Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfde moet gelden ten opzigte van een niet toegepast afgeschaft gedeelte eener wetsbepaling ;

0., dat bij gevolg het eerste cassatie-middel is ongegrond;

Ten aanzien van het tweede middel:

0., dat, blijkens den derden considerans van het beklaagde arrest, de omstandigheid, dat de brand opzettelijk en moedwillig is gesticht, is aangenomen op aanwijzingen, en dat die aanwijzingen zijn geput uit de omstandigheden , gebleken uit de verklariugen, in de voorafgaande considerantia van het arrest vermeld;

0., dat onder die verklaringen in den eersten considerans van het arrest is opgenomen de beëedigde verklaring van de daar genoemde getuigen, houdende onder anderen : *dat de brand in den beginne het hevigst woedde en ontstaan moest zijn in dat gedeelte der schuur, waar zich het kippenhok bevond'/ ;

0. nu , dat het laatste lid van deze verklaring, omtrent het ontstaan van den brand in een bepaald gedeelte der schuur , niet bevat eene opgaaf van eene daadzaak ten gevolge van eigen bevinding of waarneming dier daadzaak zelve, maar als gevolgtrekking uit eene andere door hen waargenomen daadzaak , vermeld in bet eerste lid dier verklaring, en alzoo bevat eene meening of gissing, bij redenering opgemaakt, hoedanige, volgens art. 434 Strafvord., niet als getuigenis mag gelden ;

0., dat bij gevolg ten deze een onwettige grondslag is aangenomen tot bewijs eener aanwijzing, en daardoor de artt. 427, 434 en 443, no. l, Strafvord. bij het beklaagde arrest zijn geschonden ;

0., dat mitsdien het tweede cassatie-middel is gegrond;

Vernietigt het beklaagde arrest;

Verwijst de zaak naar het Prov. Geregtshof in Zuidholland, om, op de bestaande acte van beschuldiging , op nieuw te worden beregt en afgedaan; de kosten, in cassatie gevallen, te dragen door den Staat.

ARRONDISSEMENTS-UEGTBANKEN".

AURONDISSEMENTS-RISGTBANK TE AMSTERDAM.

Kersfe kamer.

Zitting van den 31 Januari'j 1872.

Uegters, Mrs.: S. Wildschut, L. A. A. van Wensen, C. A. Chais van Boren (plaatsvervanger).

De opzegging van eene mondelinge huur, niet bij deurwaardersexploit geschied, behoeft niet door den verhuurder zeiven aan den huurder in persoon te geschieden. Het is voldoende, dat blijkt, dat hij, die opzegt, last had van den verhuurder, en dat de huurder behoorlijk kennis van die opzegging heeft gehad op den

eigen aag.

J. M. Walgebach, weduwe J. Bosch, eischeres, procureur H. P.

liuuuükis ,

tegen

P. J. van Geyt, gedaagde, procureur J. G. 3£uhn.

De Regtbank enz.,

Overwegende ten aanzien der feiten :

dat de vordering strekt, dat de ged. zal worden veroordeeld bii

vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om te gehengen en te gedoogen, dat aan het thans nog door hem bewoond wordende huis een verhuur-

bordje aangeslagen blijve tot aan de weder-verhuring toe, en voorts om twee dagen per week gezegd, huis aan de zich aanmeldende gegadigden ter bezigtiging open te stellen en te laten, alle3 bij conclusie

vau eisen oin&cnreven , cum expensis ;

dat, bij interlocutoir vonnis dd. 18 Dcc. 1871, aan de eischeres is opgelegd, door alle middelen, zelfs door getuigen, te bewijzen, dat zii

op 1 Nov. 1871 aan den ged. de huur van het doorhem bewoonde

perceel op den Singel, XII alhier, heeft opgezegd:

dat dit getuigenverhoor, blijkens geregistreerd proces-ver baal dd. 8 Jan. 1372, behoorlijk heeft plaats gehad, en de procureur des gedaagden heeft verklaard af te zien van het houden eener contra-enquête ;

dat, namens den ged., bij pleidooi nog is beweerd, dat de huur ontijdig zou zijn opgezegd, als zoude de huur-overeenkomst voor een

onbepaalden tijd zijn aangegaan ;

0. in regten:

dat tusschen partijen is in confesso. dat de heer A. Bosch . zoon

van de eischeres, zich op 1 Nov. 11., vóo'r twaalf uur, vervoegd heeft

aan net nuis, bewoond door den ged., en aan diens huisvrouw de huur tegen lo. Mei heeft opgezegd ;

dat de derde getuige onder eede heeft verklaard , dat de eischeres hem heeft medegedeeld, dat haar zoon , A. Bosch , de opzegging op haren last had gedaan, en dat hij getuige, op last van de eischeres , zich op 1 Nov. begeven heeft naar de woning van den ged. om het huurbordje aan te slaan, maar dat hij zulks, op verzoek van den ged., dien dag heeft nagelaten ;

dat uit deze verklaring, in verband met die van de derde en zesde getuigen, voldoende blijkt, dat de heer A. Bosch, toen hij de opzegging van de huur aankondigde, gehandeld heeft op last van de eischeres;

dat nu wel de opzegging niet aan den ged. in persoon heeft plaats gehad; maar dat uit de beëedigde verklaringen der derde, vierde en vijfde getuigen voldoende blijkt, dat de ged. op 1 Nov. 11. van de gedane opzegging kennis heeft gedragen ;

dat art. 1607 B. W., bij het opzeggen van de huur, die zonder geschrift is aangegaan, geene formaliteiten verpligtend stelt, maar alleen voorschrijft, dat de termijnen die het plaatselijk gebruik medebrengt, worden in acht genomen ;

dat ook de geldigheid der opzegging niet afhankelijk is van de toestemming der andere partij , zoodat de opzegging moet geacht worden behoorlijk te hebben plaats gehad, indien, gelijk in casu, degene, aan wien de huur wordt opgezegd, ter juister tijd van de wilsverklaring der andere partij kennis heeft gedragen ;

dat vorenstaande verklaringen der gehoorde getuigen , door haren zamenloop en verband, strekken tot staving van het opgelegd bewijs, en dus hier eene behoorlijke opzegging der huur heeft plaats gevonden ;

0. ten opzigte van het beweren van den ged. omtrent de ontijdigheid van opzegging dezer overeenkomst, dat dit middel van verdediging hier niet meer kan opgaan, daar de ged. bij zijne conclusie van antwoord zich niet op langeren huurtijd heeft beroepen en het woord ^ontijdig», in die conclusie voorkomende, slechts betrekking heeft op den vorm der opzegging, maar volstrekt niet slaat op den tijd der huur;

dat dus de vordering behoort te worden toegewezen, doch dat voor eene uitvoerbaar-verklaring van dit vonnis bij voorraad geene termen zijn;

Gezien de artt. 1607, 1375, 1943 B. W., 56 B. R.;

Regt doende enz.,

Veroordeelt den ged. om te gehengen en te gedoogen, dat aan het thans neg door hem bewoonde huis, op den Singel, XII alhier, een zoogenaamd verhuurbordje aangeslagen blij ve tot aan de wederverhuring toe, en voorts op Dingsdag en Vrijdag van iedere week, gedurende

twee achtereenvolgende uren en wel des voormiddags tusschen tien en twaalf ure , het gezegd huis aan de zich aanmeldende gegadigden ter bezigtiging open te stellen en te laten en eindelijk om dien bepaalden tijd, op eene leesbare wijze, voor ieder kenbaar te maken ;

Verklaart, dat er geene termca zijn om dit vonnis bij voorraad uitvoerbaar te stellen;

Veroordeelt den ged. in al de kosten van dit geding.

(Gepleit voor de eischeres Mrs. J. Pinner en J. van S. Mulder, en voor den gedaagde Mr. W. K. van der Breogen.)

KANTONGEREGTEN.

KANTONGEREGT TE 'S GKAVENHAGE.

Zitting van den 1 Februarij 1872.

Kantonregter, Mr. L. G. Gbeeve.

Is een Gemeenteraad bevoegd te bepalen, dat eene sloot, door de door hem daarvoor aangewezen deskundigen verklaard schadelijk voor de openbare gezondheid, zal moeten worden overkluisd of door een riool vervangen ? — ja-

Zijn de artt. 365 , 366 en 367 der algemeene politie-verordening voor 's Gravenhage van 19 Sept. 1871 in strijd met art. 147 der Grondwet en art. 625 Burg. Wetb. ? — Neen.

Kunnen burgemeester en Wethouders van 's Gravenhage bevelen, dat eene sloot, voor de gezondheid schadelijk, worde gedempt ? — Neen.

De kantonregter enz. ,

Overwegende , dat door de bekentenis van den bekl., de onder eede afgelegde verklaringen van drie getuigen en, onder belofte van de waarheid te zullen zeggen, gegeven verklaring van een getuige wettig en overtuigend is bewezen :

dat de bekl. is mede-eigenaar van eene sloot, loopende tusschen de huizen om den Zuid-Oostbinnensingel en die van do Hekkelaan te 's Gravenhage;

dat die sloot ook door den bekl. wordt gebruikt tot het daarin doen uitloopen van riolen , tot afvoer van secreet- en ander vuil bestemd, zoodat die sloot daardoor rijkelijk is voorzien van faecale stofFen en andere rottende zelfstandigheden, zoodanig, dat daardoor stinkende dampen uit die sloot opstijgen , terwijl daarin ook op andere wijze vuil verzameld wordt, en daarin zelfs krengen zijn waargenomen ;

O., dat ook door de bekentenis van den bekl. en het op den ambtseed opgemaakt en ter teregtzitting voorgelezen proces-verbaal van den onbezoldigden veldwachter Vrouwenvelder wettig en overtuigend is bewezen :

dat aan den bekl., op Donderdag 13 Julij 1871, is behandigd, in ue persoon zijner huisvrouw, een gelijkluidend afschrift van een extract uit het register der notulen van heeren Burgemeester en Wethouders van 's Gravenhage dd. 7 -Julij 1871, gearresteerd den 10 «Julij daaraanvolgende, n°. 23.35/13, 1ste afdeeling, ter teregtzitting voorgelezen , waarbij aan den bekl., als mede-eigenaar der in deze bedoelde sloot, wordt kennis gegeven , dat de termijn van de resolutie van 27 Febr. 1871, n°. 17, ook ter tereirtzittinsr voorgelezen. be¬

paald voor het vervangen der sloot door een riool, wordt verlengd tot den 1 Aug. daaraanvolgende; en dat het alzoo aan den bekl. was bekend, dat hij verpligt was te zorgen , dat vóór of op dien 1 Aug. 1871 zijne sloot door een riool vervangen was;

0., dat door de bekentenis van den bekl., de beëedigde verklaring van den getuige Kloppert en de onder belofte gegeven verklaring van den getuige Tirion, daarbij bevestigende het door den getuige Kloppert op den ambtseed opgemaakt en hierboven aangehaald proces-verbaal, wettig en overtuigend is bewezen, dat op den 27 Nov. 1871 de sloot van den bekl. niet was overkluisd of door een riool vervangen; en door de bekentenis van den bekl., de opgenoemde verklaring en de beëedigde verklaringen der ook als getuigen gehoorde heeren Stein en Vorstman, dat ook nu nog die sloot in denzelfden toestand verkeert als op dien 27 Nov. 1871;

0., dat door de heeren geneeskundigen Stein en Vorstman, als deskundigen gehoord, onder eede is verklaard : dat zij, met referte naar het in der tijd op hun rapport door het collegie vau gemeentegeneeskunstoefenaren , zijnde de vergadering, vermeld in art. 29 en volg. der algemeene instructie voor de geneeskunstoefenaren , vastgestelddoor het Burgerlijk Armbestuur van 's Gravenhage den 20 Dec. 1861 (Verzameling nu. 200), — op 8 Maart 1870 aan Burgemeester en Wethouders van 's Gravenhage uitgebragt en ter teregtzitting voorgelezen , den toestand der in deze bedoelde sloot, waaromtrent zij zich vóór nog weinige dagen geleden hebben overtuigd , ook nu nog houden voor absoluut schadelijk en gevaarlijk voor de algemeene gezondheid , door het zich in die sloot aanhoudend ontwikkelen van ammoniakale en zwavel inhoudende uitwasemingen, een onmiddellijk gevolg van het in dia sloot aanwezig zijn van eene overvloedige hoeveelheid faecale stoffen en andere rottende zelfstandigheden , daarin gebragt door een getal van plus minus dertig dwarsriolen met of zonder roosters, door welke riolen secreet- en ander vuil in die sloot wordt afgevoerd , terwijl ook ander vuil en andere rottende zelfstandigheden daarin door hen zijn waargenomen, die op andere wijze daarin schenen geworpen te zijn ;

dat door het dempen, overkluizen of door een riool vervangen van die sloot het gevaar , dat zij nu voor de algemeene gezondheid aanbiedt , zeer zeker zou ophouden te bestaan, daardoor het een of het ander, de hoogst nadeelige uitwasemingen dier sloot, onmogelijk zou gemaakt worden , welke uitwasemingen het gansche jaar door aanhouden en, hoewel bij koude temperatuur ininder sterk, bij warmer temperatuur, en bepaaldelijk in de zomermaanden, voor den algemeenen gezondheids-toestand allergevaarlijkst zijn te achten ;

0. alzoo , dat door het beëedigde verslag van heeren deskundigen, waarmede wij kantonregter verklaren ons in alle opzigten te vereenigen , in verband met de bekentenis van den bekl. en de beëedigde verklaringen van drie getuigen en die van een getuige, onder belofte afgelegd, wettig en overtuigend is bewezen , dat de sloot, waarvan ook de bekl. eigenaar is , voor de openbare gezondheid is gevaarlijk en schadelijk , en alzoo daardoor wordt bevestigd het met redenen omkleed advies van het collegie van heeren gemeente-geneeskundigen van 8 Maart 1870, zijnde de vergadering, vermeld in art. 366 van de algemeene politie-verordening voor 's Gravenhage, op grond van welk advies Burgemeester en Wethouders, als uitvoerders van de door den Raad der gemeente vastgestelde verordening, hebben bevolen het vervangen van die sloot dooreen riool, bij resolutie van 2 7 Febr. 1871 , voormeld;

0., dat wel in de nadere resolutie van 7 Julii 1871, door Burtre-

meester en Wethouders te dezer zake gegeven, tot het dempen der sloot bevel wordt gegeven, doch dat hier kennelijk slechts aan eene

min naauwkeurige redactie is te denken, daar in do resolutie van 2 7 Febr. 1871, waarnaar die van 7 Julij 1871 verwijst, en tot nadere uitvoering van welke de laatste, van 7 Julij , strekken moet, uitdrukkelijk het bevel wordt gegeven de sloot "te vervangen door een riool» ;

O., dat alzoo de feiten, den bekl. bij dagvaarding ten laste gelegd

wettig en overtuigend zijn bewezen, en alleen nog de vraag ter be¬

slissing overblijft, of door die bewezen feiten de bekl. moet geacht worden een strafbaar feit te hebben gepleegd en op hem de bij de ingeroepen verordening daarop gestelde straf toepasselijk is ;

O., dat. de bekl. die toepasselijkheid heeft ontkend en bij uitvoerige verdediging heeft bestreden, hoofdzakelijk op deze navolgende gronden: dat de Gemeenteraad van 's Gravenhage was onbevoegd om eene bepaling , als voorkomt in art. 365 der thans vigerende algemeene politie-verordening, vast te stellen: 1°. omdat door het bevel tot overkluizing of door een riool vervangen van de in dezo bedoelde sloot niets anders dan eene ontzetting uit den eigendom wordt bedoeld en verkregen, welke niet anders dan op de bij de wet bepaalde wijze, ingevolge het bepaalde bij art. 147 der Grondwet, kan plaats hebben; en dat 2'. in ieder geval hij bekl., door het bevel tot het nakomen van art. 365 voornoemd , in het vrij en onbelemmerd genot en gebruik van zijn eigendom wordt gestoord, wat hem bij art. 625 B. W. uitdrukkelijk is gewaarborgd; dat hem alzoo te dezer zake, bij gebrek aan eene wettelijke strafbepaling, geene straf kan worden opgelegd en hij behoort te worden vrijgesproken ;

0. dienaangaande :

ad Ium. dat hier van onteigening, en dus ook van onwettige onteigening, geen sprake is of kan zijn;

dat toch van onteigening, op welke wijze dan ook, het gevolg moet zijn, dat er plaats grijpt eigendoms-overgang van den onteigende op hem, die onteigent, en dat van zoodanigen eigendoms-overgang in casu geen sprake is of kan zijn, daar de sloot blijft het eigendom van den bekl., doch in hare uitwendige gesteldheid verandering wordt gebragt, zonder dat de gemeente op eenigerlei wijze op dat alzoo in vorm veranderd eigendom van den bekl. eenig regt van eigenaresse verkrijgt of vermag uit te oefenen ;

0., dat ook uit de geschiedenis van het aangevallen art. 365 der algemeene politie-verordening van's Hage blijkt, dat de Gemeenteraad geene onteigening heeft bedoeld niet alieen, maar ook door eer.e veranderde redactie aller, twijfel daaromtrent heeft willen wegnemen;

dat die geschiedenis is die van do verordening van 12 Maart 186 7, n°. 34, op het dempen van slooten en andere wateren in de gemeente 's Gravenhage, wier artikelen geheel zijn overgenomen als de artt. 365 , 366 en 367 der thans vigerende algemeene politie-verordening voor 's Gravenhage van 10 Sept. 1871;

O. nu, dat in het ontwerp dier verordening van 12 Maart 1867 art. 1 dier verordening, geheel gelijkluidend aan het thans vigerend art. 365, aldus luidde : «Alle eigenaren van slooten of andere wateren zijn verpligt die, na ontvangen schriftelijk bevel van Burgemeester en Wethouders, te dempen of te overkluizen of door riolen te vervangen» ;

O., dat, bij de behandeling van dat artikel in den Gemeenteraad , een lid, die in het bevel tot demping eene bepaalde onteigening meende te zien , omdat de sloot dan niet meer sloot bleef, als amendement voorstelde uit het artikel de woorden »te dempen of door riolen te vervangen» te ligten , als wanneer alleen het bevel tot overkluizing overbleef;

dat daarop door een ander lid den voorsteller van het amendement werd in bedenking gegeven zijn amendement alzoo te wijzigen, dat alleen de woorden »te dempen of» uit het artikel zouden vervallen , omdat, daar het doel alleen was de sloot onschadelijk te maken voor de gezondheid, op die wijze de onteigeningsquaestie werd geëcarteerd en de sloot dus kon blijven bestaan, indien de eigenaar dat mogt verlangen , en het hem verbleef zijne sloot te overkluizen of daarin een riool te leggen; welke wijziging door den voorsteller van het amendement werd overgenomen , waarop het. aldus irewiizisrd. door den

Raad werd aangenomen, terwijl het uit eone bij die discussie door den voorzitter van den Gemeenteraad aan een der leden gegeven antwoord bleek , dat de bedoeling der verordening ook deze was , dat, indien de eigenaar eener sloot, wien een bevel tot overkluizing of het door een riool vervangen van de sloot gegeven was , verlangde liever die sloot te dempen, hij daarin niet zou belemmerd worden door het Gemeentebestuur, vermits »het van zelf sprak», dat hij tot het dempen volkomen bevoegd was;

0., dat alzoo het eerste bezwaar van den bekl. tegen de bepalingen der politie-verordening is ongegrond;

0. nu

ad II»™. dat bij het ingeroepen art. 625 B. W. den eigenaar het vrij genot zijner zaak wordt gewaarborgd en hem het regt toegekend daarover op de volstrektste wijze te beschikken, echter onder de uitdrukkelijke daaraan toegevoegde voorwaarde, dat hij o. a. van zijn eigendom geen gebruik make, strijdende tegen de wetten of de openbare verordeningen, daargesteld door zoodanige magt, die daaitoe volgens de Grondwet do bevoegdheid heeft;

O. nu, dat bij ait. 140 der Grondwet aan den Raad eener gemeente wordt overgelaten de regeling van het bestuur van de huishouding der gemeente;

.. ^ ' en dat bestuur nader worden omschreven en

zijn afgebakend in de wet van 29 Junij 1851 (Stbl. n°. 85), regelende de zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der gemeentebesturen , en dat onder den tweeden titel dier wet, handelende '/van de regelingen het bestuur vart de huishouding der gemeente'/, in art. 135 wordt bepaald , dat aan den Kaad behoort het waken voor de verordeningen, die in het belang der openbare orde en gezondheid worden vereischt;

O., dat, waar in art. 366 der algemeene politie-verordening voor 's Gravenhage wordt gezegd , dat het bevel, in het vorig artikel bedoeld , tot overkluizing of het door riolen vervangen van slooten alleen dan mag gegeven worden, wanneer die slooten geacht worden te zijn gevaarlijk of schadelijk voor de openbare gezondheid door de deskundigen, wier gevoelen de Gemeenteraad wil dat door Burgemeester en Wethouders te dien einde zal worden ingewonnen,— de bepaling van art. 365 voornoemd moet geacht worden fce behooren tot die verordeningen, tot welker vaststelling de Gemeenteraad, voigens de Grondwet , volkomen bevoegd was, en dat alzoo art. 365 meergenoemd, wel verre van , gelijk de bekl. beweert, in strijd te zijn met art. 625 B. W., integendeel in dat artikel zijn steun en grond vindt;

0. immers , dat bij dat art. 365 niet den bekl. het vrij genot van zijn eigendom wordt ontzegd , of hij in de beschikking daarover op onwettige wijze wordt belemmerd, noch de bestemming van zijn eigendom wordt veranderd of vernietigd, doch hem daarbij wordt verboden van zijn eigendom gebruik te maken in strijd met de wettig bestaande verordeningen, namelijk, dat hij zijne sloot gebruike tot het daarin doen uitloopen van riolen , waardoor die sloot voor de openbare gezondheid schadelijk en gevaarlijk is geworden ; en dat, waar de bekl. weigert te voldoen aan het hem gegeven bevel, niet om die sloot te dempen en alzoo te doen eindigen sloot te zijn, maar tot het veranderen van de inrigting van die sloot op zoodanige wijze, dat hij ophoude daarvan gebruik te maken in strijd met de openbare verordening,— op hem zonder eenigen twijfel toepasselijk is de strafbepaling, op de overtreding van dat art. 365 meergemeld gesteld;

G., dat ook uit de geschiedenis van het art. 365, behalve door hetgeen reeds hierboven daarvan is gezegd , blijkt, clat hier aan geene andere vorortiening dan aan eene zoodanige, als in art. 625 B. W. bedoeld wordt, gedacht kan werden ;

dat aanvankelijk art. 1 der verordening van 12 Maart i 867, reeds hiervoor aangehaald, luidde: «Als eigenaar van slooten of andere wateren zijn verpligt'/ enz.;

dat, op eene aanmerking van Gedeputeerde Staten van Zuidholland, dat die bepaling van art. 1 veel verder strekte dan het gewoon onderhoud, waartoe de eigenaar verpligt was, en die bepaling, zoo als ze daar lag, moeijelijk kon worden gerangschikt onder de openbare

Sluiten