Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het nieuwe vraagpunt, door het Bestuur gesteld, wordt bij hoofdelijke stemming bevestigend beantwoord met 41 tegen 5 stemmen.

Vraagpunt 3 wordt zonder hoofdelijke stemming bevestigend beantwoord. 11 stemmen waren er tegen.

De voorzitter deelt meda, dal, het Bestuur voorstelt de volgende algemeene vergadering te houden te Utrecht.

De vergadering vereenigt zich met dit voorstel.

De voorzitter verzoekt voor het bureau magtiging om de notulen van deze zitting te arresteren. Deze rnagiiging wordt door de vergadering verleend.

Hierna sluit de voorzitter met eene korte toespraak de derde Juristen-vergadering, nadat Mr. A. A. de Pinto den voorzitter had bedankt voor diens uitstekende leiding en de vergadering zich , blijkens hare toejuichingen , met deze dankbetuiging had vereenigd.

(get.) M. J. Pijnappel , president.

A R RON DI8S E MENTS-REGT BAN KE N.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE AMSTERDAM.

Eerste kamer.

Zitting van den 30 Januarij 1872.

Voorzitter , Jhr. Mr. C. Dedel.

Regters : Mrs. L. A. A. van Wensen en T. J. van Outeren.

Gebruik precario, tegen betaling van recognitie, van een pothuis en secreet.

Dit precario ging, volgens eene ordonnantie van 29 Jan. 1755 der stad Amsterdam, stilzwijgend over aan de opvolgende eigenaars van het aan het pothuis belendende perceel.

De burgemeester van Amsterdam , eischer , procureur J. G. Kuhn ,

tegen

Knegt, gedaagde, procureur F. E. Dammers.

Wij laten voorafgaan de uitvoerige hoogst belangrijke conclusie van Mr. H. J. Kist :

Edel Achtbare Heeren ! Zal de behandeling dezer zaak ons nopen een blik te slaan in het Amsterdam van de vorige eeuw , de onmiddellijke aanleiding tot dit proces werd naauwlijks een jaar geleden gegeven.

Bij insinuatie van 29 Dec. 1870 werd aan den ged., eigenaar van twee perceelen , staande aan de Prinsengracht, te Amsterdam, B B, n03. 483 en 485 , van wege de gemeente Amsterdam opgezegd de vergunning, welke in de vorige eeuw, met ingang van 1 Mei 1747 , door de toenmalige Burgemeesteren en Thesaurieren, aan de vroegere eigenaren van voormelde perceelen was gegeven, om precario tot weder seggens te hebben en te gebruiken een pothuis en een secreet, aan de bedoelde perceelen aanwezig, tegen eene jaarlijksche betaling van 1 gulden en !0 stuivers, wat het pothuis, en van 1 gulden en 4 stuivers , wat het secreet betreft , op grond, dat de ged., hoewel het effect dier vergunning blijvende genieten , zich sedert vele jaren had onttrokken aan de betaling der verschuldigde recognitiën.

Tevens werd de ged., op grond van gemelde opzegging en zijne nalatigheid om daaraan gevolg te geven, gedagvaard om, binnen driemaal vier-en-twintig uren na beteekening van het te wijzen vonnis, voormeld pothuis en secreet te amoveren en op te ruimen , alsmede tot betaling, voor iederen dag verzuim in de uitvoering dezer amotie, van eene som van f 25, of zooveel meer of minder als de Regtbank zal goedvinden , cum expensis.

Tot staving zijner vordering werden door den eischer in het proces gebragt twee extracten uit het Amsterdamsche precarioboek , gedagteekend 17 Maart 1780 en onderteekend door zekeren Abraham Dusart.

Tegen deze vordering werd door ged. aangevoerd, dat die door de overgelegde extracten niet werd geregtvaardigd, noch gestaafd, omdat door de gemeente behoorde te worden bewezen haar eigendomsregt op den grond, waarop pothuis en secreet zich bevinden, alsmede dat de aanvankelijk tusschen de stad en A. Dusart bestaan hebbende regtsverhouding op den tegen woord igen eigenaar der perceelen is overgegaan , daar toch het zoogenaamd precario van persoonlijken aard is en geen zakelijk regt daarstelt.

Subsidiair beweerde de ged., dat hij , in ieder geval, door verjaring , hetzij eigendom, hetzij regt van opstal zoude hebben verkregen op den grond , waarop pothuis en secreet zich bevinden , terwijl hij , wat betreft de conclusie der vordering, opmerkte, dat een termijn van driemaal vier-en-twintig uren voor de amotie is onvoldoende, en dat het tweede gedeelte der vordering niet op de wet steunt, daar de bepaling van een willekeurig vast cijfer per dag niet mag treden in de plaats van de vergoeding van werkelijk geleden schade.

Bij repliek heeft de eischer nog aangeboden, zoo noodig, het bewijs te leveren, dat de ged. de door successieve eigendoms-overgangen in den eigendom der beide perceelen aan A. Dusart is opgevolgd; en tot staving van zijn eisch nog aangevoerd, dat het genot precario tot wederseggen van zelf medebrengt, dat, bij opzegging, het precario genotene geamoveerd worde, en dat, waGpfcetreft de ingeroepen verjaring, de ged. verpligt zoude zijn die te bewijzen; terwijl hij ten aanzien van de gevorderde veroordeeling tot betaling van f 25 voor iederen dag verzuim heeft opgegeven, dat dit is een overbekend middel van contrainte, wanneer de locale of andere omstandigheden de toepassing van art. 1277 B. W. niet toelaten.

Ten slotte heeft de ged. bij dupliek nog erkend eigenaar te zijn van de perceelen, waartoe de bij dagvaarding bedoelde inrigtingen behooren, en verklaard wel te willen aannemen, dat A. Dusart, aan wien in 1747 de twee jDreca?'*o-vergunningen verleend zijn, indertijd wettig eigenaar dier perceelen geweest is, met aanbod om het twintigof dertig-jarig bezit, waarop de geposeerde verjaring zou berusten , te bewijzen.

De juridieke grondslag der vordering levert minder moeijelijkheid op.

Het kan toch niet twijfelachtig zijn , dat het karakter van het bezit ter bede, in casu bedoeld, medebrengt, dat het niet langer duurt dan zoolang als hij, die het verleend heeft, verkiest, en dat het eindigt, zoodra deze zijn wil daartoe aan den precairen bezitter door opzegging heeft te kennen gegeven (1).

Zelfs ontzegt art. 613 B. W. de actie tot handhaving in het bezit aan den precario bezitter, die in het bezit wordt gestoord door dengene, van wien hij dat bezit heeft gekregen.

Wanneer dus mogt vaststaan, dat de ged. den grond, waarop pothuis en secreet zijn gebouwd, precario van de stad bezit, dan zoude daaruit tevens volgen het regt van den eischer om aan dat bezit een

(1) In artt. 1996 en 1998 B. W. komt het bezit ter bede voor in meer uitgestrekte beteekenis , voor alle bezit voor een ander.

einde te maken en zijn grond, ontdaan van hetgeen er is opgebragt, terug te vorderen.

De feitelijke grondslag is echter minder gemakkelijk op te lossen» zoo als reeds volgt uit de wederzijdsche sustenuen van partijen ; en de moeijelijkheid wordt niet verminderd door de uiterste spaarzaamheid van weêrszijde, in het overleggen van bewijsstukken , in acht genomen.

Naar aanleiding van bedoelde sustenuen komt het mij voor, dat de beantwoording der vraag, of de ged. ter bede bezit van den eischer, afhangt van de beslissing van de drie volgende punten :

1°. is door de stad Amsterdam in de 18de eeuw aan den toenmaligen eigenaar der perceelen, in deze zaak betrokken, krachtens haar regt, het gebruik van den grond voor een pothuis en secreet ter bede en tor, wederopzeggen toegestaan ?

2°. is dat bezit ter bede overgegaan op de latere eigenaars der perceelen en ook op den ged.? en

3o. heeft de «jed. door verjaring van eigendomsregt, of regt van opstal op bedoelden grond verkregen ?

Ten slotte zal nog de vraag moeten worden beslist, of, aangenomen dat ged. ter bede bezit, de tweeledige eisch der gemeente wordt gewettigd.

Ad Ium. Door den eischer, daartoe gesommeerd, zijn door den ged. tot staving van zijn regt in het proces gebragt twee extracten uit het Precarioboek, beginnende met 17 Jan. 1776 en eindigende met 4 Julij 1798, n°. 1009 en 1020; de eenige bewijsstukken in het proces.

Het extract n°. 1009 luidt:

//Abraham Dusart,

"Ik ondergeschreeve bekenne aan de Heeren Burgemeesteren en Thesaurieren deeser steede, jaarlijks schuldig te weesen , de somma van een gulden tien stuivers voor 't gebruik , dat mij Precario tot wederseggen vergunt is , van een Pothuis tot gebruik van een verwerij , staande op de Princegracht, tusschen de Spiegelstraat en Vijzelstraat.

"Ingaande primo Maij 1747.

//Des 'toirkonde deese bij mij geteekend, in Amsterdam den 17de Maart 1 780.

"{get.) Abm. du Sart.//

Het extract n°. 1020, mede geteekend Abm. du Sart, verschilt van het eerste alleen in zooverre, dat daarin sprake is van //een secreet onder de stoep van het huijs" , mede staande op de Princegracht, tusschen de Spiegelstraat en de Vijzelstraat, en dat de recognitie een gulden en vier stuivers bedraagt.

Uit den inhoud dezer extracten blijkt reeds dadelijk, dat daarin geen sprake is van eene overeenkomst van huur, zoo als bij pleidooi voor den ged. is beweerd, daar zeer ondubbelzinnig gewaagd wordt van eene vergunning precario tot wederzeggen verleend. Duidelijk houden die acten in de erkenning van A. du Sart, dat hij recognitie verschuldigd is aan de stad Amsterdam voor de vergunning, hem ter bede verleend, om te hebben een pothuis ten gebruike van een perceel, aangeduid als verwerij, en van een secreet onder de stoep van een woonhuis.

In die acten, zoo als zij daar liggen , staat echter niet vermeld , krachtens welk regt het gebruik aan A. du Sart is vergund, en bepaaldelijk ook niet, dat de stad die vergunning, krachtens haar eigendomsregt, had gegeven , terwijl ook, bij oppervlakkige beschouwing, het den schijn heeft, of pothuis en secreet zelve en niet de grond precario worden afgestaan.

Eene onduidelijkheid, welligt daaraan toe te schrijven, dat de acten niet zoozeer bestemd zijn de vergunning zelve te constateren, als wel de verpligting van den onderteekenaar tot betaling der recognitie voor de vergunning, welke daarbij als bestaande wordt aangenomen (1).

Aan stof tot explicatie echter ontbreekt het niet. Het Precarioboek, de keuren en de geschiedenis van Amsterdams uitleg der 17de eeuw kunnen licht verspreiden over de beteekenis van de overgelegde extracten.

Door den ged. is niet ontkend, dat de beide extracten genomen zijn uit het Precarioboek van Amsterdam. En hoewel wij nu niet in staat zijn gesteld dat boek zelf te onderzoeken, waardoor welligt het juist begrip der extracten, door vergelijking met andere acten uit dat boek, zoude bevorderd zijn, zoo kunnen wij toch met dat boek kennis maken door middel der Handvesten van Amsterdam.

Zoowel in de ordonnantie van '29 Jan. 1755 f2), als in die van 26 Jan. 1736 (3), beide op het regt van precario, wordt dat boek vermeld als *het Boek der Precario's, ter thesaurie ordinaris berustende//, waarin de respectieve eigenaars van de perceelen, die het Precario subject zijn , bij handteekeningen aannemen de recognitiepenningen te zullen opbrengen (4).

De beide extracten, welke juist zulk eene erkenning van verpligting tot betaling van recognitie behelzen , passen juist in het kader van het Precarioboek en van de keuren op het stuk van precario , tijdens het tot stand komen der acten geldende.

Bovendien verdient opmerking eene zinsnede, welke m. i. mede hare explicatie in de beide ordonnantiën vinden moet.

In de beide acten, gedateerd op 17 Maart 1780 , komt voor de uitdrukking: //Ingaande primo May 1747".

Ik geloof niet, dat daarmede, zoo als bij pleidooi voor den eischer is beweerd, wordt uitgedrukt, dat de oorspronkelijke vergunning van de stad juist op 1 Mei 1747 zoude zijn verleend.

Veeleer komt het mij voor, dat die vermelding het gevolg is van eenen algemeenen regel ten aanzien van perceelen, wier vroegere inschrijving in het Precario mogt zijn verzuimd.

1 n het laatste artikel toch der beide keuren lezen wij : //En laatstelijk dat Rooijmeesteren eens vooral sullen hebben te observeeren , om in hunne Actens van nieuw getaxeerde en tot nog toe onbekende perceelen het precario subject te stellen, dat de Recognitie gereekend word ingegaan te zijn sedert de laatste 33 jaren//.

Een aantal jaren j'iist overeenkomende met het verschil tusschen 1780 en 1747.

Al moge het dus waar zijn hetgeen van wege den ged. is beweerd, dat de keuren en ordonnantiën der vorige eeuw als zoodanig geene verbindende kracht meer hebben, zoo kan het toch niet twijfelachtig zijn, dat de keuren op het recht van precario kunnen dienen om de beteekenis en de strekking der overgelegde extracten uit het Precarioboek duidelijk te maken.

Van dit standpunt wordt het duidelijk, welke kracht en beteekenis aan de vergunningen ter bede, in die extracten bedoeld, moet toegekend worden.

Het eerste artikel der ordonnantie van 1755 (5) reeds vangt aan met de woorden : "Dat een iegelijk die Precario gebruijk begeert te maken van stads grond, onder wat benaaming of pretext het voors. gebruijk zoude mogen worden gemaakt, deswegens ten behoeve van het Aalmoezeniers Weeshuijs dezer stede , zoveel tot een jaarlijkse

(1) Hieraan is het waarschijnlijk toe te schrijven , dat ontbreekt de handteekening van den secretaris, bedoeld in art. 7 van de ordonnantie van 29 Jan. 1755.

(2) Handvesten, vervolg, bl. 147.

(3) Handvesten, II, bl. 564.

(4) Artt. 2 en 6 der eerste, en 2 en 7 der laatste ordonnantie.

(5) Handvesten, vervolg, bl. 147.

Recognitie sal moeten betalen, als de Tauxatie van Rooijmeesteren sal komen mede te brengen.//

Ook in de artt. 9, 10, 11 en 13 der keuren van 1755 wordt uitdrukkelijk gewag gemaakt van stadsgrond, voor welks precariogebruik recognitie verschuldigd is.

Bovendien vindt men in andere keuren juist voor pothuizen en dergelijke het precario-gebruik van stadsgrond vermeld.

In de ordonnantie van 1 Sept. 1685 , na den grooten uitleg van Amsterdam uitgevaardigd en dus ook met het oog op dat gedeelte der stad , waarin de perceelen van A. du Sart zijn gelegen , wordt verstaan : "dat voortaan geene Pothuijsen , Kelders of Regenbakken in de stoepen of onder de straet op stadsgrond sullen mogen worden gemaakt, als ten overstaen van Rooijmeesteren , om me dezelve te inspecteeren, het werck te examineeren en te tauxeeren, omme daernaer door de voors. Rooijmeesteren te worden gereguleerd de Recognitie, die de makers van de voorsch. Pothuijsen, Kelders en Regen backen, voor het gebruijk van stadsgrond aan de Regenten van het Aalmoesseniershuijs deser stede sullen moeten betalen// (1).

Uit deze keuren volgt m. i., dat waar eene acte in het Precarioboek melding maakt van de verpligting tot betaling van recognitie wegens praecario-gebruik van pothuizen en dergelijken, daarmede bedoeld wordt eene verpligting, rustende op den eigenaar van een perceel, wegens gebruik van stadsgrond, aan dat perceel gelegen, hem door de stad tot eene bepaalde bestemming (van pothuis, secreet enz.), krachtens haar eigendomsregt tot wederopzeggen toe, toegestaan.

Eindelijk kan ook de plaats , waar de perceelen gelegen zijn , in verband met de wijze, waarop zich de laatste groote uitleg van Amsterdam heeft toegedragen, deze mêening bevestigen.

De beide perceelen staan op de Prinsengracht tusschen de Vijzelstraat en Spiegelstraat, zijnde in dat gedeelte van Amsterdam, hetgeen is tot stand gekomen bij den uitleg der 17de eeuw, in den breeden ring tusschen Heerengracht en Buitensingel en wel in het laatst gebouwde gedeelte van dien ring, begonnen in 1658 en zich uitstrekkende van de Leidsche gracht tot aan het IJ, aan de zijde van Zeeburg,

Nadat, toen het plan tot den grooten uitleg gevormd was, de stad van 's Lands Staten verschillende octrooijen verkregen had, zoo om het timmeren in het buitengedeelte, door den uitleg binnen de stad te brengen, te beletten (2), als om alle erven, die binnen de palen der voorgenomen vergrooting gelegen waren, tegen het betalen der waarde zonder eenige overdragt naar zich te nemen , verkreeg de stad op 2 Mei 1663 van de Staten octrooi //om «alle landen, tuinen, erven en gronden , die met de voorgenomen vergrooting binnen de stad zouden getrokken worden, van stadswege, naar de schatting van den Geregte te mogen naar zig nemen niet alleen , maar ook zulke, die niet tot gragten , straaten , markten en diergelijke openbare werken of plaatsen gebruikt, maar tot erven om te betimmeren gerooid zouden worden , in volstrekten eigendom te mogen behouden".

De stad, alzoo eigenares geworden , niet alleen van den grond , noodig voor publiek gebruik, maar ook van allen grond, tot particuliere erven bestemd, heeft, volgens Wagenaar (3;, reeds spoedig een groot gedeelte dier erven in het openbaar verkocht.

Op de zich hier voordoende vraag , of de stad bij die verkoopen alleen de plaats van de eigenlijk gezegde huizen en perceelen tot aan de rooilijn , of wel mede eene zekere ruimte binnen die lijn, de plaats, waar de stoepen enz. zich bevinden , verkocht heeft, heb ik geen bepaald antwoord gevonden. Evenmin als voor de perceelen, in deze zaak betrokken , thans een direct antwoord op dit punt kan gegeven worden, bij gebreke van de daartoe betrekkelijke kcop-acten.

Echter geven m. i. verschillende omstreeks dien tijd uitgevaardigde keuren en ordonnantiën, wegens de uitgestrekte magt, welke daarin aan de stad op de bedoelde ruimte wordt toegekend, allezins aanleiding om aan te nemen , dat alleen de ruimte voor de eigenlijk gezegde gebouwen tot aan de rooilijn en niet de daarvoor gelegen ruimte door de stad zal zijn verkocht, en dat laatstbedoelde ruimte als een deel der straat (4) door de stad is gereserveerd.

Ik wijs op de ordonnantiën van 11 Maart 1767 (Handv., II, bl. 986), van 5 Aug. 1653 (Handv., II, 993), van 21 Sept. 1656 (Handv., II, 995) en vooral ook op de ordonnantie op het timmeren en rooijen van 28 Maart 1766 (Handv., 2de vervolg, bl. 157), bij welke met boete en demolitie bedreigd worden de eigenaren, die buiten de rooijing stadsgrond ten hunnen nutte gebruiken, waar alzoo, hetgeen buiten de rooijing ligt, stadsgrond wordt genoemd.

Dat met rooijing bedoeld wordt de rooilijn der voorgevels, volgt m. i. uit de ordonnantie van 8 Julij 16^0 (Handv., II, 993), alwaar wordt geordonneerd : "dat voortaen alle stoepen ende pothuijsen soo in de oude als nieuwe stad, niet na de rooijinge van de huijsen , maer in de winckelhaek gestelt sullen worden//; en uit de ordonnantie van 23 Febr. 1669 (Handv., II, 992, 6), waarbij ter bevordering van de vrije passage op de grachten, onder de vergrooting begrepen, welke bij den aanbouw door allerlei bouwtoestellen werd belemmerd, wordt voorgeschreven : "dat niemand voor sijn erf of timmeragie aan eenige Graft of Burgwal gelegen, sal vermogen de steijgeringh ofte schutting verder van zijn grond op de straet uijt te stellen als zes voeten, van de roijingh van de gevel af te rekenen».

Volgens welke bepaling de grond van den eigenaar van het erf zich niet verder uitstrekt dan de rooijing van den gevel.

Op alle deze gronden meen ik , dat aangenomen mag worden, dat de stad als eigenares van den grond, vóór de beide perceelen van A. du Sart gelegen, dien grond ter bede heeft afgestaan tot een pothuis en secreet ten Bebruike voor genoemde perceelen.

Ad IIum. In de tweede plaats moet worden onderzocht, of dit bezit ter bede is overgegaan op de latere eigenaars der perceelen en ook op den ged.

De ged. beweert, dat de regtsverhouding, welke aanvankelijk tusschen de stad en A. du Sart zoude bestaan hebben , op den tegenwoordigen eigenaar der perceelen niet is overgegaan , daar het zoogenaamde precario van persoonlijken aard is en geen zakelijk regt daarstelt, en hij ged. niet is getreden in de regten van A. du Sart»

Het komt mij voor, dat deze stelling niet juist is, en, al ware zij juist, niet afdoende zoude zijn.

Wel meen ik met den ged., dat, in het algemeen, degene, die eene zaak ter bede afstaat, daardoor, behoudens zijn regt op de zaak , hetgeen natuurlijk niet verloren gaat, geenszins een nieuw zakelijk regt schept, een zakelijk regt op zijne eigen zaak.

Wel komt het ook mij voor, dat in het algemeen de verhouding , door het ter bede afstaan van eene zaak te weeg gebragt, van persoonlijken aard is, en dat degene, aan wien de zaak ter bede is vergund, gaat bezitten voor den eigenaar, even als b. v. de huurder en bruikieener voor anderen bezitten, met dit onderscheid, dat het genot van den precario possessor geheel afhangt van het goedvinden van dengene, aan wien hij zijn bezit ontleent; doch men vergete niet, dat in casu de rede is van een precario van geheel bij zonderen aard.

De vergunning, door de stad verleend , werd gegeven voor een

(1) Handvesten, III, hl. 993.

Zie ook de ord. van 7 Sept. 1685 , aldaar vermeld.

(2) Wagen aar, Geschiedenis van Amsterdam, bl. 45, 46 v. ^3) Geschiedenis van Amsterdam, bl. 49.

(4) Ord. van 21 Sept. 1656 (Handv., IV, 995), 7 Jan. 1672 (Handv., 732).

Sluiten