Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scuuiuu.iv.... UP QQdem wil aantasten . h» ?.Hn po™* «w

goederen moet bewij&en ; ^

0., dat, welke bezwaren door den geïnt. tegen de wijze van procederen, door de appellante aangewend, mogen zijn ingebragt dit in allen gevalle vaststaat, dat, even als het verzet tegen een dwangbevel wegens plaatselijke belasting bij de regterlijke magt ontvankelijk is zoo ook de appellante geregtigd was om bij den vegter ex art 456 B. R. in verzet te komen tegen een beslag, dat ter, haren huize wegens plaatselijke belasting, door een ander verschuldigd, gelegd is;

0., terwijl het Hof, blijkens boven aangevoerde beschouwingen, geene termen in de wet op de invordering van 's Rijks belastingen heeft gevonden, om eenige bepaling daarvan ten deze toe te passen, de conclusie van den geïnt. tot bevestiging van het vonnis, hetwelk op die wet gegrond is , niet kan worden toegewezen ;

Gezien, behalve de boven aangehaalde wetsbepalingen, art. 56 B. R.;

Doet te niet het hooger beroep, mitsgaders het vonnis, waarvan beroepen is;

En , op nieuw regt doende ,

Verklaart het verzet, door de appellante gedaan, voor goed en van waarde;

Verklaart het beslag, waartegen verzet is gedaan , vervallen en opgeheven ;

Beveelt, dat de gestelde bewaarster de in beslag genomen goederen aan de appellante zal opleveren, waartoe zij uit kracht van dit arrest zal kunnen worden gedwongen, en hetwelk doende zij zal zijn bevrijd;

Veroordeelt den geïnt. in de kosten van beide instantiën.

(Gepleit voor de appellante Mr. S. M. A. du Mosch.)

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN GRONINGEN. Kamer van correctionnele appellen.

Zitting van den 5 Februarij 1S72.

Voorzitter, Mr. G. W. H. Baron van Imhofe*.

daavaardino. — Schending van art. 225 Strafvord.

Verstek. — Nietigheid dür yeroordeelino.

Heeft de niet-in-a.cht-nern.ing van art. 225 Strafvord. een ander gevolg dan de nietigheid der veroordeeling, welke tegen den gedaagde bij verstek zoude mogen zijn gewezen1 — Neen.

Was derhalve de eerste regter onbevoegd om, op grond van de nietin-acht-neming van gezegde wetsbepaling, het gevraagde verstek te weigeren ? — .Ta.

G. P., arbeidster, zonder bekende woonplaats, geappelleerde. Het Hof enz.,

Overwegende, dat de eerste regter bij voormeld vonnis geweigerd heeft het gevraagde verstek teverleenen; de kosten, op deze uitspraak gevallen, te dragen door den Staat;

O., dat die uitspraak is gegrond op deze motieven: dat de bekl., wier woonplaats en laatste verblijf onbekend zijn , in regten is geroepen door aanplakking van het exploit aan het gebouw der Regtbank; dat echter, blijkens het relaas, die dagvaarding is uitgebragt den 10 Dec. 1871, en derhalve de bij art. 225 Strafvord. voorgeschreven termijn niet is in acht genomen; voorts dat bij art. 270 van gezegd wetboek slechts dan het verleenen van verstek is voorgeschreven, wanneer de bekl. op de hem gedane dagvaarding in gebreke blijft ter teregtzitting te verschijnen ; doch dat eene dagvaarding bij aanplakking, zoo als in het onderwerpelijk geval, niet geacht kan worden aan den bekl. te zijn gedaan, vóór en aleer de termijn is verstreken, welken de wet ten zijnen behoeve heeft vastgesteld;

0., dat art. 2 70 Strafvord. voorschrijft, dat, indien de bekl. in gebreke blijft op de aan hem gedane dagvaarding ter teregtzitting te verschijnen, tegen hem verstek wordt verleend;

0. dat, zal dat verstek kunnen worden verleend, den regter vooraf moet zijn gebleken, dat de bepalingen der wet, ten aanzien der dagvaarding op straffe van nietigheid voorgeschreven, zijn nagekomen ;

O. (fat dit het geval is ten aanzien der voorschriften, vervat in de artt. 223 en 'i24 van gezegd wetboek;

O., dat nu wel is gebleken, dat de termijn van dagvaarding, bepaald bij art. '225 van dat wetboek, niet is in acht genomen; maar dat het verzuim daarvan, naar de woorden zelve van dat artikel, geen ander gevolg heeft en dus ook door den regter daaraan geen ander gevolg kan worden toegekend dan de nietigheid der veroordeeling, welke tegen den ged. bij verstek zoude mogen zijn gewezen, en welke nietigheid alieen kan worden voorgedragen op tijd en wijze, als bij gezegd art. 225 is bepaald ;

O-, dat mitsdien de eerste regter, door het gevraagd verstek te

iiioiiroron oon liot voi>7llim von in.Qnlit.npmiriir VflTl den bedoelden

termijn een ander regtsgevolg heeft toegekend dan de wetgever heeft gewild, die bovendien, naar de woorden van art. 225, op straffe van nietigheid der veroordeeling, welke tegen den ged. bij verstek zoude

nün rrnmnian lr £>r» 11 ol Ü lr hf>Vl (1 n rl pl ln CT dPT Zaak bil VCl'Stek

UlUgGA. A1JU «vuuv.y.. — Ö " .. .

heeft verondersteld, waaruit volgt, dat de eerste regter uit aat artiKei onjuist heeft afgeleid, dat eene veroordeelende uitspraak, op straffe

van absolute nietigheid, in casu verboden zou zijn ;

0., dat, naar aanleiding van het bovenstaande, het vonnis a quo behoort te worden vernietigd, het gevraagd verstek verleend en de zaak teruL'srewezen naar den eersten regter, ten einde verder te worden

harent en afgedaan:

Gezien artt. 247, 227 en 270 Strafvord. en art. 272 van datzelfde

•wetboek:

Doet te niet het vonnis, waarvan appel; en, op nieuw regt doende, Verleent verstek teiren G. P. voornoemd:

Wiist de zaak terusr naar den eersten reeter. om, met in-acht-

neming van dit arrest, haar verder te beregten en af te doen; Veroordeelt de bekl. in de kosten van beide instantiën.

arrondissements-regtbanken.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE TIEL.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 26 Januarij 1872. Voorzitter, Mr. B. Post. Voortdurende gemeenschap. — Art. 182 B. W.

Kirtrip-rpn V"frtnhior>Q r!t> imnrt.dnrende aemeenschap van art. 182

B. W., optredende in en medewerkende tot de scheiding en verdeeling eener nalatenschap, aan de langstlevende hunner ouders toegevallen, handelen niet als erfgenamen van den voor-over leden echtgenoot.

JDe vnnrtfliirpnrif' nerneonefJinn Tr.mrh.tuns n.rt.. 182 B. W», beaint

eerst drie maanden na het overlijden van den eerststervende

J-.. T

uer ouaers.

G. Wigmann, als in geheele gemeenschap van goederen gehuwd zijnde met M. Merkens , wonende te Beest, eischer, procureur Mr. W. P. C. van Lidth de Jeude ,

tegen

A. van Meeteren , weduwe van N. M. Merkens, voor zich en als moeder en wettige voogdesse van hare minderjarige kinderen, J., M., J., G. en A. Merkens, allen geboren uit baar huwelijk met N. M. Merkens voornoemd, wonende te Culenborg, gedaagde, procureur Mr. N. T. J. van Everdingen.

Wordt voor den eischer geconcludeerd , dat:

Aa7igezien enz. post alia.

het der Regtbank behagen moge, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad , niettegenstaande verzet of hooger beroep, de ged. te veroordeelen om voor de helft in haar privé en voor de wederhelft in hare genoemde qualiteit aan den eischer, tegen overgifte van de gemelde schuldbekentenis, met behoorlijke kwijting daarvan, te betalen voor hoofdsom /"380 en voor vier jaren interessen, verschenen den 1 Maart 1871, f 76 , en alzoo te zamen f 456 , met de interessen van deze som tegen 5 ten honderd 's jaars, van den dag der dagvaarding, alsmede voor interessen van af den 1 Maart 1871 tot de dagvaarding, de som van ƒ 9, en haar verder te veroordeelen in de kosten van dit regtsgeding.

Wordt voor ged., voor zich en in hare hoedanigheid, geconcludeerd , dat;

Aangezien enz. post alia.

het der Regtbank behagen moge: 1». den eischer alle verdere vorderingen tegen de ged. in privé te ontzeggen of wel hem daarin te verklaren niet-ontvankelijk, voorbehoudens de liquidatie der kosten, voor zooverre haar aandeel betreft, met veroordeeling van hem in de kosten , op het aanbod en de consignatie dier gelden gevallen , als zijnde wettelijk geschied; 2o. den eischer niet-ontvankelijk te verklaren in zijne vordering tegen gemelde minderjarigen of wel hem die te ontzeggen, met veroordeeling in de kosten , voor zoover hen betreft.

Wordt nader voor eischer geconcludeerd :

dat enz. post alia.

het der Regtbank behagen moge, zoo noodig, met te-niet-doening of nietigverklaring der voormelde verwerping, aan eischer zijne vordering tegen de ged., in hare qualiteit van moeder en voogdesse, toe te wijzen cum expensis.

Wordt nog nader voor eischer, naar aanleiding der laatste voor ged. als voogdesse genomen conclusiën, geconcludeerd :

dat enz. post alia.

hij mitsdien blijft persisteren bij zijne genomen conclusiën. De Regtbank enz.,

Gehoord de wederzijdsche conclusiën en gehouden pleidooijen ; Gehoord de conclusie van den heer officier van justitie, strekkende, dat het der Regtbank moge behagen, den eischer zijne vordering toe te wijzen, met veroordeeling van ged. in de kosten dezer procedure; Overwegende ten aanzien der daadzaken:

dat de eischer bij dagvaarding en conclusie stelt, dat N. M. Merkens, op 2 Nov. 1865 overleden, bij onderhandsche schuldbekentenis van 1 Maart 1857, geregistreerd te Tiel den 10 Aug. 1871, aan M. Merkens , met wie de eischer sedert in algeheele gemeenschap van goederen is gehuwd, heeft schuldig beleden eene som van ƒ 380 , met de interessen van af primo Maart 1857, tot de volle teruggave der hoofdsom, en onder beding , dat, bij gebreke van betaling der interessen ter zijner tijd, die hoofdsom dadelijk aflosbaar en opvorderbaar zal zijn en moeten worden voldaan ; dat ged. op I Maart 1857 met meergenoemden N. M. Merkens in gemeenschap was gehuwd en deze op 2 Nov. 1865 is overleden, nalatende tot zijne erfgenamen vijf minderjarige kinderen, zoodat de verpligtingen ten aanzien dezer schuldbekentenis zijn overgegaan voor de helft op de ged. in privé en voor de wederhelft op haar in qualiteit van voogdesse; dat zoowel N. M. Merkens als de ged. steeds nalatig zijn gebleven de bedongen interessen te betalen, niettegenstaande eene sommatie, op 7 Aug. 1871 aan ged. beteekend, zoodat thans de hoofdsom opvorderbaar is; concluderende eischer ten slotte, dat het der Regtbank behagen moge, de ged. voor de helft in haar privé en voor de wederhelft in qualiteit , bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hooger beroep, te veroordeelen tot betaling eener som van f 380 in hoofdsom en voor vier jaren interest, verschenen primo Maart 1871, f 76, alzoo te zamen ƒ456 met de interessen dezer som ad 5 pet. van af den dag der dagvaarding, alsmede voor interessen van af 1 Maart 1871 tot den dag der dagvaarding de som van ƒ 9 en in de kosten van het regtsgeding ;

dat de ged. daarop, ter voldoening van het gedeelte, van haar in privé gevorderd, bij exploit van 28 Sept. jl., aan den eischer een geregtelijk aanbod gedaan heeft eener som van f 232.50 met renten en kosten, welke som, na eerst door den eischer geweigerd te zijn, bij gelegenheid dat die in de kas der geregtelijke consignatiën zou gestort worden, door hem is aangenomen; dat bij hare conclusie ged. verder heeft aangevoerd, dat zij in haar privé aan de vordering voldaan hebbende, eischer niets meer van haar te vorderen heeft, en diens eisch tegen haar in qualiteit van voogdesse over hare minderjarige kinderen ook niet kan opgaan , daar zij op 25 Sept. jl. ter griffie dezer Regtbank, na alvorens behoorlijk daartoe gemagtigd te zijn, namens die kinderen de vaderlijke nalatenschap heeft verworpen, zoodat die nooit erfgenamen geweest zijn; concluderende zij op dien grond, dat de Regtbank alle vorderingen van eischer, zoowel tegen haar als tegen de minderjarige'n gerigt, moge ontzeggen ; dat eischer bij opvolgende conclusie toen heeft aangemerkt, dat hij, daar ged. in haar privé aan zijne vordering voldaan heeft, voorbehoudens de liquidatie der kosten van haar aandeel, geene verdere eischen tegen haar in privé doet, noch gedaan heeft; dat de verwerping, namens de kinderen gedaan , tegen zijne actie niet in den weg kan staan , daar die zich te voren , bij de vereffening der nalatenschap van M. van Kuyk , weduwe van G. van Meeteren, op primo Mei 1871, als erfgenamen van hunnen vader hebben gedragen, door, in hoedanigheid van erven van hunnen vader, aan die scheiding deel te nemen en het hun toegescheiden gedeelte aan te nemen; op welke gronden hij concludeert tot toewijzing zijner vordering, zoo noodig, met te-niet-doening of nietigverklaring der verwerping; dat ged., in qualiteit van voogdesse, bij conclusie daarop heeft in het midden gebragt: dat het medewerken dier minderjarigen, bij de scheiding der nalatenschap van M. van Kuyk voornoemd, volstrekt niet als eene daad van aanvaarding der vaderlijke nalatenschap kan gelden (gesteld dat zoodanige aanvaarding zuiver zou kunnen geschieden); dat die minderjarigen destijds volstrekt niet als erfgenamen huns vaders zijn opgetreden, daar die vader geene regten op de nalatenschap van M. van Kuyk kon doen gelden, zoodat hij geene regten op zijne kinderen heeft kunnen overdragen; dat eindelijk eischer hierop heeft aangevoerd: dat de gemeenschap, tusschen N. M. Merkens en diens huisvrouw bestaan hebbende, na het overlijden van eerstgenoemde heeft voortgeduurd, wegens de nalatigheid der laatste om tijdig inventaris op te maken, zoodat het aandeel van ged. in de nalatenschap van hare moeder in die gemeenschap vallen moest; dat die nalatenschap op 1 Mei 1871 is gescheiden en dus vóór den dag der

verwerping; dat de toescheiding en uitkeering van het aandeel aan de minderjarigen is geschied krachtens hun regt op de voortdurende gemeenschap, en dat zij alleen als erfgenamen van hunnen vader regt op die gemeenschap konden doen gelden, waardoor zij stilzwijgend de nalatenschap huns vaders hebben aanvaard; blijvende partijen voorts wederzijds bij hare conclusiën persisteren;

O. ten aanzien van het regt: 1 o. opzigtens de vordering des eischers, tegen de ged. in privé ingesteld, dat partijen het over en weder eens zijn, dat door ged. in privé aan die vordering is voldaan, en zij alzoo geacht kan worden geen punt van geschil meer uit te maken , behoudens de vereffening der daarop tot de voldoening aan zijde des eischers gevallen kosten; hebbende hij er in toegestemd, dat de kosten van het exploit van aanbod, en dat, hetwelk vermeldt, dat hij op den voor de consignatie bepaalden tijd de aangeboden gelden heeft aangenomen, zullen worden gebragt ten zijnen laste; 2Ü. opzigtens de vordering, tegen de ged. als voogdesse harer minderjarige kinderen ingesteld, dat deze den eischer moet worden ontzegd, wanneer door de ged., in hare qualiteit van voogdesse, wettiglijk voor de minderjarigen is verworpen de erfenis huns vaders, omdat zij in dat geval, ingevolge art. 1104 B. W., worden geacht nooit erfgenamen te zijn geweest;

0., dat door den eischer wordt beweerd, dat zij hiertoe niet meer geregtigd waren, omdat door hen te voren die erfenis reeds was aanvaard ;

0., dat de eischer dit beweren hierop grondt, dat zij in de hoedanigheid van erven van hunnen vader als deelgenooten hebben deelgenomen aan de scheiding van de nalatenschap van hunne grootmoeder M. van Kuyk , weduwe van G. van Meeteren , waarbij hun is toegescheiden f 1475.395 voor de hun, krachtens de voortdurende gemeenschap, toekomende helft in dat aandeel hunner moeder, en dat zij alleen als erfgenamen van hunnen vader regt op die gemeenschap konden doen gelden, zoodat zij daardoor stilzwijgend de erfenis van hunnen vader hebben aanvaard;

0., dat tusschen partijen over de bovenvermelde feiten geen geschil bestaat, en dus alleen behoeft beslist te worden, of daaruit volgt, dat door de minderjarigen de erfenis huns vaders is aanvaard;

0., dat hier alleen sprake kan zijn van eene stilzwijgende aanvaarding , omdat geen bewijs geleverd wordt en zelfs niet wordt beweerd, dat door hen in authentiek of onderhandsch geschrift de titel of hoedanigheid van erfgenaam is aangenomen ;

O., dat, om eene stilzwijgende aanvaarding te kunnen aannemen , de daad, waaruit die afgeleid wordt, betrekking moet hebben op dezelfde erfenis, welke men daardoor geacht wordt te aanvaarden ;

0., dat, zal dus in casu het medewerken tot de scheiding der nalatenschap van hunne grootmoeder M. van Kuyk kunnen aangemerkt worden als eene daad, waardoor de erfgenamen hunne meening om de erfenis huns vaders te aanvaarden, noodzakelijk aan den dag leggen, het moet vaststaan, dat, hetgeen bij die scheiding hun is toebedeeld, behoort tot de erfenis huns vaders;

0., dat derhalve moet worden onderzocht, wat tot de erfenis van hunnen vader behoorde;

0., dat die bestond in hetgeen hij bij zijn overlijden naliet, in dit geval, de helft van de tusschen hem en hunne moeder bestaan hebbende algeheele gemeenschap van goederen ;

O., dat daartoe niet kon behooren een aandeel in de nalatenschap van hunne grootmoeder M. van Kuyk , omdat hunne moeder van deze erfgenaam was en hun vader, als vroeger overleden , daarop geen regt had kunnen nalaten;

O., dat het aandeel, hun toegescheiden bij de scheiding van hunne grootmoeder, hun toekwam, krachtens de met hunne moeder voortdurende gemeenschap, ten gevolge van het niet-maken van boedelbeschrijving ;

0., dat dit aandeel dan alleen zou kunnen aangemerkt worden als te behooren tot de erfenis huns vaders , wanneer zij van dezen bij zijn overlijden hadden geërfd deze voortdurende gemeenschap of een regt daarop ;

0., dat dit het geval niet is, daar deze voortdurende gemeenschap eerst drie maanden na zijn dood is ontstaan , ten gevolge van verzuim der langstlevende moeder, op grond van wetsbepaling, zoodat noch deze gemeenschap, noch een regt op dezelve, kon uitmaken een deel van zijne erfenis;

O., dat, hoewel art. 182 B. W. bepaalt, dat, bij gebreke van boedelbeschrijving, de gemeenschap blijft voortduren, tot de erfenis van hunnen vader slechts behoort de helft van de gemeenschap , zoo als die was bij zijn overlijden; en dat aan die bepaling niet die uitwer¬

king mag worden toegekend, dat, na het overlijden des vaders, in die gemeenschap vallende baten geacht moeten worden te hebben behoord tot diens erfenis ;

0., dat hieruit volgt, dat de minderjarigen, vertegenwoordigd door hunne voogdesse, medewerkende tot de scheiding van de nalatenschap van M. van Kuyk, geene daad hebben verrigt, die in betrekking staat tot de erfenis huns vaders, of die hunne meening, om die erfenis te aanvaarden , noodzakelijk aan den dag legt, zoodat zij, die erfenis later verwerpende, daartoe nog in hun regt waren ;

Verstaat, dat de door den eischer tegen de ged. in privé ingestelde vordering door betaling is vervallen, voorbehoudens de liquidatie der kosten , daarop aan zijde des eischers tot de voldoening gevallen ;

Veroordeelt den eischer tot betaling van de kosten der exploiten van aanbod en aanvankelijke consignatie;

Ontzegt aan den eischer zijne vordering tegen de ged. als voogdesse ;

Veroordeelt hem in de kosten van het regtsgeding, wat deze vordering betreft.

(Gepleit voor den eischer Mr. A. Pijnacker Hordijk , advokaat, en voor de gedaagde Mr. N. T. J. van Evekdingen, procureur.)

wetten, besluiten, circulaires enz.

I)e volgende circulaire is door den minister van Finantiën gerigt aan de directeuren van de registratie en domeinen betreffende het zegelpapier :

AFDEELING

registratie en domeinen.

NO. 8.

's Gravenhage, den 17 Augustus 1872,

Meermalen werd, vooral in vroeger jaren , geklaagd over de hoedanigheid van het zegelpapier, dat van wege het Rijk werd uitgegeven. In de laatste jaren, echter, verminderden de klagten. De administratie vermeende dit daaraan te mogen toeschrijven , dat voortdurend werd gestreefd naar verbetering van papier, zoowel wat betreft de grondstof als de bewerking, en dat werd voorgeschreven, dat het door den fabrikant afgeleverde papier, alvorens te worden gestempeld, aan eene bijzonder zorgvuldige keuring moest worden onderworpen.

Ik acht het niet overbodig u in herinnering te brengen wat dienaangaande in de laatste jaren door de Regering aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal werd te kennen gegeven.

In de memorie van beantwoording van het voorloopig verslag der

Sluiten