Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te dien aanzien de zaak naar de

--j:..

Verwyo» waande dagv»»ruin§op " Arrond.-Eegtbank te

Leiden, om op ^ jieuw te worden beregt en

afgedaan; . ^et beroep ^

Verwerf overigen ^ cassatie; de kosten te dragen

door den Staat.

_ Ü°V ANOIALE HOVEN.

ARRONDt iöSBMENTg.REGT3ANK TE UTRECHT. Hurgerlijke kamer.

Zitting van den 22 November 1871.

Voorzitter, Mr. A. W. Wichers. PROVINCIAAL GEREGTSHOF Itï UTRECHT. Burgerlijke hamer.

Zitting, van den 13 Mei 1872.

Voorzitter, Jhr. Mr. J. O. de Jong van Beek en Donk.

Personele belasting. — Plaatselijke directe belasting. Beslag. — Verzet. — Bodem. — Woonplaats.

Wordt in art. 16 der wet van 22 Mei 1845 (Stbl. n". 22) op de invordering van 's Rijks directe belastingen onder het woord bodem iets anders verstaan dan woonplaats ? — Neen, volgens de Regtbank. Ja, volgens het Bof.

Is derhalve een verzet, gelegd tegen een beslag op roerende goederen in een huis waar de belastingschuldige slechts feitelijk zijn verblijf houdt, maar niet zijne woonplaats heeft, gegrond 1 — Neen, volgens de Regtbank. Ja, volgens het Ho f.

E. H. Cohu, modiste, wonende te Utrecht, opposante en eischeres, appellante, procureur Mr. A. Verhoef,

tegen

Mr. C. Gerlings, in hoedanigheid van gemeente-ontvanger van Utrecht, ■wonende aldaar, eersten geopposeerde en gedaagde, geïntimeerde, procureur Mr. D. J. H. van Eeden ,

benevens

de weduwe van P. Cohu, wonende te Utrecht, tweede geopposeerde en gedaagde, mede-geïntimeerde, niet verschijnende.

De Regtbank enz.,

Gehoord de conclusie van de opposante en eischeres, daartoe strekkende : dal bij vonnis dezer Regtbank haar verzet zal worden verklaard te zijn goed en van waarde, en mitsdien het bij proces-verbaal gelegd beslag te zijn vervallen of opgeheven ; en wijders zal worden gelast, dat de in beslag genomen goederen aan de eischeres zullen worden opgeleverd, waartoe uit krachte van hetzelve vonnis de gestelde bewaarster zal kunnen worden gedwongen, en hetwelk doende zij zal zijn verantwoord, mei veroordeeling der geopposeerden en gedaagden in de kosten der procedure;

Gehoord de conclusie van den geopposeerden ontvanger en medeged., daartoe strekkende: dat het der Regtbank behage de opposante en eischeres te verklaren niet-ontvankelijk in haar verzet, immers en in elk geval dat verzet te verklaren ongegrond, en haar den ingestelden eisch te ontzeggen, met veroordeeling der opposante en eischeres in de kosten van het regtsgeding;

Gehoord de conclusie van den subst.-officier van justitie, strekkende: ten einde de Regtbank, voorbijgaande het door de opposante en eischeres aangeboden bewijs van eigendom, haar zal verklaren nietontvankelijk in haar verzet en eisch, met veroordeeling in de kosten van het geding; |

Gezien een proces-verbaal van executoriaal beslag op de roerende goederen van de tweede geopp. en ged., op den 15 Maart 1871 ten verzoeke van den eersten geopp. en ged. gelegd , opgemaakt door J. Ditmarsch, buitengewoon deurwaarder der directe belastingen, tevens ambtenaar, belast met de beteekening van stukken, betreffende vervolging van plaatselijke belastingen, in tegenwoordigheid van getuigen, en behoorlijk geregistreerd;

Gezien de acte van beteekening van voormeld arrest, aan de tweede geopp. en ged., op den 17 Maart 1871, ten verzoeke van den eersten geopp. en ged., door den deurwaarder Ditmarsch gedaan, mede behoorlijk geregistreerd;

Gezien de afwijzende beschikking van den commissaris des Konings in de provincie Utrecht, op den 27 Maart 1871, gegeven op het bezwaarschrift van de opposante en eischeres en aan haar beteekend bjj acte van den deurwaarder Ditmarsch, dd. 29 Maart 1871 , insgelijks behoorlijk geregistreerd;

Gezien twee uittreksels uit het bevolkings-register der gemeente Utrecht van de wijken E en G, afgegeven door den ambtenaar van den burgerlijken stand dier gemeente op den 5 April 1871 ;

fifliiKTi het exnloit van dagvaarding, hierboven omschreven ;

Gezien het exploit van beteekening van gezegde dagvaarding aan

de gestelde bewaarster der in beslag genomen roerende goederen, J. C. Cohn, op den 8 April 18 71, namens de opposante en eischeres, door den deurwaarder Bahle gedaan, behoorlijk geregistreerd;

Gezien het vonnis, door deze Regtbank tusschen partijen op den 12 April 1871 gewezen, behoorlijk op de expeditie geregistreerd;

Gezien het exploit van beteekening van gezegd vonnis aan de tweede geopp. en ged., met vernieuwde dagvaarding van dezelve tegen den 31 Mei 1871 , door den deurwaarder Bahle op den 20 dier maand gedaan, behoorlijk geregistreerd;

Gezien de procureurs-acte, op den 26 Mei 1871, namens den procureur van de opposante en eischeres, door den deurwaarder C. Klaaven aan den procureur van den eersten geopp. en ged. beteekend;

Gezien eene onderhandsche huur-overeen komst van het huis aan de Maria-plaats, wijk E, n°. 434 , te Utrecht, op den 13 Aug. 1869 door F. D. Fontein, als verhuurder, en E. H. Cohu, als huurster, te Utrecht geteekend, behoorlijk geregistreerd;

Gezien zeven aanslag-billetten van personele-, patent- en plaatselijke belasting, ten name van E. Cohu , in het perceel wijk E, n°. 434, te Utrecht;

Overwegende ten aanzien der daadzaken :

dat de opposante en eischeres den eersten ged., in hoedanigheid van ontvanger der gemeente Utrecht, alsmede de tweede ged., als beslagene, voor deze Regtbank heeft gedagvaard, ten einde te antwoorden en met de opposante voort te procederen op het verzet, hetwelk door haar werd gedaan legen den verkoop der bij proces-verbaal van den deurwaarder Ditmarsch, op 15 Maart 1871, ten verzoeke van den eersten ged. qualitate qua, tegen de tweede ged. in executoriaal beslag genomen goederen, ter zake van door laatstgenoemde over het dienstjaar 1869 verschuldigde plaatselijke belasting, ten bedrage van ƒ 15.045 ;

dat tegen die in-beslag-neming de eischeres zich verzet, op grond:

dat de bij het proces-verbaal omschreven goederen zijn haar eigen¬

dom, zich tijdens het beslag zelfs in het door haar gehuurde en bewoonde huis en alzoo op haren bodem bevonden , zoo als blijkt uit het aan den eersten ged. beteekend contract van huur en verhuur

der behuizinge ; .

dat zij opposante dan ook voor dat perceel is aangeslagen, zoo op het kohier der personele belasting, als op dat van de plaatselijke directe belasting van Utrecht, en zij bereid is en aanbiedt zulks te

bewijzen; ,

dat op het bezwaarschrift, door haar tegen voormeld arrest aan den commissaris des Konings ingediend, afwijzend is beschikt bij dispositie van 27 Maart 1871, waarop zij, bij exploit van den deurwaarder Bahle dd. 1 April 1871 , en alzoo tempore utili tegen den verkoop der in beslag genomen goederen is gekomen in verzet, met dagvaarding der geopposeerden en gedaagden .tegen do teregtzitting dezer Regtbank van den 12 dier maand ;

dat, bij exploit van 8 April dezes jaars, dat verzet behoorlijk is beteekend aan de gestelde bewaarster der gearresteerde goederen ;

dat, bij vonnis dezer Regtbank van 12 April 11., de zaak ten opzigte van den eersten ged. is aangehouden en tegen de tweede ged. verstek is verleend, met last tot nadere dagvaarding, hetwelk is geschied, bij exploit van den 20 Mei 1871, tegen de teregtzitting van den 31 diei maand, wanneer zij mede niet is verschenen, waarvan alstoen acti aan de eischeres is verleend;

dat daarentegen aan zijde van den eersten ged. bij conclusie n aangevoerd •-

dat de in beslag genomen goederen zich bevinden op den boden van de belastingschuldige, en zijn die , waarop ter zake van de be lastingen, bedoeld bij litt. B van art. 12 der wet op de invordering het regt van voorrang ten behoeve der schatkist is voorbehouden ;

dat al dadelijk uit dien hoofde de bij dagvaarding en eisch voor gebragte positieven het verzet niet kunnen motiveren, en dat verze is niet-ontvankelijk;

dat al verder de opposante is in gebreke gebleven haar eigendomf regt op de in beslag genomen goederen te bewijzen;

concluderende tot niet-ontvankelijk-verklaring van de eischeres i haar verzet, immers en in elk geval tot ontzegging van den ing< stelden eisch, met veroordeeling in de kosten van het regtsgeding 0. in regten:

dat het ten deze is buiten geschil, dat de bedoelde in beslag g< nomen goederen (zijnde alle de zoodanigen, welke dienen tot stofferin van een huis) zich tijdens de in-beslag-neming bevonden op den bi dem, welke destijds door de opposante met de belastingschuldig

, werd bewoond;

dat nu, krachtens de bepaling van art. 12 B der wet van 22 M. 1845 op de invoering der directe belastingen (welke, volgens art. 2t der gemeentewet, mede van toepassing is op de invordering der plaa ! selijke belasting), de fiscus heeft het regt vau voorrang op de ro rende en onroerende goederen van den belastingschuldige;

dat voorts naar het 3de lid van art. 16 dierzelfde wet, geen verz van derden tegen in-beslag-neming ter zake van verschuldigde bela " tingen wordt toegelaten, anders dan op grond van art. 2014 B. V " en artt. 230 en volg. W. K., ingeval de bedoelde goederen zich tijde ' de in-beslag-neming bevonden op den bodem van de belastingschuldig1 1 dat door de opposante, die ten deze als derde is te beschouwei 1 geen bezwaarschrift, verzet, noch regtsvordering is ingesteld op e ' der gronden, vervat in de bovenvermelde artt. 2014B. W. of 3 vol". W. K.', maar enkel op grond, dat de in beslag genomen gc 1 deren zouden zijn het eigendom van haar opposante, terwijl zij weert dat de wet slechts dan een verzet door derden tegen het besl uitsluit, wanneer de belastingschuldige, tegen wien het beslag 6 gelegd, eenige regtsbetrekking heeft op den bodem , waarop hij zi

6 verblijf houdt; , ,,

dat echter noch uit voormeld art. 16 der aangehaalde wet, no a uit eenige andere wetsbepaling blijkt, dat de wetgever zoodani

regtsverhouding daarbij onderstelt;

: dat toch, waar de wet spreekt van : »de goederen, zich bevinden " op den bodem van den belastingschuldige» , het woordje van n noodwendig geacht moet worden eene regtsbetrekking van den bel Q tingschuldige op den bodem of de plaats van zijn verblijf aan te d den , maar in het algemeen eene bloot feitelijke betrekking op 6 actuele plaats van zijn verblijf, op grond waarvan de wet, blijkt " hare kennelijke bedoeling en met afwijking van het gewoon priva 1 re»t, in het algemeen belang eener prompte invordering van vi schuldigde belasting, uitgaat van de onderstelling, dat goedere dienende tot stoffering van het huis, aanwezig bevonden op den I B' dem , waar de belastingschuldige zich bevindt, zijn de goederen t dezen, en alzoo vallende onder die, waarop de fiscus, naar art. IS der wet op de invordering, voorrang heeft;

:n dat alzoo in dit geval de wet, praesumtione juris et de jure, ie e' verzet van derden tegen het beslag uitsluit^ tenzij dat zulks gegr< mogt zijn op een der gevallen, vermeld bij de artt. 2014 B. W. 230 en volg. W. K.:

® dat nu, vermits in casu geen verzet noch eisch op grond van e dezer wetsbepalingen is gedaan , de uitsluitende bepaling van art. 's' der meergemelde wet ten deze volkomen van toepassing is, naard toch in casu vaststaat, dat de tweede ged., tegen wie het beslag te gelegd, tijdens de in-beslag-neming gezamenlijk met de eischeres a" woonde het huis, alwaar het beslag is gelegd, en die woning al ook als haar bodem is aan te merken;

dat het alzoo naar de wet geheel onverschillig is, of die won an door de eischeres allée'n en niet door de beslagene was gehuurd, '' 0f eerstgenoemde en niet de laatste voor dat perceel was aarigesla 3S' op de kohieren der personele en gemeentebelastingen, alsmede

als hoofd des gezins moet worden aangemerkt;

ea dat toch, behalve dat dit alles niets bewijst ten aanzien van eigendom der bedoelde goederen , in geen geval kan beletten de oefening van het bij de wet toegekend privilegie voor eene vroej ,en belastingschuld van de tweede ged.;

101 O., dat alzoo hieruit volgt, dat in ieder geval het door de o] santé' aangeboden bewijs van haren voormelden aanslag op de be r°' tingkohieren , alsmede dat de in beslag genomen goederen zijn / "f! eigendom , niet geacht kan worden te zijn ter zake dienende en ' |' doende, en mitsdien niet behoort te worden toegelaten ; gg Gezien, behalve de voormelde wetsbepalingen, art. 56 B. R.;

T?ftrrf. rfnpnHp. p.ni..

Bahle dd. 1 April 1871 , en alzoo tempore utili tegen den verkoop

der in beslag genomen goederen is geKomen m verzet, met cagvaaiding der geopposeerden en gedaagden .tegen de teregtzitting dezer Regtbank van den 12 dier maand ;

dat, bij exploit van 8 April dezes jaars, dat verzet behoorlijk is beteekend aan de gestelde bewaarster der gearresteerde goederen;

dat, bij vonnis dezer Regtbank van 12 April 11., de zaak ten opzigte van den eersten ged. is aangehouden en tegen de tweede ged. verstek is verleend, met last tot nadere dagvaarding, hetwelk is geschied, bij exploit van den 20 Mei 1871, tegen de teregtzitting van den 31 dier maand, wanneer zij mede niet is verschenen, waarvan alstoen acte aan de eischeres is verleend;

dat daarentegen aan zijde van den eersten ged. bij conclusie is aangevoerd •-

dat de in beslag genomen goederen zich bevinden op den bodem van de belastingschuldige, en zijn die , waarop ter zake vau de belastingen, bedoeld bij litt. B van art. 12 der wet op de invordering, het regt van voorrang ten behoeve der schatkist is voorbehouden ;

dat al dadelijk uit dien hoofde de bij dagvaarding en eisch voorgebragte positieven het verzet niet kunnen motiveren, en dat verzet is niet-ontvankelijk;

dat al verder de opposante is in gebreke gebleven haar eigendomsregt op de in beslag genomen goederen te bewijzen;

concluderende tot niet-ontvankelijk-verklaring van de eischeres in haar verzet, immers en in elk geval tot ontzegging van den ingestelden eisch, met veroordeeling in de kosten van het regtsgeding; 0. in regten:

dat het ten deze is buiten geschil, dat de bedoelde in beslag genomen goederen (zijnde alle de zoodanigen, welke dienen tot stoffering van een huis) zich tijdens de in-beslag-neming bevonden op den bodem , welke destijds door de opposante met de belastingschuldige

werd bewoond; .

dat nu, krachtens de bepaling van art. 12 B der wet van 22 Mei 1845 op de invoering der directe belastingen (welke, volgens art. 260 der gemeentewet, mede van toepassing is op de invordering der plaatselijke belasting), de fiscus heeft het regt vau voorrang op de roerende en onroerende goederen van den belastingschuldige;

dat voorts naar het 3de lid van art. 16 dierzelfde wet, geen verzet

„ar, ^ovrlon teren in-beslag-neming ter zake van verschuldigde belas'

tino-en wordt toegelaten, anders dan op grond van art. 2014 B. W.

en artt. 230 en volg. W. K., ingeval de bedoelde goederen zich tijdens

de in-beslag-neming bevonden op den bodem van de belastingschuldige dat door de opposante, die ten deze als derde is te beschouwen

geen bezwaarschrift, verzet, noch regtsvordering is ingesteld °P ee' der gronden, vervat in de bovenvermelde artt. 2014B. W. of 230 en vol». W. K.', maar enkel op grond, dat de in beslag genomen goederen zouden zijn het eigendom van haar opposante, terwijl zij beweert dat de wet slechts dan een verzet door derden tegen het beslag uitsluit, wanneer de belastingschuldige, tegen wien het beslag is gelegd, eenige regtsbetrekking heeft op den bodem, waarop hij zijn

verblijf houdt; ,

dat echter noch uit voormeld art. 16 der aangehaalde wet, noch uit eenige andere wetsbepaling blijkt, dat de wetgever zoodanige regtsverhouding daarbij onderstelt;

dat toch, waar de wet spreekt van : »de goederen, zich bevindende op den bodem van den belastingschuldige» , het woordje van niet noodwendig geacht moet worden eene regtsbetrekking van den belasfintrephnldice on den bodem of de plaats van zijn verblijf aan te dui-

° . , . -i ™ Ac

den maar m nee algemeen eene uiuut iciiciij ^

actuele plaats van zijn verblijf, op grond waarvan de wet, blijkens i ^ karinolinrv ar, mpf. afwiikincr van het frewoon nrivaat-

' tacp.nsnraak . dat d'

Overwegende, dat tusschen partijen is buiten -, plaatselijke belas weduwe P. Cohu voor het dienstjaar 1869 voor de . een huis> doo ;ing te Utrêcht voor ƒ 15.045 was aangeslagen, wegens 294; bet

haar bewoond op de Ganzenmarkt te Utrecht, wij , . da

geen zij sedert heeft verlaten , zonder die belasting te voldoen, Ë die weduwe thans woont dadr ter stede op de Marieplaa s w j per. n». 434, ten huize harer doehter, de appellante, die laatstgemel P ceel, sedert 1 Nov. 1869, op haren naam bij titel van huur huur bewoont, die daarvoor over het jaar 1869 en volgende Jji de personele belasting en over 1870 k 1871 in de P!aat®® 'J o0. : ting is aangeslagen , en daar als uitoefenende het bedrij * j,

hoedenmaakster en winkelierster over 1870 en 1871 is gepa ^ O., dat de geïnt., de gemeente-ontvanger te Utrecht, op ,

1871 , ter zake van de in 1869 door de weduwe P. Cohu , ais ~| zegd , onbetaald geblevene plaatselijke belasting, heeft bes ag leggen op de goederen, zich bevindende in de door de apy bewoonde én gehuurde huizinge ; „i,nmen

0., dat de appellante tegen die in-beslag-neming is geso i verzet, en bij den regter a quo onder anderen heeft beweerl\' bein beslag genomen goederen, als in het door haar gehuurd ! woond huis en alzoo op haren bodem aanwezig, waren haar eig , en niet aansprakelijk voor belastingen, door de weduwe r.

wegens een vroeger door deze bewoond huis verschuldigd; & j

O., dat de appellante verder beweert, dat de weduwe F. ,

bij haar inwoont, is hare 75-jarige moeder, die, met mi haar zelve te zorgen, door haar appellante in hare woning nomen , wordt verzorgd en verpleegd, hetgeen door den geuit- ,

1S O.^daTde^re'gter o quo de opposante, nu appellante met^ontv^ j kelijk heeft verklaard in haar verzet, en haren eisch heeft o hoofdzakelijk op grond van art. 16 der wet van 22 Mei 18 1 , no. 22), in verband met art. 260 der gemeentewet, waarbij , » den eersten regter , als beginsel en wel als eene presumtio J^r jjfll jure, is aangenomen , dat goederen , dienende tot stoffering ^ huis, aanwezig bevonden op den bodem, waarde belastin gsc zich bevindt, zijn de goederen van dezen; dat, waar de wet p «van de goederen , zich bevindende op den bodem van den < schuldige», het woordje van niet noodwendig veronderstelt eenei » . betrekking van den belastingschuldige op den bodem of de p zijn verblijf aanduidt, maar in het algemeen «eene bloot feiteij trekking op de actuele plaats van zijn verblijf»; dat gevolgehjk, # genomen zijnde, dat de weduweP. Cohu woont m het huis, vv goederen zijn in beslag genomen, die goederen moeten geac ^ den zich op haren bodem te bevinden , en door derden nie ^ worden teruggevorderd dan in de gevallen, waarop in ai wordt gewezen, en waarvan in casu geene sprake; ber0(«,

O., dat de appellante van dat vonnis is Seko^ va® ti$

en ter teregtzitting van dit ^ol ^oor e pro^ schrifte#

wederzijds zoodanig is geconcludeeid, al j overgelegde conclusiën ;

Met betrekking tot het regt: j

0. dat de plaatselijke directe belasting te Utrecht oerekend wa naar'den maatstaf van de grondslagen van de rijks-personele belast!» waaronder in de eerste plaats de huurwaarde van het huis, dat d ; den belastingschuldige bewoond wordt, zoodat uit de inrigting | deze rijksbelasting behoort te worden afgeleid, wat er ten opzigte 1 de plaatselijke belasting te Utrecht door bodem van den belasting»c , dige verstaan moet worden; e / I

0., dat, wel is waar, uit art. 16 der wet van 22 Mei 1845 ■, n». 22) , op de invordering van 's Rijks directe belastingen, is a ^ leiden , dat de wetgever daarbij alleen het geval voorzien hee t, de in beslag te nemen goederen zich tijdens de in-beslag-neming' den bodem van den belastingschuldige bevinden, voor de belas zijn aansprakelijk; doch dat daaruit zonder verder bewijs niet vo.^ zoo als door de Regtbank in het vonnis a quo is verstaan , dat beslag ten laste der weduwe P. Cohu kon worden gelegd^ op de rende goederen, in het huis op de Marieplaats , wijk E, n°. gelegen, alleen omdat de weduwe feitelijk aldaar verbleef; ^ 0. toch , dat uit de bepaling, dat de huurwaarde van het door ^ | belastingschuldige bewoond huis een der grondslagen , ja den ho ^ aanslag van de rijks-personele belasting uitmaakt, omdat niet a de huurwaarde zelve, maar ook de deureu en vensters en het lair daarnaar worden berekend, — duidelijk blijkt, dat bij de be geen ander huis bedoeld is , dan hetgeen door den belastingscbti bewoond wordt en hetwelk dus aan het hoofd van het aarslag* ^ wordt aangeduid, zoodat, bijaldien de wetgever in gemeld art' y8 ! in plaats van het woord bodem, het woord huis gebruikt had

twijfel reeds zou zijn opgeheven aangaande de beteekenis van ie \ drukking huis van den belastingschuldige , in den zin der wet "1

weduwe P. Cohu voor het dienstjaar ioou «w. uo . een hulS; aoo, ting te Utrecht voor ƒ 15.045 was aangeslagen, wegens 294_ het

haar bewoond op de Ganzenmarkt te Ut reent, wijk u no. d.

geen zij sedert heeft veria en , zonuer , o

i ^ -vr„„ iocn rtT> horon nnnm n LiLt;i vau ~

ceei, seuen 1 ious, «jp ~—— v • „pn IE

huur bewoont, die daarvoor over het jaar 1869 en volgende ja

Wfi kenneliike bedoeling en met afwijking van het gewoon privaat

re»t, in het algemeen belang eener prompte invordering van verschuldigde belasting, uitgaat van de onderstelling, dat goederen, dienende tot stoffering van het huis, aanwezig bevonden op den bodem , waar de belastingschuldige zich bevindt, zijn de goederen van dezen, en alzoo vallende onder die, waarop de fiscus, naar art. 12 B der wet op de invordering, voorrang heeft;

dat alzoo in dit geval de wet, praesumtione juris et de jure, ieder verzet van derden tegen het beslag uitsluit, tenzij dat zulks geJ£ond mogt zijn op een der gevallen, vermeld bij de artt. 2014 B. W. of

230 en volg. W. K.:

dat nu, vermits in casu geen verzet noch eisch op grond van eene dezer wetsbepalingen is gedaan , de uitsluitende bepaling van art. 16 der meergemelde wet ten deze volkomen van toepassing is, naardien toch in casu vaststaat, dat de tweede ged., tegen wie het beslag is gelegd, tijdens de in-beslag-neming gezamenlijk met de eischeres bewoonde het huis, alwaar het beslag is gelegd, en die woning alzoo ook als haar bodem is aan te merken;

dat het alzoo naar de wet geheel onverschillig is , of die woning door de eischeres allée'n en niet door de beslagene was gehuurd, en of eerstgenoemde en niet de laatste voor dat perceel was aangeslagen op de kohieren der personele en gemeentebelastingen, alsmede wie als hoofd des gezins moet worden aangemerkt;

dat toch behalve dat dit alles niets bewijst ten aanzien van den eigendom d'er bedoelde goederen , in geen geval kan beletten de uitoefening van het bij de wet toegekend privilegie voor eene vroegere belastingschuld van de tweede ged.;

O., dat alzoo hieruit volgt, dat in ieder geval het door de opposante' aangeboden bewijs van haren voormelden aanslag op de belastingkohieren , alsmede dat de in beslag genomen goederen zijn haar eigendom , niet geacht kan worden te zijn ter zake dienende en afdoende , en mitsdien niet behoort te worden toegelaten;

Gezien , behalve de voormelde wetsbepalingen, art. 56 B. R.; Regt doende enz., ..

Verklaart, dat er geene termen bestaan om het aangeboden bewijs toe te laten ;

Verklaart de opposante en eischeres niet-ontvankelijk in haar verzet: Ontzegt haar mitsdien haren eisch , en Verwijst haar in de kosten.

(Gepleit voor de opposante Mr. S. M. A. dij Mosch, en voor der geopposeerden gemeente-ontvanger Mr. D. J. H. van Eeden.)

Het Hof heeft hierop het navolgend arrest gewezen :

Het Hof enz.,

Gehoord de conclusiën hinc inde genomen ;

Gehoord het pleidooi, aan zijde der appellante gehouden ;

Gehoord de conclusie van den proc.-gen., strekkende tot bevestiging van het vonnis, waarvan is geappelleerd, met veroordeeling der ap pellante ook in de kosten van het hooger beroep;

Ten aanzien der daadzaken :

dat toch behalve dat dit alles niets bewijst ten aanzien van den

oefening van het bij de wet toegekend privilegie voor eene vroegere

tinnkohieren , alsmede dat de in beslag genomen goederen zijn haar

eigendom , niet geacht kan worden te zijn ter zake dienende en at-

Verklaart, dat er geene termen bestaan om het aangeboden bewijs

(Gepleit voor de opposante Mr. S. M. A. dd Mosch, en voor den

Gehoord de conclusie van den proc.-gen., strekkende tot bevestiging

invordering van s Rijks belastingen ; i vji)

0. te dien aanzien, dat het woord bodem eerst bij wijzigi"^ | het eerste wets-ontwerp door de Regering, op verlangen van de J- j,jt Kamer der Staten-Generaal, in de wet is opgenomen; en dat algemeen verslag der centrale afdeeling, op al. 3 van art. 16, lS[iepi geteekend: «Bij deze nieuwe bepaling geeft de Regering te ke,jri ; dat men bij dezelve de analogie van art. 1186 B.W. heeft ge^'^fi

O. Hut het woord bodem van den verhuurder in gemeld art- .j.

B. W. met liet gehuurde huis of de gehuurde landhoeve wordt g „,(1 gesteld, zoodat de wetgever ook in art. 16 van bovengemeld® od de invordering door de uitdrukking bodem van den be a öp

r . ^ i . 3. J L..... i....■ , ii

schuldige neeit oeaoeiu net nuis, aat door aen Deiaswu&°~- a9r

bewoond wordt, waarvoor nij in ae belasting is aangeslagen ^ ^

i I 1 j i. -i . ViP.f, ™ ..»<

naar ae oeiasuug uere&euu worac, zonaer aat men aan leCr

van eenige gezochte beteekenis behoeft te geven, maar daarin de gewone omschrijving van den tweeden naamval behoort te ^t welke naamval onder anderen ook het bezit aantoont, al i6 1' van feitelijken dan van burgerregtelijken aard; .

0. nu, dat, blijkens de ten processe erkende feiten, wel is ^ het huis, op de Ganzenmarkt, wijk G, n°. 294 , gelegen, li'' van de belastingschuldige, de weduwe P. Cohu, was; doch 1 geenszins het geval is met het huis op de Marieplaats, 434, hetwelk, overeenkomstig de door het Hof gegevene vei j . van art. 16 , is de bodem van de appellante; en dat dus op deren, op dezen bodem in de gegeven omstandigheden voor ia jj in geenen deele door den geïnt. beslag mogt worden geleg , ^ het door partijen erkend en alzoo bewezen, dat de weduwe bij de appellante inwoont; . /

0., dat de naauwe betrekking van bloedverwantschap, we f schen de appellante en de weduwe P. Cohu bestaat waaraan > ,4 wet in art. 376 B. W. de verpligting tot onderhoud, bijaldie' » der ouders behoeftig is, verbonden is, medebrengt, dat hier n1 # samenspanning tot ontduiking van de wet mag gedacht worden het zamenwonen van moeder en dochter te verklaren.voor» M ten deze, omdat het met-betalen van de plaatselijke belasting / de moeder, hetgeen tot hot beslag aanleiding gaf, als een zeer.Jf vermoeden mag aangemerkt worden, dat zij werkelijk den van hare dochter noodig heeft, om in haar onderhoud, ai"

hare huisvesting, te voorzien ; .^ ]

O., dat de geïnt. dus geen wettelijk vermoeden pen,' om beslag te leggen op goederen, welke zich op den j niet van de belastingschuldige (de weduwe P. Cohu), maar op^jg van de appellante bevonden ; en dat hij dus, bijaldien hij. >il art. 1177 B. W., als ieder ander schuldeiseher, de goederen v

Sluiten