Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 49 Februarij 1872.

N® 3421.

WEEKBLAD VAN HET REGT

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

VIER-EN-LERT1 GSTE-J AAR GANG.

JUS ET VERITAS.

Dit blad verschijnt des Maandags en, Donderdags, en om de veertien dagen ook des Dingsdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met ƒ1.00 verhooging. — Prijs der advertentiën, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Openbare al^emeene vergadering van Xaturdag, ÏO Februarij 1873,

Ter installatie van den lieer Mrs. C; POlIi * als Advokaat-generaal,

Onder voorzitterschap van Mr. F. de Greve.

Ten twee ure wordt de vergadering door den heer Voorzitter geopend.

Hij verzoekt den heer Griffier, Jhr. Mr. N. de Gijselaar , den nieuwbenoemde in de vergaderzaal te leiden.

nieuwbenoemde voor den Voorzitter plaats hebbende genomen, ▼erleent de Voorzitter het woord aan den Procureur-generaal.

Dt heer Procureur - generaal, Mr. F. F. Karseboom , zegt het v°lg«nde:

Mijne Meer en, de V oorzitter en Raden in den Hoogen Raad der Nederlanden !

Edel Hoog Achtbare Heeren !

Bij Koninklijk besluit van den 8 December 1871, 19, is de heer ]yir. q# Polis , Raadsheer in het Provinciaal Geregtshof van ^oordholland, in mijne plaats benoemd tot Advokaat-generaal bij dit Hooge Regtscollegie.

Aanhangige regtszaken, tot wier beëindiging de benoemde ambteüaar nog had mede te werken in zijn vorig ambt, hebben zijne beëdiging en optreding eenigermate vertraagd.

Tfians is het mijne taak, ten einde aan 's Konings welmeenen het Verdtre vereischte gevolg te geven, in deze plegtige teregtzitting de 1D8taiiatie van dezen mijnen opvolger in mijne vroegere betrekking e .^uireren.

'j weten het, Mijne Heeren! bij die gelegenheid pleeg U geachte 0l''zitter het woord tot U en den optredenden regtsmagistraat te ; en ik vermeen ook in dit opzigt het voorbeeld van mijn geachten ambtsvoorganger te mogen volgen en in den regel die taak aan dien Weisprekenden mond te moeten overlaten, aan wien zij zoo we' • eu beter dan aan mij , is toevertrouwd.

■U heb mij evenwel veroorloofd hierop, mede op het voorbeeld van ®>jn ambtsvoorganger, eene uitzondering te maken, toen ik onlangs ln wijne tegenwoordige betrekking mogt optreden en ik mij gedrongen gevoelde voor de heusche, bij die installatie, tot mij gerigte, toespraken mijnen dank te betuigen en de welwillendheid en hulp van ai>en in te roepen, welke ik gevoelde, en nog blijf gevoelen, zoozee] te behoeven, om de taak, welke mij wachtte, naar behooren te kunnen volbrengen.

ii?:fl ik daarbij vooral mij aan te bevelen in de veelzijdige vriendschappelijke hulp van hen, die ik destijds reeds mijne mede-arbeiders °P mijn arbeidsveld mogt noemen en wier welwillendheid, ijver en tun.Je mij reeds gedurende langeren of kortoren tijd gebleken waren, verwonderen zal het U niet, dat ik , nu een nieuwe ambtgenoot ge*ec<i staat naast mij op te treden, een kort woord aan het gebruike requisitoir doe voorafgaan.

Hartelijk heet ik dan, ook namens de reeds mij omringende attLtgenooten , u welkom aan dit Parket, Mr. Polis, die door 's KoniDg« keuze geroepen zijt mij ter hulpe te zijn.

bullen wij gens du Roi et gens de la loi onze roeping naar behooren vervullen in de onderscheidene werkzaamheden, aan het OpenMinisterie opgedragen, dan behooren wel in de eerste plaats öt*<:rlinge welwillendheid, vertrouwen en eensgezindheid onze werk2a*®»heden te kenmerken en te begeleiden.

, " dien zin zeker behoort het Openbaar Ministerie genaamd te worden un et indivisible.

^danige aangename zamenwerking, ook bij soms onvermijdelijke Ver':r heidenheid van inzitten in bijzonderheden, is onafgebroken door «an ons Parket gevonden, en zij heeft onze gemeenschappelijke, 8°iüsi moeijelijke taak steeds zeer verligt en veraangenaamd.

V öoral aan het hoofd van het Parket is de voortduring van zoo

—'<*«Kige omstandigheden oneiuuig veei waarü.

geeii,

'öarin zal, naar het ons toeschijnt, door uwe optreding, Mr. Polis,

wny.io-inrv urorilan orpiiratrf.

. *'et vertrouwen roepen wij daartoe dan ook uwe hulp bij vöort'"g in.

Q ''g slechts kort geleden hadt gij de werkzaamheden van het P'-'">aar Ministerie verwisseld met het ambt van Raadsheer iu de wJiï)enl'jke koopstad, de hoofdstad des Rijks, in het Geregtshof, bij

Parket ik mede aangename jaren mogt doorbrengen.

h0(^at er tot het welslagen van het Openbaar Ministerie (en dit beSu v°orzeker tot uwe wenschen) behoort, beboet ik Ü , die als . ^"taut-Officier en als Officier van justitie bij onderscheidene regth *e>> ei1 als Advokaat-generaal bij een onzer belangrijkste geregtsbij_'n niet; ijver en lof uwe betrekkingen hebt waargenomen, niet in

r^nderheden te herinneren.

UWi' "len'c ook aan dit Parket de vruchten uwer regtsgeleerde studiën,

«gtskennis, uwer ondervinding.

Olei'' uwen w'ehvillenden en heuschen omgang, dien ik hoorde roe-

y' °°^ aan ons niet onthouden.

^ij ''yz(mderlijk uwe kl achten hebben aan te wenden

vorirj , e il""'elin;. der voorzieningen in cassatie van de arresten en strafzaken gewezen ; doch het nut der conclusiën in 1 zaken en de afwisselende practische beoefening van beide van het regt worden, in het belang van ambtenaren en regt-

zoekenden beiden, zoolang de regterlijke organisatie ons zal veroorloven ook dit belangrijke deel onzer roeping waar te nemen , door mij op te hoogen prijs gesteld , dan dat ik er niet op bedacht zou zijn , om in deze alle eenzijdigheid te vermijden en dit schoone deel onzer werkzaamheden van tijd tot tijd bij mijne ambtgenooten te doen afwisselen, wat ik in aller belang acht.

Doch, welke uwe werkzaamheden aan dit Parket in het bijzonder ook mogen zijn of worden, wees verzekerd, dat wij uwe welwillendheid en vriendschap op hoogen prijs zullen stellen; — die van mij en mijne ambtgenooten worden IJ opregtelijk aangeboden.

Met den wensch, dat gij gedurende lansren tijd een steun en sieraad

van ons Parket moogt zijn, ga ik, ter voldoening aan het doel dezer plegtige teregtzitting, over tot het nemen van het vereischte requisitoir.

Vervolgens requireert Procureur-generaal, dat worde voorgelezen: 1°. het Koninklijk besluit van 8 December 1871, n". 19 ; 2°. de acte van eedsaflegging door den nieuwbenoemde, en 3°. dat hem Procu reur-generaal van dit genomen requisitoir zal worden verleend acte.

De heer Griffier doet hierop voorlezing van de bedoelde stukken.

De Voorzitter vat alsnu het woord op en zegt het volgende :

Edel Hoog Achtbare Heeren 1

Bij de , nog zoo kort geleden plaats gehad hebbende, installatie van Onzen Procureur-generaal en onzen Vice-President, had ik gewenscht ook den toen reeds benoemden Advokaat-generaal Mr. Clemens Polis in ons collegie te kunnen inleiden. Omstandigheden echter, onafhankelijk van zijn' wil, verhinderden dit. Thans daartoe geroepen, zal ik slechts zeer kort het woord voeren.

Hoe hoogst gewigtig het ambt van Advokaat-generaal bij den Hoogen Raad der Nederlanden is, daarvan zijt gij allen overtuigd. Met hun hoofd toch, den Procureur-generaal, vormen de Advokatengeneraal het Openbaar Ministerie bij het hoogste regterlijk collegie. Hem vertegenwoordigen zij, waar hij zelf niet optreedt.

In tegenstelling met de leden van het Openbaar Ministerie bij onze Hoven en Regtbanken, worden zij oneindig meer geroepen tot het nemen van conclusiën dan van requisitoiren. Die conclusiën zij n hoogst gewigtig en bewijzen het onmiskenbaar nut van hun veelomvattend en uiterst werkzaam ambt.

Even als in Frankrijk, België en andere, gelijksoortige regtsinstellingen hebbende, landen bepalen de conclusiën van het Openbaar Ministerie bij ons hoogste regterlijk collegie zich niet tot strafzaken , maar zijn de burgerlijke daaronder begrepen. En dit teregt.

Wel verre toch, dat tegen het behoud daarvan zoude mogen worden aangevoerd, dat de regtsprekende leden van den Hoogen Raad daarbij hunne voorlichting niet zouden behoeven , — wel verre , dat het zelfs, in het belang der volkomen onpartijdigheid en geheel zelfstandige werkzaamheid dier regtsprekende leden, wensehelijker zoude zijn hunne conclusiën in burgerlijke zaken (immers in de zoodanige, waarin de

Staat niet onmiddellijk is betrokken) te doen vervallen; reken ik

op de toestemming van U allen, wanneer ik beweer, dat die conclusiën van het uiterste belang zijn voor eene juiste en eenparige regtspraak.

Teregt wordt dit dan ook in beide opzigten erkend door een' allezins bevoegd beoordeelaar, onzen grooten regtsgeleerde Meijer , in zijn beroemd werk over den aard en dén oorsprong der re^tsinstellingen in Europa.

Welke waarde trouwens moge worden gehecht aan de pleidooijen voor partijen , ook dan, wanneer zij worden gevoerd door advokaten gelijk die onzer balie, brengt echter het belang zoo van den Staat als van den Hoogen Raad mede, dat een onzijdig magistraat vooraf den waren stand van het geding en het juiste punt, waarop het aankomt, helder en onbevangen aanwijst;—dat hij daarbij, zoo noodig, gebruik maakt van nadere, door hem ingewonnen middelen van toelichting , of mededeelingen geeft, die hij dikwerf beter dan de regter kan bekomen; — dat hij aanwijst de, niet altijd door partijen even naauwkeurig als juist voorgestelde , jurisprudentie, in zooverre zij met het geding in verband staat; — dat hij eindelijk zijne eigene meening duidelijk en bondig ontwikkelt.

Hoe uitstekend zulke conclusiën ons voorlichten, hoezeer zij dikwerf de gevoerde pleidooijen aanvullen, daartoe beroep ik mij op ons aller, daarvoor erkentelijke ondervinding. En moge het al niet kunnen worden ontkend, dat de conclusiën van het Openbaar Ministerie minder zouden zijn aan te bevelen in de veronderstelling van niet zelfstandige of op hun gemak gestelde regters, zulke veronderstelling mogen wij niet aannemen voor ons collegie, hetwelk steeds heeft getoond die conclusiën wel op zeer hoogen prijs te stellen, maar toch niet blindelings te volgen.

Meer in het bijzonder acht ik het voor eene naauwkeurige kennis der jurisprudentie van den Hoogen Raad van het uiterste belang, dat ook het regtsgeleerd publiek , tot beter verstand onzer veelal korte uitspraken, wordt voorgelicht door de daaraan voorafgegane, meestal meer uitvoerige , conclusiën van ons Openbaar Ministerie, die inderdaad met die uitspraken e'én geheel uitmaken , en zonder welke deze veelal minder zouden worden begrepen.

Nog is er eene, minder algemeen bekende en daardoor waarschijnlijk minder gewaardeerde , werkzaamheid der leden van het Openbaar Ministerie bij den Hoogen Raad: het opmaken en de mededeeling aan de betrokken ambtenaren van het Openbaar Ministerie hunner aanmerkingen op al de in Nederland uitgesproken vonnissen in strafzaken ; een veel tijdkostend, maar toch zeer nuttig werk , waardoor de eenheid der behandeling van strafgedingen welligt nog meer wordt bevorderd dan door onze regtspraak op zich zelve.

Van al het overige, ais meer bijzonder behoorende tot den werkkring van het Hoofd van ons parket, onzen Procureur-generaal, zal ik thans niet gewagen.

Reeds meer dan genoeg zeide ik ter Uwer herinnering van al het gewigt der zware taak van onze Advokaten-generaal.

Zoowel voor het openbaar maatschappelijk belang als voor den Hoogen Raad zelf is het derhalve hoogst wenschelijk, dat deze belangrijke betrekking steeds worde waargenomen door mannen, volkomen daarvoor berekend.

Tot nog toe hadden wij het onwaardeerbaar geluk zulke Advokaten-generaal te bezitten ; en bepaalden de voorgangers der thans fungerende zich doorgaans tot de behandeling der zaken van de ééne of de andere kamer van ons collegie, de tegenwoordige namen gedurende de langdurige ongesteldheid van den Procureur-goneraal van M aa nen , en nemen thans nog, behalve al de strafzaken, ook nog een aanmerkelijk gedeelte der burgerlijke zaken voor hunne rekening, en toonden daarbij de beoefening van het burgerlijk regt niet te hebben verwaarloosd, maar integendeel ook daarin volkomen op de hoogte te zijn.

Ook van onzen nieuwbenoemden Advokaat-generaal mogen wij de beste verwachting hebben.

Het heeft toch den Koning behaagd, op de voordragt van den Minister van Justitie, in plaats van den tot Procureur-generaal bevorderden Advokaat-generaal Karseboom, tot Advokaat-generaal bij den Hoogen Raad te benoemen Mr. Clemens Polis, tot wiens installatie ik thans overga.

Mag ik U, Edel Hoog Achtbaar Heer I namens ons Collegie van harte geluk wenschen met deze bevordering, ik verheug mij U tevens te kunnen verzekeren, dat wij , naar al hetgeen wij van U vernamen , ons overtuigd houden , dat Gij die bevordering allezins waardig zijt.

Even als onze ambtgenoot vak Meerbeke te Maastricht geboren en opgevoed eu aldaar met hem het voortreffelijk onderwijs hebbende genoten der toenmalige leeraren van het Athenaeum , hebt Gij met hem Uwe studiën voortgezet aan de Dtrechtsche Hoogeschool, en werdt Gij aldaar in 1853 , na de openbare verdediging eener keurige dissertatie de operis novi nuntiatione, tot Doctor in de regten bevorderd. Daarmede niet tevreden , bezocht Gij nog de Heidelbergsche Hoogeschool en hoordet aldaar voornamelijk den beroemden Vangerow. De grondige beoefening van het Romeinsche regt werd dus wel door U behartigd.

Na vijf jaren de regtspractijk te Maastricht te hebben uitgeoefend, waart Gij een' geruimen tijd met eere werkzaam in het Openbaar Ministerie. In 1859 benoemd tot Substituut-Officier te Roermond, in 1803 tot dezelfde betrekking te .Maastricht , en in het begin van 1866 bevorderd tot Officier van Justitie te Hoorn, werdt Gij reeds op het eind van dat jaar aangesteld tot Advokaat-generaal bij het ilof in Noordbrabant. In Junij echter van het vorige jaar benoemd tot Raadsheer in het Hof in Noordholland als opvolger van onzen ambtgenoot van Meerbeke, verliet gij voor korten tijd het Openbaar Ministerie. In dat ilof gezeten in de kamer voor de beregting van burgerlijke zaken, hadt Gij eene uitnemende gelegenheid voor de behandeling van zeer belangrijke zaken betreffende het burgerlijk regt, bijzonder ook het handelsregt. Ten gevolge uwer benoeming echter tot Advokaat-generaal bij den Hoogen Raad op het eind van 1871 zult Gij thans op nieuw in het Openbaar Ministerie optreden.

Ofschoon niet persoonlijk met U bekend, mag ik echter en mogen wij allen veel goeds van U verwachten. Immers weet ik, hoe hoog Gij zijt aangeschreven bij eenige leden van dit Collegie, die U in uwe vroegere loopbaan leerden kennen en hoogachten, alsmede bij uwe ambtgenooten , met wie Gij in andere collegiën zij t werkzaam

Aanvaard dus Uwe nieuwe sewigtige betrekking met moed, in de

volle overtuiging der meest welwillende medewerking niet slechts der leden van het Parket, maar van Ons allen ; en boven alle# met vertrouwen op de onmisbare hulp van het Opperwezen.

Ter verdere voldoening aan het requisitoir van den Procureurgeneraal , verklaar ik Mr. Clemens Polis wettig erkend en geïnstalleerd als Advokaat-generaal bij den Hoogen Raad der Nederlanden.

Voorts wordt de Griffier gelast het Koninklijk besluit vau zijne benoeming in te schrijven in het daartoe bestemd register.

En wordt bepaald, dat van deze plegtige zitting en installatie zal worden kennis gegeven aan den Minister van Justitie.

De vergadering wordt hierop door den Voorzitter gesloten.

Kurgerlijke kamer.

Zitting van den 5 Januarij 1872.

Voorzitter, Mr. F. de Greve.

Geneeskundige verpleging. — Verhaal van onderstand. — Maximum van onderstand.

Zijn de artt. 20—25, 33, 41, 42, 44 en 45 der wet van 20 Junij 1854 (Stbl. n°. 100) en de artt. 135, 179/ en 205, n". 9, der wet van 29 Junij 1851 (Stbl. n°. 85) geschonden of verkeerd toegepast, door geneeskundige verpleging van arme zieken als onderstand van armen, in den zin der armenwet, te beschouwen f — Neen.

M. A. Bol! qq., eischer in cassatie, procureur Mr. J. van der Jagtp

tegen

bet Burgerlijk Armbestuur van Heusden, verweerder, procureur Mr. J.

H. C. Lisman.

De adv.-gen. Römer heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heeren, President en Raden ! Het middel van

Sluiten