Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 27 Mei 1872.

N® 3456,

WEEKBLAD YAN HET REGT.

BEGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

VmR-EN-DMR TIGSTE-JAAR GJN G.

JUS ET VERITAS.

Dit blad verschijnt des Maandags en Donderdags, en om de veertien dagen ook des Dingsdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met ƒ1.00 verhooging. — Prijs der advertentiën, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Hamer van Strafzaken.

Zitting van den 30 April 1872.

Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

Verwonding. — Doodslag. — Bijkomende omstandigheden.

Is er moedwillige doodslag, ook dan, als de wond door bijkomende omstandigheden is verergerd, en als de dood van den verwonde daardoor is verhaast ? — Ja.

H. Mulder, oud twee-en-twintig jaren, metselaar, geboren en ^oiiende te Utrecht, is req. van cassatie tegen een arrest van het frov. Geregtshof in Gelderland van den 25 Jan. 1872 , waarbij hij is - 'huldig verklaard aan moedwilligen doodslag; en, met toepassing 1 ('e artt. 304 j0. 295 Strafregt en 2 der wet van den 29 Junij '' [Stbl. no. 102), is veroordeeld tot tuchthuis-straf van tien jaren dl in de kosten van het geding, des noods bij lijfsdwang op hem te verhalen, met last, dat dit arrest bij uittreksel zal worden gedrukt er' aangeplakt binnen de gemeenten Hedel, Utrecht en Arnhem, en 'net bevel, dat de stukken, die in deze tot stukken van overtuiging ' "ben gediend, aan den eigenaar of regthebbende zullen worden ' rBggegeven.

- 'adat te dezer zake door den raadsheer Kist het verslag was uite' ragt en de advokaat van den req., Mr. A. de Pinto , de voor' ening nader bij pleidooi had toegelicht, heeft de adv.-gen. Polis de Yt%ende conclusie genomen:

J'-dcl Hoog Achtbare Heeren ! Het éénige in deze zaak bij pleidooi aa"S?evoerde middel is gerigt tegen de motivering van het beklaagde arr®»t, en heet schending der artt. 206 en 211 Strafvord. j'3. artt.

en 304 C. P., omdat niet is gebleken, dat de door den req. atu' Colijn toegebragte wonde de oorzaak is geweest van diens dood.

J'et middel vindt, naar het mij voorkomt, zijne wederlegging in de jl'tete en negende overweging van het beklaagde arrest, waarbij het . 't toetsende aan do wetenschap het visum repertum en de verdere ®" judisio gegeven inlichtingen der deskundigen, in verband met de t0n processe bewezen omstandigheden, als resultaat van eigen onderZoek aanneemt, dat de door den req. aan Colijn toegebragte buikwonde altoos gevaarlijk is voor het leven door het uitzakken van 'lel net of de darmlissen door de wonde heen naar buiten ; en dat, a' "ioge door bijkomende omstandigheden de toestand van den verw°v;de zijn verergerd, of deze welligt zijnen dood hebben verhaast, et echter niet te ontkennen is , dat de omschreven wonde onder de fc"--st gevaarlijke behoort te worden gerangschikt en een doodelijen afloop heeft gehad.

zin dier overwegingen is, dunkt m ij, deze, dat het Hof op ë'otjd van ei^en wetenschappelijk onderzoek van oordeel is, dat de cod van Colijn het gevolg moest zijn en is geweest van de toegeIfi^te verwonding, niet van eenige andere omstandigheid buiten die '"onding; en dat dus het overlijden van den verwonde door de ver*t;«ding is veroorzaakt, al moge het ook waar zijn, dat door spoe~Stre of betere heelkundige behandeling de dood had kunnen voorenen of vertraagd worden. Het Hof heeft dus niet wegens doodslag Ver,'ordeeld, omdat de dood op de verwonding gevolgd is, maar ^'lat de dood door de verwonding is veroorzaakt; en het arrest is "S wat dit punt betreft, voldoende gemotiveerd, terwijl ook de ^ "öcatie, aan de bewezen verklaarde feiten gegeven, volkomen juist i '*vereenstemu:ende is met de jurisprudentie van dezen Kaad, die r ' ''aaldelij k heeft beslist, dat bij het vigerend Wetboek van Straf2' > ten aanzien van den manslag, geen onderscheid wordt Slaakt, of het leven al dan niet werkelijk onmiddellijk door het êepieegde geweld is ontnomen geworden, noch of de dood middellijk

. Mimiddelliik het cevnlir Vftn Tinnrinninr rranrolr) ia /innroocf WQnnpor ViA.t

V O O "O ,a »

: II]

hfih Ha APV t.A Pnnnln/lorail fnt tTO^nrnKninm irnn U a« on

Vf > — vvuv.uuvivu VVV *au , w»

" O O O ■ —

'j^TOOïfln Haf Ho flrvr»ri rl n n wl *-»/-»!• ic 1_t\ - T> 1

.. W^vu , uaamwi YUlUUltaalil. AJÜ AVU»U VC1

Ue nnri rvnVl O 01 rï W.i TV/T„ , _ .. _ .... oAE C

• iv.il t uuiii:v,uü«iu wij irxi. r. V XjL,V , UD al t» Z\JO , XI".

iK heb de eer te concluderen t.nf, vprwpmino' van Ha*

''Ordeeling van den req. in de kosten.

l''- Hooge Kaad enz.,

bü 'e'e.' °P ket middel van cassatie, namens den req. voorgesteld . J Pleidooi, bestaande in: schending der artt. 206 en 211 Strafvord. dj, 'e artt' en C- ^J'> omdat niet is gebleken , dat de door req. aan Colijn toegebragte wond de oorzaak is geweest van dood;

Overwegende, dat dit middel zijne wederlegging vindt in de achtste "egende overweging van het arrest, waarbij wordt beslist, dat Ba doordringende buikwonde, zoo als de door den req. toegebragte, k'-'iet oordeel van de meestbevoegde deskundige schrijvers, gevaar-

'» voor het leven; en flat, ai moge ook aoor bijkomende om-

fitr» .

]i»t Shedeii de toestand van de wonde zijn verergerd of deze wel(]' z'jnen dood hebben verhaast, het echter niet te ontkennen is, dat

, , . a. i:: 1,„ u„i .

'''orschreven wonde onder de meest gevaarlijke behoort te worden

"gschikt en een doodelijken afloop heeft gehad;

gek.

toch , dat aan difi wnnrden eeen andere zin kan worden toe-

®nd dan deze. dat hot Hof van oordeel is, dat de dood van Coliin

(le/j»ev°lg is geweest van de hem toegebragte verwonding , en dat - en niet eenige andere omstandigheid de oorzaak is geweest van «verlijden;

p21r 1 bet Hof mitsdien bij het bestreden arrest wel heeft uitYiitl a. '' ^at de aan Colijn toegebragte wonde de oorzaak is geweest zijnen dood, zoodat het middel den feiteliiken grondslag mist; Verwerpt enz. J

PROVINCIALE HOVEN.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN ZUIDHOLLAND.

Openbare algemeene vergadering van Vrijdag, ÏO Mei 1873.

Ter Installatie van de Heeren Mr. II. H. DE

RBAAF, als Raadsheer, en ftfr. II. EBIHE.

BISS, als SuDistituut-Crriffler.

Onder voorzitterschap van Mr. W. E. G. L. Fean^ois.

Ten half drie ure wordt de vergadering geopend.

De Voorzitter verzoekt den Substituut-Griffier, Mr. w. wijckebhold Bmdom, de Heeren de Graai1 en Ermebius binnen te leiden.

De Heeren de Graaf en Ermebins plaatsen zich tegenover den Voorzitter.

De Voorzitter verleent het woord aan den Procureur-generaal Mr. van Galen.

De Procureur-generaal requireert: 10. dat voorlezing zal worden gedaan van de Koninklijke besluiten van 6 April 1872 , n°. 19, en 12 April, nu. 21 , waarbij Mr. H. W. de Ga aap benoemd wordt tot Raadsheer in het Provinciaal Geregtshof in Zuidholland, en Mr. B. Ermerins tot Substituut-Griffier in dat collegie, alsmede van de extracten uit de registers der eedsafleggingen voor den Hoogen Raad en het Hof, waaruit blijkt, dat de beide heeren de gevorderde eeden hebben afgelegd; 2°. dat het Hof tot de installatie van de beide Heeren zal overgaan, en 3». dat hem acte zal worden verleend van het genomen requisitoir.

Het Hof verleent die gevraagde acte.

Door den Substituut-Grifier wordt voorlezing gedaan van opgemelde stukken.

De Voorzitter, Mr. W. F. G. L. Francjois, vat alsnu het woerd op en zegt :

Edel Groot Achtbare Heeren 1

Zoo zjjn wij dan heden voor de zevende maal in minder dan ée'n en een half jaar tijds vergaderd ter installatie van ambtenaren in- en bij dit Geregtshof.

Tweemalen in dat kort tijdsbestek traden nieuwe presidenten en vice-presidenten op, — vier raadsheeren en twee substituut-griffiers werden benoemd.

Deze aanzienlijke wisseling van personeel is reeds vroeger aangevangen. Sedert mij toch vóór negen en een half jaar de eer te beurt viel tot Raadsheer te worden benoemd in dit Hof, dat, ten gevolge der wet van den 29 Mei 1849 (Stbl. n°. 21), behalve de leden van het Openbaar Ministerie en der Griffie, uit één President, één VicePresident en zeven Raadsheeren is zamengesteld, moest tienmaal eene raadsheersplaats worden vervuld.

Waren deze talrijke benoemingen noodig geworden , eenige, ten gevolge van het overlijden van geachte ambtgenooten , andere, van ontslag, gevraagd om redenen van gezondheid, eene enkele door benoeming van een onzer medeleden tot lid van den Raad van State ; — drie malen in dat tijdsverloop moest aanvulling plaats hebben ter voorziening in vacatures, ontstaan door benoeming van leden van dit Hof tot Raadsheer in den Hoogen Raad der Nederlanden, — eene onderscheiding, die, gedurende het bijna vier-en-dertig bestaan van dat hoogst regterlijke collegie, nu zeven malen aan leden van ons Geregtshof te beurt viel.

De benoeming van onzen ambtgenoot Mr. Johan Wilhelm Schuurman tot die hooge betrekking bragt wederom eene vergadering als de tegenwoordige in het verschiet.

Vernamen wij niet zonder leedgevoel, dat wij dezen hooggeschatten man uit ons midden zouden zien vertrekken,— wij mogten toch niet te zeer treuren bij den voorspoed van dezen vriend.

Daartoe achten wij ook zijne bevordering te wel verdiend, zijne gaven voor de roeping van den Hoogen Raad te onmiskenbaar.

Op het einde van 1862 tot Raadsheer in dit Hof benoemd, na toen laatstelijk de betrekking van President der Arrondissements-Regtbank te Leiden te hebben vervuld, heeft hij, met uitzondering van het laatste regterlijk jaar, zitting gehad in de kamer, meer bijzonder bestemd voor burgerlijke zaken. Intusschen nam hij ook aan de regtspraak in strafzaken deel, zoo bij de behandeling van dat gedeelte der correctionnele appellen, aan welke 's Hofs eerste kamer wekelijks eene harer zittingen wijdt, en gedurende de vacantie-maanden, als ter vervanging van eenen ambtgenoot, die verhinderd was, en gedurende de vele vacatures, van welke ik straks gewaagde.

Ik behoef u, Mijne Heeren 1 Schuurman niet in het breede te schetsen in zijn' werkkring bij dit Hof.

Zelfstandig, ernstig, altijd de zaken grondig onderzoekende, op strafregtelijk gebied wel zich voegende bij de zachtere denkbeelden van den tegenwoordigen tijd, maar steeds het oog gerigt op de eischen van orde, rust en veiligheid, — daarbij in den omvang hartelijk , vriendschappelijk en rond, — heeft Schuurman ons verlaten, zich hebbende verworven aller sympathie en begeleid door onze wenschen, dat het hem in zijne verdere loopbaan wel ga en hij nog lang gespaard moge worden voor de maatschappij, zijn gezin en zijne vrienden.

Toen de benoeming van den heer Schuurman ter onzer kennis kwam, waren wij met zorg vervuld, wegens de hevige ziekten, die

onzen Substituut-Griffier Mr. Jacob Cornelis Rasch aan het ziekbed gekluisterd hield.

Vrees bezielde ons, doch ook nog hoop; maar helaas 1 den 28 Maart jl. maakte de dood een einde aan zijn dierbaar, nuttig en werkzaam leven.

Te 's Gravenhage geboren den 3 Mei 1826 , werd hij den 6 Mei 1853 te Leiden bevorderd tot Doctor in de beide regten, na verdediging van een academisch proefschrift over de cautio judicatum solvi.

Eene ernstige ziekte, die hij, terwijl hij student was, moest doorstaan en welke langdurige rust tot herstelling vorderde, was de oorzaak, dat hij eerst toen de academie verlaten heeft.

Reeds bij Koninklijk besluit van den 15 October daaraanvolgends werd bij benoemd tot Griffier bij het Kantongeregt te Vlaardingen , welke betrekking hij bekleed heeft, totdat hij in 1856 als SubstituutGriffier bij de Arrondissements-Regtbank te dezer stede terugkeerde, en hij Vlaardingen verliet, algemeen geacht.

Tien j aren vervulde hij zij ne werkzame betrekking bij de Regtbank; en, met welk uitstekend gevolg, kan ook daaruit blijken, dat gemeld Collegie hem reeds in 1860 als tweeden candidaat plaatste op haar voordragt ter voorziening in eene opengevallen regtersplaats, en dat, toen ongeveer een jaar later andermaal eene zoodanige plaats moest worden vervuld, zijn naam de eerste op de lijst werd gesteld.

Toen was hem eene bittere teleurstelling bereid: zijne benoeming volgde niet, evenmin als toen in 1863 de Regtbank hem ten derden male, thans weder als tweeden candidaat had aanbevolen.

Alsnu vreezende, dat zijn verlangen om tot het regterambt te worden geroepen, niet zou worden vervuld, was hij er op bedacht langs anderen weg bevordering te zoeken, welke hem, onder den bijval van allen, die hem in zijnen werkkring bij de Regtbank hadden leeren kennen, te beurt viel door zijne benoeming in het laatst van 1866 tot Substituut-Griffier bij dit Hof.

In die betrekking gevoelde hij zich gelukkig en tevreden, en heeft hij voortdurend gearbeid met braafheid, kunde en ijver. Nooit was hem iets te veel. Naauwkeurigheid, netheid, stipte getrouwheid aan geijkte formulieren en gebruiken en aan de uitdrukkingen der wet , afkeer van ieder onnoodig uitstel van werk, dienstvaardigheid voor ieder, met wien zijn ambt hem in aanraking bragt, — die onmisbare eigenschappen eens goeden Griffiers bezat Rasch in hooge mate.

Veel mogt dan ook voor de dienst der justitie bij dit Hof nog van hem worden verwacht.

Doch dat alles nam door Hooger wil een einde.

Zijn zes-en-veertigste levensjaar nog niet hebbende volbragt, is hij ten grave gedaald, betreurd door allen, die hem kenden in zijn werken , en de velen, die hem lief hadden als trouw en deelnemend vriend.

Is het door zijn verscheiden geleden verlies groot voor zijn' broeder, aan wien hij — en die wederkeerig aan hem — innig was gehecht, onmetelijk is het voor zijne gade en kroost. Intusschen, de treurende weduwe weet, dat haar levenslot en dat harer kinderen onder goede leiding staan. Putte zij kracht en bemoediging ook uit de herinnering hoe het juist in het leven van haar ontslapen echtgenoot, die reed, op negenjarigen leeftijd de vaderzorg moest missen , krachtig is ges bleken, wat, onder Hooger bijstand, de liefde en de wijsheid van eene trouwe moeder vermogen, wanneer zoo zware taak — de dubbele zorg — haar op de schouders wordt gelegd.

Wij zullen met haar en de haren de nagedachtenis des ontslapenen in eere bewaren.

Het zal wel overbodig mogen worden geacht, dat ik U, Mijnheer de Graaf 1 die geroepen zijt den heer Schuurman op te volgen, de pligten des Regters voor oogen houde, — of U, Mijnheer Ermerins 1 die de plaats van wijlen den heer Rasch zult innemen, de roeping des Griffiers schetse.

Beiden vervuldet gij tot heden eene taak van denzelfden aard als hier de uwe zal zijn, bij de belangrijke, door dit Hof zoo zeer gewaardeerde , Arrondissements-Regtbank te Rotterdam.

Uw naam, Mijnheer de Graaf 1 wordt door hen, die U van nabij leerden kennen, geroemd als die van een bekwaam regtsgeleerde en volijverig ambtenaar.

In eene twintigjarige regterlijke loopbaan, achtereenvolgens als Griffier bij het Kantongeregt te Woerden, als Kantonregter te Noordwijk , als lid der Regtbank, eerst te Dordrecht en laatstelijk sedert bijna twaalf jaren te Rotterdam, hebt gij eene vruchtbare school doorloopen , veel gearbeid, veel ondervinding opgedaan.

In U wordt daarom gezien een waardig opvolger voor onzen geachten Schuurman.

Uw arbeid, Mijnheer Ermerins 1 kwam voortdurend onder de oogen des Hofs en verschafte U hier eene gunstige bekendheid.

Vermits wij, afgescheiden van onze eigene ervaring, het goede van U vernamen, zoo wegens uwe ambtsvervulling vroeger als Griffier bij het Kantongeregt te Zierikzee, na eerst te zijn geweest Procureur bij de Arrondissements-Regtbank en plaatsvervanger van den Kantouregter aldaar, als laatstelijk in uwe betrekking van Substituut-Griffier bij de Regtbank te Rotterdam, is uwe bevordering hier met vertrouwen vernomen.

Ontvangt dan beiden, Mijne Heeren I onze heilwensch en welkomstgroet bij de aanvaarding van uw hooger ambt.

Worde het vele jaren met eere en in gezondheid door U bekleed 1

Ondersteunt elk op uw standpunt in onzen gemeenschappelijken werkkring onze pogingen ten goede, en helpt ons, gelijk wij U zullen helpen, om den omgang in ons Collegie aangenaam te doen blijven, gelijk hij dat tot heden is geweest!

Alsnu verklaar ik, in naam van het Provinciaal Geregtshof in Zuidholland, en ter voldoening aan het requisitoir van den Procureurgeneraal, dat wettiglijk zijn geïnstalleerd Mr. Herman Willem de Gbaaf als Raadsheer in- en Mr. Bartout Ermerins als SubstituutGriffier bij dit Geregtshof.

Sluiten