Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 24 Junij 1872.

N°. 3466.

WEEKBLAD VAN HET REGT

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

PlER-fiN-DERTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITA8,

Bit blad verschijnt des Maandags en Donderdags, en om. de veertien dagen ook des Dingsdags. — Prijs per jaargang f 20

/» i AA Pvtna ///«• /ïWh/ii'/^m f) w v. 11 /*/»«/ o r\o>* & o n o / Hirxn.irnn om

-L I (JJO l*Gf U/IVUOI fl/irwi"* 5 ^/w j,

post met f 1.00 verhooging.

voor de buitensteden franco "per

brieven, <?»2., franco aan de Uitgevers.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 29 April 1872. Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

Maten en oewigten. — IJk en herijk.

Termijn.

Verificatie.

Moet art. 15 der wet van den 7 April 1869 (Stbl. no. 57) indien zin worden opgevat, dat de maatregel, ten gevolge waarvan , krachtens opdragt door den Koning aan Ged. Staten , de ijker zich op het door de laatsten bepaalde tijdstip naar elke gemeente begeeft, alleen strekt tot meerder gemak der ingezetenen , die daardoor op dat tijdstip hunne maten en gewigten te hunner woonplaats kunnen doen herijkeji, zonder dat hun echter de bevoegdheid wordt ontnomen om daarna , doch binnen den door den Koning daarvoor gestelden termijn, op het hoofdkantoor der ijkers hunne maten en gewigten, met hetzelfde regtsgevolg, te doen herijken, zonder inmiddels in overtreding te vallen ?— Ja.

De officier van justitie bij de Arrond.-Regtbank te Almelo heeft zich 'n cassatie voorzien tegen een vonnis van gemelde Regtbank van den -s Jan. 1872 , waarbij in hooger beroep is bevestigd een vonnis van den kantonregter te Delden van den 8 Dec. bevorens, bij hetwelk A. .Vijland GJz., oud zes-en-twintig jaren , winkelier te Delden, beklaagd ter zake van »op den 4 Sept. 1871, en dus na het voor den herijk der maten en gewigten in de gemeente Stad-Delden voor hl?t ioopend jaar bestemd tijdstip, in zijnen winkel of plaats, bestemd ot' gebruikt tot het verkoopen, inkoopen, afleveren of in ontvangst nemen van waren, voorhanden te hebben gehad een dubbel dekagi'ao,; onvoorzien van de voor het jaar 1871 te bezigen jaarletter In den gewonen drukvorm, schuins gesteld,»— te dier zake van lll!e regtsvervolgiug is ontslagen; de kosten te dragen door den Staat.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Kalf» , heeft de adv.-gen. Polis de volgende conclusie genomen:

Mdel Hoog Achtbare Heeren ! De gereq. was yoor het Kantongeregt le f'elden gedagvaard ter zake van op den 4 Sept. 1871, en dus na bet /onv ,i,„, hoi-iik der maten en eewi"ten in de gemeente Stad-

>'• ii. voor het iaar 1871, bepaald tijdstip, in zijnen winkel voor-

,han'!en te hebben gehad een dubbel dekagram, niet voorzien van het v0or dat jaar vereischte stempelmerk.

■ e kantonregter oordeelde bewezen, dat de bekl. op den dag, in de ''a£ aarding vermeld, het daarbij aangeduido gewigt, niet voorzien van bet stempelmerk voor 1871, in zijn winkel had voorhanden gehad, maar besliste, dat dit feit niet strafbaar was, en ontsloeg den bekl. van alle regtsvervolging, omdat de tijd, waarop de herijk, ingevolge art. 15 der wet van 7 April 1869 {Stbl. n". 57), moet plaatshebben, is <!e door den Koning vast te stellen en voor het jaar 1871 , bij Kot;, besluit van 12 Dec. 1870, vastgestelde termijn van 15 Jan. tot io Oct. 1871, uit het daarvoor door Ged. Staten voor iedere piorineie voor elke gemeente te bepalen en in casu bij besluit van Ge<i. Staten van Overijssel, dd. 19 Jan. 1871, voor Stad-Delden op 29 Julij 1871 bepaalde tijdstip, zoodat, daar op 4 Sept. 1871 de We'telijke termijn voor den herijk niet verstreken was, de bekl. op ^'e' dag in zijnen winkel voorhanden hebbende een gewigt, waaraan llet stempelmerk voor 1871 ontbrak, niet kon gezegd worden daar vr)0t handen te hebben gehad een gewigt, niet voorzien van het vereischte steO>Jielmerk.

';ii ontslag van regtsvervolging is bij het beklaagde vonnis der Ai'iind.-Regtbank te Almelo bevestigd; en de heer req. acht daarli geschonden de artt. 29 , 3"., en 15 der wet van 7 April 1869 (■Sihl. n". 57), in verband met het Kon. besluit van 12 Dec. 1870, n°. 27, e,! het besluit van Ged. Staten der provincie Overijssel van 19 Jan. 18"i, 3de afd., n°. 114/97, betreffende den herijk der maten en »ewigten over 1871.

'k acht de voorziening allezins gegrond.

Art. 15 der wet van 7 April 1869 {Stbl. n<. 57) bepaalt, dat de verilicatie en stempeling van maten, gewigten en weegwerktuigen "'onlt herhaald »op door Ons (den Koning) vast te stellen tijden , ,Vi:arbij aan Ged. Staten der onderscheidene provinciën door Ons (den Koning) wordt opgedragen het tijdstip voor elke gemeente te bepalen.»

En nu kan , dunkt mij, de zin van dit wets-artikel wel geen ander*; zijDj dan dat de Koning den termijn bepaalt, binnen welken het weiit van ,jen herijk zal moeten geschieden, het aan Ged. Staten ?verlatende vast te stellen, op welke dagen binnen dien termijn dit 'n '«klere gemeente hunner provincie zal moeten plaats hebben , zoodat het zijn de Ged. Staten , die, mits blijvende binnen den door den Koi.mg vastgestelden termijn, den tijd voor den herijk in iedere ge ^cente bepalen.

De tijdsbepaling door Ged. Staten is dus niet, zoo als de kantonregter oordeelt, eene afkondiging ten gerieve der ingezetenen van de da?'!n , waarop door den ijker tot het herijken in iedere gemeente za' worden gevaceerd, vervangende de voor de invoering der tegenwoordige wet gebruikelijke vaststelling dier dagen door den ijker '•elven , maar, zoo als trouwens art. 15 der wet van 7 April 1869 (Stbl. n». 57) ook duidelijk zegt, de bepaling van het tijdstip, waarop herijk zal moeten geschieden, zoodat na dit tijdstip niet herijkte ®aten, gewigten en weegwerktuigen als niet voorzien van de verachte stempelmerken moeten worden beschouwd, waarvan het voorhan'len hebben op de plaatsen, vermeld in art. 11 der aangehaalde wet, b'j art. 29 dier wet met straf wordt bedreigd.

vereenig mij dus volkomen met het voorgestelde middel en het¬

geen tot staving daarvan in de memorie wordt aangevoerd; en onder referte aan deze laatste heb ik de eer te concluderen tot vernietiging van het beklaagde vonnis; en dat de Hooge Raad, mede vernietigende de bij dat vonnis bevestigde uitspraak van den kantonregter te Delden, en ten principale regt doende, den gereq. zal schuldig verklaren aan het voorhanden hebben van een gewigt, niet voorzien van de vereischte stempelmerken , op eene plaats, bestemd tot het verkoopen van waren; en hem te dier zake zal veroordeelen tot betaling eener geldboete van ƒ 10, bij niet-betaling na aanmaning ingevolge de wet, te vervangen door gevangenis-straf van e'énen dag, met verbeurdverklaring van het in beslag genomen gewigt en verwijzing van den gereq. in de kosten van eersten aanleg, appel en cassatie.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie , bestaande in ;

schending van de artt. 29, n». 3, en 15a der wet van den 7 April 1869 (Stbl. n°. 57), in verband met het Kon. besluit van den 12 Dec. 1870, n». 27, en het besluit van de Ged. Staten van Overijssel van 19 Jan. 1871 , betreffende den herijk der maten en gewigten over 1871 (Provinciaal blad n°. 8), door in deze niet toe te passen genoemd art. 29 , n°. 3, en verkeerd toe te passen het daarin vermelde art. 15a, in verband met de twee voormelde besluiten;

Overwegende, dat in het bevestigde vonnis betreffende de feiten is beslist:» dat de ged. op den 4 Sept. 1871 in zijn winkel te Stad-Delden voorhanden heeft gehad een dubbel dekagram, onvoorzien van de voor het jaar 1871 te bezigen jaarletter C, in den gewonen drukvorm schuins gesteld;» en zulks "terwijl iu de gemeente Stad-Delden speciaal daarvoor (voor den herijk) werd gevaceerd den 29 Julij 1871, des voormiddags van negen tot twaalf ure en des namiddags van drie tot vier ure, blijkens besluit van heeren Ged. Staten van Overijssel van den 19 Jan. 1871;»

O., dat het voorgestelde middel daartegen is gerigt , dat in het bevestigde vonnis verkeerdelijk zou zijn beslist, dat de req. door het in zijn winkel voorhanden hebben van het gewigt, dat niet voorzien was van het vereischte stempelmerk, niet reeds na afloop van de werkzaamheden van den herijk op de daarvoor bepaalde uren in de gemeente zijner woonplaats, maar eerst na afloop van den door den Koning bepaalden termijn op den 1 Oct. 1871, volgens art. 29, in verband met art. 15, der wet van 7 April 1869 (Stbl. n°. 57), strafbaar zou kunnen zijn ;

O., dat art. 15 der voormelde wet bepaalt, dat de herijk, of herhaalde verificatie en stempeling, van reeds in gebruik zijnde uiaten en gewigten op door den Koning vast te stellen tijden plaats heeft; terwijl uit de bovengemelde resolutie van de Ged. Staten van Overijssel blijkt, dat voor het jaar 1871 als termijn daarvoor in het Kon. besluit van den 12 Dec. 1870, op grond waarvan de resolutie genomen was, is aangewezen «het tijdvak, dat een aanvang neemt op den 15 Jan. en eindigt op den 1 Oct. 1871;

0., dat in gemeld artikel verder volgt, dat bij deze tijdsbepaling voor den herijk door den Koning aan de Ged. Staten wordt opgedragen het tijdstip voor elke gemeente te bepalen, gelijk bij gemelde resolutie plaats had; doch dat in het bevestigde vonnis teregt is beslist, dat deze maatregel, ten gevolge waarvan de ijker zich op hot door Ged. Staten bepaalde tijdstip naar elke gemeente begeeft, alleen strekt tot meerder gemak dier ingezetenen, die daardoor op dat tijdstip hunne maten en gewigten te hunner woonplaats kunnen doen herijken, zonder dat hun echter de bevoegdheid wordt ontnomen om daarna, doch binnen den door den Koning daarvoor gestelden termijn, op het hoofdkantoor der ijkers hunne maten en gewigten met hetzelfde regtsgevolg, zonder inmiddels in overtreding te vallen, te doen herijken;

0., dat deze opvatting der woorden van art. 15 der wet in overeenstemming is met hetgeen als de bedoeling der wetsbepaling moet worden aangenomen; daar de neringdoenden, volgens de vroegere verordeningen, en bepaaldelijk art. 2 van het Kon. besluit van den 30 Maart 1827 (Stbl. n». 13), alleen strafbaar waren, indien zij onherijkte maten en gewigten voorhanden hadden na verloop van den voor den herijk gestelden termijn, en noch uit de wet zelve, noch uit de gewisselde stukken van de wetgevende magt blijkt, dat de wetgever eenige verandering zou hebben willen brengen in de regten en verpligtingen der neringdoenden met betrekking tot den termijn voor den herijk, in verband met het tijdstip, waarop daarvoor in elke gemeente wordt gevaceerd; vermits daaromtrent bij de invoering der bovengemelde wet geene andere wijziging is gebragt in de bij vroegere verordeningen geregelde verpligting dan alleen in de personen en regerings-organen, door welke de bepalingen der termijnen en tijdstippen gemaakt worden, terwijl de bepaling van den termijn thans in plaats van door Ged. Staten door den Koning, en de bepaling van het tijdstip voor elke gemeente, in plaats van door den ijker, thans door de Ged. Staten gemaakt wordt;

0., dat de gereq. alzoo wegens het bezit van een niet van het stempelmerk van den herijk voorzien gewigt vóór den afloop van den geheelen door den Koning voor den herijk gestelden termijn voor het jaar 1871 teregt van alle regtsvervolging is ontslagen, en dat het aangevoerde middel van cassatie derhalve is ongegrond;

Verwerpt het gedaan beroep; de kosten te dragen door den Staat.

PROVINCIALE HOVEN.

PROVINCIAAL GEIIEGTSHOF IN GELDERLAND.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 8 Mei 1872.

In zake van eenvoudige vrijwaring wordt voor den waarborg, die zich wenscht te voegen en met den gewaarborgde den oorspronkelijken eisch gemeenschappelijk te bestrijden, geen vonnis vereischt om dien stand in het geding te verkrijgen.

In eene verordening van Gedeputeerde Staten kan geene aantasting van den eigendom zeiven met regtsgeldig gevolg geschieden of nader geboden of geoorloofd i

Het zich begeven op eens anders grond en het aanslaan van een peilteeken in eens anders gebouw tegen den wil des eigenaars is geene beperking van dezen in het gebruik, door hem van zijn eigendom te maken, maar eene aantasting van dien eigendom zeiven.

A. Baron v. W. v. II., appellant, procureur Mr. N. S. T. A. van

Meurs ,

tegen

L. A. R., ingenieur van den waterstaat enz., en den staatsraad commissaris des Konings in Gelderland qq., geïntimeerden , procureur Mr. H. J. Kronenberg.

Het Hof enz.,

GehoorJ de wederzijdsche conclusiën en pleidooijen;

Mede gehoord de conclusie van den heer proc.-gen., daartoe strekkende: "dat het den Hove moge behagen het appel te niet te doen; het vonnis a quo te bevestigen en den app. te veroordeelen ook in de kosten van het hooger beroep»;

Ten aanzien der daadzaken en procedure, zich vereenigende met en alzoo overnemende hetgeen daaromtrent voorkomt in het vonnis, waarvan beroep, door de Arrond.-Regtbank te Zutphen op 26 Oct. 1871 uitgesproken tusschen den app., als eischer, den eersten geïnt., als oorspronkelijken ged. en eischer tot vrijwaring, en den tweeden geïnt., als ged. tot vrijwaring; en voorts dienaangaande

Overwegende, dat bij dit vonnis is verworpen het door den app. voorgestelde middel van niet-ontvankelijkheid van den tweeden geïnt. in zijne conclusie, tegen den app. genomen; voorts is voorbijgegaan appellants vordering tot beslissing omtrent zijn eigendomsregt van de in zijne dagvaarding omschreven onroerende goederen, en eindelijk aan hem is ontzegd zijne verder ingestelde vordering, met veroordeeling van hem in de proceskosten ;

0., dat de app., van dit vonnis gekomen in hooger beroep, bij zijne conclusie voor dit Hof zijne grieven daartegen heeft aangevoerd en op grond daarvan heeft geconcludeerd, dat het den Hove behage:

1°. aannemende dit hooger beroep, te niet te doen het vonnis, door de Arrond.-Regtbank te Zutphen den 26 Oct. 1871 tusschen deze partijen gewezen, waarvan appel;

2°. op nieuw regt doende, alsnog aan den app. toe te wijzen zijn in eersten aanleg ingestelden eisch en genomen conclusie, ook wat de proceskosten betreft, en voorts de geïntimeerden te veroordeelen iu de kosten van dit hooger beroep;

0., dat de geïntimeerden daarentegen bij hunne conclusie, met bestrijding van des appellants grieven, het vonnis a quo hebben verdedigd en ten slotte hebben geconcludeerd, dat het den Hove moge behagen te niet te doen het appel en te bevestigen het vonnis, waarvan in deze is geappelleerd, met veroordeeling van dea app. ook in de kosten van deze instantie;

Wat het regt betreft:

0., dat app. als grief tegen de verwerping bij het vonnis a quo van zijn middel van niet-ontvankelijkheid van den tweeden geïnt. in diens conclusie, tegen hem app. voor den eersten regter genomen , heeft aangevoerd, dat, wanneer een opgeroepen waarborg tegen den oorspronkelijken eisch wil optreden, hij bij vonnis dien stand in het geding moet verkrijgen, en dat zoodanig vonnis, waarbij de tweede geïnt. partij werd gemaakt in het oorspronkelijke geding tusschen den app. en den eersten geïnt., in casu niet bestaat;

0. daaromtrent, dat de tweede geïnt. door den eersten, met inacht-neming van de voorschriften der -wet, in het geding in eerste instantie tot vrijwaring tegen den eisch des appellants opgeroepen, bij zijne eerste conclusie acte heeft gevraagd , dat Ged. Staten van Gelderland de vrijwaring van den eersten geïnt. tegen de regtsvordering des appellants, zoo als die is gevraagd, op zich nemen, bereid zijn in dat geding zich te voegen en tusschen te komen, de zaak van den oorspronkelijken ged. over te nemen en dadelijk met den oorspronkelijken eischer voort te procederen; dat de app. daarop acte heeft verzocht, dat hij , onder voorbehoud van alle zijne regten en onder protest van non-praejudicie, zich niet verzet tegen het verleenen aan den ged. in vrijwaring van de door hem gevraagde acte; en dat vervolgens beide geïntimeerden te zamen hebben geconcludeerd tot ontzegging of niet-ontvankelijk-verklaring van appellants eisch, waarn» nog, op verzoek van hunnen procureur, aan dezen door den regter a quo acte is verleend, dat de zaak in vrijwaring is gevoegd bij de zaak tusschen den app. en den eersten geïnt., gelijk een en ander uit de processtukken blijkt;

0., dat, daar het in casu eene eenvoudige vrijwaring geldt, de tweede geïnt., volgens art. 72 B. R., de zaak van den eersten geïnt. niet kon overnemen , maar wel zich daarin vermogt te voegen eu alzoo aan diens zijde te plaatsen ter gemeenschappelijke bestrijding van den oorspronkelijken eisch, juist zoo als hij heeft gedaan; en dat nergens in de wet een vonnis wordt vereischt, ten einde hij dien stand in het geding verkrijgen en partij worden zou in de oorspronkelijke zaak; zijnde er ten allen overvloede door den app., alvorens de door

Sluiten