Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen

1°. M. Slothouwer, wonende te Meppel ;

2°. G. Slothouwer, insgelijks wonende te Meppel, geïntimeerden, en tegen

de firma van Velzel en Zoon, kooplieden te Amsterdam, geïntimeerde ;

hebbende al de geïntimeerden tot procureur Mr. J. A. Willingk

Gratama.

Het Hof enz.,

Geboord de eonclusiën van partijen, en hetgeen tot adstructie daarvan is aangevoerd bij pleidooi voor den app. door Mr. J. Sluis, advokaat te Meppel, cn voor de geïntimeerden M. en G. Slothouwer, door Mr. H. van Lier , advokaat te Assen, hebbende laatstgemelde advokaat uitdrukkelijk verklaard niet als zoodanig voor de geïntimeerde firma J. C. van Velzel en Zoon op te treden, wier conclusie ook door geen anderen advokaat is toegelicht;

Gehoord de conclusie van den proc.-gen., strekkende daartoe, dat de conclusiën van den app. zullen worden toegewezen;

Gezien de stukken der procedure, en daaronder in het bijzonder: o. het vonnis der Arrond.-Regtbank te Assen dd. 15 Febr. 1869 , waarbij de tegenwoordige geïntimeerde firma J. C. van Velzel en Zoon, destijds verzoekersche tot interventie, is toegelaten om tusschen te komen in het geding, bij exploiten van den .20 Aug. 1868 aanhangig gemaakt tusschen M. Slothouwer voornoemd, opposante , als eischeres , en II. van Veen voornoemd en in qualiteit als gezegd, arrestant cn geopp., als ged., en G. Slothouwer mede voornoemd, gearresteerde en geopp., als mede-god., met last op partijen dit geding gezamenlijk voort te zetten met de interveniënte; b. hot vonnis derzelfde Regtbank, tusschen de ge'int. M. Slothouwer, als opposante tegen den voorgenomen verkoop van in executoriaal beslag genomen roerende goederen , ten laste van G. Slothouwer en ten verzoeke van II. van Veen, qualitate dicta en als eischcresse bij exploiten van den 20 Aug. 1868, den app., als geopp. en ged., den mede-geïnt. G. Slothouwer, als geopp. en mede-ged., en de mede-geïntimeerde firma .J. C. van Velzel en Zoon, als interveniënte, den 20 Febr. 1871 gewezen, waarvan appel en waarbij do Regtbank, passerende het aangeboden getuigenbewijs als onvoldoende, gelast, dat de opposante eischeres ter harer gewone openbare teregtzitting van 20 Maart e. k., ter behandeling van burgerlijke zaken, in tegenwoordigheid van partijen, of deze behoorlijk zijnde opgeroepen, zal afleggen dezen eed: »Ik zweer, dat ik, vóór en ten tijde der in-beslag-neming, op den 10 Aug. 1868 door den deurwaarder Pouüe gedaan, van al de daarin vermelde omschreven goederen had het vrije genot, en dat ik over die goederen op de volstrektste wijze kon beschikken»; en, voor het geval de opposante, eischeres, dien eed zal hebben afgelegd, haar verklaart goed opposante togen den voorgenomen, op den 21 Aug. 1863 bepaalden verkoop der geübelleerde roerende goederen, bij het vonnis nominatim vermeld; mitsdien verklaart het op die goederen bij het aangehaald proces-verbaal van 10 Aug. 1868 van den deurwaarder Poulie gelegde arrest te zijn onregtmatig, dat arrest opheft en gelast, dat de goederen ter vrije beschikking van de opposante en eischeres als eigenares zullen worden gesteld, met vcroordeeling van den geopp. en ged. en arrestant H. van Veen, in opgenoemde qualiteit, tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, nader te regelen bij staat, door de opposante en eischeres geleden of nog te lijden door het omschreven onregtmatig arrest, met verklaring voorts, dat de interveniënte mede is goed opposante tegen hot bovenvermeld arrest, voor zooveel de in hare conclusie vermelde, door haar aan de opposante oischeres verkochte en geleverde goederen betreft, die geacht moeten worden onder de in beslag genomene te zijn begrepen, en waarvan alzoo de in-beslag-neming bij bovenstaande verklaring mede reeds onregtmatig en opgeheven is verklaard, en met verwijzing van den geopp. en ged. H. van Veen, in zgrio voormelde qualiteit, in al de kosten, op deze procedure gevallen, ook in die van de interventie; bij welk vonnis verder, voor het geval de opposante eischeres weigerachtig mogt zijn of nalatig blijven den voormelden haar opgelegden eed af te leggen, de Regtbank verklaart de opposante en eischeres te zijn kwaad opposante tegen den voorgenomen verkoop der door arrestant, den geopp. en ged. H. van Veen qq., bij voormeld proces-verbaal ten laste van den mede-ged. G. Slothouwer in beslag genomene roerende goederen; haar mitsdien ontzegt de ingestelde vordering, en haar veroordeelt tot vergoeding van kosten, schade en interessen, bij den arrestant en geopp. H. van Veen qq. door haar onregtmatig verzet geleden of nog te lijden, nader te regelen bij staat; en dien ten gevolge mede aan do interveniënte hare vordering ontzegt, met veroordeeling van de opposante in al de kosten , op deze procedure gevallen, en alzoo mede daaronder begrepen die van de interventie;

Overwegende ten aanzien der daadzaken, dat het Hof, voor zooveel de in eersten aanleg gevoerde procedure aangaat, zich gedraagt aan hetgeen daaromtrent voorkomt in het vonnis a quo en in het reeds aangehaalde vroeger vonnis der Regtbank van 15 Febr. 1868, waarnaar ook in het vonnis a quo, wat het daadzakelijke der procedure betreft, wordt verwezen, en zulks onder doze nadrukkelijke bijvoeging, dat de incidentele conclusie , voor de opposante en eischeresse, door den procureur Mr. J. A. Willinoe Gratama den 9 Mei 1870 ter rolle der Regtbank genomen , waarbij eenige daadzaken zijn gesteld en, in cas van ontkentenis dier daadzaken, is geconcludeerd tot toelating, om dezelve door getuigen en door alle middolen regtens te bewijzen, is geschreven op ongezegeld papier;

0. wijders, dat de oorspronkelijke arrestant, geopp. en ged., van gemeld eindvonnis der Regtbank dd. 20 Febr. 1871 in hooger beroep is gekomen bij acte van den deurwaarder Thurkow, te Meppel, den 16 Maart 1871 aan do opposante eischeresse en aan den gearresteerde, geopp. en mede-ged. G. Slothouwer beteekend, en bij acte van den deurwaarder Lissono, te Amsterdam, den 18 Maart 1871 aan de interveniënte, de firma J. C. van Velzol en Zoon, beteekend; dat, na der geïntimeerden procureur-stelling, door der partijen procureurs is geconcludeerd, zoo als uit de conclusiën , tot dit arrest behoorende, blijkt; dat vervolgens, nadat de pleidooien waren gevoerd, door het Openb. Min. was geconcludeerd en de uitspraak was bepaald op de teregtzitting van den 18 Nov. 1871, te dier teregtzitting door het Hof is gewezen een praeparatoir arrest, waarbij den procureur der geïnt. M. Slothouwer is gelast, alsnog binneu acht dagen ter griffie van het Hof over te brengen het oorspronkelijk deurwaarders-exploit van den 20 Aug. 1868, waarbij, ten verzoeke van M. Slothouwer, aan H. van Veen in zijne hoedanigheid is geïnsinueerd, dat zij verzet doet tegen den voorgenomen verkoop, bepaald op 21 Aug. e. k., van de roerende goederen, in executoriaal beslag genomen door den geïnsinueerde, voormelden van Veen, en deze mitsdien is gedagvaard te verschijnen voor de Regtbank te Assen op den 7 Sept. e. k., ten einde te hooren en zien eisch doen , dat het dor Regtbank moge behagen, de eischeresse te verklare goed opposante tegen den voorgenomen, op 21 Aug. e. k. bepaalden verkoop enz., met uitstel dien ten gevolge van de eind-uitspraak tot de teregtzitting van 9 Dec. 1871, en met reserve van kosten; en dat, ten gevolge van dit praeparatoir arrest, gezegde procureur ter griffie van het Hof, blijkens acte daarvan, aldaar deu 25 Nov. jl. opgemaakt en denzelfden dag geregistreerd, de verklaring heeft afgelegd: «dat hij in de onmogelijkheid is dit stuk ter griffie over to leggen, ter zake dat hetzelve in het ongereede is geraakt by de gedurige wisseling der stukken»;

0. in regten, dat de onmiddellijk hierboven geïnsereerde verklaring

wel moet geacht worden het bewijs te leveren, dat het oorspronkelijk deurwaarders-exploit, waarover die verklaring liep en waarvan de overlegging door het Hof bij zijn praeparatoir arrest werd verlangd en moest worden gevorderd, niet meer aanwezig is ; en dat het Hof zich om die reden zal moeten te vreden stellen met het afschrift daarvan, dat onder de gedingstukken voorkomt, en thans voor de oorspronkelijke acte in de plaats treedt;

O. verder, dat de geïnt. M. Slothouwer, op wie als oorspronkelijke opposante en eischeresse de last rust, om den grond voor haar verzet en eisch, het fundamentuin petendi, te staven, tot dat einde zich heeft beroepen op de volgende daadzaken, welke ook als bewezen zijn aan te merken:

a. dat zij in de woning, waarin op den 10 Aug. 1868 door den app. beslag is gelegd, was gepatenteerd als koopvrouw, blijkens overgelegd patent, terwijl de geïnt. G. Slothouwer niet was gepatenteerd;

b. dat, terwijl nog bij accijns-quitantio van den 15 April 1868 consent werd gegeven tot vervoor van aan accijns onderworpen koopwaar naar de woning van G. de Vries, den 25 Junij daaraanvolgende gelijk consent werd verleend tot vervoer naar de woning van M. Slothouwer;

c. dat, terwijl vóór den 1 Mei 1868 bestellingen van koopwaren aan de geïntimeerde firma geschiedden op naam van G. de Vries, blijkens brieven, geteekend p. o. G. de Vries, G. Slothouwer, na dien tijd en vóór het arrest, gelijke bestellingen plaats vonden bij brieven, geteekend p. o. M. Slothouwer, G. Slothouwer, welke brieven, even als de andere bescheiden, behoorlijk zijn geregistreerd, blijkens relazen daarvan, in het vonnis a quo opgenomen ;

d. dat zij de woning , door haar bewoond en waarin de in beslag genomen goederen zich bevonden, van den 1 Mei 1868 af, blijkens daarvan op dien dag onderhands geteekende en later geregistreerde acte, in huis heeft gehad, terwijl in dit geding geen stuk aanwezig, noch eenig feit bekend is, waaruit van oenig huurregt bij den geïnt. G. Slothouwer to dien tijde zou kunnen blijken;

e. dat zij do koopwaren, meubelen cn verdere goederen, zich bevindende in het winkelhuis, door haar bowoond, als eigenaresse tegen brandschade verzekerd heeft voor den tijd van vijfjaren, aanvang nemende den 15 Juli) 1868 , blijkens polis van die dagteekening , welke polis, even als het sub d omschreven huur-contract, wel degelijk tegen den app. kan gelden, aangezien toch, met betrekking tot de door hem in beslag genomen goederen, gerekend moet worden in de plaats te treden van den gearresteerde G. Slothouwer, alzoo nimmer meerdere of andere regten op die goederen zal kunnen doen gelden, dan deze had op het tijdstip der in-beslag-neming, en aan beide acten bij de beantwoording der vraag, wie als eigenaar dier goederen zij te beschouwen , M. of G. Slothouwer, vooral in dit geding, waarin de partij, aan welke de app. zijn regt moet ontleenen, de beweringen van de geïnt. M. Slothouwer niét alleen niet tegenspreekt, maar zelfs ondersteunt, — geene bewijskracht kan worden ontzegd;

f. dat voor den geïnt. G. Slothouwer, die, nadat hij in 1866 met al zijne crediteureu eene schikking had getroffen , uitgezonderd de app., geen handel op eigen naam had kunnen drijven uit vrees voor vervolging van dezen, ook in 1868 dezelfde reden om zich daarvan te onthouden was blijven bestaan, ja zelfs die reden nog klimmender was geworden, daar hij, kort na het overlijden zijner bemiddelde behuwdzuster G. de Vries, op 23 Febr. 1868 dringend door app. tot betaling werd aangemaand, wat in con/esso is en nog bevestigd werd door de reeds op den 8 Mei 1868 gevolgde dagvaarding tot betaling;

O., dat de opgemelde daadzaken, geheel op zich zelve beschouwd, wel kunnen leiden tot de vermoedens , dat M. Slothouwer werkelijk reeds vóór en tijdens het door haar bestreden arrest koopvrouw was; dat zij in de woning, door haar bewoond, handel dreef, en dat zij van die woning c. a. het bezit en genot als huurdersche had; waaruit dan verder regtens zou volgen, dat zij, tijdens het arrest, uit hoofde van haar huurregt, in het bezit der gearresteerde goederen, op grond van art. 2014 B. W., voor eigenaresse moest worden gehouden ;

0. nogtans, dat tegen het bewijs, door de geïnt. M. Slothouwer geleverd, overstaan andere uit de in het geding gebragte stukken voortvloeijende daadzaken, te weten:

l<>. dat, b\j brief van den 6 April 1868, dragende op het adres de poststempels: Meppel 7 April 68 en Amsterdam 7 April 68 G. Slothouwer, p. o. G. de Vries, die reeds den 23 Febr. 1868 was overleden, aan de heeren J. C. van Velzel te Amsterdam heeft geschreven «afgeioopen week is ons het briefje van de 10 potten kandij gepresenteerd , niet aangenomen van te betalen , waartoe heden de gelden zond, en de knecht met de boodschap terugkwam, dat het briefje reeds weder terug was gezonden, op grond, dat men daarmede ook bij mijne zuster aan huis waren geweest, die daar niets van wisten , laat men nu afgeven dezelfde route, die uwe wissels maken» ;

20. dat K. H. Baarslag, bij brief van den 12 Aug. 1868, op den tweeden dag alzoo na dien, waarop het beslag ten verzoeke van den app. werd gelegd, dragende op het adres de poststempels Amsterdam 12 (of 13) Aug. 68 en Meppel 13 Aug. 68, aan den deurwaarder Poulie te Meppel heeft ingezonden eene factuur, luidende aan het hoofd: »Mejufvrouw G. de Vries debet aan J.C. van Velzel en Zoon», en daarbij geschreven heeft: «Volgens inliggende factuur hebben de Hecren J. C. van Velzel en Zoon van den Heer Slothouwer a costy, handelende ten name G. de Vries, te vorderen f 1418.823; gemelde Heeren ontvangen heden een telegram, dat de boedel van Slothouwer gearresteerd werd, ten gevolge waarvan een der leden van gemelde firma van Velzel heden zich naar Meppel heeft begeven; ik heb ZEd. aangeraden zich tot UEd. te wenden en verzoek ik UEd. bij deze de belangen mijner cliënten te behartigen, ten einde, ingeval de boedel en koopmanschappen in beslag genomen zijn, en de goederen, dewelke op 20 Julij cn later nog aanwezig waren, dezelve te reclameren; hiertoe kan men echter niet geraken dan bij faillissement van Slothouwer; mogt de bedoelde persoon niet zich failliet willen stellen en de boedel executoriaal worden verkocht, gelieve TJEd. zorg te dragen, dat tegen de afgifte der kooppenningen geopposeerd wordt. UEd. zult mij zeer verpligten al mogelijke maatregelen aan te wenden om de vordering mijner cliënten te beveiligen en mij ten spoedigste te berigten, welke schuldeiscber gearresteerd heeft en of de vervolging ten laste Slothouwer in privé voor een zijner vroegere schuldeischers of voor zijne tegenwoordige firma geschiedt. Slothouwer is het met mijne cliënten eens en zal UEd. alle mogelijke inlichtingen verschaften»; tot welke inzending en welk schrijven genoemde Baarslag noodwendig in staat gesteld en gemagtigd moest zgn geworden door de geïntimeerde firma, wat ook niet is ontkend;

30. dat, blijkens een niet betwist extract uit het register van aanteekening, gehouden door den commissaris van beurtveren te Amsterdam, P. Lorié, door de heeren J. C. van Velzel en Zoon te Amsterdam zijn aangeteekend en verzonden aan de firma G. de Vries te Meppel volkomen gelijke goederen, als ook op de sub 2 bedoelde factuur, ten name van mejufvr. G. de Vries te Meppel, meer gespecificeerd voorkomen, terwijl de geïntimeerde firma ter griffie der Regtbank gedeponeerd heeft, blijkens acte daarvan, aldaar opgemaakt den 14 Sept. 1868, een door haar voor conform haar schuldboek geteekend extract uit dat boek, aanvangende: «Mejufvrouw M. Slothouwer (Meppel) debet aan J. C. van Velzel en Zoon», en bevattende dezelfde posten als de meergemelde factuur, met uitzondering van eene van 20 Maart 1868, die op het extract niet is uitgetrokken, en

bovendien nog met dit verschil, dat de post, welke op de factuur wordt aangetroffen onder dagteekening van 25 April 1868, op het ter griffie der Regtbank gedeponeerd extract voorkomt, in overeenstemming met het extract, door den bovengenoetnden commissaris van beurtveren afgegeven onder dagteekening van den 15 Moi 186S;

4". dat de geïnt. G. Slothouwer , blijkens het proces-verbaal van ontzegeling der nalatenschap van G. de Vries van 16, 17 en 25 Maart 1868, heeft verklaard: «dat de affaire, waarvan bij het proces-veibaal van verzegeling is molding gemaakt en gedreven op naam van de overledene, door den heer G. Slothouwer is uitgeoefend voor rekening en ten laste en schade van gemelden heer Slothouwer, en dat alleen de naam van de overledene is gebruikt»; welke verklaring door sommige geïnteresseerden bij die nalatenschap, welke tegenwoordig waren, voor zich persoonlijk en voor de overigen, die zelve niet aanwezig waren, door hunne lasthebbers is bevestigd;

5o. dat de geïnt. M. Slothouwer zelve en de geïntimeerde firma van Velzel niet geheel overeenstemmen in de voorstelling der betrekking , welke tusschen haar onderling heeft bestaan, daar immers de eerste bij hare conclusie, in hooger beroep genomen, voordraagt, dat, nadat de mede-geïnt. G. Slothouwer, ten gevolge van achteruitgang zijner zaken, met zijne crediteuren, uitgenomen den app., tot eene schikking was gekomen, dien ten gevolge alles was verkocht, hij zijn crediet kwijt was en geone zaken meer kon doen, — zij geïnt., gesteund door den naam en het geld harer tante, de zaken aanvatte; dat zij zich over een flink crediet mogt verhengen en handel dreef, nog geholpen door haren vader, die bij haar inwoonde enz. , terwijl de andere bij hare conclusie, in eersten aanlegden 19 April 1870 genomen, poseert «dat zij, nadat G. Slothouwer met zijne crediteuren bad geaccordeerd, niet met hem handelde, maar met zijne zuster G. do Vries, gelijk, na den dood van deze, met hare opvolgster M. Slothouwer, tot appui van welk beweren bovendien wordt verwezen naar het bewijs, afgegeven door den commissaris van het beurtveer van Amsterdam op Meppel» enz.;

6°. dat de geïnt. G. Slothouwer, blijkens proces verbaal van inbeslag-neming op den 10 Aug. 1868 , zich daarbij volkomen passief heeft gedragen, althans niet blijkt, dat, ofschoon de goederen, als aan hem toebehoorende, werden in beslag genomen, hij zich de aanstelling tot bewaarder over die goederen, als de zijne in beslag genomen, liet welgevallen, cn door hem de vaststelling van den dag van verkoop werd aangehoord, tegen dit een of ander door hem of eon zijner huisgenooten eenige de minste bedenking i3 geopperd;

O., dat al deze daadzaken, te zamon en in onderling verband genomen , het vermoeden doen ontstaan, dat de geïnt. G. Slothouwer, nadat hij in 1866 met al zijne crediteuren, buiten den app., eene minnelijke schikking had getroffen, ten einde zich tegon de gevreesde vervolging van dien app. te vrijwaren, op naam van zijne behuwdzuster G. de Vries, doch voor zijne rekening, is begonnen handel ta drijven en, na den dood zijner genoemde behuwdzuster den 23 Febr. 1868, is voortgegaan handel te drijven, eerst nog korten tijd geheel op dezelfde wijze, en daarna met of omstreeks 1 Mei 1868 op naam van zijne dochter, de geïnt. M. Slothouwer, doch evenzeer voor zijne eigene rekening;

O., dat gezegd vermoeden , moge het al niet zóó bepaald en zóó zwaarwigtig zijn, dat het tegen het bewijs, door de geint. M. Slothouwer geleverd, geheel kunne opwegen, dit echter, naar 's Ilofs oordeel, dermate verzwakt, dat het zelfs door een suppletoiren eed , hoe dan ook geformuleerd, niet moer tot een volledig bewijs kan worden aangevuld ;

O., dat de geïnt. M. Slothouwer wel bij incidentele conclusie van 9 Mei 1870 in eerste instantie , waarop bij hare conclusie in hooger beroep wordt gedoeld, eenige daadzaken heeft gesteld en in cas van ontkentenis, welke later plaats vond, gevorderd heeft toegelaten to worden om die daadzaken door getuigen en door alle middelen regtens te bewijzen; doch dat dit aanbod van bewijslevering noodwendig als niet geschied moet worden aangemerkt, omdat gedachte conclusie op ongezegeld papier is geschreven en het Hof daarop alzoo, ingevolge het stellig verbod van art. 8 der wet vun 3 Oct. 1843 (Stbl. 110. 47), geen regt mag doen, aangezien toch die conclusie niet uitdrukkelijk van het zegelregt is vrijgesteld, noch ook van het bewijs van registratie voorzien , in beide welke gevallen alléén dat verbo i zou vervallen ;

O., dat uit vorenstaande beschouwingen volgt, dat het verzet, der geïnt. M. Slothouwer tegen den voorgenomen en reeds bepaalden verkoop van de bij proces-verbaal van den deurwaarder Poulie dd. 10 Aug. 1868 , ten laste van den geïnt. G. Slothouwer en ten verzoeke van den app., gearresteerde roerende goederen is ongegrond; dat zij daardoor eene onregtmatige daad heeft gepleegd en, ingevolge art. 1401 B. "W., op de vordering der benadeelde partij, verpligt is de door die onregtmatige daad toegebragte schade te vergoeden;

0. nog, dat het bewijs der daadzaken, door den app. bij zijne conclusie dd. 9 Mei 1870 gesteld en door de ge'int. M. Slothouwer ontkend, hetwelk , voorwaardelijk aangeboden zoowel in hooger beroep als in eersten aanleg, niet zou kunnen worden opgelegd, omdat de voorwaarde: «dat de regter oordeelde, dat de bewijslast op hem als arrestant, en niet op de opposante en eischeresse rust» , niet zoude

zijn vervuld, bovendien volstrekt overbodig is te achten ten gevolge

der beslissing, dat de geïnt., oorspronkelijke eischeresse, in gebreke is gebleven in de levering van voldoend bewijs, en dus van de levering van tegenbewijs geen sprake meer kan zijn;

0. ten aanzien der interventie, dat de geïntimeerde firma in eersten aanleg bij conclusie van den 20 Dec. 1869 heeft geconcludeerd: »dat het der Regtbank moge behagen de interveniënten te verklaren goede opposanten tegen het bovenvermeld omschreven arrest, door den deurwaarder Poulie dd. 10 Aug. 1868 gelegd; voorts bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraa l en zonder borgstelling, te verklaren, dat gemeld arrest, voor zooveel de goederen betreft, door interveniënten aan M. Slothouwer verkocht en geleverd, ondeugdelijk is gelegd en van onwaarde, met bevel aan den eersten ged. om dit kwalijk en zonder grond gelegd arrest onmiddellijk, immers binnen vier-en-twintig uren na beteekening van het in deze te wijzen vonnis, kost- en schadeloos op te heffen , alles met veroordeeling in de kosten , hetzij in privé, ingevolge de bepaling van art. 461 B. W., hetzij in qualiteit; dat do app., toen eerste ged., daarop bij conclusie van 10 Jan1871 heeft geantwoord: «Aangezien de interveniënte vordert" enz. Aangezien de interveniënte tegen gezegd arrest niet iri verzet is gokomen en hare vordering, om goed opposante te worden verklaard, bij gevolg voor geene toewijzing vatbaar is» enz., — het der Regtbank moge behagen de interveniënte in haro vordering te verklaren nietontvankelijk» enz.; dat werkelijk de interveniënte bij vonnis der Regtbank dd. 15 Febr. 1869 is toegelaten om zich te voegen in het geding, tusschen de overige partijen reeds hangende, natuurlijk aan de zijde van eene der partijen, zoo als de aard der zaak medebrengt en wel aan de zijde der opposante en eischeresse, zoo als bij ® conclusie tot interventie totidem verbis is gevraagd en ook bedoeld wordt, blijkens de eerste conclusie, door interveniënte, na als zoodanig toegelaten te zijn, genomen, waarin gelezen wordt: «Aangezien d° interveniënten enz. niet geaarzeld hebben zich to scharen aan de zij ^ van de opposante enz.«; dat gevolgelijk dc interveniënte niet, zelfstandige eischeresse optredende, kon vorderen, dat zij iutervenie ^ zou worden verklaard goed opposante, daargelaten nog, dat aan zo^ danige vordering dan toch ook in ieder geval eene door haar z gedane oppositie zou moeten zijn voorafgegaan, waarvan in zeer zeker niet is gebleken, zoodat geïnt., oorspronkelijke m

Sluiten