Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jagtbedrijf behulpzaam en noodig zijn (hetgeen in deze niet is betwist), weshalve de requiranten, die als wilddragers de tot de jagt geregtigde personen vergezelden op de gronden, waarop die jagers jagtregt hadden , ook hadden de bevoegdheid om over die gronden te loopen;

O., dat het ten laste der requiranten bewezene gaan over eens anders in den oogst staanden grond, als wilddragers jagers vergezellende, die op dien grond jagtregt hadden, derhalve niet kan worden gequalificeerd als overtreding van art. 475 , n°. 9, Strafregt, noch van eenige andere wet of wettelijke verordening;

O., dat dit feit derhalve noch misdaad, noch wanbedrijf, noch overtreding oplevert; en de Regtbank, door bij het bestreden vonnis de artt. 469, 475, principio en al. 9, 463 Strafregt, art. 1 der wet van den 22 April 1864 (Stbl. n». 29), art. 20 der wet van den 29 Junij 1854 (Stbl.n0. 102) en art. 156 van het Keiz. decreet van den 4 Junij 1811 toe te passen, die artikelen verkeerd heeft toegepast, en het bestreden vonnis mitsdien ambtshalve behoort te worden vernietigd ;

Vernietigt het vonnis, op den 29 Jan. 1872 door de Arrond.-Regtbank te Goes in deze zaak gewezen;

En , ingevolge art. 105 R. O., regt doende ten principale op het bij dat vonnis bewezen verklaarde ièit,

Verklaart, dat dit noch misdaad, noch wanbedrijf, noch overtreding oplevert;

Ontslaat de requiranten van alle regtsvervolging te dier zake; de kosten te dragen door den Staat.

PROVINCIALE HOVEN.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN NOORDHOLLAND.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 29 Junij 1871.

Voorzitter, Mr. G. Schimmelpenninck Jz.

Artt. 237, 778 B. R.

Mogen partijen in het rekening-proces, nadat zij van memoriè'n gediend hebben, ten fine al» in art. 778 staat vermeld, voor den regter-commissaris verschenen zijn, en deze den dag voor het uitbrengen van zijn rapport aan de Regtbank reeds bepaald heeft, nog verzoek doen om elkander op vraagpunten te doen hoortn 1 — Ja.

n. A. Bouwen, appellante, procureur Mr. E. J. Asseb ,

tegen

van den Bey en Comp., geïntimeerden, procureur F. E. Dammebs.

Het Hof enz.,

Ten aanzien der feiten en gevoerde procedures in eersten aanleg, zich gedragende aan en alzoo overnemende hetgeen dienaangaande voorkomt in het vonnis, door de Arrond.-Regtbank alhier op 8 Dec. 1870 tusschen partijen gewezen, waarbij, op de gronden, daarin uiteengezet, aan de gerendeerden acte verleend is van hunne gedane referte, en de rendant niet-ontvankelijk is verklaard in zijn gedaan verzoek om de gerendeerden op vraagpunten te mogen hooren , met bevel aan de meestgereede partij om eenen naderen regtsdag aan den regter-commissaris aan te vragen tot het uitbrengen van zijn rapport, en met veroordeeling van den rendant, incidentelen eischer, in de kosten van het incident; en

Overwegende wijders, dat de rendant van rekening van gemeld vonnis is in hooger beroep gekomen en, op de gronden , in zijne memorie van grieven uiteengezet, geconcludeerd heeft, dat het den Hove behagen moge, met te-niet-doening van het appel, mitsgaders van het vonnis a quo, op nieuw regt doende, alsnog aan den app. toe te staan de geïntimeerden te doen hooren op de vraagpunten, bij voormeld vonnis omschreven, en dien ten gevolge de zaak te verwijzen naar de Regtbank alhier, om daaraan , met bepaling van plaats, dag en uur, uitvoering te geven, met veroordeeling van de geïntimeerden in de kosten van beide instantiën, op het incident gevallen; dat de geïntimeerden bij memorie van antwoord, op de gronden, daarin vermeld, verklaard hebben, dat zij zich geene partij stellen voor de handhaving van het vonnis a quo, maar zich daaromtrent geheel refereren aan het oordeel van den Hove, wel mogende lijden , dat den app. zijne in hooger beroep genomene conclusiën worden toegewezen, met uitzondering van die, strekkende tot veroordeeling van de geïntimeerden in de kosten van het incident in beide instantiën, waaromtrent zij zich refereren aan 's Hofs oordeel;

O. in regten:

dat, naar aanleiding der ten processe consterende feiten, het alleen de vraag is, of in het rekening-proces partijen , nadat zij van memoriën gediend hebben, ten fine als in art. 778 B. R. staat vermeld , voor den regter-commissaris verschenen zijn, en deze den dag voor het uitbrengen van zijn rapport aan de Regtbank bepaald heeft, nog verzoek kunnen doen om elkander op vraagpunten te hooren , zoo als ten deze door den app. geschied is ?

O. te dien aanzien , dat partijen in den loop van het geding zoodanige incidentele vorderingen kunnen doen , als zij vermeenen te behooren, zonder dat door de wet de bevoegdheid daartoe, wat den tijd betreft, gelimiteerd wordt, terwijl meer bijzonder art. 237 B. li. bepaalt, dat partijen in eiken stand van het geding verzoek mogen doen om elkander op ter zake dienende en niet tot iets anders betrek" kelijke vraagpunten te doen hooren;

O., dat niet blijkt, dat in het rekening-proces, ofschoon daarin bepaalde vormen van instructie zijn voorgeschreven, aan de bovengemelde regelen omtrent het doen van incidentele vorderingen gederogeerd is, en partijen dus toegelaten moeten worden, daartoe termen bestaande, ook nadat zij van memoriën van debat en contra-debat gediend hebben, en zij voor den regter-commissaris, ten fine als in art. 778 B. R, bepaald is, verschenen zijn, daar uit dat artikel wel volgt, dat alsdan alle verdere schrifturen , de behandeling der zaak ten principale betreffende, zijn uitgesloten, maar niet dat het doen van zoodanige incidentele vorderingen, als in eiken stand van het civiele proces toegelaten worden, zoude ongeoorloofd zijn; dat dus min juist door den regter a quo overwogen is, dat in cas van rekening en verantwoording alleen van gemeld regtsmiddel (het verhoor op vraagpunten) gebruik gemaakt kan worden tot op de benoeming van den regter-commissaris, daar dienaangaande door den app. teregt is aangemerkt , dat de rendant van rekening op dat tijdstip nog niet de bezwaren kent, tegen zijne rekening in het midden gebragt, en dus ook niet de feiten, welke bij memorie van debat voor het eerst in het proces ter sprake gebragt worden , weshalve vóór dien tijd een onderzoek, of de vraagpunten tot het geschil betrekkelijk zijn, onmogelijk is;

O., dat uit al het voorgaande volgt, dat de regter a qiio den app. ten onregte in zijn meergemeld verzoek niet-ontvankelijk heeft verklaard;

Op deze gronden zich uiet vereenigende met het vonnis a quo ;

Gezien, behalve de reeds aangehaalde artikelen, art. 56 B. R.;

Vernietigt hetzelve vonnis; en, op nieuw regt doende,

Verklaart den app. ontvankelijk in zijn gedaan verzoek om de geïntimeerden op vraagpunten te hooren;

0. ten aanzien der gestelde vraagpunten, dat die ter zake dienende en niet tot iets anders betrekkelijk zijn bevonden ;

Gelast, dat de ledon der geïntimeerde firma zullen verschijnen voor de Arrond.-Regtbank alhier, in raadkamer vergaderd, of voor eenen door en uit die Regtbank te benoemen regter-commissaris op daartoe te bepalen dag en uur, ten einde te worden gehoord op de navolgende vraagpunten :

1°. hebben de geïntimeerden niet van den app. rekeningen en bebescheiden, betrekkelijk de onderhavige zaak, respectivelijk uit Genua, Girgenti en Malta ontvangen en onder zich gehouden ?

2». heeft de app. niet, bij zijne terugkomst van de reize naar Genua, aan de geïntimeerden af- en overgegeven zijn journaal en verdere papieren betrekkelijk die reize, welke door de geïntimeerden in hun bezit zijn gehouden ?

3°. is de app. niet door de geïntimeerden gemagtigd geworden om, namens hen, met de heeren A. Houtman en Comp., te Delfshaven , over eene bevrachting naar Quebeck en Montreal te onderhandelen en den 5 Febr. 1869 te accepteren ?

4°. heeft de app. niet, namens en met goedvinden van de geïntimeerden, ter zake dier bevrachting, den 7 Febr. 1869 de chertepartij en eveneens reeds vóór den 23 Febr. van dat jaar onderscheidene cognoscementen voor een gedeelte der lading in zijn schip Fortuna ingeladen ?

5°. heeft de app. te Delfshaven, ingevolge die cherte-partij , een gedeelte dier lading in zijn schip Fortuna ingeladen ?

voorts op zoodanige vraagpunten, als ambtshalve, naar aanleiding van dezelve, gedaan zullen worden ;

"Wijst de zaak terug naar genoemde Regtbank, ten einde aldaar ter diligentie van. de meestgereede partij de bepalingen, vereischt tot het houden van het door het Hof bevolene verhoor op vraagpunten , worden gemaakt, en verder te dezer zake worde voortgeprocedeerd;

Reserveert de kosten, in beide instantiën gevallen, tot de eindbeslissing.

ARRONDISSEMENTS-REGT BANKEN.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE AMSTERDAM.

Tweede kamer.

Zitting van den 14 Junij 1872.

Voorzitter, Mr. A. E. Penning. Boston-Harfort-Erie spoobweg-aandeelen. — Verzoek tot he t

oproepen in vrijwaring van den lastgever des gedaagden.

Een verzoek tot het oproepen in vrijwaring van den lastgever des commissionnairs in effecten behoort niet te worden toegewezen , indien deze bij het sluiten der overeenkomst Ier beurze zijn commissiegever niet heeft genoemd.

van Leeuwen en van Ee, eischer, procureur Mr. J. H. van Ets ,

tegen

Lion Hertz, gedaagde, procureur Mr. E. J. Asser.

De Regtbank enz.,

Overwegende in fado:

dat de eischers, na sommatie van 31 Mei 1872 (behoorlijk geregistreerd) en na bekomen verlof van den president dezer Regtbank , den ged. op den 3 dezer op verkorten termijn hebben doen dagvaarden, ter zake dat de eischers op den 29 Maart 1872 van den ged. U contant hebben gekocht vijf-en-twintig stuks, ieder groot tien aandeelen van 100 dollars, en dus per stuk & 1000 dollars in de Bos tonHarford- spoorweg-maatschappij , tegen den prijs van 8 % pet., en op 15 Mei 1872 mede van den ged. hebben gekocht & contant een stuk van tien aandeelen, en dus ook U 1000 dollars in voorzegde spoorweg-maatschappij , tegen den prijs van 12 pet.; dat de ged., niettegenstaande herhaalde aanzoeken , in gebreke is gebleven de verkochte aandeelen te leveren en daarmede nog steeds in gebreke is gebleven, hoewel daartoe bij exploit van 31 Mei jl. geregtelijk gesommeerd; concluderende, dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en bij lijfsdwang, niettegenstaande verzet of hooger beroep, de in voege voorschreven gesloten overeenkomsten van koop en verkoop tusschen partijen zullen worden verklaard ontbonden, en de ged. zal worden veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, ten gevolge der wanpraestatie van den ged., door de eischers reeds gehad en geleden , nader op te maken bij staat, cum expensis,-

dat de eischers ten dienenden dage dien-overeenkomstig hebben geconcludeerd ;

dat de ged. hierop incidenteel heeft geconcludeerd:

dat de Regtbank hem zal vergunnen de heeren Weriheim en Gompertz in vrijwaring te dezer zake op te roepen, en hem te verleenen eenen voldoenden termijn, binnen welken die oproeping zal geschie den, en gedurende welken de oorspronkelijke zaak zal blijven geschorst, met veroordeeling van de eischers in de kosten van dit incident ingeval van tegenspraak, en onder reserve van alle weren en defensiën van ged. tegen den oorspronkelijken eisch , en zulks op grond, dat de bedoelde verkoop, zoo als die heeft plaats gehad, is geschied op mondelingen last en order, door den ged. ter beurze te Amstersterdam ontvangen van de heeren Wertheim en Gompertz aldaar , en de ged. door deze lastgevers nog niet tot levering in staat gesteld of door hen zelve nog niet geleverd zijnde, hij ged. regt en belang heeft hen in vrijwaring op te roepen , ten einde zich tegen de ingestelde vordering des goedvindende te verdedigen, of hem ged. over de gevolgen dier vordering te vrijwaren ;

dat de procureur des eischers hierop mondeling heeft geconcludeerd en daarvan acte heeft gevraagd, dat de ged. in zijne incidentele conclusie niet-ontvankelijk worde verklaard, immers dat hem die zal worden ontzegd, met aanbod om de bij dagvaarding gestelde feiten door alle middelen regtens te bewijzen, zoomede dat de ged., op de dagen, in de dagvaarding vermeld, de stukken zonder beding of bepaling van tijd der levering of betalingstermijn en dus 'a contant heeft verkocht;

O. in jure , dat te beslissen is :

lo. of het incidenteel verzoek tot oproeping in vrijwaring behoort te worden toegestaan ?

2°. zoo neen, of er termen aanwezig zijn om de eischers toe te laten tot het door hen aangeboden bewijs of ten principale regt te spreken ?

0. ad Ium., dat de ged. zijn verzoek grondt op de bewering, dat hij de overeenkomsten van koop, die hij met de eischers aanging, niet voor zich zeiven, maar op last van de heeren Wertheim en Gompertz

heeft getroffen, en dat, daar die heeren hem niet leverden, hij regt en belang heeft dezen in vrijwaring op te roepen ;

dat hij intusschen niet poseert, dat hij van die lastgeving bij het sluiten der overeenkomsten aan de eischers kennis heeft gegeven, en dus die lastgever aan de eischers vreemd zijn ;

dat nu waar moge zijn, dat het belang des gedaagden meebrengt zijne lastgevers in vrijwaring te mogen oproepen , maar dat daar tegenover staat, dat het belang der eischers vordert, dat de behandeling hunner op korten termijn ingestelde vordering niet ten gevolge dier vrijwaring door schorsing worde opgehouden ;

dat het belang der eischers dat des gedaagden in deze primeert, omdat de ged., door ter beurze zijn commissiegever te noemen, zich had kunnen vrijwaren voor het thans ontstane bezwaar, en hij het nadeel behoort te dragen van deze zijne handelwijze; dat mitsdien het incidenteel verzoek des gedaagden behoort te worden afgewezen ;

0. ad Hum., dat een verzoek tot oproeping in vrijwaring niet is eene exceptie, die te gelijk met het antwoord moet worden ingesteld, maar daarstelt een incident, dat eerst en vooraf moet worden uitgewezen , indien de zaak het medebrengt;

dat in casu de zaak zulk eene uitwijzing volstrekt schijnt te vorderen, omdat nog niet op de hoofdzaak is geantwoord, en de ged., hoewel zoo doende langs indirecten weg de eischers ophoudende, niet verpligt was zijn verzoek tot oproeping te doen vóór den dag, waarop de zaak moest dienen, noch dit op dien dag doende, te gelijkertijd ten principale te antwoorden ;

dat mitsdien voor alsnog geene termen aanwezig zijn om de eiscbers toe te laten tot nader bewijs hunner vordering, of zonder dat ten principale regt te spreken;

Gezien art. 78 W. K. en de artt. 56, 68, 141, 159 volg., 249 en 315 B. R.;

Verleent de gevraagde acte; doch voor alsnog het daarbij aangaboden bewijs passerende ,

Ontzegt den ged. zijn incidenteel gedaan verzoek tot oproeping in vrijwaring;

Gelast, dat zonder uitstel in de oorspronkelijke zaak zal worden voortgeprocedeerd;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, mits stellende zekerheid; en

Veroordeelt den oorspronkelijken ged. in de kosten van dit incident.

(Gepleit voor den eischer Mr. A. Philips , en voor den gedaagde Mr. A. S. van Nierop.)

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE DEVENTER, ftame» van Strafzaken.

Zitting van den 18 Junij 1872.

Voorzitter, Mr. J. G. de Witt Hamer.

Laster. — Aanklagt der beleedigde pabtij. — Betering van eer en goeden naam. — Boosaabdiqe bedoeling.

Is in casu door den inhoud van het geïncrimineerde artikel de boosaardige bedoeling van den schrijver voldoende bewezen? — Ja.

(Zie Weekbl. n°. 3465.)

De Arrond.-Regtbank te Deventer, in zake van den officier vau justitie, ratione officii (ambtshalve) eischer, tegen Dr. J. van Vloten , oud vier-en-vijftig jaren, zonder beroep, wonende te Bloemendaal, bekl. ter zake dat hij boosaardig heeft ontworpen, geschreven en in n°. 7 van het Deventer Weekblad, dd. 14 Febr. 11., uitgegeven door N. Reuvecamp, te Deventer, heeft doen afdrukken en daardoor verspreiden het navolgende stuk, waarbij hij den heer B. C. J. Mosselmans , predikant te Groningen, te last legt, hem den in dat stuk vermelden brief te hebben geschreven en toegezonden :

» Correspondencie.

«Gaarne geef ik een plaats aan de volgende rondborstige betuiging van den modernen Groninger Eerwaarde Mosselmans, en dat te liever, als rondborstigheid anders juist niet tot het zwak zijner geestverwanten behoort. Tot nader opheldering moet ik er bijvoegen , dat ik, reeds voor geruimen tijd, een meer dan stuursche houding bij een paar vroegere vrienden bespeurende, eindelijk door een derden vernam , dat gemelde Eerwaarde mij bij hem had zwart gemaakt. Op mijn hem daarover kenbaar geworden misnoegen ontving ik nu het volgende hem allezins vereerend schrijven :

»»Ik kan inderdaad niet ontkennen, dat, even als mijn vriend en beschermheer Mr. de Cock, wiens vermakelijk beeld de jongste Levensbode ons schetst, u te Gotha heett zoeken te bekladden , ik evenzoo te Haarlem mijn best daartoe gedaan heb. Gelijk ik thans tot mijn leedwezen zie, niet zonder eenig gevolg. Tot mijn leedwezen zeg ik; want ik moet u rondweg bekennen, dat ik mij hoe langer hoe meer over mijn zwakheid begin te schamen, en van mijn wekelijksche hansworsterij op den kansel een afkeer krijg. Ik leef gestadig bij in de vrees van ontmoetingen, als mijn stiefvader te Haarlem er eens een gehad heeft, en waarbij hij, een* zijner hoorders vragende, waarom de man zijn jongste kind niet liet doopen, tot antwoord ontving : «Wel dominee, omdat ik door uw eigen laatste preek over den doop al t overtollige en ongerijmde van die plechtig* heid heb leeren inzien». Dergelijke complimenten zag ik mij liever bevspaard, en begin buitendien al dat kerkelijk boerenbedrog en kunstmatig geloofsvertoon meer dan zat te worden. Liever heden dan morgen nog gaf ik den boêl er aan, en 't hangt alleen van omstandig' heden buiten mij af, dat ik daar niet onmiddelijk toe overga»».

«Hopen wij , dat die «omstandigheden» zich weldra mogen wij^1" gen, al deed de man zeker nog beter, ook zonder dat zijn kerkelijk guichelspel maar vaarwel te zeggen , dat hem zelfs tot kwaadstoken en kwaadspreken gebracht heeft.

«v. Vl.»

zijnde genoemde bekl. gedagvaard bij exploit van den deurwaarder A. Glaser, van den 24 Mei 1872 , en niet verschenen ;

Gehoord de voordragt, door den heer subst.-officier van de zaak gedaan, daarbij tevens verstek tegen den bekl. verzoekende ;

Gelet op het verleende verstek;

Gehoord de vordering van Mr. S. M. S. Modderman, advokaat bij het Prov. Geregtshof in Groningen, namens B. C. J. Mosselmans optredende en verklarende zich als beleedigde partij in het geding over de strafzaak te voegen, en tevens domicilie kiezende ten huize van den hoogleeraar Jongeneel te dezer stede;

Gehoord de voorlezing van de beschikking dezer Regtbank, in raadkamer genomen, waarbij , na de gevoerde instructie, de zaak naar de correctionnele teregtzitting is verwezen;

Geboord de voorlezing van een brief van B. C. J. Mosselmans > predikant te Groningen, dd. 24 Febr. II., aan den officier van Justlt' bij deze Regtbank, daarbij te dezer zake eene klagt inleverende tege Dr. J. van Vloten j

Sluiten