Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de k<:nr van 1720 niet strekt om schuldpligtigheid te vestigen, maar veelc-i;r om, blijkens den aanhef, ter renovatie en ampliatio en uit kracht van art. 36, rnet instandhouding van de vroegere verordeningen, v°or zooverre die met de keur van 1720 niet in strijd waren, de reed* destijds opgelegde verpligtingen nader te regelen; dat die vroegere verordeningen en bepaaldelijk de keur van 8 Maart 1581, die nagenoeg eene reproductie is geweest van nog oudere keuren, — te begingen met die van 28 Febr. 1569, waarbij de uitgifte van onderscheidene dijken, o. a. van den Amsteldijk, heeft plaats gehad, zijn te beschouwen als organieke oorkonden, die niet enkel historische waaïf]e ^ maar wetskracht hebben;

d*t nu art. 17 der gemelde keur van 15S1 de eigenaren, dat zijn c'e denaren, dat zijn de eigenaren van het aan den dijk grenzende land, de aangelanden en alzoo niet de gezamenlijke ingelanden aanwijst als degenen, die den dijk moeten maken; dat voorts ook art. 39 der keur van 16 Maart 1592 en evenzoo art. 4 der keur van 20 Febr. ] 623 de eigenaren vermelden, als zijnde verpligt de beschoeijing van rien Amsteldijk te maken;

G., dat dus de bedoelde verpligting ten deze op den app. rust als e'geiiaar van het achter den dijk gelegen perceel; en dat derhalve °°k e tweede grief van den app. is ongegrond en de beslissing van den eersten regter aangaande dit regtspunt behoort te worden gehandhaafd ;

c. a]snn ad lllum. dat art. 2, n°. 2, der wet van 9 Oct. 1841 [Stb/, n°. 42) aan de dijkbesturen het regt toekent om o. a. bij We'g';ring of nalatigheid van de daartoe verpligten ten hunnen koste de noodig gekeurde werken te doen uitvoeren;

0., dat, terwijl de wet tot uitoefening van het gemelde regt slechts vordert één van beide, weigering of nalatigheid, ten deze beide, èn weigering èn nalatigheid, aanwezig zijn;

O., dat, ter juiste waardering der toepasselijkheid van voornoemd artikol der wet van 1841, wel moet worden in het oog gehouden, dat ilie wet onderscheidt (en wel scherper dan zulks bij de vroegere verordeningen is geschied), verpligtingen van civielregtelijken aard; en overtredingen, waartegen straffen zijn bepaald; terwijl voor beide geheU verschillende regelen zijn gesteld en de vervolging ten aanzien der civielregtelijke verpligtingen aan de administratieve besturen en de strafvordering ter zake van overtredingen aan het Openb. Min. opgedragen;

"•» dat de in dit geding behandelde regtsvordering is van eiviele<i niet van strafregtelijken aard; en dat dus, vermits volgens art. 26 d°r gemelde wet alle vroegere bepalingen, voor zooverre die met die Wet strijdig mogten zijn, worden gehouden voor afgeschaft, bij de beoordeeling der tegenwoordige regtsvordering buiten aanmerking Mima alle bepalingen der reglementen, voor zooverre die boeten of daarioede gelijkgestelde praestatiën betreffen, en dat daarmede verJa't al hetgeen door den app. is aangevoerd ten betooge, dat er geene bekeuring in den behoorlijken vorm zoude hebben plaats gehad, daar

turing alleen daar te pas komt, waar straf gevorderd wordt, terwijl

bek.

1-fvnnlino-Ar» dp.r rpolpm Anten hiftr voltrens art. 17 der wet slechts

nog in zooverre van toepassing zouden zijn als er bewijs werd gevorderd van de daadzaken, welke tot de executie hebben aanleiding gegeven en van de schuldpligtigheid van den app.;

C., dat het feit van het bestaan van een door het Dijkbestuur noodig gekeurd werk door den app. niet is betwist, evenmin als de juistheid Van het teruggevorderd bedrag der aan dat werk bestede kosten, zoodat «ie daadzaken, die tot het dwangbevel hebben aanleiding gegeven, geen nader bewijs behoeven; dat de app. wel heeft beweerd, dat hij tot liet praesteren van dat werk niet gehouden was, en alzoo zijne schu.,|piigtig|iei(j heeft betwist; en dat deze bewering, zoo zij gegrond Wa,e. zoude leiden tot eene ontheffing van den app. van de vervolging, !'laa dat thans, nu volgens het ad IIum. overwogene uit de reglemenen 'an het Dijkbestuur is gebleken, dat die schuldpligtigheid wel estsRt, die bewering zelve reeds als eene, zij het ook gemotiveerde, 1Veig"ring is te beschouwen, die voldoende is, om art. 2, n». 2, der Wet toepasselijk ten deze te doen worden;

'J-. dat ook daarenboven, en afgescheiden van het bestaan eener yeig<sring, de nalatigheid naar den eisch van art. 17 der wet voldoende ls geconstateerd;

dat, gelijk door den regter a quo is overwogen, in conjesso is, dat <,p den 25 Mei 1867 eene schouw en op den 27 Junij daaropvolgende eene naschouw is gedaan, en dat op dia beide dagen, en alzoo met eene tusschenruimte van meer dan acht dagen, overeenkomstig art. 33 der keur van 1720, de schoeijing langs den Amsteldijk voor het land Tan den app. in defecten staat verkeerde;

O., dat het ook niet is wedersproken, dat de app. op de bij de reglementen bepaalde ■wijze is opgeroepen om bij de schouw tegenwoordig te zijn, en dat het resultaat van de schouw door aanplakking 18 bekend gemaakt;

0., dat, wel is waar, de schouw en de naschouw zijn gedreven °P andere dagen dan de keur van 1720 bij art. 33 bepaald; dat zulks evenwel do toepassing van art. 2, n°. 2, der wet van 1841 niet belet, aai deze wetsbepaling in dien zin behoort te worden opgevat, dat Rijksbestuur ten allen tijde bevoegd is een onderzoek te doen , a den staat der dijken, zonder dat die bevoegdheid tot bepaalde , 8''' is beperkt, en dat de daaromtrent bij de reglementen gemaakte 'ePa ingen, uit krachte van bet aangehaalde art. 26 der wet, althans üake van het constateren van de niet-nakoining der verpligtingen ^an riivielregtelijken aard, zijn afgeschaft; met dat gevolg, dat het rz'drn van een noodig gekeurd werk te praesteren, wanneer ook het geconstateerde de toepassing van art. 2, no. 2, der wet regt vaardigt;

J', dat nu eindelijk de app. heeft beweerd, dat de nalatigheid door een<- in-gebreke-stelling had behooren te worden geconstateerd; dat echter die bewering niet juist is; dat toch de bij art. 2, no. 2, der e 'an 1841 aan de dijkbesturen gegevene bevoegdheid is te beschou„ e" eeIie speciale toepassing ten deze van het regt, hetwelk bij i1 ' * ' *n het algemeen aan een schuldeischer wordt ver-

een,i > mgeval eene verbindtenis niet wordt ten uitvoer gelegd, behoueiifc dat, terwijl volgens laatstgemelde wetsbepaling eene regterlijke a^figing wordt vereischt, hier de wet zelve die magtiging verleent;

dat voor het overige tot de toepassing evenmin van art. 1277 ' als van art. 2, n*. 2, der wet van 1841 eene m-»ioro-stelling r<^scht wordt, als welke alleen noodig is in het geval, bij art. 1279 • 7'r. bedoeld, hetwelk alhier niet bestaat;

j ^ . dat derhalve ook ten aanzien van hetgeen het onderwerp van 'lf:rde grief uitmaakt, de beslissing van den regter a quo juist is; ter uit al het overwogene volgt, dat de uitspraak van dien reg-

ha* < ^Sc^00n *"en ('ee^e °P andere gronden, behoort to worden gehand-

behalve de reeds aangehaalde bepalingen, art. 56 B. R.; yarj' ', lHchtigt het vonnis a quo ; veroordeelt den app. in de kosten

,et hooger beroep.

r* .. 'epleit vonv den nnnpllanf. Mr. A. C/OSMAN , Cll VOOI' den

"tcerue Mr.

J. W. H. Rittgers van

Rozenburg.)

ARRONDISSEMENTS-EEGTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE AMSTERDAM.

Eerste kamer.

Zitting van den 7 November 1871.

Voorzitter, Mr. A. Wildschut.

Fidei-commis. — Overgang.

Is de bepaling van art. 13 van de wet van 13 Mei 1859 (Stbl. n°. 36) ook van toepassing op fidei-commissen, ingesteld in het buitenland, doch die door den verwachter worden verkregen uit den boedel van een ingezeten des rijks ? — Neen.

R. L. de Leao Laguna , weduwe van D. Pardo, wonende en domicilie kiezende te Amsterdam , in hare qualiteit als moeder en wettige voogdesse over de minderjarige Arnold, Bernard , Eduard, Abraham en Mariana Pardo, in huwelijk verwekt bij en éénige nagelaten kinderen en algeheele erfgenamen ab intestato van genoemden hun vader D. Pardo, opposant,

tegen

het Bestuur der Registratie, uitgeoefend wordende door den minister van Finantiën, residerende te 's Gravenhage, ter nadere vervolging van den directeur der registratie en domeinen voor de provinciën Noordholland en Utrecht, residerende te Amsterdam, en van den ontvanger der successieregten, wiens kantoor is gevestigd aldaar.

De Regtbank enz.,

Gehoord het rapport van den regter «rapporteur Mr. S. J. van

oüteren;

Gehoord de conclusie van het Openb. Min., strekkende tot vernietiging en van-onwaarde-verklaring van het tegen de opposante uitgevaardigd dwangbevel, met veroordeeling van het eischend Bestuur in de kosten van het geding ;

Overwegende in facto:

dat op 5 Maart 1869 te Amsterdam is overleden D. A. Pardo, die met de opposante buiten gemeenschap van goederen is gehuwd geweest; dat deze, ten gevolge van zijn ab intestato overlijden, tot zijne erfgenamen heeft achtergelaten vier minderjarige kinderen, welke alzoo ten deze zijn vertegenwoordigd door de opposante in qualiteit van moeder en wettige voogdes;

dat bij de aangifte voor het regt van successie door laatstgenoemde is opgegeven, dat tot voorzegde nalatenschap behoort des overledenen aandeel of helft in den met fidei-commis bezwaarden eigendom eener plantaadje, genaamd Bruinendaal en aanhoorigheden, gelegen in de Metapiestreek in de kolonie Suriname, welke plantaadje bij besloten testament, geopend op 12 Febr. 1 760, is nagelaten door wijlen J. Pardo aan zijne neven D. II. en J. Pardo; dat D. H. de grootvader is geweest van den erflater, door wiens overlijden gezegd fidei-commis is overgegaan op drie der bovenbedoelde minderjarigen, terwijl één dezer en wei M. Pardo was uitgesloten; dat het geopposeerde Bestuur te dier zake regt van successie en overgang heeft gevorderd, waarvan de betaling geweigerd is;

dat daarna op 28 April dezes jaars aan de opposante een door den regter van het 1ste kanton alhier executoir verklaard dwangbevel is beteekend; dat de opp. daartegen, bij geregistreerd exploit van den deurwaarder J. S. Stadig dd. 14 Mei 1871, is iu verzet gekomen o. a. op de navolgende gronden : dat volgens de wet alleen regt van successie mag geheven worden over de waarde van hetgeen geërfd of verkregen wordt uit den boedel van een ingezeten des Rijks , terwijl in casu de insteller van het fidei-commis ingezeten was van Suriname; dat evenmin regten verschuldigd zijn, wanneer de erfenis moet geacht worden uit den boedel van den te Arasterdam overleden echtgenoot der opposante verkregen te zijn, vermits in de regte lijn vrijstelling verleend is ;

dat wel art. 52 der wet van 13 Mei 1859 bepaalt, dat, wegens den overgang op den gesubstituurde van een met fidei-commis bezwaard goed, de verschuldigde regten moeten berekend worden naar den graad van verwantschap tusschen den insteller en den verkrijger; doch deze berekening eerst dan te pas komt, wanneer het consteert, dat er eenig regt verschuldigd is, en deze bepaling dan ook alleen geschreven is voor die erfstellingen over de hand, welke de tegenwoordige wetgeving in bescherming genomen heeft; concluderende mitsdien , dat zij zal worden verklaard goed opposante tegen voornoemd dvvangschrift, dat dit zal worden verklaard nietig, met nietontvankelijk-verklaring, immers met ontzegging van de ingestelde vordering, met veroordeeling van gezegd Bestuur in de kosten;

dat door den geopp. dit sustenu bij memorie van antwoord is bestreden , door aan te voeren , dat de kinderen wel krachtens beschikking van den insteller van het fidei-commis, maar niettemin uit den boedel van den bezwaarde erven, die ingezetene des Rijks geweest is, en met betrekking tot de vrijstelling voor verervingen in de regte linie; dat op die vrijstelling in art. 52 der wet eene uitzondering is vastgesteld, voor het geval bij eene erfstelling over de hand de verwachter tot het genot komt, voor welk geval het regt van successie moet berekend worden naar de verwantschap, welke er bestaat tusschen den verkrijger en den insteller der erfstelling; dat voorts de wet niet onderscheidt tusschen erfstellingen, die zich over één graad uitstrekken , en die, welke eene verdere strekking hebben en allen gelijkelijk belast; dat de opposante mitsdien behoort te worden verklaard kwaad opposante, met veroordeeling in de kosten van het geding; 0. in regten :

dat de oppositie voornamelijk gegrond is op de artt. 1 en 56 van meergenoemde wet; dat dien ten gevolge de kinderen der opposante, hetzij men aanneme, dat de erfenis verkregen is uit den boedel van den insteller, ingezeten van Suriname, hetzij uit den boedel ran hun te Amsterdam overleden vader, geen regt verschuldigd zijn ; dat in het algemeen dit beweren niet kan opgaan , vermits in art. 52, al. a, van bedoelde wet het regt van successie moet berekend worden naar de verwantschap tusschen den verkrijger en den insteller, wanneer bij eene erfstelling over de hand de verwachter tot het genot komt; dat hiermede is bedoeld, dat de verwachter bij den dood des bezwaarden geacht moet worden niet van dezen, maar van den insteller te erven ; dat nu de betrokken minderjarigen wel erven uit den boedel huns vaders, maar den insteller bestaan in de zijdlinie, en op dien grond regt verschuldigd zouden zijn, ingeval hier sprake ware van eene erfstelling over de hand, welke alsnog bij het B. W. waff vrijgelaten; dut echter het onderhavige fidei-commis in de vorige eeuw te Suriname is gemaakt en uit dien hoofde de wet van 13 Mei 1859 buiten aanmerking behoort te blijven ;

dat toch bij de wet van 27 Dec. 1817 bij art. 21, in verband met art. 6, de bepaling voorkomt, dat bij overgang van bezwaard goed op den gesubstitueerde van dien overgang successieregt verschuldigd is naar den graad van verwantschap tot den insteller van het fidei-commis; dat echter deze bepalingen alleen regelen de regten , die verschuldigd zijn ten aanzien der oude fidei-commissen, onder vroegere wetgeving gemaakt en waarvan (volgens art. 155 van het decreet van 4 Julij 1811, welk artikel hier bij decreet van 24 Jan. 1812 is executoir verklaard) nog slechts één overgang vergund was,

niet op die substitutiën , welke voor het vervolg geoorloofd waren volgens art. 1049 C. Nap.;

dat zulks duidelijk is op te maken uit de bewoordingeu van die artikelen, waar gesproken wordt van fidei-commissen, waar deze nog bestaan, en dus wordt aangeduid niet zoodanige substitutie, welke volgens de in kracht zijnde wet mogt zijn gemaakt, maar die van vroegere dagteekening; dat dien ten gevolge de geoorloofde erfstellingen over de hand, ook die, waarbij de verkrijger den insteller bestond in de zijdlinie, sedert de invoering der Nederlandsche wetboeken onbelast bleven;

dat hierin echter wijziging is gebragt door de wet van 13 Mei 1859, door ook de vroegere fidei-commissen te belasten, alsmede de zoodanige, welke bij de Nederlandsche wet toegelaten zijn;

dat nu, wel is waar, in meergenoemde wet verschillende bepalingen voorkomen, regelende de verpligting tot aangifte, alsmede de regten, die verschuldigd zijn omtrent zoodanige fidei-commissen, welke van vóór de invoering der Fransche wetboeken hier te lande of zelfs van vroeger dagteekenen, maar nergens in de wet eenige bepaling voorkomt, waaruit blijkt, dat deze wet ook op vreemde erfstellingen over de hand toepasselijk zijn;

dat art. 52 eene uitzondering bevat op den regel, in art. 56 uitgedrukt, waarbij vrijdom in de regte linie verleend is; dat zoodanige uitzondering in engen zin behoort te worden opgevat, en niet bij analogie kan worden uitgebreid tot soortgelijke vreemde fidei-commissen als waarvan hier de rede is; dat, naar aanleiding van deze beschouwingen, der opposante kinderen moeten geacht worden uit den boedel van hun vader geërfd te hebben, zonder daarvan eenig regt van successie verschuldigd te zijn;

Gezien, behalve de reeds aangehaalde artikelen, de artt. 4, 10, n°. 3, 14, 15, n°. 3, 67 der wet van 12 Mei 1859 (Stbl. n°. 36), art. 56 B. R.;

Regt doende enz.,

Verklaart de opposante goed opposante tegen het dwangbevel van 24 April 1871;

Verklaart dit dwangbevel nietig en van onwaarde;

Veroordeelt het geopposeerde Bestuur der Registratie en Domeinen in de kosten van het geding.

MENGELWERK.

VOORLOOPIGE VRIJHEID ONDER BORGTOGT.

(Ingezonden.)

De juristen-vereeniging heeft in hare laatste vergadering liet cautiestelsel verworpen. Gelukkig is dat besluit slechts genomen met de zeer onbeduidende meerderheid van 49 tegen 45, dus van 4 stemmen. Maar het besluit zelf komt mij daarom niet minder onverklaarbaar voor.

Het is toch vreemd, dat wij Nederlanders, zoogenaamd op grond van onze Nederlandsche eigenaardigheden, ook instellingen verwerpen , die alle beschaafde volkeren hebben aangenomen, en met ingenomenheid en liefde toepassen. Zoo is het met andere zaken , zoo is het met de jury, zoo is het nu ook weder met de cautie. Ik wil nu niet zoo ver gaan van te beweren, dat wij de Chinezen van Europa zullen worden , of dat wij ons zelve zullen aanzien voor eene soort van uitverkoren volk, als wij het cautie-stelsel niet bij ons invoeren. Maar ik kan toch nog zoo gemakkelijk niet aannemen, dat eene zaak, die men overal heeft en die overal goed werkt, alleen voor ons landje niet deugen zou; want het is teregt in de vergadering reeds opgemerkt , men heeft hier volstrekt niet te doen met eene radicale of revolutionnaire nieuwigheid ; en even weinig met eene philantropische uitvinding. De zaak is niets anders dan eene instelling van regtvaardigheid. De preventieve gevangenis is een noodzakelijk kwaad, dai niet mag worden gebruikt dan bij onvermijdelijke noodzakelijkheid; en juist daarom is alles wat er de toepassing van kan voorkomen, en wat dus de werking van het kwaad kan verminderen, goed en regtvaardig.

Maar dat alles daargelaten, wat heeft men toch eigenlijk tegen de zaak ? De motieven of liever het motief is misschien nog wel zoo onbegrijpelijk als het dictum van het besluit. Het eenige argument, dat wat het meest indruk maakte, is dit, dat alleen de meervermogenden van het cautie-stelsel gebruik kunnen maken ; en dat men daardoor dus schept een privilégie voor de rijken boven de armen ; en het schijnt, dat juist daarom zij, die zich uitgeven voor liberalen, in zeer groot getal zich rangschikken onder de bestrijders der zaak.

Maar ziet men dan niet in, dat dit niets anders is dan klanken en woorden? Dat het argument niets zou te beteekenen hebben, ook dan, als de praemisse juist ware, wat zij niet is, omdat de persoonlijke borgtogt valt onder het bereik van allen, ook van de armste armen? Immers, het werd met veel juistheid door één der verdedigers opgemerkt : als gij tien drenkelingen ziet spartelen, en als gij er maar één redden kunt, zult gij ook dien laten verdrinken, omdat de negen anderen niet te behouden zijn ?

Maar bovendien , dat privilégie der rijken is niets meer dan een ellendig sophisme. Het zou alleen dan waarheid zijn, als de wet onderscheid maakte tusschen vermogenden en on vermogenden. Maar dat wordt niet verlangd. De wet zil zijn, dat ieder, die borgtogt stelt, of voor wien borgtogt gesteld wordt, zyne vrijheid behoudt. Wie nu van dit voorregt kan of wil gebruik maken , dat is eene zaak van toepassing, van uitvoering, waarmede de wet niets te maken heeft. De wet is gelijk voor allen. Dat de feitelijke toestand der rijken in dit, even als in zoo menig ander opzigt, voordeeliger zijn zal dan van de armen , dat kan waar zijn. Maar zal dat niet even waar zijn , als men de cautie verwerpt? of zou men niet denken, dat de regter, met het oog op het eenig wettig doel der préventieve gevangenis , eerder een gezeten en vermogend burger voorloopig zijne vrijheid zal. laten behouden , dan een proletarier en een armen vagebond ?

Maar bovendien , als men voor die leer is, als gelijkheid voor de wet zeggen wil, dat iedereen er feitelijk evenveel genot van moet kunnen hebben, als dit alleen de ware vrijhei 1 is , dan moet men maar geene wetten meer maken ; maar zulke wetten zijn er niet, en zulke wetten kan niemand maken. B. v. hoe zult gij handelen met de subsidiaire gevangenis? is dit niet een nog veel monsterachtiger privilegie ? De rijke man betaalt eene kleine boete, die hem in het minste niet hindert; maar den armen man sluit gij achter grendels en sloten. En hoe met de gijzeling voor de kosten ? En hoe niet de verdediging? Uwe wet zegt wei , dat iedereen zich mag laten verdedigen ; maar niet iedereen heeft geld om advokaten te betalen ; en het gevolg is, dat de vermogende man zich altijd een bekwaam en eerlijk verdediger kiezen kan ; terwijl de arme zich, in de zaken , waarvoor raadslieden worden toegevoegd, tevreden moet stellen met den eersten kruk den besten, dien men hem aanwijst, en in alle andere zaken onverdedigd blijven moet. Welk een gevaarlijk privilégie.

Maar genoeg. Het zou niet moeijelijk zijn deze voorbeelden met vele anderen te vermeerderen , zelfs al blijft men bij het straf regt. Wilde men den strijd overbrengen op ieder ander gebied, mei zou hetzelfde zien gebeuren. Uw burgerlijk regt maakt wetten tot bescherming van eigendom en bezit. Maar voor wie? Alleen voor hen, die alles hebben. Zij , die niets hebben , worden daardoor niet be. schermd. Gij geeft het jus testa.ndi. Aan wien ? Aan iedereen. Ja

Sluiten