Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gegane vonnis van 20 Junij 1864, waarbij aan den geïnt., destijds eischer, zijne tegen de appellante, toenmaals gedaagdesse, ingestelde voidering tot echtscheiding, op grond van overspel, is ontzegd, de thans do»r eerstgenoemde tegen laatstgenoemde, op denzelitierTgrond ingestelde actie tot echtscheiding door de voorgestelde exceptie van gewijsde zaak a limine litis geweerd?

2„. wordt de beslissing omtrent het aangeboden getuigen bewijs uitgesloten, op grond, dat de exceptiën, waartoe de exceptie van gewijsde zaak behoort, naar luid van de 2de alinea van art. 161 B. li., op zich zelve moeten worden uitgewezen en uiet mogen aangehouden of gevoegd worden bij de hoofdzaak?

O., wat betreft de eerste vraag : dat, om het gezag van een regterlijk gewijsde jn te roepen, aan alle de in art. 195 4 B. W. gestelde voorwaarden moet zijn voldaan j dat het nu wel tusschen partijen buiten geschil is , dat bedoeld vonnis in kracht van gewijsde is gegaan , voorts dai de zaak, welke thans gevorderd wordt, ook destijds het onderwerp van dat vonnis was , en dat t* en de eisch door en tegen dezelfde partijen in dezelfde betrekking is gedaan als thans ; maar dat partijen velschillen omtrent de ooizaak van de thans ingestelde vordering tot echtscheiding, welke volgens de appellante op dezellöe oorzaak berust, als waaromtrent reeds eene beslissing bij vonnis vari 20 Junij 18^4

is, wesnaive cie voorgestelde exceptie van gewijsde zaak allezins gewettigd zou zijn ;

0., dat die bewering van de appellante echter van grond ontbloot is; dat toch ouder oorzaak van den eisch (in lex 14 §§ de except. rei judicatae, XL VI, 2, cciusa petendi genoemd), moet worden verstaan het feit, dat ten grondslag ligt van het regt, hetwelk eene der litigerende partijen zich door den regter bij vonnis wenseht

ie zien loeüennen ; dat bij gevolg aan de tweede, in art. 1954J3. W. gevorderde voorwaarde (zal de exceptie van gewijsde zaak met gewenseht gevolg worden ingeroepen) deze beteekenis moet worden toegekend , dat over het feit, hetwelk aan de nieuwe vorder in"* ten grondslag wordt gelegd, bereids bij regteriijk gewijsde eene beslissing gegeven zij ;

O., dat uit de omstandigheid , dat bij vonnis van 20 Junij 1864 eene vordering van dezelfde strekking, als de tegenwoordige, aan den geint. is ontzegd, geenszins volgt, dat over den grond der'thans ingestelde vordering reeds uitspraak is gedaan ; dat toch het feit (het overspel dar appellante), hetwelk de causa petendi was van den vroegeren eis_-h des geint., noodwendig moet hebben plaats gehad, vóórdat het bij art. 816 B. ït. voorgeschreven verzoekschrift door den geïnt. werd ingediend , zoodat de daarop gevolgde regterlijke uitspraak niet kan hebben beslist over een daarna aan de appellante ten laste gelegd overspel, waaraan de geint. thans, nadat vijf jaren sedert het vonnis van 20 Junij 1864 verstreken waren (immers eene onge-

van ue wooraen üer dagvaarding, waarbij deze actie is ingesteld, laten geen anderen zin toe), is ontwaard geworden, dat zijne vrouw zich heeft schuldig gemaakt; dat in deze zinsnede van het woord thans, hetwelk een bijwoord van tijd is, uitdrukkende een bepaald punt des tijds en reeds daarom niet op een vroeger waargenomen leit kan slaan, zelfs in ruimeren zin geene andere beteekenis kan worden toegekend dan deze, dat de geint. anderdaags de overspelige handelingen van de appellante heeft ontdekt, welken de grondslag van de tegenwoordige vordering tot echtscheiding uitmaken;

O., dat mitsdien de tweele der gevorderde voorwaarden , om met vrucht het gezag van een geregtelijk gewijsde in re kunnen roepen , in casu ontbreekt, en de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord;

O. met betrekking tot de in de tweede plaats gestelde vraag: dat, wel is waar , de in art. 160 B. R. genoemde peremptoire exceptiën, juist omdat zij de geheele actie voor goed doen afwijzen en daardoor dejuris ingressus a limine litis wordt afgesloten, — afzonderlijk en voor het antwoord ten principale, volgens art. 161, «1. 2, B. K., op

z.ii.11 motten worden uitgewezen, maar aat desniettemin in

de memorie van toelichting der Regering, waarin zij de strekking van de tweede alinea van art. 161 voornoemd aanduidt, deze woorden voorkomen: '/heelt de verweerder van het vermogen, om bij zoodanige cxceptiën te persisteren , zonder tevens ten principale te antwoorden , gebruik gemaakt, dan moet de regter ook daarop zelf

viw,.. uil itin» uezcive niet voegen dij ae Hoofdzaak, of aanhouden tot de beslissing van laatstgemelde;" uit welke woorden der Regeiing bij tegenstelling is af te leiden (eene opvatting, welke ook in overeenstemming is met het voorgaande art. 160), dat, heeft de verweerder van het vermogen om te persisteren geen gebruik gemaakt en de exceptie met de verdediging ten principale vereenigd, — de voorgestelde peremptoire exceptie niet op zich zelve mag worden uitgewezen, daar de regter, zoo hij dit deed, buiten de conclusiën van partijen zoude gaan, en verpligt zou zijn bij twee verschillende uitspraken, op gelijktijdig genomen conclusiën, regt te doen, hetgeen strijdig met eene goede regtspleging zoude zijn ;

0dat in casu de appellante geen gebruik heeft gemaakt van het regt om bij de door haar voorgestelde exceptie van gewijsde zaak te peisisteren, maar ten principale tot ontzegging van des geïntimeerden vordering, met passering van diens aangeboden getuigenbewijs, heeft

^..wuuwju, uat, wij gevolg, zoowei over de voorgestelde exceptie, als over de hoofdzaak, bij ééne en dezelfde regterlijke uitspraak kan worden beslist, en de tweede vraag dus evenzoo ontkennend moet worden beantwoord;

0., dat de daadzaken , waarop de vordering van den eischer, thans geint., berust, ter zake dienende en afdoende zijn en tot de beslissing der zaak kunnen leiden, terwijl het bewijs daarvan door de wet wordt toegelaten;

Op deze gronden regt doende,

Gezien de reeds aangehaalde wetsbepalingen, artt. 264 1°. 190° B. W., artt. 56, 103, 203, 823 en 355, al." 1, B. R.; ' *'

Bekrachtigt het vonnis der Arrond.-Regtbank te Amsterdam, op 28 Junij 18T0 tusschen partijen gewezen;

Verwijst partijen naar de Regtbank voornoemd, ten einde aldaar, ter diligentie van de meestgereede partij , een naderen dag voor het getuigenverhoor worde bepaald, en de zaak verder vervolgd en beslist worde, gelijk bevonden zal zijn te behooren ;

Veroordeelt de appellante in de kosten van het hooger beroep.

(Gepleit voor de appellante Mr. Ph. A. Haas Az., en voor de geïntimeerde Mr. B. R. Benjamins.)

ARRONDISSEMENTS-REGTBANKEN.

ARUONOISSEMJENTS-REGTBAN1£ TH AMSTERDAM.

Tweede kamer.

Zitting van den 29 September 1871.

Voorzitter, Mr. A. E. Penning.

Regters, Mrs.: P. J. Suringab en P. R. Peitii.

Na aflevering en toewijzing van op monster gekochte goederen, is de kooper, ofschoon hij niet terstond geprotesteerd heeft tegen onbehoorlijke Levering, niettemin bevoegd om de betaling te weigeren, totdat de verkooper zal hebben bewezen, dat het afgele¬

verde met het monster overeenkomt, tenzij de vaste usance in het

handelsartikel, of, bij gebreke van dien, de omstandigheden medebrengen , dat de aanneming zonder protest als stilzwijgende goedkeuring moet worden aangemerkt.

Wunderly en Comp. , eischers, procureur Mr. E. J. Asser, tegen

van Minden , gedaagde , procureur J. G. Kchn.

De Regtbank enz.,

Overwegende, dot het in con/'esso is, dat de eischers, door tusschenkomst van de makelaars K. en v. IC., hebben verkocht op monster en tegen betaling op drie en een halve maand promesse circa 50 balen tabak, toe den prijs van j 0.05 per half kilogram; en dat die tabak, welke ten tyde des verkoops zien niet hier bevond, bij arrivement is nagewogen , het gewint accoord bevonden en opgeslagen den 27 Pebr. 1871 onder de gedaagden;

0-, dat de gedaagden, op hun verzoek , wegens niet-overeenkomst met het manster, zoo als zij beweren, verlof hebben bekomen van tien president dezer Ke^tbank om dien tabak onder geregtelijke bewaring te stellen , waartoe is aangewezen het Leidscho veem te Amsterdam ;

dat de eischers de betaling van dien tabak , op de wijze , zoo als die bedongen was, van de gedaagden in regten gevorderd hebben ;

dat de gedaagden die geweigerd hebben , op grond, dat de tabak niet overeenkomt met het monster, en reconventionneel de vernietiging

• nu uci uuiuraut met scuaueveigoeumg neoüen gevraagd;

dat de eischers liun alle regt tot nader onderzoek betwisten, omdat zij zonder protest de goederen hadden in ontvamrst crenomeri . inpn Hip

neruen toegewogen en argcievertt, terwijl zij aehten.dat het met-overeenkomen met het monster is een zigtbaar gebrek, dat later alle onderzoek afsnijdt ;

dot de gedaagden in deze niet toepasselijk rekenen de regelen omtrent zigtbare of onzigtbare gebreken, en stellen, dat zij in geenerlei opzigt geacht kunnen worden in mora te zijn om den afgegeven tabak te doen vergelijken met het monster, waarop is gekocht, wijl zijdenzelfden dag der aflevering, die tamelijk laat iu den namiddag geschiedde, eene vergelijking met het monster hebben aangevraagd aan de makelaars , die, volgens het koopbriefje, daarvan in het bezit waren, doch

dat die het daartoe te laat op den dag en te donker achtten, welke feiten de gedaagden aannemen zoonoodig te bewijzen;

dat de eischers dit beweren niet voor waar hebben erkend en de reconventie hebben tegengesproken ;

0. in regten ;

dat in de eerste plaats de vraag is : zijn de gedaagden bevoegd om de betaling te weigeren, op grond, dat het geleverde niet zou voldoen aan het monster ? met andere woorden, is, na aflevering en I ou weging van op monster gekochte goederen, de kooper, die niet terstond ge° protesteerd heeft tegen onbehoorlijke levering, bevoegd om de betaling desniettemin te weigeren , totdat de verkooper zal hebben bewezen" dat het afgeleverde met het monster overeenkomt;

0., dat de wettelijke bepalingen omtrent zigtbare of onzigtbare

yeureiteu nier met ie pas üomen , waar geen gebrek beweerd wordt, en dat de tabak niet beweerd wordt aan eenig gebrek onderhevig te zijn , doch (misschien volmaakt goed) niet te beantwoorden aan het monster en ongeschikt voor liet gebruik, waarvoor zij is bestemd; dat ook de bepalingen van art. 91 cn volg. W. IC, volgens art. 99 van dat wetboek , op koop en verkoop niet toepasselijk zijn en dus in de2C zaak niet tot eene beslissing kunnen leiden ;

O., dat bij verkoop op monster een volstrekt vereisehte is, dat de geleverde of te leveren waar aan het monster voldoet; dat het nu wel wenschelijk is en tot het behoud van het bewijs der identiteit zelfs noodig kan zijn, dat de vergelijking zoo mogelijk dadelijk plaats heeft, maar dat in de wet geene tiidsbepalins irevondeu wordt, die

het onderzoek later afsnijdt;

aat net mitsdien van de gewoonte in den handel gebruikelijk en bij gebreke van dien van de omstandigheden van elke zaak zal moeten afhangen, of de ontvangst op zoodanige wijze heelt plaats gehad, dat de aanneming zonder protest als stilzwijgende goedkeuring kan worden aangemerkt;

dat eene vaste usance, te dezen aanzien in den tabakshandel geldende, door geene der beide partijen in hunne conclusiën is beweerd, en dit punt dus le dezen aanzien buiten aanmerking kan blijven ;

dat, wat de omstandigheden dezer zaak aangaat, geene stilzwijgende goedkeuring kan worden verondersteld van een kooper, die den volgenden dag na de aflevering, bij zijn vermoeden of bevinding, dat do afgeleverde goederen verschillen met het monster, den opslag daarvan ten fine van onderzoek ouder geregtelijke sequestratie brengt, cn zulks in deze te minder, daar do balen bij de toeweging niet geopend zijn, en er, hetzij dan omdat het reeds te donker was, hetzij om andere redenen, geene dadelijke vergelijking heeft «laats rrehad .

wat niet is tegengesproken ; dat eene zoodanige aanneming, waaraan geene vergelijking is voorafgegaan, en die binnen den kortst mogeJijken termijn door een protest is gevolgd, niet te goeder trouw als eene stilzwijgende goedkeuring kan worden opgevat, zoodat de verpligting des verkoopers om te bewijzen , dat de bedongen voorwaarde van overeenstemming met het bepaalde monster door hen vervuld is , in haar geheel blijft bestaan ;

Gezien de artt. 1374, 1375, 1302 , 1303 en 1902 B. W art 99 W. IC, 222 , 56 B. R.;

Verklaart de gedaagden voor alsnog geregtigd om de betaling van dien tabak te weigeren, en de eischers voor alsnog met-ontvankelijk in hunne vordering, totdat zij zullen hebben bewezen , dat de door hen afgeleverde tabak met het monster overeenkomt;

Bepaalt daartoe ambtshalve , dat er een onderzoek van deskundigen zal plaats hebben, die zullen hebben te onderzoeken , of de aan de gedaagden afgeleverde tabak , ttians onder bewaring van het Leidsche veem alhier, overeenkomt met het monster, hetwelk zich bevindt onder de makelaars K. en V. alhier ■

Benoemt hiervoor, indien partijen niet dadelijk eens zijn, de heeren B., G. en N.;

Bepaalt, dat do deskundigen den bij den wet gevorderden eed zullen afleggen ter teregtzitting dezer Regtbank van ]8 Oct. 1 s71 , en binnen veertien dagen rapport hunner bevinding ter griffie deponeren;

Gezien art. 252 B. i{. ■

Houdt de reconventionnele vordering aan tot de eindbeslissing;

Reserveert de kosten , zoo in conventie als in reconventie.

(Gepleit voor de eischers Mr. J. Finneb , en voor de gedaagden Mr. Pn. A. Haas Az.)

HOOGE RAAD. — Hamer van Strafzaken.

Zitting van Dingsdag, 19 Maart.

Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

I. Uitspraak gedaan in zake:

1". G. Zwakhoven, tegen een arrest van het Hof in Limburg. 1 er worpen.

2°. den ambtenaar van het Openb. Alin. bij het Kantongeregt te

t Geldermalsen, tegen een vonnis in zake H. Schalk c. s. Het

vonnis vernietigd en de zaak teruggewezen naar hetzelfde Kan- tongeregt.

3„. A. M. Reuken, weduwe va» M. J. Jongenburger, tefen ee»

ai ï est van het Hol in Utrecht. Verworpen.

II. Behandeld het beroep van:

10" "• !'• J- va» Uden, tegen een arrest van het Hof in Zuid' holland. Happ., raadsli. Gockinga. Adv.-gen. Polis concludeer! tot verwerping. Uitspraak 8 April.

2". II. Prankhuyzen c. «., tegen een arrest van hetzelfde Hof. ltopp., raadsh. Coriinck Eiefsting. Adv.-gen. Polis concludeer' tot verwerping. Uitspraak 2 April.

NB. Woensdag is er geene zitting gehouden.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ

Bij 7. M. besluit van den 15 dezer, n<>. 25, is benoemd tot griffier bij het Kantongeregt te Nijkerk, Mr. P. M. Beelaerts van Emmicho' ven, thans griffier hij het Kantongeregt to Oldenzaal.

— Rij 7,. M. besluit van dezelfde dagteekaning, n". 30 , is aan den heer W. P. A. le Jeune, boekhouder en officier van justitie voor de dienst der Nederlandsehe bezittingen ter Kuste van Guinea, thans me! verlof hier te londc, als geroepen tot andere functiën een eervol ontslag verleend uit zijne gemelde betrekking.

BERIGTEN.

's Gravenhage, den 20 Maart.

Den 15 dezer is overleden Mr. J. Meemeling, advokaat bij het Prov. Geregtshof en de Arrond.-Regtbank in Utrecht.

— Van partikuliere zijden wordt aan het U. D. gemeld : «Voor het hof van justitie te Curapao is behandeld de zaak van het Openb. Min. contra Mr. W. Sassen Jz. Tegen den ged. was de navolgende beschuldiging ingebragt: 1„. dat hij op 18 Sept. :871 boosaardiglijk en openbaar de waardigheid en het gezag van 'sKonings vertegenwoordiger in de kolonie aangerand en dien zou hebben beleedigd; 2o.dat hij terzelfder tijd den toenmaligen districts commissaris Muller en alzoo i een magistraatspersoon , in of ter gelegenheid van de uitoefening zijner bediening, beleedigd zou hebben ; 3". dat hij door aanspraken , in het openbaar gehouden , de menigte zou hebben opgeruid tot misdrijf, echter zonder gevolg. De bekl. droeg zijne verdediging in onderscheidene zittingen voor. De door hem aangevoerde gronden werden allen door het Hof verworpen. De proc.-gen. eischte gevangenis-straf van twee en een half jaar en eene geldboete van f 100. De heer Sassen zette op 13 Febr. zijne verdediging voort.

«Op 21 Febr. jl. heeft het Hof uitspraak gedaan , den heer Sassen van het hem in nn. 1 en 3 ten laste gelegde vrijgesproken , en, wegens de in n°. 2 vervatte beschuldiging, tot eene boete van / 125 veroordeeld. De heer Sassen heeft zich tegen deze uitspraak onmiddellijk in cassatie voorzien.»

REGTSQELEERDE UITGAVEN.

FRANSCHE LITERATUUR.

Un jnrisconsulte re'publicain au XVIe siècle. Joachim du Chalard de Ia Souterraineet les Etats ge'ne'raux en 1560; pnr L. Duval, archifde la Creuse. In 12"., 46 p* Limoges, Ducourtieux.

Verlet (nn Mesnil) ancien magistrat, Etude sur les frais dejusticö criminelle et le de'cret du 13 juin 1811. 1 vol. in 8 >. Paris.

Etudes pratiques sur le Code Penal; par Antoine Blanciie, premier avocat-gc'néral a la cour de cassation , 6e e'tude: Livre troisième. Titre deuxième. Chapitrc vols (art. 309 a 401): banqucroiitcs, eseroqucrics et autres esp'eces de fraude; distinctions, dégradations, dommages; circonstances atte'nuantes. In 8°., 748 p. Paris CossJJ, Makchal et Cie.

ADVERTENTIEN.

Een Mr. in de regten, door overlijden in het bezit gekomen eener fraaije Bibliotheek, wenseht zich te ontboen van onderstaande duplicaten :

van den Honert, Verzameling van arresten, 1839 —70. Kompleet, in plaats van f 5S0 . ... f 225

Meuun , Répertoire et questions de droit. 52 vol, - 35 Staatsblad, der Nederlanden, 1813—1870. Offic.

uitgaven - 30

Luttenberg, Chronologische verzameling van wetten en besluiten, 1813—70, met registers,

in fraaije banden . 50

VoouDUtN, Nederlandsehe wetboeken, 12 dn.. - 35

Bosch Kempeb,Wetboek van Strafvordering, 5 dn. - 35

Meije ij, Esprit, origine et progrès des institutions judiciaires, 6 vol - 10

NB. Al deze werken zijn als nieuw en volledio-.

Te bevragen onder letter B. K. Z. Poste restante, Leiden.

Voor f 6.— in plaats van f 16._

in geprest linnen Band, is door de Uitgevers G. B. vat* Goor Zonen, te Gouda, alom verkrijgbaar gesteld:

Mr. G. Jf. OE ,

De Nederlandsehe Weta-evin^.

O T ö

Snelpersdruk ea ITitgnve van CaEIIKUEOKH^ BEIiDfAXTK, le 's Graveuhage.

Sluiten