Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dwalingen des regters en de tekortkomingen yan partijen of hare vertegenwoordigers te geven, het bij alle misdrijven eenvoudig af te

schaffen ?

Men bedenke toch ook, dat, zoo er over de toelaatbaarheid van het crimineel appèl tusschen de mannen van het vak groot verschil heerscht, de volksovertuiging veeleer gezind is voor uitbreiding van dit regtsmiddel tot de zaken, waarvoor het niet is gegeven , dan voor afschaffing van die zaken, waarvoor het thans bestaat. De openbare meenirig hecht groot gewigt aan den waarborg voor eene goede regtspraak , gelegen in een dubbel, vrij, volledig, onbegrensd onderzoek der zaak in haar ganschen omvang; en het onderscheid, in dit opzigt door onze tegenwoordige wetgeving gemaakt tusschen burgerlijke en strafzaken , dat velen nog wenschen uit te breiden, wordt door haar vrij algemeen gewraakt.

Laat nu die onderscheiding zich goedmaken door de redenen, welke men er voor heeft aangegeven? De ondergeteekende kan het niet aannemen.

In strafzaken, zegt men, wordt het bewijs van schuld hoofdzakelijk geput uit verklaringen van getuigen, en dezen kan men in hooger beroep minder vertrouwen dan in eerste instantie, omdat er dan meer tijd is verlooperi tusschen hunne bevinding en hunne verklaring , en zij meer vatbaar zijn geworden voor verkeerde indrukken van buiten af.

Vooreerst vergeet men bij deze redenering, dat toch ook een zeer groot aantal burgerlijke zaken, en daaronder zeer gewigtige, zoo als die, welke den persoonlijken staat betreffen , het bewijs hoofdzakelijk, zoo niet uitsluitend, volgt uit verklaringen van getuigen, voor welker waardering dezelfde voorschriften gelden als in het strafproces (artt. 1945 Burgerlijk "Wetboek, 435 Strafvordering). Ten andere, wat men stelt wordt door de ervaring niet bewezen. Zeker kan het gebeuren en is het niet zonder voorbeeld, dat de getuige, die in eerste instantie

de waarheid heeft gesproken, deze in appèl, onder de werking van verkeerde invloeden, tracht te verbloemen; maar hetomgekeerde.dat de getuige eerst bij zijne tweede verschijning de volle waarheid spreekt, is evenzeer mogelijk en ook daarvan ontbreken de voorbeelden niet.

Niet veel meer grond heeft de vrees, dat in de weinige weken, die tusschen de behandeling van het geding in de twee instantien verloopen , de herinnering van den getuige ten aanzien van de omstandigheden, waarover zijne verklaring loopt, minder levendig zoude worden. Zeker dit kan gebeuren; en dan zal de regter in hooger beroep bij de waardering van het getuigenis ook daarop hebben te letten, maar de regel is het niet. Wanneer de getuige reeds eenmaal, en, heeft er eene instructie plaats gehad, soms herhaaldelijk voor den regter is verschenen en door hem is verhoord, blijft hij juist daardoor een levendigen indruk van de zaak behouden, en het zal wel tot de uitzonderingen behooren, dat deze na eenige weken of maanden reeds is verdwenen of verflaauwd.

Wat van dit alles zij, het raakt de hoofdzaak niet. Het hooger beroep is geen volmaakt regtsmiddel, in burgerlijke zaken zoomin als in strafzaken. Maar de vraag is, of dezelfde redenen, die dat middel van herstel, al is het volstrekt niet onfeilbaar, in het burgerlijk proces doen aannemen, in het strafproces ontbreken. Op die vraag nu schijnt het niet wel mogelijk een ontkennend antwoord te geven.

Of is de strafregter voor dwaling onvatbaar, en heeft zijne verpligting om het waarom van het schuldig in zijn vonnis uit te spreken eenige waarde, als de feitelijke overwegingen zijner uitspraak, die niet zelden het meest afdoende bewijs kunnen leveren, dat eene veroordeeling niet goed is te motiveren, aan alle contröle onttrokken zijn ?

En als men in foro civili het hooger beroep noodzakelijk acht als middel van herstel der tekortkomingen, der eigen fouten of onwillekeurige verzuimen van partijen of van hare raadslieden, geldt dit motief dan niet met dubbele kracht in het strafgeding? Verpligten regtskundigen bijstand in alle strafzaken zal men toch bezwaarlijk kunnen invoeren; maar al wordt de beklaagde door een regtsgeleerden raadsman bijgestaan, dan nog zijn fouten, verzuimen in de verdediging op het beslissende oogenblik hier veeleer mogelijk, veel meer vergeeflijk dan in het burgerlijk geding. Het eigenlijke strafproces vormt zich ter teregtzitting in en door het oraal debat. De gedaagde in het burgerlijk proces kent den eisch en de middelen van den eisch reeds uit de dagvaarding. De advokaat in strafzaken verneemt beide eerst volledig uit het requisitoir op hetzelfde oogenblik, dat hij ter verdediging van zijn cliënt het woord erlangt. Is het zeker, dat hij in die geïmproviseerde pleitrede altijd de juiste middelen van verdediging zal kiezen, en, zoo neen, moet dan door zijne fouten, die hem ook dikwijls eerst duidelijk worden uit de motieven van het veroordeelend vonnis, elk middel van herstel zijn uitgesloten? Er is meer. In het civiel proces behoeft de contre-enqnête niet gevraagd te worden, vóórdat de enquête is afgeloopen. Het behoeft geen betoog, dat dezelfde weg niet gevolgd kan worden in het strafgeding. Toch blijkt daarin menigmaal, ook na de meest volledige instructie, eerst ter teregtzitting de noodzakelijkheid om in het belang der verdediging nieuwe gezigtspunten door nieuwe bewijsmiddelen in het licht te stellen. De regter kan dit ambtshalve bevelen, maar hij kan het ook, op de vordering van den verdediger, weigeren. Zelfs is het zeer mogelijk, dat de verdediger door den loop der zaak ter teregtzitting eerst tot het juiste inzigt komt van wat hij nog tot klaarheid te brengen heeft, maar dat hij eenige uren, eenige dagen noodig heeft om te onderzoeken, hoe, door welke getuigen of andere bewijsmiddelen hij dit tot klaarheid brengen zal. Hij is dan wel genoodzaakt de verdediging te aanvaarden met het onvoldoende materiaal, dat hij voor het oogenblik te zijner beschikking heeft. Zal men ook in die gevallen het appèl weigeren? Zoo ja, de revisie ex capite novorum zal moeten worden uitgebreid op eene wijze, waardoor het gezag van het regterlijk gewijsde en daarmede het prestige van de regterlijke magt aan vrij wat ernstiger gevaar worden blootgesteld dan te vreezen is van het hehoud en de uitbreiding van het appèl.

Velen, die dit regtsmiddel in den tegenwoordigen toestand onzer strafregtspleging ongaarne zouden missen, beweren echter, dat het ontbeerd kan worden bij eene andere en, naar hun oordeel, betere inrigting van het voorloopig onderzoek in strafzaken, bepaaldelijk door de openbaarheid van en het optreden van een verdediger bij de instructie. De wenschelijkheid dezer hervorming zal een onderwerp van grondig onderzoek moeten uitmaken bij de weder-aanbieding der ontwerpen van een nieuw Wetboek van Strafvordering; en de

Regering wenscht zich dienaangaande nadere ontwikkeling van haar

gevoelen geheel voor te behouden. Gesteld echter eene hervorming der instructie in de bedoelde rigting kwam tot stand, op de vraag

van het appèl zoude deze buiten invloed moeten blijven. Verpligte

instructie in de plaats van facultatief appèl in alle strafzaken zal waarschiinliik wel niemand wenschen. Maar ook in het betrekkelijk

gering aantal zaken, waarin eene instructie, dat is een voorloopig

onderzoek onder beleid van den regter, noodig is en werkelijk plaats heeft, kan zii het appèl niet overbodig maken. Het doel eener zoo¬

danige instructie, hoe men haar ook inrigte en van welke waarborgen

men haar omgeve, is en moet blijven voorbereiding tot het onderzoek van ingewikkelde strafzaken ter teregtzitting en voorkoming van ligtvaardiee tereatstellina.

Wil men de instructie verheffen tot eene soort van eerste instantie en den regter-coinmissaris tot een regter in eersten aanleg, dan zeker

is na de tweede instantie ter openbare teregtzitting geen Deroep dij

een anderen regter meer noodig. Maar blijft het doel der instructie, ook bii geheel verschillende regeling, hetzelfde, dan kan zij de pro¬

cedure in eersten aanleg niet vervangen, en dus evenmin een facul¬

tatief hooger beroep voor de zaken, waarin zij plaats heeft, overbodig maken.

In de voorafgaande beschouwingen had men meer bepaaldelijk de eigenlijke misdrijven op het oog, niet de overtredingen, waarvan de kantonregter, thans en volgens het derde lid van art. 53 der wet van 1861, in het hoogste ressort kennis neemt. Intusschen mag ook voor deze laatste het appèl niet worden uitgesloten in eene wet, die deze voorziening algemeen aanneemt. Immers ook bij de misdrijven, die ter kennisneming van den kantonregter worden gebragt, hangt de moeijelijkheid der beregting niet af' van de mate der bedreigde straf; en waar de regtspraak in eersten aanleg aan slechts één regter is toevertrouwd, wordt een middel van herstel voor feitelijke dwalingen inzonderheid vereischt.

§ 8. Strafregter in hooger beroep.

Tegen de opdragt der kennisneming van het hooger beroep in strafzaken aan tijdelijke vierscharen of vaste criminele hoven, bestaan ongeveer gelijke bedenkingen als die in § 6 subsidiair zijn ontwikkeld tegen de instelling van zulke tijdelijke of vaste collegiën, om kennis te nemen van de zwaarste misdrijven in eersten aanleg. Daarbij komt hier vooral in aanmerking het bezwaar, dat het brengen der appellen voor het geheele land bij eenige weinige collegiën niet alleen de afdoening zeer zoude vertragen, maar ook de kosten van transport van beklaagden en schadeloosstellingen aan getuigen aanmerkelijk zoude verhoogen. Een appel van regtbank op regtbank (art. 60) verdient de voorkeur.

In beginsel kan daartegen geen bedenking bestaan, wanneer men in het oog houdt, dat, volgens de beschouwingen, ontwikkeld in de vorige paratrraaph, de waarborg van het beroep niet gezocht wordt

in het onderzoek bij eenen hiërarchisch hooger geplaatsten regter, maar eenvoudig in het onderzoek bij een anderen regter. Alleen is het noodig, dat in appel van de zaak kennis genomen worde met een grooter aantal regters dan in eersten aanleg ^art. 6Ij. Voorts wordt aan de practische bezwaren, wel eens tegen het appel van

regtbank op regtbank aangevoeru, te gemoet geicomen , wanneer, gelijk geschiedt in den staat C, behoorende tot art. 60 van het ontwerp , de volgende beginselen worden in acht genomen :

1°. geen mutueel appel. Als men van de regtbank A appelleert op de regtbank B, wordt geen beroep toegelaten van de regtbank B op de regtbank A;

2°. appel alléén op de regtbanken der 1ste en 2de klasse, met het oog op haar meer uitgebreid personeel;

3°. appel dan ook tusschen die alle verdeeld, om geene, en vooral niet de groote regtbanken , met werk te overladen;

4°. appel, zonder inachtneming der provinciale grenzen steeds gebragt bij een regter, zooveel mogelijk in de nabijheid van den regter a guo. Hierin is zeker een onmiskenbaar voordeel gelegen boven de wet van 1861 met haar vijf hoven van appel.

§ 9. Openbaar ministerie bij de regtbanken.

a. Hierarchie. Met de geregtshoven vervallen, even als in de ontwerpen van 1857 en 1859, de procureurs-generaal in de provinciën, thans geplaatst tusschen de Regering en de officieren van justitie. Practisch bezwaar schijnt daarin niet gelegen. Er is geen reden, waarom het departement van Justitie niet regtstreeks zoude kunnen corresponderen met de officieren van justitie , in plaats van door de tusschenkomst der procureurs-generaal, gelijk thans doorgaans geschiedt. Volgens het ontwerp van 1857 (art. 5) droegen de vertegenwoordigers van het openbaar ministerie bij de regtbanken , in het eerste arrondissement der provinciën gevestigd, den naam van procureurs des Konings. Intusschen bleek niet van eenig hiërarchisch verband tusschen dezen en de officieren van justitie bij de overige arrondissements-regtbanken; en dit valt ook moeijelijk aan te nemen tusschen ambtenaren, geroepen tot ongeveer (volgens het tegenwoordig ontwerp, geheel) gelijke functiën.

b. Conclusiën in burgerlijke zaken. Met de afschaffing der cassatie, als regtsmiddel voor partijen in burgerlijke zaken , vervalt de uitzondering op den regel van art. 5, alin. 2, der wet van 31 Mei

1861. Handhaving van aen regel worut wenscuenjK. geaent nooiazakelijk op de volgende gronden.

De conclusiën van het openbaar ministerie in burgerlijke zaken berusten op de vermeende noodzakelijkheid of wenschelijkheid , dat de regter, alvorens regt te doen tusschen partijen, eene onpartijdige voorlichting ontvange van een van Staatswege daartoe aangewezen ambtenaar. In beginsel nu is zoodanig advies niet te verdedigen. De regter ontleent zijn publiekregtelijk mandaat aan het staatsgezag. Krachtens dat mandaat moet hij ten volle bekwaam worden geacht om, op zijn onafhankelijk standpunt en vreemd aan de belangen, die partijen in het burgerlijk geding tegen elkander in het strijdperk brengen, in elk concreet geval als orgaan der wet, met bindende kracht, te verklaren wat regt is. De Staat moet door zijne wetten en door hare rigtige uitvoering alle mogelijke waarborgen geven, dat de regtspraak alleen worde toevertrouwd aan mannen , van wie men mag verwachten, dat zij zich met naauwgezetheid, kunde en strikte onpartijdigheid van die taak zullen kwijten. Maar in hem, die eenmaal tot het regter-ambt benoemd is, stelle men dan ook van Staatswege een volledig vertrouwen. Dit intusschen doet men niet, en men geeft veeleer het voorbeeld van wantrouwen , door den onafzetbaren en onafhankelijke!! regter de verpligting op te leggen om geen vonnis te vellen in burgerlijk geding, alvorens het advies te hebben gehoord der uit den aard hunner betrekking van de liegering afhankelijke ambtenaren van het openbaar ministerie. Daarenboven zijn die adviesen onnoodig en in strijd met een der hoofdbeginselen onzer burgerlijke regtspleging. Onnoodig, omdat de regter, die op de hoogte zijner taak is , en de onderstelling van het tegendeel mag de wetgever niet aannemen , toch wel in staat zal worden geacht om zijn oordeel zelfstandig te vestigen na de schriftelijke en mondelinge voordragt van partijen. In strijd met een der hoofdbeginselen van ons burgerlijk proces, de onmiddellijke aanraking tusschen den regter en partijen (die Unmittelbarkeit), waarmede het niet in overeenstemming is , dat een officieel adviseur zich plaatst tusschen beiden , ten einde den regter zijne indrukken , zijne opvatting , zijne feitelijke en regtskundige waardering der zaak iii geschil mede te deelen , nadat de openlijke en mondelinge strijd tusschen partijen is gesloten. De wetgever schijnt dit zelf te hebben gevoeld, en een correctief te hebben gezocht in art. 328 , alin. 2 , Burgerlijke Regtsvordering. Maar dit correctief is onvoldoende; en het bezwaar ware alleen geheel op te heffen door een middel, dat aan nog meer bedenking onderhevig is , namelijk de heropening van het mondeling en openlijk debat tusschen het openbaar ministerie en partijen , nadat het tusschen partijen onderling is geëindigd.

Eene laatste, gewigtige bedenking tegen de tusschenkomst van het openbaar ministerie in civiele zaken, waarin het niet als partij optreedt, is de onmogelijkheid om dit stelsel consequent in toepassing te brengen. De grootste voorstanders dier tusschenkomst geven toe, dat, zonder eene aanmerkelijke en door hen niet aanbevolen uitbreiding van het personeel van het openbaar ministerie, aan het verpligtend stellen der conclusiën in alle zaken niet te denken valt. Al dadelijk nu is van de verpligte adviesen in het geheel geen sprake bij de kantongeregten, terwijl het toch niet te betwisten valt, dat, als het beginsel goed is, het vooral in werking zoude moeten worden gebragt b\j den

alleen regtsprekenden regter, die de voorlichting van ambtgénooten, en in den regel ook die van de regtsgeleerde vertegenwoordigers van

partijen ontbeert. Wat verder betreft de gedingen bij de regterlijke

collegiën , wordt hoofdzakelijk onderscheiden tusschen zaken , die al

of met de openbare orde raken en waarin al of niet als partijen optreden

personen, die het vrije beheer hunner goederen missen. Wat de eerste

onderscheiding aangaat, weet ieder regtsgeleerde, hoe onbestemd en weinig zeker het wettelijke begrip van openbare orde is; terwijl tegen de tweede onderscheiding teregt kan worden aangevoerd , dat, wanneer, gelijk werkelijk het geval is, een persoon , die het vrije beheer zijner goederen mist, niet voor den burgerlijken regter mag optreden dan vertegenwoordigd door dengene, aan wien , volgens de wet, de zorg voor dat beheer is opgedragen, er geene aannemelijke reden

bestaat om te zijnen aanzien meer waarborgen te vorderen in het

proces dan voor andere gedingvoerenden.

in slotsom, zijn ue u.-uun vtui uei openuaar muusienc wu uw-

dige waarborg voor eene goede regtspraak in burgerlijke zaken, dan voere men ze algemeen in, ook bij de kantongeregten. Kan daarente¬

gen , gelijk de ondergeteekende meent, aan den regter veilig de regt¬

spraak in burgerliike zaken worden overgelaten , zonder advies van

het openbaar ministerie, dan vordere men het ook in geene enkele

zaak.

§ 10. Openbaar ministerie bij de kantongeregten.

Art. 62 der gemeentewet verklaart de betrekking van burgemeester onvereenigbaar met die van ambtenaar van het openbaar ministerie of van de griffie bij eenig regterlijk collegie; en dat onder regterlijk collegie hier ook de kantongeregten begrepen zijn, blijkt uit art. 292 , volgens hetwelk de bepalingen van art. 45 der wet op de regterlijke organisatie blijven gelden , totdat daaromtrent bij de wet anders zal zijn voorzien

De gemeentewet had, bij het uitspreken dezer incompatibiliteit, het belang van het burgemeestersambt op het oog; maar ook het belang der regterlijke betrekking vordert, dat zij niet langer vereenigd blijve met en als een bloot gevolg beschouwd worde van eene administratieve bediening, welke geheel andere eischen stelt dan in den regterlijken ambtenaar worden gevorderd. Levert art. 45 der Regterlijke Organisatie reeds thans groote bezwaren op , deze zullen nog toenemen bij eene vermindering van het aantal kantongeregten op groote schaal, gelijk bij dit ontwerp wordt voorgesteld.

Bij bet tot stand komen der wet van 31 Mei 1861 was men het dan ook vrij algemeen eens, dat de andere voorziening, waarvan art. 292 der gemeentewet spreekt, mede in het belang eener goede en ordelijke behandeling der strafzaken bij de kantongeregten noodzakelijk is. Meer verschil heersehte er over den aard dier voorziening.

Na zeer aandachtige overweging dezer vraag heeft de Regering gemeend de voorkeur te moeten geven aan art. 4 van het ontwerp van wet boven de wijziging, daarin gebragt door het in de zitting der Tweede Kamer van 17 November 1860 (Bijblad bl. 220 en 221) voorgestelde en aangenomen amendement van den heer Olivier.

De instelling der rondreizende substituut-officieren van justitie levert uit een oogpunt van bezuiniging weinig of geen voordeel op. Zoo niet bij alle, dan toch wordt zeker bij de meeste regtbanken een substituut meer vereischt voor de waarneming der functiën van het openbaar ministerie bij de kantongeregten in elk arrondissement. Bij de zamenstelling van het laatste ontwerp eener regterlijke indeeling is dit duidelijk gebleken.

Afgescheiden nu van de finantiële vraag , schijnt het verreweg verkieslijk de ambtenaren , belast met de uitoefening van het openbaar ministerie bij de kantongeregten met geene werkzaamheden bij het parquet der regtbanken te belasten en hen dus ook niet daaraan te verbinden. Zij kunnen zich dan onverdeeld aan hun bijzonderen werkkring wijden ; en het gevaar wordt vermeden, dat, bij tijdelijke drukte op het parquet der regtbank , de afdoening der zaken bij de kantongeregten wordt vertraagd of niet plaats heeft met de vereischte zorg en naauwgezetheid. Mogt daarentegen blijken, dat de waarneming van het openbaar ministerie bij de kantongeregten in een of ander arron¬

dissement geen genoegzaam ruimen werkkring opent voor één persoon, dan kan , voigens art. 4 van het ontwerp, die waarneming voor meer dan één arrondissement aan denzelfden ambtenaar worden opgedragen

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Kamer van Ktrnfiaketc.

Zitting van den 14 November 1871.

Voorzitter, Jhr. Mr. B. van den Velden.

Versperren en de doorvaart belemmeren van eene doorloopende sloot in een polder. — Keur. — PRAEJUDiciëLE quaestie. — Schorsing. — Geschilpunt van burgerlijk

regt. — elgendomsregt. — begrip van waterschapsbelangen. üegt vetlstand van het woord v o i e.

Is niet teregt bij de beklaagde uitspraak verstaan, dat, ook al had de beklaagde eigendomsregt op de onderwerpelijke sloot, dat regt dan nog zou ondergeschikt blijven aan de beperkingen van 'de keur, waarvan ten deze de rede, zoodat er geen sprake kan zijn van schorsing van het strafgeding ter zake van het bestaan van een geschilpunt van burgerlijk regt t — Ja.

Moet, hoezeer noch bij de Grondwet, noch bij de wet van den 12 Julij 1855 eene bepaling voorkomt van hetgeen onder waterschapsbelangen is te verstaan, worden aangenomen, dat daaronder eene voorname plaats bekleedt het bevorderen van den goeden afloop van het water in een polder of waterschap? — -la.

Moet onder het woord voie worden verstaan een weg (chemin), zoodat de versperring van een water niet kan geacht worden te zijn begrepen in de toepassing van art. 471, n°. 4, Strafregt1 — Ja.

E. Brandts van Doesburgh , houtkooper, wonende te Zaandam, heeft zich in cassatie voorzien tegen een vonnis van den kantonregter te Zaandam van den 2 Sept. 1871, waarbij de req. is schuldig verklaard aan het versperren en de doorvaart belemmeren van eene doorloopende sloot in den polder Westzaan , zonder schriftelijke toestemming van Dijkgraaf en Heemraden: overtreding, voorzien bij de artt. 5 en 7 der keur betreffende de landen en slooten in den polder Westzaan , vastgesteld den 8 Maart 1859 ; en te dier zai^e veroordeeld in eene geldboete van J 10 en in de kosten , voorts tot subsidiaire gevangenisstraf van één dag.

Nadat te dezer zake door den raadsheer Gockinga het verslag was uitgebragt en de advokaat van den req., Mr. C. Asser , de voorziening nader bij pleidooi had toegelicht, heeft de adv.-gen. Smits de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heeren, President en Raden ! De req. had io eene doorloopende sloot in den polder Westzaan zoovele balken doen leggen, dat geen vaartuig zich door die sloot kon bewegen. Deze dus was versperd en de doorvaart daarvan belemmerd. Te dier zake werd

Sluiten