Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in schijn; want ook van dat regt zijn de armen feitelijk uitgesloten , even als van de cautie.

En , laat ons nu de zaak eens omkeeren. Wat denkt gij van de staats-armenzorg en van het staats-onderwijs ? Wie hebben daarvan het genot? Alleen, of grootendeels de armen. De vermogenden worden uit de staats-armen-kassen niet bedeeld; zij gaan ook niet, of ten minste zeer weinig, naar de staats-scholen, omdat zij het eene in het geheel niet, en het tweede maar zeer zelden r.oodig hebben. Zijn dat nu privilégiën voor de onvermogenden ? Dit zou het logisch gevolg moeten zijn van uwe logica.

Iemand, die zich zeiven nog al liberaal vindt,

12 December 1871.

JURISPRUDENTIE.

Aanneming. — Borgen. — Verklaring.

Zijn de administratieve voorschriften tot bekoming van betaling, voorkomende in een bestek van aanneming van openbare werken, verbindend voor den aannemer, met dat gevolg, dat geene betaling door hem kan ivorden gevorderd, zoolang aan die voorschriften niet is voldaan ?

(.Ingezonden.)

Ik lees in het Weekbl. van 7 Dec. een arrest van den hoogen raad van 12 Nov., dat niet geheel onopgemerkt mag voorbijgaan. Tegen zijne gewoonte heeft het Weekblad de regtsvraag, die het arrest beslist, daar niet boven geplaatst. De reden hiervan is mij onbekend, en het valt mij zelfs moeijelijk die te gissen. Maar zooveel komt mij zeker voor, dat in de zaak toch eene zeer belangrijke regtsvraag schuilt.

§ 449 der Alg. Voorwaarden voor de aanneming van werken bij het Dep. van B. Z. bepaalt, dat de ordonnantiën betaalbaar zijn binnen acht weken na het inleveren van het certificaat van betaling en de verdere gevorderde bewijs-stukken door den hoofdingenieur of door den bouwmeester aan het Dep. van B. Z. Bij het bestek, waarvan in deze zaak sprake was, schijnt naar deze bepaling te zijn verwezen, of schijnt die in substantie te zijn herhaald. Uit het arrest blijkt voorts, dat door de eischers betaling was gevraagd, vóórdat de verklaring met de bewijsstukken bij het Dep. was ingezonden, en dat de staat op dien grond beweerde, dat de vordering voor alsnog niet-ontvankelijk was. En nu zegt de hooge raad, dat § 449 inhoudt een administratief voorschrift tot bekoming van betaling in der minne, dat den aannemer in regten niet bindt; en dat het al of niet toekennen (sic) van zulk een certificaat alleen afhangt van de ondergeschikte beambten van den staat, terwijl het niet moet afhangen van de willekeur van den aanbesteder om, door het al of niet afgeven van een certificaat, de betaling op de daartoe voor den regter ingestelde vordering te ontgaan.

Dit laatste nu is, voor een gedeelte althans, volkomen waar. De bepaling der voorwaarden kan aanleiding geven tot misbruiken; en , als de staat een kwade of oneerlijke betaler wil zijn, wordt hem dit daardoor mogelijk gemaakt. Het is dan ook niet te ontkennen , dat de voorwaarden voor den aannemer zeer bezwarend kunnen zijn; maar het is niet minder waar, dat hij zich daarover niet kan beklagen , indien hij zich daaraan bij contract vrijwillig onderwerpt. Daarmede vervalt zelfs ieder denkbeeld van hardheid; maar daarmede vervalt zeker iedere regtsgrond om eene contractuële bepaling eenvoudig als niet geschreven ter zyde te schuiven. Nu mag men het voorschrift administratief noemen; maar waar staat geschreven, dat een aannemer zich bij zijn contract niet mag onderwerpen aan zoogenoemde administratieve voorschriften , die men in groote menigte in alle die bestekken vindt? en, dat, zoo hij dat doet, die voor hem niet verbindend zijn, ten minste in regten?

Ik moet in de eerste plaats opmerken, dat het geheele bestek dient om de regtsverhouding te regelen tusschen aannemer en aanbesteder, en niets anders is dan een burgerlijk contract. Ik wil echter over het woord administratieJ niet twisten ; want het doet er weinig toe, hoe men het noemt. Maar wat is er van die onderscheiding tusschen betaling in en buiten regten ? Het komt mij voor , dat het daarmede niet beter gesteld is. Het contract bepaalt, wanneer de betaling kan worden gevraagd, natuurlijk in de allereerste plaats in der minne ; maar het spreekt toch van zelf, dat, waar niet kan gevorderd worden in der minne, ook niet kan gevorderd worden in regten. Ik weet mij ten minste geene enkele actie in regten voor te stellen tot betaling van iets, wat men in der minne niet zou kunnen vorderen.

In de conclusie van het openbaar ministerie wordt gezegd, dat het niet kan geacht worden de bedoeling te zijn geweest de betaling afhankelijk te maken van eene daad of van een verzuim van den aanbesteder. Maar ik vraag: wat is er dan de bedoeling van ? De woorden van .het contract zijn volstrekt niet onduidelijk, en eene andere beteekenis is daarvoor moeijelijk te vinden. En kan men dan eene bepaling van het contract, die zeker vreemd is , alleen wegredeneren met de meening, dat men niet kan geacht worden bedoeld te hebben, wat men totidem verbis geschreven heeft ? Ik zou haast meenen , dat de heer Karseboom te scherpzinnig jurist is, om zoo iets te gelooven.

14 December, 1871. S.

WETGEVING.

In de zitting van de Eerste Kamer der Staten-Generaal van Vrijdag 29 December is o. a. met algemeene stemmen aangenomen hoofdstuk IV der staatsbegrooting voor 1872 (Departement van Justitie), nadat door den minister van Justitie aan den heer CostJordens— die zijne tevredenheid had betuigd, omdat, blijkens het ontvangen antwoord op de aanmerking van het voorloopig verslag, de minister van Justitie zich genegen had getoond eene poging aan te wenden, ten einde de bezwaren , ontstaande uit het misbruik der handligting voor minderjarigen , volgens art. 480 van het Burg. Wetb., op te heffen — te kennen was gegeven, dat hij de op nieuw geopperde bedenkingen als gegrond beschouwde, en bereid bleef, zoodra mogelijk, zijne toezegging gestand te doen.

HOOGE RAAD. — Burgerlijke farmer.

Zitting van Vrijdag, 29 December.

Voorzitter, Mr. F. de Greve.

I, Beëedigd Mrs.: W. F. G. L. JFranfois en Jhr. E. W. A. Beelaerts van Blokland, als president en vice-president bij het Prov. Geregtshof in Zuidholland.

II. Uitspraak gedaan in zake :

(cassatie) 1'. J. ten Hoope, eischer, procureur Mr. M. Eyssell,

tegen A. Reimami, handelende onder de firma M. Reimann , verweerder, procureur Mr. J. van der Jagt. Verworpen.

III. Conclusie door het Openb. Min. genomen in zake:

1°. (cassatie) het Bestuur der Registratie, eischer, procureur Mr. C. J. Fran90is, tegen de Nederlandsche maatschappij van grondcrediet, gevestigd te Amsterdam , verweerderesse , procureur Mr. M. Eyssell. Adv.-gen. Karseboom concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis; en dat de üooge Raad de oorspronkelijke opposante, thans verweerderesse, zal verklaren kwaad opposante, en het gedane dwangbevel zal handhaven , met veroordeeling van de verweerderesse in de kosten. Uitspraak 26 Januarij.

2". (id.) Mr. J. A. Willinge Gratama, eischer, procureur Mr. M. Eyssell, tegen K. J. Duker, verweerder, procureur Mr. C. J. Frainjois. Adv.-gen. Smita concludeert tot verwerping. Uitspraak 2 Februarij.

IV. Op verzoek van partijen geroteerd tan het feuille , de zaak van:

(revisie) den Staat der Nederlanden, eischer, procureur Mr. C. J. Fran^is, tegen de vereeniging tot landverbetering, gevestigd te Dordrecht, verweerderesse, procureur Mr. J. van der .) agt.

V. Gepleit in zake:

(revisie) Jhr. Mr. E. J. B. C. Ridder de Stuers c. s., eischers, procureur Mr. M. Eyssell, advokaat Mr. J. Kappeyne van de

- Coppello, tegen den Staat der Nederlanden, gedaagde, procureur Mr. C. J. Frangois, lands-advokaat Mr. G. M. van der Linden, Conclusie van het Openb. Min. bepaald op 12 Januarij.

NI3. Donderdag is er geene zitting gehouden.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Z. M. besluit van den 23 Dec. jl., n». 13, is aan Mr. P. W. Alstorphius Grevelink, met ingang van 1 Jan. 1872, eervol ontslag verleend als hoofd-inspecteur der gevangenissen, met dankbetuiging voor de vele en gewigtige diensten, door hem in die betrekking bewezen.

— Bij Z. M. besluit van den 27 Dec. jl., n°. 1, zijn benoemd: tot regter in de Arrond.-Regtbank te Almelo, Mr* C. F. G. de Menthon Bake, thans subst.-griffier bij gemelde Regtbank; en tot subst.-griffier bij de Arrond.-liegtbank te Almelo, Mr. H. E. Kann, advokaat te 's Gravenhage.

— Bij Z. M. besluit van dezelfde dagteekening, n". 2, is aan Mr. II. Guichart Abresch , op zijn daartoe gedaan verzoek , met ingang van 15 .Maart 1872, eervol ontslag verleend als notaris te Zuidhorn

BERIGTEN.

's Gravenhage, den 30 December.

"Magnus mihi eris Apollo», zeiden wij (Weekbl. n°. 3276) bij de optreding van den heer Jolles als minister van justitie, zullen wij zeggen van hem, die ons eene regterlijke organisatie bezorgt. En wij zeggen dat nog. De minister heeft met de ondergaande zon van het jaar 1871 ons met een ontwerp, hoe zullen wij zeggen, verrast of verblijd? het eerste zou niet het juiste woord zijn, en het tweede ook niet. Verrast wordt men niet door dat wat men verwacht. En niet de enkele aanblik van wat men verlangt, is genoeg, om er zich over te verblijden, als men niet tevens in de verwachting, in de hoop ten minste, leeft, dat men er vroeger of later ook het genot van hebben zal. In ieder geval, de minister heeft gedaan, wat hij beloofd heeft, en wat hij doen moest. Hij heeft een ontwerp aangeboden. Dat is een verkregen feit. Maar daaraan hebben wij niet getwijfeld. Wij vreezen ook niet, dat een goed, zelfs een redelijk voorstel zal worden verworpen. Maar wij vreezen iets anders. Wij vreezen, dat het zijn zal: //transeat cum coeteris//; niet omdat het onbruikbaar zal worden geoordeeld , maar omdat het niet onderzocht zal worden , omdat het zoolang zal verschoven worden van het eene jaar tot het andere, tot het of ingetrokken wordt, öf verouderd, vergeten, versleten, verjaard zal zijn, vóórdat het nog het volle leven aanschouwd heeft. Waaraan wij altijd gewanhoopt hebben , en waarover wij altijd zeer ongerust zijn, dat is, dat onze tweede kamer er niet toe zal te bewegen zijn om zich bezig te houden met zulk een werk, dat maar volstrekt niet schijnt te behooren tot de parlementaire amoeniteiten. — Over de zaak zelve spreken wij nu niet. Wij wachten daarmede, totdat wij het ontwerp in zijn ganschen omvang met de toelichting kennen zullen. Nn slechts eene bede aan de heeren van het Binnenhof: dat zij er eens toe besluiten om zaken te doen, des noods zonder er veel over te praten; dat zij daaraan des noods eenige algemeene en bijzondere beschouwingen over tegenwoordige en toekomstige begrootingen, eenige motiën van orde, en eenige andere dergelijke, wij willen het gelooven, meer aangename zaken opofferen. — Zulke kleinigheden moeten toch ook gedaan worden. Het mag van minder gewigt, het mag minder amusant zijn, maar ook daaraan heeft het land toch behoefte.

Wij vinden in het laatste nummer van de Bijdr. voor Adm. Regt eene beoordeeling, geteekend met de bekende initialen L. d. G. (Utrecht), van de in 1869 te Leiden verdedigde academische verhandeling van den heer A. F. K. Hartogh : de aansprakelijkheid van den staat voor de onregtmatige handelingen zijner ambtenaren. — De verhandeling zelve, die reeds werd aangekondigd in de Themis van 1869 , zou wel verdienen meer algemeen bekend te wezen dan het geval schijnt te zijn; maar zeker ware het te wenschen, dat de door hem verdedigde leer bij de praktijk betere erkenning en behartiging bij ons vond. Ook de heer d. G. is daarmede zeer ingenomen , en ook hij waarschuwt tegen de dwaling om de verhouding van den staat met zijne ambtenaren en met particulieren te beoordeelen naar de regelen van het jus privatum, die ons van de eene ongerijmdheid en moeijelijkheid tot de andere brengt. Wat de zaak der aansprakelijkheid betreft, komt de beoordeelaar tot deze slotsom: «aan eene beoordeeling of veroordeeling van den staat door een lichaam, dat op staatsgezag zelve is ingesteld, daaraan valt niet te denken. Wat een ambtenaar in het bijzonder gezondigd heeft, als hij met overtreding of overschrijding van de wetten en algemeene maatregelen van inwendig bestuur, dus door onrechtmatige ambtshandelingen aan een ingeze¬

tene schade berokkende, op hem zeiven moet het verhaald worden. — De slotsom is dus: niet de staat, maar de ambtenaren zijn aansprakelijk voor 'tgeen zij ten onrechte doen of nalaten.»

— In de laatste dagen van het vorig jaar heeft bij de uitgevers van dit blad het licht gezien een eerste gedeelte van: Rekeningcourant , door Mr. J. A. Levy. Voor zoover nit deze eerste aflevering kan worden opgemaakt, zal daardoor onze litteratuur verrijkt worden met eene hoogstbelangrijke monographie van den geleerden schrijver over een voor den handel zeer gewigtig en nog weinig besproken onderwerp.

— In de laatste vergadering van de regtsgeleerde sectie van het Prov. Utrechtsch Genootschap is door den hoogleeraar Fruin ter sprake gebragt de vraag over de wenschelijkheid van het behoud of van de afschaffing van art. 1638 B. W., als in verband staande met »de onderwerpen, die men thans gewoon is de sociale quaestie te noemen.» De gevoelens waren verdeeld, maar de meeste sprekers, die zich over de vraag uitlieten , verklaarden zich voor de afschaffing. Het bleef echter bij eene korte bespreking, zonder bepaald besluit.

— Men verneemt, dat in eene plegtige openbare algemeene vergadering van den Hoogen Raad opZatnrdag 6 Jan., des namiddagsten half twee) ure , zullen worden geïnstalleerd de nieuwbenoemde vicepresident en procureur-generaal bij dat collegie, de heeren : Mr. J. D. W. Pape en Mr. F. F. Karseboom.

— Ook verneemt men , dat in eene plegtige openbare algemeene vergadering van het Prov. Geregtshof in Zuidholland op Donderdag 4 Jan., des namiddags ten 2 ure, geïnstalleerd zullen worden de heeren: Mr. W. F. G. L. Franfois, als president, en Jhr. Mr. F. W. A. Beelaerts van Blokland, als vice-president bij dat Hof.

— Den 28 December is overleden de heer J. Evenblij, notaris te Zaandam.

Zwitserland. De tweede kamer der bonds-vergadering heeft besloten in de grondwet te bepalen, dat de doodstraf alleen zal mogen worden opgelegd wegens misdaden, van militairen te velde.

CORRESPONDENTIE.

Dr. A. wil van ons weten , waarom de tweede kamer niet goedvindt de wet op de besmettelijke ziekten in behandeling te nemen. Wij stellen ons volstrekt niet beschikbaar voor het geven van antwoorden op alle vragen, die men goedvindt ons te doen. Wij herinneren Dr. A. echter, dat, wat hij van de kamer verlangt, niet mogelijk is, omdat het regerings-antwoord op het voorloopig verslag nog altijd gewacht wordt. —Voor het overige willen wij er wel bijvoegen , dat wij er noch de regering, noch de kamer een verwijt van maken, dat zij zich met deze zaak niet zoo erg overhaast, misschien wel omdat beiden zich willen wachten voor onbekookte besluiten, ingegeven door den angst en de pressie van buiten.

REGTSGELEERDE UITGAVEN.

ENGELSCHE LITERATUUR.

Andrews (J.), Frecedents of I.cases , witte Practical Notes. 12°. p. 234. London , Shaw and S.

Beeton's Handbook of the Law relating to Wills , Executors, Administrators, and Trustees. 12"., p. 164. London, Ward and L.

Handbook of the Law relating to Securities, Sureties, and Lia-

bilities. 12»., p. 136. Ward and L.

Bboüghton (L. P. D.l, Code of Civil Procedure. 4th. ed. revised by C. J. Wilkinson. 8°. London, Thacker.

ADYERTENTIEN.

Bij onderhandsche acte van den 28 Dec 1871, behoorlijk geregistreerd, is de vennootschap, den 21 Dec. 1866 aangegaan tusschen I. BELINFANTE en AUG. BELINFANTE, tot het drijven van den boekhandel enz., te 's Gravenhage, onder de firma van GEBR. BELINFANTE, ontbonden; terwijl bij onderhandsche acte van den 29 Dec. 1871, mede behoorlijk geregistreerd, tusschen dezelfde personen en onder dezelfde firma eene nieuwe vennootschap is aangegaan. Deze nieuwe vennootschap zal een aanvang nemen met 1 Jan. 1872 eu voortduren tot 31 Dec. 1876. Beide contractanten hebben het regt tot teekening der firma, maar geen van beiden is bevoegd, zonder schriftelijke toestemming van den ander, door het accepteren van wisselbrieven of ander handelspapier, de firma te verbinden.

Ter perse: le SUPPLEMENT (18Y1)

op

DE AFDEELING KOOPHANDEL

VAN

LEON'S REGTSITiAAK.

bewerkt door

Mr. «T. A. LEVY.

Dit le Supplement zal in Januarij 1872 bij de Uitgevers GEBR. BELINFANTE, te V Hage, het licht zien.

Snelpersdruk en Uitgave van GKHHOEDKKS BEUMFAMTE , te 's Gravenhage»

Sluiten