Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bijzonder merkwaardig, in verband met dit middel van cassatie , is hetgeen men vindt op bl. 824 van het Bijblad.

Bij gelegenheid van art. 3 merkte de heer Thobbecke op, dat de zoogenaamde drukfout in art. 2, die de minister wilde wegnemen door het koppelteeken, geene drukfout was, en dat de minister «door zijne verandering het verbod om zonder vergunning in eens anders jagt, afgescheiden van den grond, te jagen, had geligt uit de wet (zie Bijbl., JI , bl. 824).

De minister bestreed den heer Thorbecke, maar begreep hem niet en erkende met ronde woorden de feil, zonder de fout te merken.

Hij antwoordde: het doel is geweest om in art. 2, in overeenstemming met art. l,eeiie distinctie te maken tusschen jagt'Vr&ter en Ui'scA-watei'.

Intusschen ontstond door die verandering een merkwaardig verschil tusschen art. 1 en art. 2 , terwijl daardoor tevens het op zich zelf staand jagtregt uit art. 2 was verdwenen.

Qe heer Thorbecke antwoordde: dat hij geerie wijziging meer kon voorstellen, omdat art. 2 was aangenomen, maar gaf te kennen, dat daarin eene grove fout was gemaakt (zie Bijbl., II, bl. 824 .

/Samentrekkende, beweer ik dus :

1'. dat in art. 2 geen verbod staat tegen hem, die zonder vergunning jaagt in eens anders jagtregt; alleen tegen hem, die zonder vergunning van den eigenaar jaagt op eens anders grond of water;

2". dat dat verbod uit het tegeuwoordig art. 2 is geligt, ofschoon het stond in eene vorige wet;

3'. dat, ofschoon men waarschijnlijk dat niet heeft gedaan met de bedoeling om de bescherming van het afzonderlijk jagtregt er uit te nemen, het toch gedaan is met de bepaalde bedoeling om de wet te veranderen , en wel ten behoeve van een ander beginsel (namelijk om de in art. 2 genoemde onderwerpen op andere wijze aan te duiden); hetgeen echter niet wegneemt, dat dien ten gevolge het beginsel is ver dwenen, waarvan de kantonregter a quo de schim nog heeft meenen te vinden in het artikel.

Ik concludeer dus, dat de Hooge Raad het vonnis van den kantonregter te Hulst van 10 Dec. 1870 zal vernietigen, en den req. zal ontslaan van alle regtsvervolging , als zijnde het feit, hem ten laste

gelegd, noch misdaad, noen wanbectrijt, noch overtreding, met veroordeeling van den Staat in de kosten.

De adv.-gen. Shits nam daarna de volgende conclusie :

Edel Hoog Achtbare Heeren , President en Raden ! Het eerste der beide bij pleidooi voorgestelde middelen luidt: "schending en verkeerde toepassing van de artt. 2 en 40 van de wet van 13 Junij 1857 (Stbl. n°. 87J, omdat het jagen op eens anders grond, zonder voorzien te zijn van een schriftelijk bewijs van vergunning van den regthebbende op het jagtveld , bij die artikelen niet is strafbaar gesteld.»

Teregt werd door den geëerden pleiter gewezen op het onderscheid, bestaande tusschen het eerste lid van art. 2 in de vroegere jagtwet van 6 Maart 1852 en in de tegenwoordige.

In de wet van 1852 luidde de aanvang van het artikel aldus:

»Om eens anders grond of jagt of vischwater bij vergunning, huur of pacht te kunnen bejagen of bevisschen, moet men daarenboven voorzien zijn van een schriftelijk bewijs van den eigenaar of regthebbende» enz. Met de uitdrukking «eens anders jagt» schijnt men toen bedoeld te hebben de gronden, waarop anderen dan de eigenaars jagtregt hebben. De gemelde woorden Tan het artikel zijn in de wet van 1857 in zooverre gewijzigd, dat men thans leest: »Om eens anders grond of jagt- (koppelteeken) of vischwater» enz., zoodat grammaticaal schriftelijke vergunning wordt vereischt om te bejagen eens anders grond of eens anders jagtwater, en te bevisschen eens anders vischwater, terwijl van het bejagen van eens anders jagt niet meer gesproken wordt. En deze wijziging is niet toevallig, maar opzettelijk daargesteld. Zoo als toch zeer juist door den geachten pleiter werd opgemerkt, werd het eerste lid van het artikel oorspronkelijk voorgesteld, zoo als het luidde in de wet van 1852, en het koppelteeken achter het woord »jagt» eerst aangebragt bij eene nota van druk- of

scnrijtiouten, uoor aen minister van Justitie later ingediend. Moet men nu aannemen , dat thans onder de nieuwe jagtwet niet meer noodig is de vergunning van den regthebbende op het jagtveld, indien deze een ander is dan de eigenaar van den grond ? Ik geloof het niet. Men zal toch wel de wet moeten toepassen juist zoo als de wetgever gewild heeft, dat die toegepast zou worden, en daarom de bedoeling en den wil des wetgevers mogen en moeten opsporen. V'ergelijk van Deinse, Algem. Beginselen van Strafregt, eerste uitgaaf, § 240 volg., bl. 243. En nu heeft het volstrekt niet in de bedoeling van den wetgever gelegen, en de geachte pleiter heeft dit zelf moeten toestemmen, om de boven omschreven verandering te maken , eene verandering , die de jagtregten van anderen dan de eigenaars bijna geheel illusoir zoude maken; terwijl het toch, blijkens artt. 1, 3 en meerderen der wet, een principe is geweest om de wettig bestaande heerlijke en andere jagtregten, in overeenstemming met art. 641 B. W., te handhaven , ofschoon dan ook bij art. 3 der wet die regten afkoopbaar worden gesteld. Uit de gewisselde stukken en de gevoerde discussies over de jagtwet blijkt niets van het doel om eene zoo gewigtige greep in het bestaande stelsel te doen. Integendeel toont alles ten duidelijkste aan, dat men ten aanzien der regten van derden op gronden of wateren van anderen het bestaande heeft willen behouden. Het zou mij te ver voeren, indien ik dit in bijzonderheden wilde aanduiden. Ik bepaal mij daarom met te verwijzen naar de memorie van toelichting, behoorende bij het ontwerp van wet tot wijziging der wet van 6 Maart 1852, waar wij omtrent art. 2 lezen (Bijblad tot de Staatse. 1855/56, bl. 532;: "De bepaling, in liet eerste lid van art. 2 vastgesteld, is onnoodig, waar de eigenaar vau- of regthebbende op den grond of het water, bij het jagen of visschen door een ander, tegenwoordig is. In de tegenwoordigheid toch ligt het bewijs zijner toestemming» enz. Daareuboven zoude de wetgever, wanneer hij die verandering bedoeld had in het eerste lid van art. 2, tot de onbegrijpelijkste inconsequentie zijn vervallen. Onder jagtwater en vischwater zal men toch wel te verstaan hebben niet alleen het water, waarvan men eigenaar is, maar ook dat, waarop men regten van jagt of visscherij bezit. Die beteekenis had het woord »vischwater» ook in de wet van 1852; en dus zou men de vergunning noodig hebben van den regthebbende op het vischwater, wanneer deze een ander is dan de eigenaar, eveneens van den regthebbende op de jagt, indien die jagt uit water bestaat, maar die vergunning kunnen missen, zoodra men op het vasteland jaagt. Met de kleine wijziging in art. 2 bedoelde men geheel iets anders.

Reeds bij art. ! bleek, dat de minister bevreesd was, dat men de woorden van de wet van 1852 verkeerd en tegen de bedoeling des wetgevers zou uitleggen, en, omdat daarin alleen sprake was van het jagen op grond, men zoude vermeenen, dat het jagen op water daar niet onder begrepen was; en derhalve werd voorgesteld om, in plaats van, zoo als de aanhef van dat artikel in de wet van 1852 luidde: «Ieder, die zijn grond of de gronden van anderen enz, bejaagt», te lezen: »Ieder, die zijn eigen grond of water, of de gronden of wateren van anderen enz. bejaagt».

Dien ten gevolge moest ook nu in art. 2 niet alleen van jagt grond, maar ook van jagt water sprake zijn ; en om hierin te voorzien werd het koppelteeken achter «jagt» gezet. Men ziet dus, dat minder juist is de stelling van den geachten pleiter , dat de wijziging is geschied met de bepaaide bedoeling om de wet te veranderen ten behoeve van een ander beginsel. Men heeft hetzelfde beginsel willen behouden, dat jH de wet van 1852 was neergelegd, maar dit verduidelijken. Maar

zijn nu de woorden, waarin art. 2 thans vervat is, zoodanig, dat zij de bedoeling van den wetgever om ook vergunning te vergen van den regthebbende op het jagtveld, zoo hij geen eigenaar van den grond is, volstrekt niet uitdrukken en zij daarmede niet zijn overeen te brengen ? Ik ontken dit. Voorzeker is de bedoeling niet zoo duidelijk uitgedrukt als in de wet van 1852 , en m. i. heeft zich bewaarheid hetgeen de heer Thokbkcke zeide bij de bestrijding vau de nieuwe redactie van art. 1, daar, volgens hem, het woord «grond» in de jagtwet voldoende uitdrukte jagtterrein en dus ook het jagt water: .Indien de wet meer dan helder wil zijn, loopt zij gevaar duister te worden». (Bijbl. Staatse., 1856/57, bl. 802.) Intusschen springt die bedoeling, geloof ik , voldoende in het oog, wanneer men art. 2 in verband beschouwt met art. 1. In art. 1 toch wordt gesproken vau eigen grond of de gronden van anderen, waarop men jagtregt heeft; en nu schijnt het mij toe, dat men, in art. 2 kortheidshalve bezigende de uitdrukking eens anders grond, daaronder begrepen heeft ook gronden, waarop derden jagtregt hebben, zoodat het woord grond in de plaats staat van ja^grond , jagtterrein, hetgeen te meer aannemelijk is, omdat grond nu staat tegenover JAGiwater.

Ik geloof dus, dat de ontegenzeggelijke bedoeling van den wetgever om te vorderen het hebben van eene schriftelijke vergunning van den regthebbende op het jagtveld genoegzaam uit de wet blijkt, en acht daarom het middel onaannemelijk.

Het tweede middel komt mij bedenkelijker voor. Het heet: schending van art. 6 Strafvord., omdat de verdediging van den req. betrof een geschilpunt van burgerlijk regt, van welks beslissing de waardering van het feit afhangt.

Ik twijfel er zeer aan, of de grond van het middel bestaat, dat is, of er werkelijk een geschilpunt van burgerlijk regt is ter sprake gebragt, van welks beslissing de waardering van het feit, als misdrijf ten laste gelegd, afhangt. Aan den req. toch is bij dagvaarding ten laste gelegd, dat hij heeft gejaagd op een perceel bouwland, toebehoorende aan den heer J. Vereecken, doch waarvan het jagtregt toebehoort aan de erfgenamen van den heer W. Seydlitz, te Hulst, zonder vergunning vau de eigenaren van of regthebbenden op dat jagtregt. Uit de dagvaarding wist dus de req., dat het bewezen is, dat de eigenaar van den grond niet is de regthebbende op de jagt. De eerste overweging van het vonnis neemt aan, dat de req. had eene schriftelijke vergunning van den eigenaar van den grond. llu heeft de req., blijkens de tweede overweging van dat vonnis, aangevoerd: lo. dat het regt om zich het wild toe te eigenen, volgens art. 641 B. W., bij uitsluiting behoort aan den eigenaar van den grond, waarop zich het wild bevindt, en mitsdien aan den heer J. Vereecken, en 2". dat hier alzoo een geschilpunt vau burgerlijk regt aanwezig is, van welks beslissing de waardering van het aan den bekl. ten laste gelegde feit afhankelijk is, waaromtrent de burgerlijke regter eerst zal moeten uitspraak doen.

Uit de bloote inzage van art. 641 B. W. blijkt, dat niet zoo algemeen waar is wat de req. sub lu. stelt. Volgens dat artikel toch behoort het regt om zich het wild toe te eigenen wel bij den eigenaar van den grond, maar behoudens de regten, door derden verkregen, waarvan zij tegenwoordig het genot hebben enz. Wanneer men nu de dagvaarding in aanmerking neemt, deed het door den req. aangevoerde niets ter zake. Dat de heer J. Vereecken eigenaar van den grond is, werd toch niet betwist, maar daar uitdrukkelijk gesteld; raar het beweren van de beschuldiging is, dat de eigenaar van den grond niet is de regthebbende op het jagtveld, en eerst dan, wanneer de req. beweerd had, dat het jagtregt, en niet alleen de eigendom , bestond bij dengene, die hem vergunning had gegeven , en" hij dit eenigzins aannemelijk had gemaakt, zou er aan een geschilpunt , waarvan de waardering van het feit afhing, kunnen gedacht worden. Maar dat jagtregt van een ander dan den eigenaar te betwisten , was voor den req. moeijelijk, zoo niet onmogelijk. Hij moge toch al de zoon van den eigenaar geweest zijn, hetgeen ik gaarne aanneem, ofschoon het niet uit het vonnis blijkt, de eigenaar van den grond is hij niet, maar slechts een derde, die van den eigenaar vergunning had.

De verdediging van den req. steunde dus kennelijk op het verkeerde regtsbegrip, dat ieder eigenaar door den eisendom alleen steeds het

jagtregt heeft. Dit stelde geen geschilpunt van burgerlijk regt daar; die quaestie werd door de enkele lezing van art. 641 B. W. opgelost, en de kantonregter heeft dus m. i. teregt, passerende de niet-betwiste' vraag over den eigendom van den grond, eene beslissing gegeven naar aanleiding van de hem door het Openb. Min. verstrekte bewijzen omtrent de waarheid van de stelling, die bij de dagvaarding aan zijne beslissing werd onderworpen, en die eigenlijk niet betwist werd, dat het jagtregt berustte bij een ander dan den eigenaar en wel bij de erfgenamen van den heer Seydlitz.

Het arrest van den Hoogen Raad dd. 8 Febr. 1859 (v. j>. Honert, Jagt en Vissch., VI, bl. 7, Ned. Regtspr., d. 61, bl. 28), waarbij een gewijsde werd vernietigd, omdat de regter in strafzaken niet zelf had onderzocht en beslist, maar het geding , naar aanleiding van art. 6 Strafvord., geschorst, welk arrest door den kantonregter kennelijk is gevolgd, —komt mij voor over een geheel gelijksoortig onderwerp te loopen als bij het thans beklaagde vonnis werd behandeld; en bij de zaak, waarop dat arrest betrekking had , word nog wel het jagtregt van den derde op den grond, waarvoor de bekl. van den eigenaar vergunning had , bepaald ontkend.

Ik moet echter toegeven, dat liet arrest van 11 April 1854 (v. d. Honebt, Jagt en Vissch., IV, bl. 240, Ned. Regtspr., d. 47, bl. 163, aldaar onder dagteekening van 28 Maart) gunstiger is voor het middel. Reeds bij de conclusie, welke het eerste arrest van 1859 voorafging, deed echter mijn geachte ambtgenoot Römek opmerken, dat de zaak, welke het bij dat arrest gold, in zooverre verschilde van die, beslist bij arrest van 11 April 1854, dat in die casus-positie een der eigenaren van den grond zelf, met toestemming zijner mede-eigenaren, had gejaagd op landen, waarop een jagtregt werd gepretendeerd, terwijl in de zaak, in 1859 behandeld (even als inde onderwerpelijke), een derde met eene schriftelijke vergunning is jagende bevonden, en dat de burgerlijke actie wel door den mede-eigenaar van den grond, die het jagtregt betwist, kan worden gemoveerd, maar dat de derde, die slechts zijne bevoegdheid om te jagen uit eene gegeven vergunning ontleent, daartoe in geen geval bij magte is.

Het komt mij voor, dat hij, die op anders gronden wil jagen, het, volgens den geest van onze jagtwet, zich zeiven te wijten heeft, indien hij zich niet verzekerd heeft, of de persoon, van wien hij de schriftelijke vergunning kreeg, wel degene is, die deze vergunning kon verleenen, en dat hij zich niet behelpen kan , wanneer hij voor den strafregter ter verantwoording wordt geroepen, met te zeggen: ik heb permissie van den eigenaar van den grond, laat die nu maar met hem, die jagtregt beweert, uitmaken , indien zij lust hebben, wie van beiden het regt heeft om het wild te bemagtigen. Aan de strafzaak toch zijn de beide laatsten geheel vreemd; de schorsing, op grond van een dergelijk beweren uitgesproken, behoeft volstrekt niet ter hunner kennis te komen, en het kan zelfs zijn, dat de eigenaar van den grond het jagtregt van den derde niet betwist.

Ik neig er dus het meest toe, om in casu met den kantonregter aan te nemen, dat er geen grond bestond om het geding te schorsen en ik heb derhalve de eer, namens den heer proc.-gen., te concluderen tot verwerping der voorziening, met veroordeeling van den req. in de kosten, in cassatie gevallen.

De Hooge Raad enz.,

Gehoord het verslag van den raadsheer Gebtsen ;

Gelet op de middelen van cassatie, namens den req. voorgesteld bij pleidooi, te weten :

1°. schending en verkeerde toepassing van de artt. 2 en 40 der wet van den 13 Junij 1857 (Stbl. n". 87), omdat het jagen op eens anders grond, zonder voorzien te zijn van een schriftelijk bewijs van vergunning van den regthebbende op het jagtveld, bij die artikelen niet strafbaar is gesteld;

2'. schending van art. 6 Strafvord., omdat de verdediging van den req. een geschilpunt van burgerlijk regt betreft, van welks beslissing de waardering van het feit afhangt, zoodat de schorsing door den kantonregter had moeten zijn uitgesproken ;

Ten aanzien van het eerste middel:

Overwegende, dat tot ondersteuning daarvan bij pleidooi is aangevoerd: dat bij de wet van den 13 Junij 1857 tot regeling der jagt en visscherij zouda zijn afgeweken van het beginsel der door dezelve vervangen wet van den 6 Maart 1852 (Stbl. n». 47), volgens welke, om een grond, waarop derden jagtregt hebben, te mogen'bejagen, dé vergunning vereischt werd van den regthebbende op het jagtregt; dat deze afwijking zoude volgen uit het verschil van redactie tusschen art. 2 der beide wetten, omdat het woord jagt in art. 2 der wet van 1852 , in tegenoverstelling van grond, beteekent jagt regt, terwijl het woord jagt in art. 2 der wet van 1857 , blijkens het daarachter gevoegd koppelteeken , niet meer kan beteekenen jagtregt, maar jagtwater, in tegenoverstelling van grond, zoodat voor het jagen in eens anders jagtveld men thans zou kunnen volstaan met eene jagtacte en eene vergunning van den eigenaar van den bodem, terwijl in casu is uitgemaakt, dat de nu req. op een perceel bouwland, in eigendom toebehoorende aan J. Vereecken , heeft gejaagd met een tweeloopsachterlaadgeweer, behoorlijk voorzien van jagt-acte en van eene schriftelijke vergunning van den eigenaar van die gronden , doch niet van de eigenaren of regthebbenden op het jagtveld;

0., dat in de tusschen de Regering en de Kamers der Staten-Generaal gewisselde stukken of in de beraadslagingen, betrekkelijk de onderwerpelijke wet van 1857, geen spoor is te vinden van eene bedoeling der Regering of der Kamers van de Staten-Generaal, om het jagen op gronden, waarop derden jagtregt hebben, ten opzigte van dat jagtregt, strafregtelijk vrij te laten of de poenale sanctie op te heffen tegen inbreuken op het jagtregt van derden , welk jagtregt, blijkens art. 3 der beide wetten , in beginsel onveranderd is gelaten ;

0., dat, blijkens de geschiedenis der gemelde wet van 1857 , het koppelteeken achter het woord jagt, in den aanhef van art. 2 dier wet, met geen ander doel is bijgevoegd, dan om ten opzigte van de jagt ook water gelijk te stellen met grond, en in dien zin de oorspronkelijk voorgedragen redactie, waarin achter het woord jagt geen koppelteeken stond, door de bijvoeging van dat teeken te verbeteren;

0., dat, volgens gemeld artikel, zoo als het nu luidt, om eens anders grond of jagtwater bij vergunning , huur of pacht te kunnen bejagen , de jager moet voorzien zijn niet alleen van de in het algemeen vereischte acte, maar ook van schriftelijk bewijs van den eigenaar of regthebbende;

0., dat onder regthebbende mede verstaan moet worden de regthebbende op de jagt;

0. toch, dat het woord regthebbende is van de meest uitgebreide beteekenis, en daaraan onder de wet van 185 7 geene engere beteekenis kan worden gegeven dan onder de wet van 1852 ;

0., dat ook de woorden eens anders grond, in art. 2 der wet van 1857, zoowel eens anders jagt aanduiden als eens anders bodem, al is het, dat aan diezelfde woorden in de wet van 1852, om het daaropvolgend woord jagt zonder koppelteeken, een meer beperkte zin kon worden gegeven ;

O., dat eene andere opvatting van art. 2 der wet van 185 7 tot het onaannemelijk gevolg zoude leiden, dat het artikel wel zoude beschermen derde regthebbenden op de jagt in jagtwater, maar niet derde regthebbenden op de jagt in jagtgrond ;

0., dat mitsdien het eerste cassatie-middel is ongegrond;

Ten aanzien van het tweede middel:

0., dat de req., gedagvaard ter zake dat hij op den 1 Oct. 1870 , des voormiddags ruim 11 ure, in den Stoppeldijkpolder , nabij het gehucht Luntershoek, in de gemeente Stoppeldijk, op een perceel bouwland , in eigendom toebehoorende aan den heer J. Vereecken, burgemeester en landbouwer, wonende aldaar, doch waarvan het jagtregt toebehoort aan de erfgenamen van wijlen den heer W. Seydlitz, te Hulst, met een tweeloops-achterlaadgeweer heeft gejaagd, zonder van schriftelijk bewijs van vergunning van de eigenaren van of regthebbenden op dat jagtregt te zijn voorzien, blijkens het beklaagde vonnis, zonder het jagtregt van gemelde erfgenamen tegen te spreken, — tot zijne verdediging heeft aangevoerd : dat het regt om zich het wild toe te eigenen , volgens art. 641 B. W., bij uitsluiting behoort aan den eigenaar van den grond, waarop zich het wild bevindt, en mitsdien aan den heer J. Vereecken , en dat hier alzoo een geschilpunt van burgerlijk regt aanwezig is , van welks beslissing de waardering van het aan den bekl. ten laste gelegde feit afhankelijk is , waarom¬

trent de burgerlijke regter eerst zal moeten uitspraak doen ;

0., dat de verdediging zich alzoo bepaalde tot de stelling, dat door art. 641 B. W. het jagtregt van derden zou zijn uitgesloten, en dat wegens dat beweren de schorsing zou moeten worden uitgesproken;

0., dat het inroepen van art. 641 geen geschilpunt van burgerlijk regt kon doen ontstaan , daar het gemeld artikel het jagtregt van derden niet uitsluit, maar uitdrukkelijk veronderstelt, en het alzoo tot de strafbaarheid van het ten laste gelegde feit niets afdeed, dat de heer J. Vereecken was eigenaar van den grond, maar de strafbaarheid afhing van de omstandigheid, dat derden op die gronden het jagtregt hadden, iets wat art. 641 geheel ia het midden laat en door den req. niet was ontkend ;

0. nu , dat het bestaan van jagtregt van derden op die gronden , blijkens de dagvaarding, werd beweerd, en tot staving van dat beweren door het Openb. Min. titels waren overgelegd , die door den kantonregter zijn onderzocht, en waaruit door dezen is afgeleid het wettig bestaan bij derden van het jagtregt op de bejaagde gronden, en bij gevolg het bestaan van het misdrijf;

O; dat zoodanig onderzoek en beslissing aan den kantonregter in casu geoorloofd was en niet in strijd met art. 6 Strafvord., omdat er geen geschilpunt van burgerlijk regt over het jagtregt zelf bestond , noch zelfs door de verdediging werd in het leven geroepen ;

0., dat in zoodanigen stand der zaak de beslissing der strafzaak niet afhing van een geschilpunt van burgerlijk regt, en dit zelfs daarvan niet zou hebben afgehangen, al ware de eigenaar van de gronden zelve de bekl. geweest;

0., dat alzoo teregt dóór den kantonregter is overwogen, dat geen geschilpunt van burgerlijk regt aanwezig was, waarvan in deze strafzaak eene voorafgaande beslissing van den burgerlijken regter gevorderd wordt, en dat uit dien hoofde de zaak teregt niet is geschorst;

O., dat mitsdien ook het tweede cassatie-middel is ongegrond;

Verwerpt enz.

Sluiten