Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 29 Januarij 1872.

N° 3414

WEEKBLAD VAN HET REGT

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

V1ER -MN-DERTlGSTJi-J AAR GANG.

•JUS ET VERITA8.

Bit blad verschijnt des Maandags en Donderdags, en om, de veertien dagen ook des Mngsdags, — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der adverlentiën. 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers.

HOOGE RAAD DEK NEDERLANDEN.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 16 December 1871.

Voorzitter, Mr. F. de Greve.

Aanneming. — Onder-aanneming. — Ambachtsman. — Faillissement. — Verificatie.

Ia de bepaling van art. 1650 B. W. ook van toepassing op onderaannemers? — Ja.

Kan de ambachtsman of onder-aannemer dat artikel nog inroepen tegen den aanbesteder, nadat hij zich voor zijne vordering heeft laten verifiëren in het faillissement van den aannemer ? — Ja.

M#erhoff en D. of Th. Arntz, meesters-raetselaars, te Hedel, eischers

in cassatie, procureur Mr. M. Eyssell,

tegen

den Slaat der Nederlanden, gedaagde, procureur Mr. C. J. FRAN901S.

frc adv.-gen. Karseboom heeft in deze zaak genomen de volgende conclusie :

Edel Hoog Achtbare Heeren ! De eischers hebben gevorderd veroordeling van den Staat, als aanbesteder van werken voor de brug ovei 'le Maas bij Crevecoeur , 0111, binnen acht dagen na de beteekenirig van het arrest, of anders op den dag, waarop de som , die de ged. aan den gefailleerden aannemer R. van der Vlugt ten dage der dagvaarding nog was verschuldigd, opeischbaar zal wezen, tegen kwijting, aan den eischer te betalen de som van f 1675.25, of zoodanig bedrag als wettig blijken zal, dat de eischers uit het faillissement van geraelden van der Ylugt minder mogten hebben ontvangen dan 'üe f 1675.*25; of, zoo de ged. op het oogenblik, dat deze regtsvordering is aangelegd, een minder bedrag dan de beide zoo evengenoemde bedragen aan van der Ylugt voor het werk, waartoe de eischers gebezigd zijn , mogt schuldig zijn geweest, alsdan eene som, ten beloope van dit minder bedrag; alles eindelijk, met veroordeeling Van den ged., uit hoofde zijner tegenspraak , in de kosten van het regts^eding, welke vordering door hen is gegrond op art. 1650 B. W»

De ged. heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk-verklaring , imkers tot ontzegging , vermits :

1°. de vordering zou zijn te voorbarig en te onzeker ;

2°. dat de eischers zouden zijn onder-aannemers, en onder-aanneming b'j het contract van aanbesteding zou zijn ongeoorloofd zonder goedkeuring van den aaubesteder, welke uiet is gevraagd;

3». dat art. 1650 B. W. niet toepasselijk zou zijn op onder-aan-

nemers;

4°. dat de verificatie eener schuldvordering in een faillissement geen bewijs is Voor de schuld tegenover den aanbe3teder.

Ik meen, dat eene andere orde bij de behandeling dezer vier punten geleidelijker zal zijn : en ik vang dus aan met het derde punt: de acti<:, welke gij instelt, wordi aan u niet gegeven tegen mij ex art. 1650 B. W.; tibi contra me non competit actio; gij zijt onder-aan nemers, en de wet kent deze actie tegen dengene, ten wiens behoeve het werk gemaakt is , alléén toe aan den werkman , niet aan den werkbaas, aai^ den onder-aannemer, aan ambachtslieden alleen , die (door den aannemer) zijn gebezigd tot het maken van het aangenomen werk.

Be eischers nu hebben wel doen zeggen , dat zij geene onder-aannemers zijn, mapr metselaars, en alzoo ambachtslieden, door den aannemer gebezigd; doch dit beweren is in strijd met hunne overige judi<:iele contenance. Bij de dagvaarding toch beginnen ze zelve te stellen, dat ze van den hoofd-aannemer hebben aangenomen het maken van alle metselwerken voor de landhoofden en pijlers, vervat in bestek n°. 310 der staats-spoorwegen , en dat zij dat metselwerk behoorlijk hebben afgewerkt, en wel te zamen tot een bedrag van f 9591.55, waarop is afbetaald f 7916.30; en ze hebben zich ook doen verifiëren, volgens hunne eigene productie, voor verrigt metselwerk , als onder-aannemers.

De vraag kan dus alleen zijn, of art. 1650 B. W. op dergelijke

um ':r-aannemers meue net oog neelt r Dit artikel, hetwelk zeil m zijne geschiedenis geene bouwstoffen tot oplossing aanbiedt, is eene 0vername van art. 1798 C. C.; en ouder de Fransche wet was men Van meening, dat zijne bewoordingen alleen konden slaan op handwerkslieden en alzoo op hen, die werk, niet op hen, die bouwstoffen hadden p-eleverd (zie het arrest van Lyon van 17 Junii 1846 . aan-

geh$aid bij Zachariae, Fransche ed. 4, 4i5, nota 19, en vergelijke •^aLloz. Réuv. louaqe tfouvrage et d industrie. 30, n1-». L i 7. nota H :

ln t-a.su echter is alleen sprake van metselwerk, en dus doet die

^Uaesiie niet ter zake. Er zijn, uie net regt tot deze vordering ont-

n nnn nnflp.i .nannfimei'S eil net alleen toeiiennen aan den p.iuvniliilr

gezo den handwerksman, zoo als Maecade, XII, p. 550, nota 1, °P grond van een arrest van het Hof van cassatie van li Nov. 1867; Hnderen niet. zoo als Dalloz 1. c. aanhaalt het arrest van Douai van 30 Maart 1833, hetwelk het regt toekende pour travaux de ménuiserie aaii eeri onder-aannemer, zoo als het arrest van viontpellier van 22 1850 , aangehaald bij Zachariae 1. c., ook beslist (1). Naar ^Üfte opvatting is de laatste meening de meest juiste. Den handenarbeid heeft men , wanneer de aannemer geld daarvoor zou kunnen 0Rtvangen , niet onbetaald willen laten, hetzij die betaling aan de ^eri;iie(jeil jja(j moeten geschieden in dag- ol weekhuur, hetzij in eP*alde sommen, naarmate van afgeleverd werk, wanneer de hand¬

(l) "Elle appartient aux ouvriers qui se sont rendus sous-entrepre-

neut? et qui ont fourni le travail d'autres ouvriers en même temps

"üe leur travail propre.»

werksman , hetzij alleen , hetzij in vereeniging met anderen , of met zijne ondergeschikten, dit handwerk mogt hebben aangenomen bij het stuk. De ratio legis ligt, dunkt mij, niet zoozeer in het in bescherming nemen van den persoon des ouvriers als in het waken , dat het handenwerk zoomin mogelijk onbetaald blijve, waar de hoofd-aannemer daarvoor geld te goed had, onverschillig of de werkman per uur of per stuk betaling heeft bedongen. Art. 1651 tf. W. noemt, even als art. 1799 0. C., zoodanige ambachtslieden , als zij onmiddellijk en voor een bepaalden prijs een werk op zich nemen, dan ook aannemers in het vak, waarin zij werkzaam zijn (1). Art. 1650 B. W. op zich zelf is dus, naar mijne opvatting, toepasselijk op vorderingen als in casu.

De tweede grond, waarom de vordering in casu niet-ontvankelijk zou zijn , is gelegen in de omstandigheid, dat de aanbesteding geene onder-aanneming gedoogde zonder goedkeuring van den aanbesteder.

Indedaad verbiedt art. 448 der algemeene aanbestedings-voorschriften om de uitvoering van het werk aan een ander over te dragen zonder schriftelijke magtiging van den minister van Binnenl. Zaken. Het zoude de vraag zijn, of die contractuele bepaling tusschen aanbesteder en aannemer ook van toepassing zou kunnen zijn op de weder-uitbesteding van handwerk als in casu, dan wel of zij niet slaat op de uitvoering van het werk in het algemeen, hetzij in het geheel of ook ten deele, maar in het laatste geval dan toch op een bepaald onderdeel van de geheele uitvoering van het werk en alzoo niet op het verrigten van eenigen handenarbeid, welken de aannemer toch niet zelf kan verrigten en welken hij aan arbeidslieden steeds wel zal moeten opdragen, welke dan door hem worden aangenomen in daghuur, weekhuur of met betaling bij het stuk. Maar wat daarvan ook zij , ik geloof niet, dat de aanbesteder tegenover zoodanige werklieden zich mag onttrekken aan het gebiedend voorschrift van art. 1650 B. W., hetwelk aan dezen voor het handwerk een regt tot ontvangen van hun loon toekent uit hetgeen de aanbesteder voor het verrigte werk in kas mag hebben of nog verschuldigd mogt zijn , uit hoofde dier aanneming, aan hem , die den werkman daartoe had in het werk gesteld. De aannemer had welligt uit dien hoofde den werkman van het werk kunnen weren; maar nu het werk is afgedaan met weten en onder toezigt van den aanbesteder (zie o. a. art. 466 der algemeene voorwaarden), gaat het niet aan, de betaling, volgens art. 1650 B. W., aan dienzelfden werkman te weigeren op den enkelen grond, dat het verrigte werk niet in dag- of weekhuur zou zijn verrigt, en de werkman had moeten weten, dat het contract van aanbesteding niet veroorloofde eenig handenwerk per stuk weder aan te nemen. Ik geloof niet, dat die verdediging kan opgaan.

Maar, zegt de verweerder, in de eerste plaats, uwe actie is te voorbarig en te onzeker; en volgens de conclusie berust dit beweren daarop, dat de aannemer in staat van faillissement is verklaard, en dat de eischers zich als crediteuren in dat faillissement hebben doen erkennen.

De geachte pleiter voor deu ged. schijnt der meening te zijn toegedaan, dat het faillissement minder bezwaar zou hebben opgeleverd, indien de eischers zich maar niet hadden doen verifiëren. Ik geloof, dat men de vraag in het algemeen, zonder die distinctie, moet stellen: verhindert het faillissement van een aannemer gebruik te maken van de gunstige bepaling van art. 1650 B.W.? En ik moet haar ontkennend beantwoorden. Men zou zich kunnen beroepen (en de geachte pleiter sprak in dien zin), dat art. 1178 B. W. al de goederen van den gefailleerde tot gemeenschappelijken waarborg voor al zijne schuldeischers stelt, en er op deze wijze een privilegie voor de handwerkslieden zou worden geboren , hetwelk zij niet hebben , waardoor zij wel en de overige crediteuren van den failliet niet integrale voldoening zouden kunnen erlangen; terwijl, hetgeen de aanbesteder mogt schuldig zijn, toch tot de baten van de failliete massa behoort. Van een privilegie in den zin van art. 1185, n°. 8, in verband met art. 1193, B. W., uit te oefenen in de failliete massa, kan geen sprake zijn, omdat in die massa het voorwerp zich niet bevindt, waarop het voorregt is gevestigd. Dit zou alleen kunnen geschieden met opzigt tot den ged. in deze, eigenaar en bezitter van het in deze betrokken onroerend goed. Maar er is eene andere reden. Zoodra toch de werkman zijn regt op nog niet betaalde aannemingsgalden heeft doen gelden, is de aanbesteder die aan hem verschuldigd en niet aan den aannemer en diens boedel. Hij behoeft die niet aan de massa uit te betalen, maar volstaat met de quitantie van den werkman. De wet onderscheidt indedaad niet tusschen onwil en onvermogen van den aannemer; en men kan niet aannemen, dat art. 1650 B. W., betaling aan den werkman verzekerende voor den arbeid, dit niet zou hebben gewild bij faillissement van den aannemer. Deze heeft in de aannemingspenningon te ontvangen o. a. het loon van den werkman ; daarop hebben, door de bepaling van art. 1650 B. W., de overige crediteuren van den faillieten aannemer geen regt. Het is de inschuld van den handwerksman, niet meer van dengene, die dezen in het werk stelde. In dien geest is de vraag dan ook beslist in de noot op Zachariae . 1. c., volgens Duranton , Duvergier, Troplong, met aanhaling van de arresten van Douai van 30 Maart en 13 April 1833, te vinden bij Dalloz, 1. c., notas 1 en 2 (zie ook Marcade , 1. c-> p- 551 en aldaar nota 2) en het door de eischers aangehaalde arrest van Noordholland van 12 Dec. 1850 (Regtsgel. Bijbl, 1851. 179 volgg.).

Dat de eischers zich zouden hebben doen verifiëren voor hetzelfde bedrag , kan geen bezwaar opleveren; en dat is tevens het antwoord op het beweren . dat de vordering zou zijn voorbarig en onzeker, vermits daarbij de ged. uit het oog verliest, dat de vordering niet geschiedde pure et simpliciter, in allen gevalle voor een bedrag van f 1675.25, maar dat zij is gedaan en volgehouden steeds onder aan-

(l) Ook aan de werklieden van onder-aannemers kende het Hof van cassatie op 17 Junij 1846 (zie Zachariae 1. c.) deze directe actie toe. Wanneer er conflict mogt bestaan tusschen deze en de werklieden persoonlijk, zou, naar ik meen, met regtsgevolg aan die arbeiders kunnen z\jn betaald.

bod om daarop te doen korten hetgeen het faillissement mogt opleveren, en ook dat, wat de aanbesteding mogt blijken minder in kas te hebben van de aannemingssom. Zij wilden niet meer ontvangen dan er noo* was a ce titre; en ze waren bereid zich te doen korten de percenten, welke het faillissement voor hen mogt opleveren. Dat gekorte , zoo het er is, zal dan weder verschuldigd en uitgekeerd worden aan de massa, en dubbele betaling zal er aldus geene plaats grijpen , en die vragen zullen eerst te pas komen bij de executie van het te geven arrest, nu geen feitelijk beweren te dien aanzien aan de zijde van den Staat is gesteld.

De geëerde pleiter voor den ged. heeft wel gesproken van de omstandigheid, dat de eischers wisten, dat de Staat ook crediteur van de massa is, en van een telegrafisch berigt, den dag vóór de pleidooijen ontvangen, dat de Staat voorwaardelijk zou zijn geverifieerd voor f 22,671.565- doch in de dingtalen zelve, in de stukken van den dominus litis , komt niets voor van eene verdediging, dat de Staat niet meer schuldig was. In de litis-contestatio is zoodanig beweren , zoodanige afwering der vordering, niet gevoerd. De regter kan alzoo daarop niet ingaan.

Het vierde punt van verdediging, dat de verificatie geen bewijs van schuld opleverde tegenover den aanbesteder, is bij het pleidooi niet aangedrongen. Uit het extract der minuten van de Regtbank te 's Bosch , bij de stukken overgelegd, bliikt, dat in het faillissement

de eischers zijn erkend voor het aangegeven bedrag voor verrigt metselwerk als onder-aannemers. Hunne oorspronkelijke vordering is dus erkend door of namens den oorspronkelij ken debiteur ; en, met zoodanig

bewijs vis a vis (lezen gewapend, kan men de actie van art. 1650 B. W. voorzeker uitoefenen, behoudens tegenbewijs , hetgeen niet is

geleverd, noch aangeboden.

Ik heb, ten gevolge dezer beschouwingen, de eer te concluderen tot toewijzing van de vordering, gelijk zij is liggende, met veroordeeling van den Staat in de kosten.

De Hooge Raad enz.,

Ten aanzien der daadzaken :

Overwegende, dat de eischers den 12 Febr. 1870 den Staat der Nederlanden hebben gedagvaard voor den Hoogen Raad , ten einde zich te hooreu veroordeelen, binnen acht dagen na de beteekening van het in deze te wijzen arrest, of anders op den dag, waarop zal zijn opeischbaar de som, die de ged. thans nog is verschuldigd aan den aannemer li. van der Vlugt Jr., handelende onder de benaming van R. van der Vlugt Jr. en Comp., ter zake van het metselwerk, waartoe zij door dezen zijn gebezigd voor de door hem aangenomen vervaardiging eener brug over de rivier de Maas bij Crevecoeur, tegen kwijting,— aan de eischers te betalen de som van f 1675.25 , of zoodanig bedrag als wettig blijken zal dat de eischers uit het faillissement van gemelden van der Vlugt minder mogten hebben ontvancren dan die

f 1675.25, of, zoo de ged. op het oogenblik van het aanleggen dezer

.cgiavutuonu» een mrnuer Dearag aan ae Deiae zoo evengenoemde sommen mogt schuldig zijn aan van der Vlugt voor het werk , waartoe de eischers zijn gebezigd , alsdan eene som ten beloope van dit minder bedrag , met verdere veroordeeling in de kosten van het geding . behoudens, voor het geval, dat deze vordering niet mogt worden betwist, korting dezer proceskosten op hetgeen ter zake van ditzelfde werk door den Staat nog aan den faillieten boedel van van der Vlugt moet worden uitbetaald; en zulks hoofdzakelijk op grond, dat zij, van genoemden aannemer hebbende aangenomen het maken van alle landhoofden en pijlers, vervat in het bestek voor meergenoemde brug, en dit metselwerk behoorlijk hebbende afgewerkt, per resto daarvoor nog van hem hebben te vorderen voormelde som, waarvoor zij zijn geverifieerd in het faillissement van dien aannemer, terwijl het stellig is te verwachten, dat zij, ten gevolge van dit faillissement, het volle bedrag hunner vordering niet zullen bekomen, en zij meenen te weten, dat de ged., tijdens de dagvaarding, aan genoemden aannemer op het werk , waartoe de eischers door hem zijn gebezigd , nog f 4642.50 schuldig is; zijnde daarbij als regtsgrond voor de aansprakely kheid van den ged. door hem aangevoerd, dat ambachtslieden en o. a. ook metselaars, die zijn gebezigd tot het maken van eenig aangenomen werk, eene regtsvordering hebben tegen hem, ten wiens behoeve werken zijn gemaakt, en wel ten beloope van hetgeen deze aan den aannemer schuldig is op het oogenblik van het aanleggen der regtsvordering ;

0., dat, nadat de eischers door den Hoogen Raad zijn toegelaten tot het kosteloos voeren van dit geding, van wege den ged. bij antwoord is geconcludeerd tot niet-ontvankelijk-verklaring, immers tot ontzegging der vordering, en zulks, vermits deze zou zijn ongegrond en in allen gevalle voorbarig en onzeker; het eerste, naardien art. 1650 B. W. in deze niet zoude zijn toepasselijk , bovendien geene onderaanneming mogt plaats hebben zonder goedkeuring van den aanbesteder, die noch is gevraagd, noch verleend, en dan nog de verificatie eener schuldvordering in een faillissement geen bewijs is voor de schuld tegenover den aanbesteder; terwijl de beweerde voorbarigheid en on zekerheid der vordering daarop zoude berusten , dat het is ongewis,wat uit de failliete massa zal worden uitbetaald ;

0-, dat, nadat deze verschillende gronden van tegenspraak van wege de eischers bij repliek zijn beantwoord, na van wederszijden ter openbare teregtzitting genomen conclusie,n , de zaak is bepleit;

Ten aanzien van het regt:

0., dat de ingestelde vordering berust op art. 1650 B. W., waarbij aan metselaars en andere ambachtslieden, gebezigd tot het maken van eenig aangenomen werk , wordt toegekend eene regtsvordering tegen

hem, ten wiens behoeve de werken zijn gemaakt, ten beloope van hetgeen deze aan den aannemer schuldig is op het oogenblik, waarop zij hunne regtsvordering aanleggen; dat de eischers, zelve bij dagvaarding hebbende gesteld , dat zij van den hoofd-aannemer hebben aangenomen het maken der landhoofden en pijlers der door dezen ter vervaardiging aangenomen brug, moeten worden beschouwd als onderaannemers ; dat de toepasselijkheid van gezegd artikel op de zoodanigen , en bij gevolg op de eischers, wordt ontkend door den ged., als zijnde het daarbij toegekend voorregt alleen gegeven aan ambachtslieden , dat is aan werklieden , die alleen hun arbeid, geen^zius de

Sluiten