Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

n^-?en, door den schipper te Amsterdam van de geconsigneerden te ontvangen en hem eischer te verantwoorden, alsmede tot van-waardeverklaring van hei arrest, door hem eischer, tot zekerheid der vorderi:'^' onder de lieerert Blaauw en Comp. ten laste des gedaagden gelegd, met veroordeeling van den eischer in de proceskosten; en bij w<=lk vonnis, ten aanzien der reconventie, nietig en van onwaarde Verklaard is het arrest, gelegd bij exploit van den deurwaarder L. man, dd. 19 Junij 1869, onder de heeren Blaauw en Comp., ten *te des gedaagden; de eischer in conventie veroordeeld is tot onadellijke kost- er, schadelooze opheffing van dat arrest; den ged., ®f*d»er in reconventie, zijne reconventionnele vordering voor het oveontzegd is, en de eischer in conventie ook veroordeeld is in de kosten , door de reconventie veroorzaakt;

óverwegende, dat de eischer van gemeld vonnis in hooger beroep geKomen is en, op de gronden, in zijne memorie van grieven uiteengezet, ë^'-oncludeerd heeft, dat het den Hove moge behagen, met vernietiging va'> het vonnis a quo, voor zooverre de app. daarmede bezwaard is, ea tenzij het Hof mogt vermeenen de zaak te moeten terugwijzen 'r do Regtbank ter behandeling der hoofdzaak in conventie, alsnog i" ' den app. zijne in eerste instantie genomen conclusie toe te wijzen, ' t veroordeeling in elk geval van den geïnt. in de kosten der beide

In«antiën;

'!at de geïnt. bij memorie van antwoord de grieven van den app., •egen het vonnis a quo te berde gebragt, bestreden en aangemerkt t*''t, dat de Regtbank niet juist de reconventionnele vordering tot -idevergoeding heeft afgewezen; concluderende hij, dat het den 1'rt-e behage, met vernietiging van het appel en het incidenteel appel, vonnis a quo te bevestigen, voor zooverre de conventie betreft, en 'en aanzien der reconventie aan den geïnt. en originelen ged. alsnoS? toe te wijzen zijne in eerste instantie genomen reconventionnele vordering, ook die tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, het arrest reeds gehad on geleden of nog te hebben en te lijden, 1 'er °P te maken bij staat, alles met veroordeeling van den ooriJ'onkelijken eischer en app. in conventie in de proceskosten in hooberoep;

J. in regten, en wel in de eerste plaats, wat het principaal appel rett, dat de oorspronkelijke eisch van den app. strekte tot betaling som van f 4844.09, welke de geïnt. hem zoude verschuldigd zijn : verschil tusschen de vracht, die de app. als bevrachter van het P "trank Marien» te betalen heeft, en de vracht, welke bij de on'ier-vervrachting door den app. ten zijnen behoeve is bedongen;

dat, ten gevolge van de oorspronkelijke bevrachting en de daaruit voortgevloeide onder-vervrachting, deze regtsverhouding tussc'.en partijen is ontstaan, dat de schipper van gemeld schip in wiens P (s na zijn overlijden de geïnt. is getreden als lasthebber in rem «urn el mandantis, door den app. is belast geworden met de inning U de geconsigneerden der lading te Amsterdam van de vrachten, ^ke de app. bij de onder-vervrachting voor zich had bedongen, met a- gevolg, dat de schipper, na de inning dezer vrachten, het beloop yöfiWTan, voor zooverre dit het aan hem zeiven door den app. verschulkef*° Vrachtbedrag zoude te boven gaan, aan den app. zoude uit-

fj\> dat, ofschoon de schipper, als hebbende ingevolge de cherte-

• u ^uguoscementen ten oenoeve van de onder-bevrachters geteekend,

aJ tln Pn kïi j i , .. ,

«ij uiiöiuiuug van ucu app., ais onaer-vervracnier, tot ae "ng der bij die cognoscementen bepaalde vrachten, geregtigd is en

betrekk^^ ^ast£ev*n» n*et vathaar is voor herroeping , — de regts-

taoudt • tussctieD partijen niettemin het karakter van een mandaat

0., dat

nit- „u 1: .1 .. .!• -t

vj.. ■. , xcgtövexuuuuiiig uer partijen voor aen app. voori-

. actio mandati directa (art. 1839 B. W.) , doch eerst na de j voering van het mandaat door de inning van de uitstaande vrachoj. V 0ID(lat eerst dan kan blijken, of en welk een saldo den app. als ? ' ""I*"vervrachter toekomt; dat echter ook voor de volvoering van het :"Sr,daat de app. geregtigd zoude kunnen zijn, op grond van art. 1838 1 *> eene regtsvordering tot schadevergoeding wegens verzuim tegen f schipper in te stellen, indien het bleek, dat deze de bestemmingsplans van het schip had verlaten, zonder dat door hem voor de behoorlijke inning der r.og niet geïncasseerde vrachten en de afrekening

"J1' aen app. ae vereiscnte zorg was gedragen ;

de

alg

dat, indien de laatstgemelde regtsvordering was ingesteld, het

vraag zoude kunnen zijn, of niet de cargadoor Breuker, die, zoo

lYL f.nn /*»CCO IC mof Ho arrantan irnn l)nn nnn Art kn

— ui, Btivuivu tau uvil auu. UC ÏÏCUCU1 UBliUC uc-

n Jl;'en ^er partijen heeft behandeld, en bij wien de geïnt. nog bij de P rjen 3 Julij 1869 aan den derden gearresteerde door den deurliei f ^61 *' du Pont Noordbeek geëxploiteerde sommatie woonplaats v ' gekozen, en dus met zijnen cargadoor nog in voortdurende relatie de* te 11' gebleven , — kan geacht worden met de verdere regeling (le'er. 2aak belast te zijn geweest, zoodat ten deze geen verzuim aan

*'Jde des geïntimeerden kan geacht worden te hebben bestaan; ver '•dat ecIlter de aPP- zÜne vordering niet heeft gegrond op eenig jer<Qlm van den schipper in de inning der vrachten, maar zijne vorl1(Vr'8 heeft gebouwd op een door den schipper, naar des appellants erkend saldo van het wederzijdsche credit en debet ter ile van de primitieve bevrachting en de onder-vervrachting, terwijl maaw^' C'an °0^ van liet vertre't van den schipper slechts gewag gele ' ' heeft om de noodzakelijkheid van een conservatoiren maatregel

rGPtVflni-r1i'oor. an nlnf

van ean. zïr.'.r^-'"• c T

pi««gd

' eene regtsvordering wegens een ter zake van het mandaat ge-

gd verzuim •

als J(\ ^at .l'e d°or den app. ingestelde regtsvordering is te beschouwen de. 6 taï{" man^at' directa, en de vraag dus thans is te beantwoor-

'f' °' het regt tot die vordering was geboren?

re^>'' dat het buiten geschil is, dat er op het tijdstip, waarop de ^r7rdenng werd ingesteld, nog vrachten uitstonden; dat dus het ii aat nog niet was volvoerd en bij gevolg, volgens het hiervoren RefK)d^ete' *'e act'° ma"dati directa nog niet konde worden in-

m,. <Ja' ^e..aPP' 7''®h echter beroept op eene nota, welke hem nate ■ elJ zou z.'j" "fgegeven, en waarbij deze zich tot debi-

r zou e e en geste d voor een bepaald saldo, onder bereidver-

'•-laring om het te voldoen:

0. met betrekking tot dje nota, dat eensdeels de geïnt. niet heeft

«eb de 8P,P' T rC .^Wezen- da' Th. Breuker, ofschoon het

.,f7,,als cargadoor bedienende, den schipper in dien zin vertegendp g e' dat de afgifte der nota door dien cargadoor als eene voor , '' schipper verbindende handeling zoude moeten worden beschouwd; s . ■; anderdeels , de inhond van die nota niet medebrengt, dat dé ■ 'pper zich toen reeds tot onvoorwaardelijken del iteur stélde voor . et (laarbij vermelde saldo, onaangezien de mogelijke niet gereede " ng der vracht of andere eventualiteiten; maar dat het veeleer aanelijk is, dat die nota slechts strekte om den app. bekend te ma. met den uitslag der rekening, zoo als die na de volvoering van

^ niandaat zoudo worden ;

a dat uit het overwogene volgt, dat de hoofdvordering van den

P teregt door den regter a quo niet is toegewezen;

trc-^ ' Tat C'6 vordering tot van-waarde-verklcring van het arrest bete ' volgens art. 735 B. R., het reet om onder derden beslag

•eggen is gegeven aan schuldeischers;

stir V 'nSevolge het hiervoren overwogene de app. op het tijd0 "l i' an et' ','°8, niet was de schuldeiseher van den schipper; « <*o niet isStoegewezénTtgemellie Torderin8 tereg' door den regter

0. alsnu, in de tweede plaats, met betrekking tot het incidenteel appel, dat de geïnt. de vernietiging van het vonnis o quo heeft gevraagd , >oor zooverre de vordering tot vergoeding van kosten, schaden en interessen is ontzegd;

0-, dat het buiten geschil is, dat het gearresteerde beloop en bepaaldelijk het bedrag, waarop de vordering bij het gelegde arrest is begroot, de door den app. gevorderde surplus-vracht overtreft met het geraamde bedrag der renten en kosten ;

0., dat, vermits de vordering, waarvoor het arrest is gelegd, den app. voor alsnog niet kan worden toegewezen, de app. (welk saldo hem ook later als surplus-vracht eventueel zal blijken toe te komen)

in (TAAn n>At7d I var.» J. I. „ J 1 , . '

JCëlr uo ueuoeiae renten en kosten; dat dus,

m zooverre, is genrresteerd eene geldsom, den schipper toekomende, en deze door het arrest belet is geworden in het genot van die geldsom te treden;

0., dat, wel is waar, niet is bewezen, dat, indien hat arrest niet was gelegd, de vrachten gereedelijk zouden zijn geïnd; doch dat, bij de niet betwiste solvabiliteit van de geconsigneerden der lading en bij gemis van hot bewijs zelfs van de bewering van de zijde des appellants , dat ook , indien er geen arrest was gelegd, de vrachten niettemin niet geregeld zouden zijn geïnd, - het daarvoor moet worden gehouden , dat het arrest werkelijk het hiervoren gemelde voor den schipper nadeelige gevolg heeft gehad;

0., dat derhalve, met wijziging van het vonnis a quo, de gevorderde schadevergoeding te dier zake alsnog behoort te worden toegewezen ;

Gezien, behalve de reeds aangehaalde wetsbepalingen, art. 1401 B. w., art. 734 en art. 56 B. R.; re.

Regt doende op het principaal en het incidenteel hooger beroep,

Vernietigt het vonnis a quo, voor zooverre den geïnt. een gedeelte van zijne reconventionnele vordering is ontzegd; en, ten aanzien van dat vernietigde gedeelte, op nieuw regt doende,

Veroordeelt den app. tot vergoeding aan den 'geïnt. van de kosten, schaden en interessen , door het ten processe bedoelde arrest b\j den gein', reeds gehad en geleden of nog te hebben en te lijden, nader op te maken bij staat;

Bekrachtigt het vonnis a quo voor het overige ;

Veroordeelt den app. in de kosten, zoowel van het principaal als van net incidenteel hooger beroep.

(Glepkit voor den appellant Mr. J. Pinker , en voor den geïntimeerde Mr. E. N. Rahüsen.)

ARRONDISSEMËNTS-REGTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE ROTTERDAM.

Knmer v»n Wtrnrsnken.

Zitting van dm 4 April 1872.

Voorzitter, Mr. A. A. YV'eve.

Abt. 320 Straïregt. — Onwili.ioe verwondino dook achteloosheid. — Stbafreotelijkb aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid.

De meesterknecht in eene branderij, die aldaar het oppertoezigt heeft, en aan een zijner onder-lenechts eene gewigtige werkzaamheid in de branderij ter uitvoering opdraagt, welke werkzaamheid eigenlijk tot zijn werkkring behoort, is niet alleen verpligt zorg te dragen, dat zijn last goed worde votbragt, maar moet zich ook daarvan bepaald overtuigen.

V erzuimt de meesterknecht hieraan te voldoen , dan is hij strafreg-

.o.y-v er. veramwooraelijlc voor de nadeelige ge¬

volgen , die uit oj door dat verzuim moqten ontstaan. — Hij pleegt alsdan eene culpa, die tot misdrijf leidt.

Daar, waar alzoo de meesterknecht in eene branderij aan zijn onderknecht heeft opgedragen den helm op den gebruikt wordenden distilleerketel te plaatsen, zonder daarbij, hetzij uitdrukkelijk te gelasten den tot bevestiging van dien helm noodigen stut daarop te stellen, hetzij dit zelf te doen, of zich in elk geval te overtuigen, dat het gedaan was , en waar, ten gevolge Van dat verzuim, daarna de he.lm vn.n d*>n V» ~ —

_ 7 7 1 » .— . to uyycayrujiytsji vn

het kokende vocht zich daaruit verspreidde, waardoor een in die branderij zich bevindende persoon brandwonden bekwam, daar pkegt de meesterknecht eene cnlpa door achteloosheid, met dien effecte, dat hij voor de onwillige verwonding van dien persoon naar de wet allezins strafbaar is.

De officier van justitie bij deze Regtbank , ambtshalve eischer , tegen

J. J. Sw., volgens zijne opgave oud negen-en-twintig jaren, geboren

en wonende te Schiedam, van beroep meesterknecht in eene

branderij.

De Regtbank enz.,

Gezien de dagvaarding, den bekl. beteekend en inhoudende de vermelding van het feit, hem ten laste gelegd;

Gehoord de voordragt van den heer officier ;

Gehoord de voorlezing van eene in deze zaak opgemaakte missive in dato 7 Pebr. 1872 door C. Kok, commissaris van politie te Schiedam;

Gehoord de verklaringen van de getuigen, alsmede den bekl. ondervraagd j

Gehoord de conclusie van den heer officier, strekkende tot veroordeeling van den bekl. in eene gevangenis-straf van zes dagen eenzaam en in eene geldboete van J 8 en in de kosten, des noods bij lijfsdwang op hom te verhalen, met bepaling, dat de boete , zoo de veroordeelde haar niet betaalt binnen twee maanden, na daartoe te zijn aangemaand, vervangen zal worden door eene gevangenis-straf van één dag eenzaam;

Gehoord den bekl. in zijne verdediging;

Overwegende, dat de bekl. is gedagvaard , als zoude hij te Schiedam den 7 Febr. 1872 onwillig, door onvoorzigtigheid en onoplettendheid, hebben verwond den persoon van J. van de Water; hebbende hij namelijk, terwijl hij als meesterknecht het opzigt had in de branderij van den heer Vincent, verzuimd op den helm van den gebruikt wordenden distilleerketel te plaatsen of te doen plaatsen den tot bevestiging van dien helm noodigen stut; ten gevolge van welk verzuim de helm van den ketel is afgesprongen, al het kokende vocht uit den ketel spatte, o. a. op van de AVbter voornoemd, waardoor deze verscheidene brandwonden bekwam ;

0., dat het wettig en overtuigend is bewezen door de bekentenis van den bekl. en de beëedigde verklaringen der tweede eu derde ter teregtzitting gehoorde getuigen :

1 . dat de bekl. op den 7 Febr. 1872, en ook reeds vroeger, als meesterknecht dienst deed in en het oppertoezigt had over de branderij van den heer Vincent te Schiedam, en dat als zoodanig de tweede en derde getuigen, als knechts in die branderij , zijne bevelen moesten opvolgen;

2o. dat de bekl. op gemelden dag, ten kwartier vo'ór acht uur des ochtends , in deze branderij onder den distilleerketel, waar alstoen ruw nat tot enkel nat zou worden gestookt en gestookt is, het vuur heeft aangelegd, en dat buiten dezen ketel geen andere op dien das is gebruikt; 6

3". dat de bekl., na het vuur onder den ketel te hebben aangelegd aan den tweeden getuige, den onder-knecht Versluys, heeft gezegd: «zet jij den helm er maar op, dan zal ik hem smeren» , waaraan door dezen getuige is voldaan, volgens diens verklaring en die van

Horripn trptiiicrA Ho 7nr««i .

4'. di' de bekl., des voormiddags ten ongeveer een kwartier na tien uur van gemelden dag, de branderij heeft verlaten en naar zijne woning zich heeft begeven , na alvoreus den ketel te hebben gesmeerd, welk smeren de bekl., volgens zijne eigene bekentenis niet aan den getuige Versluys overliet, omdat hij hem zulks niet toevertrouwde;

0., dat verder wettig en overtuigend is bewezen door de beëedigde verklaringen der tweede en derde gehoorde getuigen : dat ten ongeveer half elf uur van dien morgen, plotseling de helm van den ketel is° afgesprongen en alles in brand stond, terwijl door de beëedigde verklaringen der eerste , vierde en vijfde gehoorde getuigen is bewezen, dat alstoen de eerste getuige J. van de Water, die als zakkendrager dien ochtend steenkolen in de branderij droeg, brandwonden aan den schouder als door kokend water uit den ketel te weeg gebragt, heeft ontvangen

0., dat de bekl. tor teregtzitting heeft bekend, dat hij, ten tijde en plaatse voornoemd, op den helm van den gebruikt wordenden ketel den tot bevestiging van dien helm noodigen stut zelf niet heeft geplaatst, of dit uitdrukkelijk aan een ander heeft opgedragen , verkeerende hij in de meening, dat de tweede getuige Versluys, 'wien hij had gelast den helm op den ketel te zetten, tegelijk, gelijk alsdan volgens hem gewoonte was , den stut daarop zon plaatsen ; terwijl de genoemde getuige Versluys ter teregtzitting heeft verklaard, dat hij den stut niet op den helm heeft gezet, omdat het, volgens hem, gewoonte was dit eerst te doen, nadat de helm was gesmeerd, hetgeen de bekl. hem had gezegd zelf te zullen doen; hebbende eindelijk de derde getuige de Zwart verklaard, dat hij niet gezien heeft, of de stut op den helm was gesteld;

0., dat de bekl. nog heeft bekend, geheel in overeenstemming met hetgeen daaromtrent door de zesde en zevende getuigen zeiven meesterknechts in eene branderij , onder eede is verklaard, dat dé stut niet op den helm kan hebben gezeten, omdat anders de helm niet van den ketel heeft kunnen afspringen , tenzij, gelijk door gemelde zesde en zevende getuigen is opgemerkt, de vloering-plank, waaraan de stut is bevestigd of tegen steunt, rot was of zich had' begeven, waarvan echter in casu, volgens de eigen bekentenis van den bekl., geen sprake was, als verkeerende daaromtrent alles in goeden staat ;

0., dat uit hetgeen hiervoren alzoo uit de bekentenis van den bekl. en de beëedigde verklaringen der ter teregtzitting gehoorde getuigen, in onderling verband en zamenhang beschouwd, wettig en overtuigend' is gebleken, mag worden aangenomen, dat op den 7 Febr. 1872, in de branderij van den heer Vincent, te Schiedam, alwaar de bekl. als meesterknecht het oppertoezigt had, is verzuimd op den helm van den aldaar alJeen gebruikt wordenden distilleerketel, waaronder de bekl. ten kwart vóór acht uur van den ochtend van dien dag het vuur had aangelegd, den tot bevestiging van dien helm noodigen stut te plaatsen; ten gevolge van welk verzuim, des voormiddags ten half elf uur van dien dag, de helm van den ketel is gesprongen, al het zich daarin bevindende kokende vocht uit dien ketel spatte, waardoor de persoon van J. van de Water, die in de branderij kolen bra^t brandwonden bekwam;

0. aangaande de schuld van den bekl. aan zoo evengemeld verzuim en de gevolgen daarvan , dat de bekl., geheel in overeenstemming met de ten zijnen behoeve gehoorde zesde en zevende getuigen, heeft verklaard, en dit alzoo als wettig en overtuigend bewezen mag wordeu aausrenomen . rl«t. r.ioQ*cnr> An„ i-

o j — i'iuuvsvu U.C.U ueiui up een uisiii-

leerketel in eene branderij , het zetten van den stut met wig op dien

holm on 1- -1 , . . r

van Ketei en ueim , tot de gewjgtige werkzaamheden in eene branderij behooren, en dat deze werkzaamheden inden regel behooren tot dip.. w«nrv«n niMr^ir... «or. Hor, u.

- > V*"» MAUT UWIUjj «HU UVU UISWWI^UCVIH

zeit in de branderij is opgedragen;

v/., aat aisnu, met net oog op hetgeen niervoren als bewezen is aangenomen, mitsdien volgt, dat d£ar, waar, gelijk in casu, de bekl. als meesterknecht het oppertoezigt hebbende in de branderij en verantwoordelijk zijnde voor den goeden gang daarin, eene gewigtige

WP.rky.nam hoiH in Ho hvonHorii n.lc Viïo>-vnron io n< • °

—-j, — ao gouiea.eii, zen niet uit-

voert, alhoewel in den regel de uitvoering daarvan tot zijn werkkring behoort, maar die uitvoering opdraagt aan één zijner onderhoorigen — hij nu ook moet zorg dragen, uit den aard zijner betrekking dat aan zijn last goed worde voldaan , zoodat hij zich moet vergewissen, met alken of de opgedragen gewigtige werkzaamheid goed en deugdelijk is uitgevoerd, maar ook of er verder te dien opzigte geen gevaar bestaat en alles is overeenkomstig met den goeden gang in de branderij ;

O., dat echter de bekl. nu zelf heeft bekend , dat hij den stut niet op den helm heeft geplaatst, en zich ook niet overtuigd heeft, of zulks door zijn onder-knecht was geschied, en er heeft bijgevoegd, dat de stut ook niet op den helm kan zijn gezet geweest, omdat deze anders niet van den ketel had kunnen afspringen, hebbende hij alleen, volgens zijne verdere bekentenis , vertrouwd, dat het stutten ook wel gedaan zou zijn door den knecht Versluys, aaa wien hij had gelast den helm op den ketel te plaatsen;

0., dat nu juist dit zich niet overtuigen, of de gewigtige werkzaamheid van het stellen van den stut op den helm, waaraan zulke groote gevolgen zijn verbonden , als ook in casu is gebleken, al dan niet door zijn onder-knecht zij volbragt, voor den bekl. het verzuim van achteloosheid daarstelt, dat ongetwijfeld tot misdrijf leidt, en waarvoor hij als meesterknecht strafregtelijk aansprakelijk en verantwoordelijk is;

0., dat dit te meer klemt in casu, waar is gebleken, dat de bekl. van het oogenblik, dat hij het vuur onder den distilleerketel had aangelegd (kwart vóór acht uur des ochtends; en aan zijn onderknecht gelast had den helm op den ketel te plaatsen, tot kwartier na tien uur des voormiddags, toen hij , zonder daarvoor zelf eenige geldige reden te kunnen opgeven, de branderij heeft verlaten en naar zijne woning is gegaan, allezins tijd en gelegenheid heeft gehad , te meer, daar er dien dag slechts één distilleerketel werd gebruikt, ooi zich te vergewissen, of de door hem aan zijn knecht opgedragen werkzaamheid in haar geheel goed was volbragt, zoodat, bijaldien hij bekl. zulks had gedaan, hij alsdan dadelijk had kunnen en moeten ontdekken, of ook de stut al dan niet op den helm zich bevond;

0., dat mitsdien de bekl., ten gevolge zijner achteloosheid als meesterknecht, strafregtelijk aansprakelijk en verantwoordelijk is voor de gevolgen daarvan, en alzoo ook voor de onwillige verwonding van gemelden van de Water, gelijk hiervoren is gebleken;

0., dat het bewezen feit behoort te worden omschreven als wanbedrijf van door achteloosheid onwillig doen ontstaan van kwetsuren :

0., dat de omstandigheid, dat de bekl. in de stellige meening verkeerde en zich daarop verliet, dat zijn knecht, aan wien hij had gelast den helm op den ketel te zetten, tevens ook den stut daarop zou plaatsen, gelijk alsdan volgens hem gewoonlijk geschiedt, alsmede dat de verwonding, aan genoemden van de Water toegebragt, van geen ernstigen aard is geweest en zonder nadeelige gevolgen is

Sluiten