Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in haer geheel behoorde te worden aangenomen hare erkentenis, dat de brief meer behelsde, waaruit hare ware bedoeling met de aangehaalde zinsnede zoude zijn af te leiden , dat zij zich wel bereid doch niet verpligt achtte tot het kiezen van eene andere pianino in plaats van de Sehiedmaijer; dat de geïnt. niet heeft beweerd door eenige omstandigheid, welke dan ook, buiten staat te zijn den bedoelden brief der appellante in het geding over te leggen, en zelfs zonder heroep op dat schrijven alleen tot de eeds-delatie zijne toevlugt heeft genomen ; dat door deze wijze van procederen aan den regter de gelegenheid benomen is, om den geheelen inhoud van den brief te kennen en dienovereenkomstig te beoordeelen, of daarin de erkenning van de voorwaarde in geschil, te vinden zij ;

O. daarenboven, dat uit den inhoud van het schrijven der appellante , zoo als die bij het vierde punt der eeds-opdragt is vermeld, wel is af te leiden, dat zij tot het doen eener keuze van een andere pianino in het magazijn van den geïnt. bereid was , maar geenszins , dat zij zich daartoe uit krachte van eenig beding verpligt rekende;

0., dat dit laatste mede geldt voor het vijfde punt der eedsopdragt, vermits uit eene na de handeling gemaakte afspraak evenmin de ge¬

volgtrekking is te maken, dat deze berustte op eene verpligting, in voege als door den geïnt. is beweerd ;

O., dat, vermits de tweede, vierde en vijfde punten der eedsopdragt als niet beslissend behoorea te worden ter zijde gesteld, het gevolg hiervan is , dat de geheele eedsopdragt, zoo als die in vijf onderdeelen door den geïnt. is geformuleerd, als ontoelaatbaar behoort te worden afgewezen ;

0. toch , dat de eedsopdragt is de daad van eene der partijen, die bevoegd is om, na de beantwoording der wederpartij , daarin verandering te brengen, doch dat de beslissende eed met de daad in eenen door den regter ambtshalve opgelegden eed zou wordeu veranderd , indien deze, met ter-zijde-stelling van een gedeelte der feiten, slechts van het overige gedeelte de beslissing der zaak afhankelijk stelde, gelijk dan ook de geïnt. bij zijne laatste conclusie in eerste instantie, wel verre van den opgedragen eed te wijzigen, heeft opgemerkt , dat deze in haar geheel wordt gehandhaafd ;

O., dat, al mogt zelfs de eedsopdragt van den geïnt. ten opzigte van het eerste en van het derde punt kunnen worden toegelaten, en, bij weigering van aflegging daarvan, het bewijs te verkrijgen zijn, dat de appellante de pianino van Sehiedmaijer op de door den geïnt. beweerde voorwaarde had gekocht, en de oude van Cuipers op de door den geïnt. beweerde voorwaarde van haar in ruiling zoude zijn verkregen , ook dan uit deze bewezen feiten niet zoude volgen, dat de app. verbonden was om de pianino van Sehiedmaijer voor f 650 als gekocht te honden, noch dat de geïnt. de oude van Cuipers voor f 150 in ruiling verkregen had;

0. toch, dat uit het beding, in voege het , volgens bewering van den geïnt., is aangegaan, wel zou volgen, dat aan de appellante een termijn van drie weken gelaten was om de pianino van Sehiedmaijer te beproeven , maar niet dat het regt van keuze van eene andere pianino in het magazijn van den geint. eene verpligting zou zijn geweest, bij niet-nakoming waarvan zij zuiver en onvoorwaardelijk kooperesse van de pianino Sehiedmaijer zoude geworden zijn;

O. toch, dat, terwijl tusschen partijen niet bepaald was, welke andere pianino de appellante in het magazijn van den geïnt. zou kunnen uitzoeken, noch ook tot welke soort zij zich bepalen zou, of tegen welken prijs, partijen klaarblijkelijk deze bij voeging niet inden zin van een uitdrukkelijk beding of voorwaarde van den koop hebben opgevat, maar veeleer als eene bereid-verklaring van den verItimnnr. om on nader te benalen voorwaarden eene andere pianino aan

de appellante te leveren, als die van Sehiedmaijer, bij eene beproeving gedurende den termijn van drie weken, haar niet bevallen mogt;

0., dat, al moest het beding worden aangenomen in den strengen zin, dat de appellante binnen drie weken na de plaatsing en beproeving eene andere pianino in het magazijn van geïnt. had moeten uitzoeken , zoodanig beding regtens geene verpligting konde medebrengen ; dat toch in dat geval de te kiezen pianino in koop in de plaats had moeten komen van de eerstgeleverde van Sehiedmaijer, in welk aeval tusschen partijen geen eenstemmigheid over de zaak en

den prijs zou zijn verkregen , waaruit volgt, dat dit regt van keuze de wettelijke vereischten van overeenkomst van koop en verkoop, in den zin van art. 1494 B. W. , volkomen miste;

O., dat mitsdien het beding, waaronder de pianino van Sehiedmaijer voor ƒ 650 aan de appellante was verkocht, slechts daarin bestond, dat zij dit instrument gedurende drie weken na de plaatsing beproeven kon, en niet verpligt was, dit in koop te behouden, bijaldien het instrument bij beproeving haar niet beviel;

O., dat deze overeenkomst alzoo was die van koop en verkoop op de proef aangegaan in den zin van art. 1499 van gemeld wetboek , welke voorndersteld wordt onder eene opschortende voorwaarde te hebben plaats gehad, in gelijke beteekenis als in art. 1588 C. C. met betrekking tot de vente a l'essai is bepaald;

O., dat de appellante, gelijk tusschen partijen vaststaat, binnen drie weken na de plaatsing van de pianino van Sehiedmaijer, aan den geïnt. heeft kennis gegeven , dat deze pianino haar niet beviel; dat van deze verklaring het gevolg was, dat de koop en verkoop van dit voorwerp niet is tot stand gebragt, zoodat de geïnt. verpligt was deze pianino van de appellante terug te nemen, en hare geregtelijke aanbieding, ten gevolge van de door den geïnt. gedane weigering om de pianino terug te nemen, als met in-acht-neraing van de wettelijke voorschriften geschied, behoort van waarde te worden verklaard; waaruit tevens volgt, dat de reconventionnele vordering des geïnt., tot betaling van den koopprijs van f 650, als ongegrond aan hem behoort te worden ontzegd;

0., dat bij het vervallen van den koop der pianino van Sehiedmaijer de ruiling van de oude van Cuipers mede vervallen is , en de geïnt. verpligt om aan de appellante deze pianino of de waarde daarvan terug te geven; dat toch, zelfs aangenomen, dat de geïnt. deze pianino van de appellante, zoo als hij beweert voor de waarde heeft overgenomen, hij in geen geval geregtigd was om zelf die waarde te bepalen of zonder voorkennis en goedkeuring van de appellante haar te verkoopen ; dat dit te meer volgt uit zijne bewering bij het derde punt der eeds-opdragt, dat hij zich een nader onderzoek naar de waarde dezer pianino had voorbehouden ; dat het mitsdien een gevolg is van zijne eigen daad, indien hij zich buiten de mogelijkheid heeft gesteld om deze pianino aan de appellante terug te geven ,

O., dat de vordering tot teruggave der oude pianino van Cuipers is gegrond op de tusschen partijen aangegane overeenkomst, zoodat deze aan haar behoort te worden toegewezen, en aan den geïnt. zijne vordering, daartoe betrekkelijk , even als zijn eisch tot betaling der pianino-Schiedmaijer, aan welke zij verbonden is, moet worden ontzegd;

O., dat, ingeval de geïnt. deze pianino niet in denzelfden toestand, als waarin hij haar van de appellante ontvangen heeft, teruggeeft of weder uitlevert, hij gehouden is haar deswege schadeloos te stellen , en dat het Hof in de dingtalen van partijen genoegzame gegevens vindt om de waarde van dit voorwerp tijdens de afgifte te stellen op / 200;

0., dat deze som als vergoeding niet voortvloeit uit eene onregtrnatige daad aan de zijde des geïnt., maar uit de niet-naleving van eene overeenkomst; dat de appellante niet heeft bewezen daardoor eenige andere óf meerdere schade te hebben geleden , zoodat hare verdere vordering dienaangaande, even als die tot uitvoerbaarheid van het vonnis (die door haar niet is gevorderd, naar aanleiding eener

handeling door den geïnt. als koopman aangegaan) bij lijfsdwang, aan haai- behoort te worden ontzegd ;

O., dat de appellante wel bij de oorspronkelijke dagvaarding hare vordering heeft ingesteld tegen de firma Coenen en Comp., als ware deze eene handels-vennootschap; dat echter op die dagvaarding alleen de heer C. Coenen, handelende onder de firma van Coenen en Comp., procureur voor zich heeft doen steilen, met wien als zoodanig verder bet geding is voortgezet, en tegen wien de appellante zelve, op gelijke wijze, het geding in hooger beroep heeft ingesteld ;

0., dat de appellante niet heeft beweerd , noch bewezen , dat, behalve den heer C. Coenen, andere personen vennooten zouden zijn der firma Coenen en Comp., zoodat hare conclusie , dat het vonnis zal zijn uitvoerbaar tegen elk der individuele leden der firma , hoofdelijk en voor het geheel, aan haar mede behoort te worden ontzegd;

Gezien, behalve de aangehaalde wetsbepalingen, artt. 1293, 1356, n°. 3, 1369, 1374, 1386, 1448 , 1775 en 1776 B. W., en artt. 343, 353 en 56 B. R.;

Verleent aan de appellante acte van datgene, waarvan zij acte heeft gevraagd;

Doet te niet het hooger beroep;

Bevestigt het vonnis, waarvan beroepen is, doch alleen voor zooverre de appellante de bevestiging daarvan heeft gevraagd;

Doet hetzelve vonnis voor het overige te niet;

En, op nieuw regt doende,

Verklaart, dat de door den geïnt. aan de appellante in eerste instantie opgedragen eed niet is beslissend ;

Ontzegt hem zijne daartoe genomen conclusie , en

Ontzegt hem zijne reconventionnele vordering ;

Veroordeelt den geïnt. C. Coenen, handelende te Utrecht, onder de firma van Coenen en Comp., om binnen veertien dagen na de beteekening van dit arrest aan de appellante, tegen behoorlijk bewijs van ontvangst, terug te geven de pianino van de fabriek van Cuipers, hiervoren gemeld, en zulks in denzelfden toestand, als waarin hij deze van de appellante heeft in ontvangst genomen, en, bij nalatigheid van dien, aan de appellante te betalen de som van J 200, als vergoeding der waarde, waarop dit voorwerp door het Hof wordt begroot;

Verklaart, dat het ten verzoeke der appellante op den 6 Julij 1870 aan den geïnt. gedaan aanbod, zoowel als de op den 18 Julij daaraanvolgende gedane geregtelijke bewaargeving van de aangeboden pianino van de fabriek van Sehiedmaijer, zijn goed en van waarde; dat de appellante daarmede kan volstaan en daardoor is bevrijd van al hare verpligtingen ter zake voorschreven jegens den geïnt.;

Bepaalt, dat de in deze gestelde bewaarder de hem in bewaring gegeven kist en pianino, welke voor rekening van den geïnt. zullen zijn en blijven, door dit arrest, als het in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, zal zijn ontslagen, en daarna geregtigd om het in bewaring gestelde, tot aan de geheele voldoening van het hem te dezer zake competerende , onder zich te houden ;

Veroordeelt den geïnt. in de kosten , die veroorzaakt zijn en nog veroorzaakt zullen worden door het gedaan aanbod en de geregtelijke bewaargeving voormeld, alsmede in de kosten van het regtsgeding in conventie en in reconventie, zoo in eersten aanleg als in hooger beroep;

Ontzegt aan de appellante hare verdere of meerdere vorderingen.

(Gepleit voor de appellante Mr. S. M. A. dn Mosch.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Kon. besluit van den 10 dezer, no. 10, is aan J. O. Wijma, zich schrijvende J. Wijma, gewezen directeur van het vercenigd huis van arrest en provoost te Haarlem, verleend een pensioen ten laste van den Staat van f 916 'sjaars, en zulks op grond van artt. 5, 43 en 47 der wet, betreffende de burgerlijke pensioenen, van 9 Mei 1846 (SM. no. 24), gewijzigd bij die van 3 Mei 1851 (Stbl. n°. 49).

BERIGTEN.

\s Gravenhage, den 20 Julij.

Het Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage meent hetgeen wij in Weekbl. n». 3474, trouwens niet voor het eerst, gezegd hebben over het derde additionele artikel der Grondwet te mogen houden voor eene aardigheid. Het Dagblad vergist zich zeer. Wij hebben er even weinig aan gedacht om eene aardigheid als om eene //letterknechterij// of "eene chicane" , te zeggen; even weinig als om "liberaal" of //conservatief", "révolutionnair// of "anti-revolutionnair // te zijn. Wij zijn niet gewoon onze meeningen voor onfeilbaar te houden of die aan anderen op te dringen; het kan zeer goed zijn, dat wij dwalen; maar wat wij gezegd hebben, meenen wij in vollen ernst. Wij zijn natuurlijk niet toegedaan de leer, die het Dagblad zegt te zijn de leer van het liberalisme : //wees aan de grondwet getrouw, zoolang zij u dient, althans niet hindert, zet haar op zij, als zij uwe voornemens belet" ; en de vraag of dit werkelijk "liberaal// of »revolutionxiair// of iets anders is, is geheel buiten ons. Wij meenen, wat het Dagblad ook schijnt te meenen, dat men de grondwet en de wetten van liet land moet gehoorzamen, onverschillig of zij ons hinderen of dienen, onverschillig of wij ze mooi of leelijk, goed of slecht vinden. Maar wij meenen ook, dat aan de letter der grondwet door de herhaalde voorstellen en mislukte proeven voldaan is, en dat daarbij , hoewel niet dan gebrekkig, toch ook is voldaan aan den geest en aan de bedoeling van het derde artikel , voor zoo ver dat menschelijker wijze mogelijk is. Dat het artikel zich iets meer en iets anders heeft voorgesteld dan zeven of twee of drie maal zeven ontwerpen, dat is klaar; dat zij vermoed, bedoeld, gewenscht, gedroomd heeft eene wet, en niet een ontwerp, men zij liberaal, radicaal, révolutionnair, réactionnair, of conservatief (alle dingen waarmede het Weekblad zich niet bemoeit), niemand kan krankzinnig genoeg zijn om dat tegen te spreken. Maar wat nu, als men gedaan heeft wat men kan, en alles wat men wilde gebleken is onmogelijk te zijn ? Dat is de vraag_ Men kan een minister dwingen om voorstellen te doen, maar niemand, zelfs de grondwet niet, kan de staten-generaal dwingen om aan te nemen, wat hun niet bevalt. Moet nu de regering maar voortgaan, altijd en altijd voortgaan, nieuwe voorstellen te doen, om die op nieuw te laten verwerpen ? en hoe lang moet

dat duren? en om de hoe vele jaren, maanden of weken moeten die vervelende spiegel-gevechten herhaald worden ? — Wij hebben op die vragen geen ander antwoord dan dat : de grondwet zegt niets daarvan ; zij wil of liever zij beveelt een voorstel; en meer kan zij wel willen, maar niet bevelen. Laat ons het eerlijk erkennen, wat gebeurd is, heeft de grondwet niet voorzien, en kon zij ook niet voorzien. — Meent men nu, dat het wensehelijk zijn zou artikel 3 in te trekken of te wijzigen , noodig achten wij dat niet, maar wij zullen er ons niet tegen verzetten. Vee) zou er niet aan verloren worden. Vooral nu niet, mits men er maar niet het gevolg aan verbond, dat nu ook van alle verbetering van ons regtswezen, in welken vorm ook, moest worden afgezien.

Den 16 dezer is te Dordrecht overleden de heer Mr. W. P. Smi's> regter in de Arrond.-Begtbank aldaar.

's Bosch. — Wij vermeenen met grond te kunnen melden , dat de vrouwelijke gevangenen uit de strafgevangenis te Woerden op den 1 Augustus naar hier zullen worden overgebragt, en dit niet tot nader order is uitgesteld, zoo als andere bladen mededeelen. (P. jV.)

— Om te doen zien onder welke gelukkige omstandigheden de Inlander verkeert, die in het bezit gelaten is van zijne regtspleging■ welke alleen gekontroleerd wordt door hoofden van gewestelijk bestuur, deelen wij de volgende gevallen mede.

Si Tanah Radjah is door den Rapat van Laras te Singkarah , omdat hij in het bezit gevonden is van twee stukken goed , afkomstig van een groote partij gestolen goederen, ter waarde van f 647.96 , en waarvan hij de herkomst niet kon bewijzen , «volgens de adat poestoetalie» , schuldig verklaard aan diefstal bij nacht in een bewoond huis door middel van braak en inklimming en gestraft met f 40 en teruggave van de waarde van het gestolene , met bepaling , dat bij onwil of onvermogen van de boete te voldoen , deze vervangen zou worden door dwangarbeid buiten den ketting gedurende vijf jaren. Bij besluit van den Gouverneur van Sumatra's Westkust werd do laatste teruggebragt tot twee en een half jaar dwangarbeid.

Si Rampok werd door denzelfden Rapat schuldig verklaard aan «poging oin zijnen panghoeloe te vermoorden door middel van het steken met een mes« , en daarvoor gestraft met de boete, bepaald voor poging tot moedwillige verwonding, ad f 100, alles volgens den adat. Bij onvermogen om de boete te voldoen , zou deze vervangen worden door dwangarbeid buiten den ketting gedurende vijf jaren , welke door den gouverneur van Sumatra's Westkust verminderd werd tot twee jaren.

Welk eene verhouding I daargelaten de beslissing van de rapats. Voor eene boete van ƒ40, twee en een half jaar en voor eene boete, die twee en half maal grooter is, twee jaren dwangarbeid.

REGTSGELEERDE UITGAVEN.

FRANSCHE LITTERATUUR.

Constitutions qui ont régila France depnis 1789, conférées entre elles et annotées par L. Trifier, 1 vol., 600 p. Paris, G. Larose.

Boutry (J.), juge, Les Franqais et les étrangers devant la loi fran9aise en 1872 (explications des articles 7 a 22 du Code Civil). In 18°., 140 p. Paris, Mabescq ainé.

ADVERTENTIEN.

Bij GEBR. BELINFANTE, te '•? Gravenhage , is ter perse:

WETBOEK VAN STRAFREGT

VOOR NED. IN DIE.

WETBOEK VOOR DE INLANDERS.

Bij dezelfden wordt ingeteekend op :

REVUE DE DttOIT INTERMTIOM

et de

LÉGISLAT 10SI COHPARÉE,

pübliée par MM. :

T. M. C. ASSER, avoc. et prof. de droit, a Amsterdam; G. ROLIN-JAEftUEMYNS, avoc. pres la Cour d'Appeb a Gand, Rédacteur-en-chef et Directeur gérant; — et J. WESTLAKE, Barrister-at-Law, Lincoln's Inn, ^ Londres , avee la collaboration de plusieurs

JURISCONSULTES ET HOMMES D'ÉTAT EN" EUROPE ET EN" AMÉRIQUE.

4' ,f nnée. — 1873. - V'. SI.

sommaire de la 2me l1vraison:

Ch. Brocher (Génève), The'orie du droit international privé (UI). Dr. 11. J. Biderjiann (Graëtz) , La Législation hongroise, depui» 1848 , précédée d'un coup d'oeil rétrospectif sur 1'histoire du droit hongrois.

L. de Mootluc (Paris), Examen critique du Code civil de Mexico. G. Rolin-Jaeqüemyns (Gand), Convention de Génève. — Proje' nouveau de M. Moynier. — Lettres de MM. Liebeb , HoltzeNdorff, Westlake, Morin etc.

Ed. Clunet (Paris), Bulletin de jurisprudence internationale. France, 1871.

Notices diverses. — Correspondance.

Cette REVUE parait quatre fois 1'an, formant & la fi'1 de 1'année un volume de plus de 640 pages.

Prix pour les Pays-Bas, 6 florins par an.

Snelpersdruk en Uitgave van GEBROKDE^ , te 's «ravenliage.

Sluiten