en, op nieuw regt doende, den bekl., app. en geapp., zal schuldig verklaren aan het als bestuurder eener spoorwegdienst niet-opvolgen der dienstregeling, door den minister van Binnenlandsche Zaken vastgesteld, ten aanzien van het ophouden van eenen trein aan eene aangewezen balt; en hem te dier zake zal veroordeelen tot eene geldboete ten bedrage van f 100, met bepaling, dat deze boete, niet betaald zijnde binnen twee maanden na daartoe gedane aanmaning, zal worden vervangen door drie dagen gevangenisstraf , mitsgaders in de kosten van het regtsgeding, zoowel van den eersten aanleg als van het hooger beroep, des noods invorderbaar bij lijfsdwang ;

Gelet op de verdediging , namens den bekl. aangevoerd;

Overwegende, dat het vonnis van den eersten regter niet kan geacht worden eene met redenen omkleede uitspraak te bevatten over de schuld van den bekl. aan de ten zijnen laste gebragte daadzaken, nademaal de woorden : dat de gemagtigde van den bekl. het aan dezen te laste gelegde feit wel niet heeft ontkend, maar geconcludeerd, zoo als daar verder in het vonnis staat vermeld, geene opgave in zich sluiten nopens de schuld van den bekl. aan die feiten, weshalve het vonnis uit dien hoofde, wegens gebrek van vormen, op straffe van nietigheid voorgeschreven, zal behooren te worden vernietigd;

Zich mitsdien niet vereenigende met het vonnis, door de Arrond. Regtbank te Amsterdam, regt doende in correetionnele zaken, op den 26 Jan. 1870 in eersten aanleg tegen den bekl., app. en geapp., gewezen ,

Vernietigt dat vonnis;

En , op nieuw regt doende :

O., dat door een, door den spoorweg-opziener O. R. J. Viveen, op den ambtseed opgemaakt proces-verbaal, dd. 2 Julij 1869, is bewezen : dat op den 1 -Julij 1869 trein 6 der dienstregeling op den Nederlandschen Centraal-spoorweg aan de halte Wezep tot het in- en uitlaten van reizigers niet heeft stilgehouden , terwijl uit een ten processe overgelegd afschrift van eene aanschrijving van den minister van Binnenlandsche Zaken , gerigt aan den heer directeur der Nederlandsche Centraal-spoorweg-maatschappij en gedagteekend 19 Junij 1869 , blijkt, dat voornoemde minister op dien datum heeft bepaald: dat, met ingang van 2 5 Junij daaraanvolgende, trein 6 van de dienstregeling op den Nederlandschen Centraal-spoorweg, vastgesteld bij zijne aanschrijving van 15 April te voren, dagelijks te Wezep en op Zon- en feestdagen ook aan de Bildt zoude moeten stilhouden;

O., dat de gemagtigde van den bekl. namens dezen heeft erkend , dat die bekl., als directeur der Nederlandsche Centraal-spoorweg-maatschappij, namens de ondernemers van dien spoorweg, het opperbestuur over de dienst daarop uitoefent; en voorts dat hij voormelde ministeriële aanschrijving dd. 19 Junij 1869 te zijner tijd heeft ontvangen; dat hij echter daaraan niet heeft voldaan, maar integendeel aan het personeel van den spoorweg last heeft gegeven zich aan de dienstregeling, zoo als die, ingevolge de ministeriële aanschrijving van 15 April 1869, in zwang was, te houden, zoodat trein 6 op l Julij jl., met zijn goedvinden en naar aanleiding van zijnen daartoe strekkenden last, te Wezep is doorgereden;

O., dat door die bekentenis en opgaven van den bekl., in verband met en bevestigd door voormelde schriftelijke bescheiden, de leiten, aan den bekl. ten laste gelegd, en zijne schuld daaraan wettig en overtuigend zijn bewezen , te weten, dat hij, in zijne betrekking van directeur der Nederlandsche Centraal-spoorweg-maatschappij, in gebreke is gebleven om te voldoen aan eene beslissing van den minister van Binnenlandsche Zaken dd. 19 Junij 1869, 11de afdeeling, n°. 226 , waarbij werd bepaald, dat, met ingang van 25 Junij 1869 , trein n°. 6 van de dienstregeling op genoemden spoorweg (dd. 15 April 1869 , 11de afdeeling, n°. 209) dagelijks te Wezep en op Zon- en feestdagen ook aan de Bildt zoude stilhouden ; zijnde het gebleken , dat trein 6 van gemelde maatschappij op 1 Julij 1869 niet te Wezep heeft stilgehouden;

O., dat ter verdediging van den bekl. in de eerste plaats is aangevoerd : dat het hem niet mogelijk zoude geweest zijn , aan 's ministers beslissing van 19 Junij 1869 te voldoen, zonder in andere opzigten in strijd met de bepalingen der wet van 21 Aug. 1S59 (Stbl. n". 98) te geraken, en hij bij gevolg, door overmagt gedrongen, de bedoelde aanschrijving onuitgevoerd heelt moeten laten ;

0. daaromtrent,- dat, ten bewijze van dit beweren, door den gemagtigde van den bekl. eenige stukken zijn overgelegd, tusschen den bekl., den Raad van toezigt op de spoorwegdiensten en den minister van Binnenlandsche Zaken gewisseld; doch dat, al moge daarin van de zijde der betrokken spoorweg-maatschappij, in eene missive van 14 Oct. jl., met betrekking tot de toen vast te stellen winterdienstregeling, het beweren worden aangetroffen, dat de toenmalige eisch van den minister van Liinnenlandsche Zaken, om trein 6 dagelijks aan de halte Wezep te doen stilhouden, in verband met het voor die interdienstregeling aanvankelijk bepaalde uur van vertrek uit Zwolle, ene onmogelijkheid zoude zijn; en al moge daarna de minister van Binnenlandsche Zaken, blijkens diens missive van 19 Oct. 1869 , er in berust hebben, dat de bedoelde trein der win ter regeling te Wezep niet zoude stoppen,—uit een en ander geenerlei gevolg af te leiden is ten aanzien van de in Junij 1869 in zwang geweest zijnde zomerdienstregeling, te minder, daar de minister van Binnenlandsche Zaken, bij laatstgemeld schrijven van 19 Oct. jl., den bekl. uitnoodigt bet er voor het vervolg daarheen te leiden, dat het stoppen te Wezep plaats vinde, onder bijvoeging : dat bij het vaststellen der zomerdienstregeling daarop zal worden gelet;

O., dat er geen bewijs geleverd is van de namens den bekl. beweerde onmogelijkheid om aan de bedoelde aanschrijving gevolg te geven; zoodat het overbodig is te onderzosken, in hoeverre die onmogelijk¬

heid bij de vraag naar de schuld van den bekl. in aanmerking had behooren te komen ;

0., dat namens den bekl. in de tweede plaats is beweerd ; dat hij niet gehouden zou zijn gewéést aan de aanschrijving van den minister van Binnenlandsche Zaken dd. 19 Junij 1869 te voldoen, op grond, dat de bedoelde beslissing zoude zijn genomen :

1°. zonder dat hij bekl. ooit de in den aanhef van art. 12 der wet van 21 Aug. 1859 voorgeschreven schriftelijke kennisgeving vau den Raad van toezigt op de spoorwegdiensten heeft ontvangen ;

2°. zonder dat art. 23 van iiet Kon. besluit van 4 April 1860 (Stbl. n». 15), hetwelk het door den minister van Binnenlandsche Zaken hooren van den Raad van toezigt op de spoorwegdiensten omtrent de bepaling der uren van aankomst en vertrek der treinen voorschrijft, omtrent de onderwerpelijke bepaling zoude zijn nageleefd;

3». zonder dat omtrent de onderwerpelijke wijziging der in April 1869 vastgestelde dienstregeling de formaliteiten en termijnen, voorgeschreven bij art. 49 van het Kon. besluit van 12 Mei 1863 (Stbl. n°. 18) zouden zijn in acht genomen;

O. ad 1""'., dat de daadzaken , die, als in strijd met de wet hebbende plaats gevonden, aan den bekl. in zijne qualiteit van bestuurder der Nederlandsche Centraal-spoorweg-maatschappij zijn te laste gelegd, te weten : het aan de halte Wezep niet doen aankomen en vertrekken van trein 6 der dienstregeling op den Nederlandschen Centraal-spoorweg , nadat zulks door den minister van liinnenlandsche Zaken was vastgesteld , — wel is waar , in de acte vau dagvaarding zijn beschouwd als het niet naleven van eene beslissing, bedoeld bij art. 13 der gezegde wet; doch dat die waardering van het strafbare feit onjuist is, omdat art. 13 j°. 12 van de wet op beslissingen ziet, genomen omtrent aangelegenheden , welke de Kaad van toezigt met de bestuurders , in de onderstelling, dat er tusschen hen geen verschil van gevoelen bestaat, onderling kunnen vaststellen; terwijl het hier een punt van regeling geldt, dat uitdrukkelijk bij art. 22 van meergenoemde wet aan den minister van Binnenlandsche Zaken is opgedragen, waaruit volgt: eensdeels, dat de regter a quo in dit opzigt teregt van de qualifieatie, door het Openb. Min. iu eersten aanleg, zoowel bij de acte van dagvaarding als bij requisitoir ter teregtzitting aan de onderwerpelijke feiten gegeven, is afgeweken, terwijl het Hof dit insgelijks zal behooren te doen ; en anderdeels , dat in gevallen als het onderwerpelijke eene voorafgaande schriftelijke kennisgeving van den Raad van toezigt aau de bestuurders eener spoorwegdienst niet is voorgeschreven ;

0. ad II'""., dat noch de wet van 1859, houdende bepalingen omtrent het gebruik der spoorwegen, noch eenige andere wet of verordening voorschrijft, dat de bevelen, welke de minister van Binnenlandsche Zaken omtrent eene spoorwegdienst uitvaardigt, daar , waar de Raad van toezigt deswege moet worden gehoord, de vermelding zouden moeten inhouden, dat zulks is geschied; dat evenmin uit meergemelde wet van 1859 of eenige andere wetsbepaling voortvloeit, dat het naleven van art. 23 van het boven aangehaald Kon. besluit van 4 April 1860 (Stbl. n". 15) de voorwaarde zoude zijn der geldigheid van de bedoelde bevelen tegenover diegenen, welke ze, ingevolge de wet, onder strafbedreiging moeten opvolgen; en dat de inhoud der aanschrijving van 19 Junij zelve aanleiding geeft om aau te nemen, dat de door niets gestaafde bowering van den app., als zoude de minister van Binnenlandsche Zaken in gebreke zijn ^gebleven omtrent de onderwerpelijke bepaling de gedachten van den Raad vau toezigt in te winnen, even ongegrond is als onbewezen;

O. ad IIIum., dat de kennelijke strekking van art. 69 van het Kon. besluit van 12 Mei 1863 (Stbl. n°. 58) is, de directicn der spoorwegmaatschappijen te nopen tijdig en volledig den minister van Binnenlandsche Zaken in staat te stellen zich omtrent de bepaling der uren van aankomst en vertrek der treinen, waarvan de vaststelling aan hem opgedragen is, te bei-aden, zonder hem zijnerzijds in de uitoefening van die hem bij de wet gedane opdragt te beperken; terwijl, al ware zulks anders, moet worden aangenomen, dat het naleven van dergelijke voorschriften onder geen anderen waarborg dan onder dien van de ministeriële verantwoordelijkheid is gesteld, althans zeker geeno voorwaarde uitmaken voor de strafbaarheid van feiten als het onderwerpelijke ;

0. mitsdien, dat de schuld van den bekl. aan de ten zijnen laste bewezen feiten in geenen deele is ontzenuwd, en er evenmin grond bestaat om uit eenigen hoofde ontslag van regtsvervolging uit te spreken ;

0. ten aanzien van de qualifieatie , dat uit het boven overwogene nopens den aard en den grondslag van de in deze door den minister van Binnenlandsche Zaken aan den app. gerigte aanschrijving volgt, dat dezelve, met het oog op art. 22 der wet van 21 Aug. 1859 (Stbl. n°. 98), zal behooren te luiden : het als bestuurder eener spoorwegdienst, in strijd met de bepalingen der wet van 21 Aug. 1859 omtrent het gebruik der spoorwegen, handelen en doen handelen , door niet in werking te doen treden eene dienstregeling, door den minister van Binnenlandsche Zaken vastgesteld, ten aanzien van het stilhouden van eenen trein aan eene aangewezen halt;

Verklaart deze feiten wettig en overtuigend bewezen en dat zij daarstellen : het, als bestuurder eener spoorwegdienst, in strijd met de bepalingen der wet van 21 Aug. 1859 omtrent het gebruik der spoorwegen , handelen en doen handelen, door niet in werking te doen treden eene dienstregeling, door den minister van Binnenlandsche Zaken vastgesteld, ten aanzien van het stilhouden van' eenen trein aan eene aangewezen halt ;

Verklaart D. J. C. van Lennep, als directeur der Nederlandsche Centraal-spoorweg-maatschappij , schuldig aan dat wanbedrijf, en dat daarop toepasselijk zijn artt. 22, 44, al. 3 , der wet van 21 Aug. 1859 (Stbl. n°. 98) , luidende enz.;

Voorts gelet op art. 52 Strafregt, artt. 207, 227 en 248 Strafvord. en artt. 1 , 8 en 9 der wet van 22 April 1864 (Stbl. n°. 29), luidende enz.;

Veroordeelt den alzoo schuldig verklaarden D. J. C. van Lennep tot betaling eener geldboete van f 100 en in de kosten van het regtsgeding , in beide instantiën, ten behoeve van den Staat, des noods invorderbaar bij lijfsdwang;

Bepaalt enz.

(Gepleit door Mr. W. van der Vliet.)

arrondissements-regtbanken.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE ARNHEM.

Mnrjerlijhif u»in«r.

Zitting van den 17 November 1870.

Voorzitter, Mr. T. M. Wentholt.

Verzoek tot verhoor op vraagpunten. — Bepaling van den dag

der pleidooijen. nlet-ONTV'ankelijkheid van het verzoek.

Kan de bepaling van art. 237 B. R., volgens welke partijen in alle zaken en in eiken stand van het geding verzoek mogen doen om elkander op vraagpunten te doen hooren , worden ingeroepen, als de dag der pleidooijen reeds is bepaald of de stukken aan den regter zijn overgelegd f — Neen.

D. J. d. J., eischer, procureur Mr. N. S. T. A. van Meurs, tegen

de firma G. I. T., gedaagde, procureur Mr. F. Böhtlingk. De Regtbank enz.,

Gehoord de wederzijdsche conclusiën;

Overwegende ten aanzien der daadzaken :

dat, bij vonnis interlocutoir, tusschen partijen gewezen den 26 Aug. dezes jaars, de ged. is toegelaten door getuigen en alle andere in regten aannemelijke bewijsmiddelen te staven de daarbij geformuleerde daadzaak;

dat, krachtens dat vonnis, blijkens daarvan opgemaakte processenverbaal, op 15 Sept. jl. is gehouden een verhoor van getuigen, door den ged. geproduceerd, en den 2 2 Sept. daaraanvolgende een verhoor van getuigen ten fine van tegenbewijs voorgebragt;

dat ten laatstgenoemden dage op het van zijde van den eischer gedaan verzoek, met goedvinden van partij, de pleidooijen zijn bepaald op 31 Oct. jl.;

dat de ged. intusschen vóór den tot de pleidooijen bestemden dag aan deze Kegtbank heeft ingediend een verzoekschrift tot verhoor van hare wederpartij op de daarin geformuleerde vraagpunten; en voorts dat verzoekschrift, bij acte van procureur tot procureur van 24 Oct. jl., den volgenden dag door den deurwaarder J. Hooien dijk, te Arnhem, aan den procureur des eischers beteekend , aan dezen heeft medegedeeld, tevens met sommatie aan des eischers procureur om den 31 Oct. daaraanvolgende ter audientie te verschijnen , ten einde alsdan zich te verklaren omtrent de gehoudenheid van den eischer om op de bedoelde vraagpunten te antwoorden ;

dat op dien dienenden dag de ged., overeenkomstig het verzoekschrfit, heeft geconcludeerd: dat het der Regtbank behage, den eischer te bevelen om voor haar in raadkamer of voor eenen daartoe te benoemen regter-commissaris te verschijnen op nader door haar te bepalen dag en uur, ten einde te worden gehoord op de vermelde vraagpunten en op zoodanige andere als ambtshalve daarbij zullen worden gevoegd, met veroordeeling van den eischer in de kosten, bij tegenspraak van dit verzoek, welke anders zullen worden gereserveerd tot op de uitspraak ten principale ;

dat tenzelfden dage de eischer op de daarvoor bijgebragte motieven heeft geconcludeerd; dat het der Kegtbank behage hem te verleenen acte, dat hij zich ten opzigte van de incidentele vordering refereert tot de prudentie der Regtbank;

O. ten aanzien van het regt:

dat, volgens de bepaling van art. 237 B. R., partijen in alle zaken en in eiken stand van het geding verzoek mogen doen om elkander op ter zake dienende en niet tot iets anders betrekkelijke vraagpunten te doen hooren ;

dat, wanneer men aan die bepaling toetst het door de ged. gedaan verzoek, dit niet-ontvankelijk kan zijn ;

dat immers, volgens die bepaling, de bevoegdheid tot het doen van het bedoelde verzoek ophoudt, zoodra de zaak is voldongen, het judicieel contract is gesloten en dus het geding is in staat van wijzen, terwijl dit laatste het geval is, wanneer de pleidooijen , ée'nig en uitsluitend bestemd tot adstructie der gevoerde dingtalen , zijn bepaald en dus de partijen daartoe zijn toegelaten of de stukken aan den regter zijn overgelegd;

dat toch alsdan het geschilpunt, waarover de regter heeft te oordeelen , onherroepelijk en onveranderlijk is vastgesteld , mitsdien het geding is gesloten en dien ten gevolge de beslissing der zaak door geene andere vorderingen mag worden vertraagd, veelmin door zoodanige, welke men a limine litis had kunnen en mogen doen ;

dat, indien men deze wets-interpretatie niet aannam, de deur zou opengesteld worden voor tal van misbruiken , leidende tot vertraging eu onverantwoordelijke vermeerdering van kosten der procedures ;

dat immers alsdan, telkens als de zaak zooverre was gevorderd , dat de pleidooijen als bepaald waren of zelfs als gehouden waren , partijen door nieuwe incidentele vorderingen de beslissing in itifinitum zouden kunnen verdagen ;

dat dit geheel in strijd zou zijn met de bedoeling des wetgevers, welke spoed en weinig omslagtigheid bij de behandeling der gedingen beoogt, en die bedoeling kenbaar heeft gemaakt in menige bepaling van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering; dat daartoe onder anderen kunnen gebragt worden de voorschriften van de artt. 160 en 248 omtrent het te gelijk voorstellen van de daar bedoelde exceptiën en het in eens instellen van alle incidentele vorderingen; de in casu, waar het geldt eene summiere zaak, toepasselijke bepaling van art. 112, dat onmiddellijk op het getuigenverhoor, na verhoor van partijen, uitspraak van het vonnis moet plaats hebben of daarvoor eene volgende zitting moet worden aangewezen; de voorschriften van de artt. 138, : 37 en 141 , omtrent de behandeling der summiere zaken toelatende slechts ééne conclusie van eisch en e'e'ne conclusie van antwoord, zoowel ten aanzien van de boofdvordering als van de incidentele vorderingen ; de voorschriften omtrent de behandeling van gewone zaken , omtrent de behandeling bij geschrifte, omtrent de behandeling der zaken op korten termijn; dat dan ook de bevoegdheid, bij de wet gegeven om enkele regtsmiddelen voor te stellen of tegen te werpen, in eiken stand van het geding, als van exceptionnelen aard, striclissime moet worden uitgelegd;

dat, wel is waar, de eischer zich ten aanzien van des gedaagden verzoek heeft gerefereerd aan de prudentie der Regtbank, doch tevens daarbij aan de Regtbank ter beantwoording de vraag heeft voorgesteld: //of het met eene goede proces-orde en speciaal met art. 24s 13. R. is overeen te brengen, dat een ged. op het oogenblik, dat de zaak tot beslissing zal komen , door nieuwe incidenten de zaak ophoudt ?

dat nu wel het ter bestrijding van des gedaagden verzoek aangehaalde art. 248 in casu alle toepassing mist, doch de beweerde strijd met eene goede proces-orde daarentegen voorhanden is;

dat immers het gedaan verzoek de strekking heeft het geding, dat is in staat van wijzen en dus gesloten , wederom te openen en zoo doende weer voor onbepaalden tijd te vertragen, terwijl tot dat verzoek, hangende het geding, alle mogelijke gelegenheid heeft bestaan;

dat de regter is geliouden toe te zien op de in-acht-neming eener goede proces-orde en die te handhaven, en mitsdien het gedaan verzoek, daarop inbreuk makende en in lijnregten strijd met de bedoeling des wetgevers, als ontijdig, niet mag aannemen;

Gezien art. 56 B. R.;

Regt doende enz.,

Verleent aan den eischer de gevraagde acte;

Verklaart de ged. niet-ontvankelijk in haar verzoek en vordering tot verhoor van den eischer op de door haar gestelde vraagpunten; Veroordeelt de ged. in de kosten van dit incident;

Gelasr, partijen do pleidooijen in deze zaak te doen houden, ten ware zij regt op de stukken mogten verkiezen te vragen ;

Bepaalt voor het eerste geval, dat de pleidooijen zullen worden gehouden ter teregtzitting dezer Regtbank van 1 2 Dec. e. k.

Sluiten