Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebruikt als regtstreeksche bewijsmiddelen van eene tusschen partijen bestaande verpligting, maar als bewijzen van zekere omstandigheden, uit welker bestaan is afgeleid de hoedanigheid van vervrachtster deioorspronkelijke eischeresse, thans verweerderesse in cassatie; en dat derhalve ook dit middel is ongegrond;

Verwerpt het beroep en veroordeelt de eischeresse in de kosten.

(Gepleit voor de eischeresse Mr. C. Asser, en voor de verweerderesse Mr. J. Kapfeyne van de Coppello.)

Hamer van Strafzaken.

Zitting van den 18 Maart 1872.

Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

Geneeskunde.— Afleveren van geneesmiddelen. — Onbruikbare

geneesmiddelen. niet voorhanden hebben van geneesmiddelen. — Dagvaarding.

Is de wil van den wetgever duidelijk gebleken , dat de geneesheer, gebruik makende van de bevoegdheid tot het leveren van geneesmiddelen, volgens art. 9, n'. 4, der wet van den 1 Junij 1865 (Stbl. n'. 60), in allen gevalle moet voorhanden hebben de geneesmiddelen, vermeld in den bij dat artikel bedoelden maatregel

van algemeen bestuur, onverschillig oj die middelen at dan met op eene door hem opgemaakte lijst zijn vermeldt — Ja.

Behoeft alzoo wel, bij de toepasselijkheid van gemeld artikel, en bij de strafbedreiging in art. 32 der wet van 1 Junij 1865 (Stbl. n". 61), in de dagvaarding aan den beklaagde te worden te last

gelegd, dat die geneesmiddelen in den gemelden maatregel van inwendig bestuur zijn opgenomen ? — Neen.

Is volgens het Kon. besluit van 5 Nov. 1865 (Stbl. n°. 125) het niet-voorhanden hebben van andere geneesmiddelen dan alleen de herba digitalis , tinctura cinnamoml en sulphas atropinicus wel strafbaar! — Neen.

De ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt ta Edam heeft zich in cassatie voorzien tegen een vonnis van den kantonregter te Edam van den 1 Dec. 1871, waarbij H. F. van der Wissel, heelen vroedmeester, wonende te Marken , bij verstek is ontslagen van alle regtsvervolging ter zake van liet hem ten laste gelegde en wettig bewezen verklaarde feit, dat hij, die heel- en vroedmeester op Marken is, op den 18 Aug. 1871, bij de inspectie zijner apotheek bevonden werd , dat in zijne apotheek eenige geneesmiddelen door ouderdom onbruikbaar en bedorven waren en andere geheel ontbraken; dat onder de onbruikbare werd aangeteekend herba digitalis, pulvis herbae

uignuus ü t rieroa nyoscyami mgri, en onder de ontbrekeude aether nitricus alcoholicus, tinctura cinnamomi en sulphas atropini; terwijl vele andere geneesmiddelen , wat qualiteit of quantiteit betreft , vrij wat te wenschen overlieten.

Nadat te dezer zake door den raadsheer Kist het verslag was uitgebragt en de advokaat van den gereq., Mr. W. Thoreecke , de voorziening nader bij pleidooi had bestreden, heeft de adv.-gen. Smits de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Heeren, President en Raden ! Aan den gereq., heel- en vroedmeester op Marken, is ten laste gelegd, dat bij de inspectie zijner apotheek van zijn voorraad geneesmiddelen onbruikbaar zijn bevonden de herba digitalis, pulvis herbae digitalis en herba

nyoscyami nigri, en daaraan ontbraken aether nitricus alcoholicus, tinctura cinnamomi en sulphas atropinicus.

De kantonregter nam het bij dagvaarding vermelde als bewezen aan , doch ontsloeg van alle regtsvervolging, omdat, volgens hem, het

ontoresen ot ondeugdelijk voorhanden hebben van geneesmiddelen alleen dan strafbaar is, als die geneesmiddelen voorkomen op de in art. 9 van de wet, regelende de uitoefening der geneeskunst, vermelde lijst, en dat het voorkomen van de bedoelde geneesmiddelen op die lijst niet is ten laste gelegd , noch bewezen.

De heer req. vermeent daarentegen , dat het ontbreken of ondeugdelijk voorhanden hebben van geneesmiddelen reeds strafbaar is, indien deze zijn aangewezen bij den maatregel van inwendig bestuur , bedoeld bij het slot der vierde al. van art. 9 voormeld, zijnde het Kon. besluit van 5 Nov. 1865 (Stbl. n°. 125). De quaestie is voor den Hoogen Raad niet nieuw.

Nog onlangs werd zij, overeenkomstig mijne conclusie, beslist, en wel bij arrest van den 30 Jan.jl. in zakeH. W. Heckman ( Weekbl. n°. 3432), waarbij de Hooge Raad uitmaakte, dat de wetgever heeft gewild, dat de

geneesneer , van ae bevoegdheid tot het leveren van geneesmiddelen gebruik, makende, in allen gevalle moest voorhanden hebben de geneesmiddelen , vermeld in den maatregel van inwendig bestuur, bedoeld bij art. 9 der wet van 1 Junij 1865 (Stbl. no. 60), onverschillig

ui uie miaaeien al ot met op eene door hem opgemaakte lijst zijn vermeld.

Ik heb, zoo als de geachte pleiter opmerkte, bij mijne conclusie in de bedoelde zaak, de quaestie bedenkelijk genoemd; en ik ontken ook thans nog niet het gewigt van de gronden, die voor eene tegenovergestelde zienswijze zijn bij te brengen en door den pleiter ook zijn bijgebragt. Die gronden waren echter ook reeds aangevoerd bij de memorie van cassatie, in der tijd voor den req. Heckman ingediend. Met verwijzing naar mijne vroegere conclusie vermeen ik dan ook thans te kunnen volstaan met te verklaren , dat ik volhard bij mijn gevoelen, dat de wetgever heeft gewild, dat een geneesheer, als de req., in ieder geval schouwbaar moet voorhanden bobben de geneesmiddelen, opgenomen in den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, en dat hij daarbij op zijne lijst zoovele of zoo weinige middelen kan voegen als hem goeddunkt, die alsdan ook aan de schouw zullen onderworpen zijn.

Door den geëerden pleiter werd echter beweerd, dat er een ouderscheid bestond tusschen de tegenwoordige zaak en de vroegere, in zooverre thans niet was ten laste gelegd , dat de ontbrekende of ondeugdelijke middelen moesten voorhanden zijn , in welk geval alleen het feit strafbaar zou zijn.

merK Hieromtrent op, dat, wanneer eene daad of eene nalatigheid wordt ten laste gelegd, niet tevens behoeft te worden geïmputeerd, dat de daad door de wet is verboden, of hetgeen men verzuimde bij de wet geboden.

Dit is de juridische appreciatie van de daad of het verzuim , het toetsen aan de wet. Er kunnen evenwel gevallen zijn , dat het strafbare van eene daad of nalatigheid afhangt van een ander feit, en dat ander feit zal dan ook bij de dagvaarding moeten vermeld worden.

Zoo zoude , wanneer het strafbare van het niet of ondeugdelijk voorhanden hebben van geneesmiddelen afhing van de vraag, of die geneesmiddelen zijn vermeld op eene door den geneeskundige op te maken lijst, bij de te-Iaste-legging ook van die lijst moeten sprake zijn. Maar wanneer dit niet het geval is en de geneeskundige reeds strafbaar is, indien de middelen zijn aangewezen bij eene wettelijke bepaling, het Koninklijk besluit, in verband met art. 9 der wet van 1 Junij 1865 (Stbl. no. 60), dan is de te-laste-legging , dat de geneesmiddelen voorhanden moeten zijn, geheel overbodig, daar de regter de al of niet verpligting tot het deugdelijk voorhanden hebben

dier geneesmiddelen door toetsing van het bewezene aan de wettelijke bepaling moet uitmaken.

Het maakt dus m. i. geen onderscheid, of aan den geneeskundige is ten laste gelegd, dat hij de geneesmiddelen deugdelijk moest voorhanden hebben of niet; maar om te weten, of de req. strafbaar is voor het bewezen niet- of niet-deugdelijk voorhanden hebben der bij de dagvaarding vermelde geneesmiddelen, zullen wij moeten nagaan, of die bij de lijst, vastgesteld bij Kon. besluit van 5 Nov. 1865, zijn aangewezen.

Op die lijst komen slechts drie dier geneesmiddelen voor en wel de herba digitalis, tinctura cinnamomi en sulphas atropinicus; en daar er geen sprake is van eene lijst, door den geneeskundige opgemaakt, waarop de drie andere middelen zouden zijn vermeld, is het niet- of niet-deugdelijk voorhanden hebben van laatstbedoelde middelen niet strafbaar, en het ontslag van regtsvervolging te dien aanzien juist.

Door het ontslag van regtsvervolging ten aanzien van het niet- of

niet-ueuguenjK \oornanden nebben der overige geneesmiddelen zijn achter in. '■ hij het beklaagde vonnis geschonden art. 9 der wet van 1 Junij 1865 (Stbl. n". 60), in verband met het Kon. beslnit van 5 Nov. 1865 (Stbl. no. 125), artt. 217, 26 en 32 der wet van l Junij 1865 (Stbl. n°. 61) en art. 1 der wet van 22 April 1864 (Stbl. nu. 29J.

Ik heb derhalve de eer te concluderen tot vernietiging van het beklaagde vonnis, echter alleen voor zooverre de gereq. daarbij is ontslagen van alle regtsvervolging ter zake van het niet- of niet-deugdelijk voorhanden hebben van herba digitalis, tinctura cinnamomi en siilnhns

atropinicus; en dat de Hooge Raad den gereq. te dier zake schuldig moge verklaren aan drie overtredingen van het als geneeskundige, gebruik makende van de door hem verkregen bevoegdheid tot het leveren van geneesmiddelen, niet deugdelijk of niet aanwezig hebben van geneesmiddelen, aangewezen bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur , en hem te dier zake moge veroordeelen tot drie geldboeten , elk van f3, bij wanbetaling binnen twee maanden na

aanmaning, te vervangen door gevangenis-straf van één dag ieder, en in al de kosten.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie, bestaande in: schending van de artt. 26 en 32 jo. art. 21 der wet van den 1 Junij 1865 (Stbl. n°. 61), in verband met art. 9, al. 4, der wet van den I Jun\j 1865 (Stbl. n°. 60), en verkeerde toepassing van de artt. 1 en 210 Strafvord.;

Gehoord den advokaat van den gereq.;

Overwegende, dat de kantonregter bij het bestreden vonnis heeft

geoordeeld , dat het den gereq. oij dagvaarding ten laste gelegde feit, dat hij , die heel- en vroedmeester op Marken is, op den 18 Aug. 1871, bij de inspectie zijner apotheek, door beide relatanten bevonden werd , dat in zijne apotheek eenige geneesmiddelen door ouderdom onbruikbaar en bedorven waren en andere geheel ontbraken; dat onder de onbruikbare werd aangeteekend herba digitalis, pulvis herbae digitalis en herba hyoscipami nigri, en onder de ontbrekende aether nitricus alcoholicus, tinctura cmnamoni en sulphas atropini, terwijl vele andere geneesmiddelen, wat qualiteit en quantiteit betreft, vrij wat te wenschen overlieten, wettig en overtuigend is bewezen;

u., dat de kantonregter den gereq. te dier zake van alle regtsvervolging heeft ontslagen , omdat het ontbreken of ondeugdelijk voorhanden hebben van geneesmiddelen alleen dan strafbaar zoude zijn , als die geneesmiddelen voorkomen op eene lijst, door den geneesheer opgemaakt en door den inspecteur voorgezien geteekend.welk voorkomen niet is ten laste gelegd noch bewezen ;

O., dat echter uit bet verband der op elkander volgende bepalingen van al. 4 van art. 9 der wet op de uitoefening der geneeskunst van den 1 Junij 1865 (Stbl. n". 60) en over die wet gehouden beraadslagingen duidelijk volgt, dat de wetgever heeft gewild, dat de geneesheer, van de bij dat artikel gegeven bevoegdheid tot het leveren van

geneesmiddelen gebruik makende, in allen gevalle moet voorhanden hebben de geneesmiddelen, vermeld in den bij dat artikel bedoelden maatregel van algemeen bestuur, onverschillig of die middelen al dan niet op eene door hem opgemaakte Jijst zijn vermeld;

0., dat mitsdien de geneesheer, die bedoelde geneesmiddelen niet of

met deugdelijK voornanden heelt, gemeld art. 9, al. 4, j,s. de artt. 21 , 4, al. 1 , 26 der wet van den 1 Junij 1865 (Stbl. n°. 61) overtreedt, zoodat de straf, bij art. 32 der laatstgenoemde wet bedreigd , op hem behoort te worden toegepast, zonder dat het noodig is, dat hem bij dagvaarding ten laste gelegd worde, dat die geneesmiddelen in

den gemeiuen maarregel van inwendig nestuur zijn opgenomen, vermits zoodanige maatregel is eene wettelijke bepaling , op wettige wijze afgekondigd, waaraan dus de regter de ten laste gelegde feiten kan toetsen, om aldus uit te maken, of de bekl. al dan niet verpligt was

ueoniorcK.Bnue oi onueugdenjKegeneesmiddelen voorhanden te hebben;

0., dat echter van de in deze ontbrekende of niet deugdelijke geneesmiddelen in het Kon. besluit van den 5 Nov. 1865 (Stbl. n°. 125) alleen de lierba digitalis, tinctura cinnamomi en sulphas atropinicus worden aangewezen , zoodat het niet of niet deugdelijk voorhanden hebben der overige in de dagvaarding genoemde geneesmiddelen niet strafbaar is, en de gereq. deswege teregt van alle regtsvervolging is ontslagen;

0., dat de kantonregter mitsdien , door te verklaren , dat ook de overige ten laste van den gereq. bewezene feiten noch misdaad, noch wanbedrijf, noch overtreding opleveren ,'de artt. 21, al. 1, -J6 en 32 der wet van den 1 Junij 1865 (Stbl. n". 61), in verband met art. 9, al. 4, der wet van den 1 Junij 1865 (Stbl. n°. 60) en met het Kon. besluit van den 5 Nov. 1865 (Stbl.. no. 1251 fin art. 1 flor wat van

den 22 Aprül864 (Stbl. no. 29), heeft geschonden, zoodat het middel

van cassatie in zooverre is gegrond, en het bestreden vonnis uit dien hoofde moet worden vernietigd •

Vernietigt het vonnis, door den kantonregter te Edam op den 1 Dec. 1871 in deze zaak gewezen, doch alleen voor zooverre de gereq. daarbij is ontslagen van alle regtsvervolging ter zake van het niet of niet deugdelijk voorhanden hebben van herba digitalis, tinctura cinnamomi en sulphas atropinicus ;

En, te dien aanzien, ingevolge art. 105 R. O., regt doende ten

principale op de bewezen verklaarde feiten;

Gezien de artt. 21, 4, al. 1, 26 en 32 der wet van den 1 Junij 1865 (Stbl. n°. 61), art. 9, al. 4, der wet van den 1 Junij 1865 (Stbl. no. 60), het Kon. besluit van den 5 Nov. 1865 (Stbl.n". 125) en art. 1, principio en al. 9, der wet van den 22 April 1864 (Stbl. no. 29), luidende enz.;

Verklaart den gereq. schuldig aan drie overtredingen van het als geneeskundige gebruik maken van de door hem verkregene bevoegdheid tot het leveren van geneesmiddelen, niet deugdelijk of niet aanwezig hebben van een geneesmiddel, aangewezen bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur;

veroordeelt nem tot drie geldboeten, eiK van ƒ 3, met bepaling, dat iedere geldboete, zoo de veroordeelde haar niet betaalt binnen twee maanden, na tot betaling daarvan te zijn aangemaand, zal worden vervangen door gevangenis-straf van één dag;

Veroordeelt den gereq. in al de kosten van het geding,

PROVINCIALE HOVEN.

PROVINCIAAL GüREGTSHOF IN GELDERLAND. Burgerlijke kamer,

Zitting van den 13 September 18 71.

Voorzitter, Mr. C. P. Henny.

a\:aamlooze vennootschap. — Onwettig ontslag van een dikecteur. — Collectief mandaat.

De naamlooze vennootschap der Arnhemfiche beetwortel-suikerfabriek, appellante, procureur Mr. H. J. Kronenberg,

tegen

C. C. A. Steinigeweg, geïntimeerde, procureur Mr. F. Böthj.ingk.

(Zie het vonnis a quo in Weekbl. n°. 3282.)

Het Hof enz.,

Ten aanzien der daadzaken en procedure enz.;

Wat het regt betreft:

Overweqende, dat het deels tusschen nartiiGn is in mnfoo/loolo

uit de niet-betwiste stukken blijkt, dat den 31 Jan. 1870 , op eene buitengewone algemeene vergadering der aandeelhouders van de appellerende naamlooze vennootschap, door W. van der Weerd, houder van één aandeel, het voorstel is gedaan om den geïnt., die, benevens H. Kruseman , was directeur dier vennootschap, als zoodanig te ontslaan, welk voorstel door de vergadering, bij meerderheid van stemmen, is aangenomen; dat die vergadering, op verzoek van twee toenmalige commissarissen der vennootschap, B. A. van der Crab en L. van Son van Gellicum , gedaan aan den gecommitteerden commissaris J. van Lmbden, door dezen, namens commissarissen, is belegd; dat het voorstel om geïnt. als directeur te ontslaan niet minstens eene maand vóór de bijeenkomst der vergadering aan commissarissen en aan directeuren is medegedeeld, en dat het is gedaan zonder voorafgaande schorsing van den geint.;

0. voorts , dat het bii nartiien is nnhetwisf: Hnf. Vinf tan

overgelegde ongeteekende drukwerk, ten opschrift hebbende de woorden: «gewijzigde statuten der Arnhemsehe beetwortel-suikerfabriek», en geregistieerd te Arnhem op 17 Oct. 1870, bevat de volledige door den Koning bewilligde statuten der appellerende vennootschap, zoo ais die op 31 Jan. 1870 vigeerden, die derhalve, gelijk zij in dat stuk gelezen en dien-overeenkomstig door beide partijen ingeroepen worden, moeten geacht worden tusschen haar vast te staan ;

O. alsnu ten opzigte van geïntimeerdes incidenteel appel (hetwelk in de eerste plaats behoort te worden onderzocht, omdat daarbij appellantes vordering op zich zelve eigenlijk niet wordt betwist, maar alleenlijk wordt beweerd , dat ten onregte die vordering te^en den geïnt. alleen is gerigt en zijn mede-directeur buiten proces is gelaten, welk beweren, zoo het gegrond wezen mogt, de vordering al dadelijk niet-ontvankelijk zou doen zijn en derhalve alle verder onderzoek der zaak en daarmede dat van het principaal appel onnoodig maken zou), — dat voorzegde statuten bepalen : in art. 13 , dat de vennootschap wordt bestuurd door een of twee directeuren, onder toezigt van hoogstens zeven en minstens vijf commissarissen ; in art. 14 , dat de vennootschap in en buiten regten wordt vertegenwoordigd 'door de beide directeuren en dat alle stukken en bescheiden, behelzende verbindtenis ol kwijting, door beide directeuren moeten onderteekend zijn; in art. 23, dat de verdeeling der werkzaamheden der beide directeuren door hen in overleg met commissarissen wordt vastgesteld; en in art. 27, dat directeuren jaarlijks op uit». April de boeken afsluiten, de rekening, balans en inventaris dflr VPnnnnt.snhnn nnmnlron p.n

die uiterlijk op uit0. Mei daaraanvolgende onderwerpen aan de verificatie on het onderzoek van commissarissen; dat directeuren deze stukken doen vergezeld gaan van een algemeen verslag betreffende den toestand der vennootschap; dat aan eene bijzondere commissie van drie leden , uit en door de aandeelhouders benoemd, de balans ter goedkeuring wordt onderworpen, en dat de goedkeuring der balans door deze bijzondere commissie tot decharge strekt van directeuren ;

0., dat uit de aangehaalde bepalingen der statuten blijkt, dat deze, behoudens de medewerking van beide directeuren, tot die handelino-en,

waarvoor de medewerking van beiden bepaaldelijk is bevolen, eene verdeeling der werkzaamheden tusscheu de directeuren voorschrijven, zoodat onjuist is de stelling van geïnt., dat hier zou bestaan een collectief mandaat, dat alleen collectief kon worden uitgevoerd, ten gevolge waarvan de twee personen , die te zamen , als waren z\j één , zouden hebben gehandeld , beiden in het geding zouden moeten zijn, en integendeel allezins teregt door de appellerende vennootschap van een ontslagen directeur, die als haar gewezen lasthebber in het algemeen tot verantwoording zijner gestie gehouden is, alleen en zonder den in functie gebleven directeur in het proces te brengen, kan worden gevraagd rekening en verantwoording van het beheer, door hem gevoerd of hetwelk hij had moeten voeren, daaronder begrepen zijne verleening of weigering van medewerking tot hetgeen waarvoor de medewerking van beide directeuren werd gevorderd, alsmede uitkeering on afgifte van alle haar toekomende goederen en waarden, boeken , papieren en bescheiden , die hij onder zich heeft of behoort te hebben , in hoedanigen zin de introductievp. fl^^crvnarrlino■ in r\a7& nn-

twijfelbaar moet worden opgevat;

0., dat verder uit voormelde bepalingen der statuten , in het bijzonder uit art. 27 blijkt, dat een in functie zijnde directeur wel verpligt is om jaarlijks de rekening, balans en inventaris der vennootschap op te maken en aan commissarissen over te leggen om te worden onderzocht, zoo als in het artikel is bepaald, maar tevens dat hij, tijdens den duur zijner betrekking, niet is gehouden tot het doen van geregtelijke rekening en verantwoording, met uitkeering en afgifte van alle goederen en waarden, boeken , papieren en bescheiden, die hij in zijne betrekking onder zich heeft, zoodat de appellerende vennootschap geen regt had om den in functie gelaten mede-directeur des geïntimeerden met dezen tot rekening en verantwoording met uitkeering en afgifte in regten te roepen, terwijl er evenmin voor haar een regtsgrond bestond om hem op eenigerlei andere wijze in het onder* werpelijk proces te kunnen betrekken :

O. voorts, dat de bewering van geïnt. van niet in staat te zijn aan de ingestelde vordering te voldoen , zoolang zijn mede-directeur niet in het geding is geroepen , niets ter zake doet, aangezien zij niet slechts is geheel ongestaafd, maar, al ware zij bewezen, het dan voor den geïnt. bestaande bezwaar, waarschijnlijk aan hem zeiven, als de daden zijner gestie zich niet herinnerende of niet kunnende bewijzen, doch zeer zeker niet aan de appellerende vennootschap zou zija te wijten, en deze niet zou hebben kunnen verpügten om iemand in bet geding te roepen , tegen wien zij daarin geene vordering zou hebben kunnen doen gelden;

0., dat, blijkens het aangevoerde, de door geïnt. in eerste instantie voorgestelde exceptie plurium litis consortium door den regter a Qu0 teregt is afgewezen , en mitsdien het incidenteel appel is ongegrond , zoodat het beklaagde vonnis, voor zooverre daarvan incidenteel is geappelleerd, behoort te worden bevestigd;

O. ten aanzien van het principaal appol, dat, is de geïnt. door do

Sluiten