Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bepaalt, dat de ged. zal worden gehoord op vraagpunten ;

Gelast enz.;

Kosten voorbehouden.

(Gepleit voor den eischer Mr. F. J. N. J. Q. van Hagens, en voor den gedaagde Mr. M. P. Schlesinger.)

ARRONDISStiMENTS-RKGTBANK TE AMERSFOORT.

Rlursierlijke kamer.

Zitting van den 6 Maart 1872.

Voorzitter, Mr. A. R. van Bel.

Heeft de eischer , door de overlegging in regten eener acceptatie, voorzien in dorso van de handteekening in blanco aan gedaagde, bewijs. geleverd van de betaling van alles wat hij aan gedaagde schuldig was ! — Ja.

Kan daartegen , en bij ontkentenis van den eischer van eenigen last gegeven te hebben, iets afdoen het bewijs , door gedaagde aangeboden , dat die acceptatie aan een derde , handelende op naam van den eischer, is teruggegeven met inwisseling tegen eene nieuwe acceptatie, nog in bezit van gedaagde ? — Neen.

Is dan voor gedaagde het regt vervallen om de voor die bestreden schuld bij de tusschen partijen aangegane crediet-hypotheek verbonden onroerende goederen in beslag te nemen en uit te winnen ? — Ja.

G. J. Polman, kastelein te Zeyst, voor zich en zijne echtgenoote, eischer in conventie, gedaagde in reconventie, procureur Mr. J. van der Leeuw ,

tégen

de Crediet-Vereeniging te Amsterdam, gedaagde in conventie, eische-

resse in reconventie, procureur iVir. J. YV. öluiter.

De Regtbank enz.,

Gehoord de voordragt van partijen ;

Overwegende ten aanzien der daadzaken :

dat de eischer en zijne vrouw, bij acte van 9 Maart 1865, gepasseerd voor den notaris Bok, te Amsterdam, aan de gedaagde CredietVereenigiüg tweede hypotheek hebben verleend op een huis, tuin en erve , benevens een stuk grond , gelegen te Zeyst, zoo als daarbij nader is omschreven , en zulks tot meerdere zekerheid voor de betaling vah al hetgeen de ged. te eeniger tijd van den eischer te vorderen zou hebben tot een beloop van J *2000 met renten en kosten, en met bepaling, dat op die hypotheek en hare gevolgen van kracht en toepassing zullen zijn de artt. 1 tot 12 der algemeene voorwaarden , door de ged. voor het verleenen van hypothecair crediet vastgesteld bij notariële acte van 26 Jan. 1864; dat de eischer vervolgens, zoo als in con/esso is , op 20 Febr. 1870, wegens door hem van de ged. genoten gelden, aan ged. heeft afgegeven eene acceptatie of

promesse, groot / 1920, welke daarna herhaaldelijk is vernieuwd en verminderd tot op f 1880; dat de ged. daarna, bij exploit van 12 Junij 1871, aan den eischer heeft doen beteekenen de in executorialen vorm uitgegeven grosse der hypotheek-aete van 9 Maart 1865, met eene rekening-courant dd. 30 Mei 1871 , geregistreerd enz.; bij welk exploit de eiseher wordt gesommeerd tot betaling van f 1915.97 , verschuldigd, blijkens die rekening-courant, en waarbij, daar er geene onmiddellijke betaling volgde, tevens bevel werd gedaan tot betaling

van aie som oinnen dertig dagen , onverminderd de verder verschuldigde interessen en kosten , met bedreiging van in-beslag-neming en verkoop der verhypothekeerde perceelen , zoo de betaling niet volgen mogt; dat de eischer daarop, bij contra-exploit van 21 Junij 1871, tegen die sommatie en dat bevel heeft geprotesteerd , verklarende aan de ged. niets meer schuldig te zijn dan welligt eene kleinigheid voor onkosten , zegels , radiatie-acte enz., welke hij bereid was terstond na behoorlijke opgaaf, tegen overgifte dier reeds lang ingewachte acte van radiatie der hypotheek, te betalen; dat de ged. niettemin op 8 Sept. 1871, ten vervolge op het gedaan bevel, de meergenoemde perceelen des eischers heeft doen in beslag nemen, ten einde bij geregtelijke uitwinning te worden verkocht in de teregtzitting van deze Regtbank , welke in-beslag-neming door ged. aan den eersten hypotheekhouder is beteekend;

dat de eischer hierom in privé' en qualiteit tegen die in-beslagneming is gekomen in verzet en de ged. heeft gedagvaard, ten einde zich te hooren veroordeelen bij vonnis , uitvoerbaar bij voorraad, tot

opnemng van het beslag, tot radiatie der hypothecaire inschrijving, en tot vergoeding van kosten , schade en interessen, dit laatste ook bij lijfsdwang, zoo zij meer dan f 150 mogten bedragen, en met veroordeeling in de kosten van het geding; dat de ged. bij conclusie van antwoord die vordering heeft tegengesproken, aanvoerende: 1°. dat zij gehandeld had krachtens een behoorlijken executorialen titel ; terwijl de hoegrootheid van hare pretentie bij dit geding zou kunnen worden verevend ingeval van contest; 2°. dat de eischer niet bewees zijne schuld betaald te hebben, al is het waar, dat deze een accept, betaalbaar op 28 Sept. 1870, in handen heeft, hetwelk hij beweert voldaan te hebben aan den wettigen houder, zijnde de toenmalige

iioiaiih vdn .uiggeien, te Zeyst, en dat de ged. daarentegen als daadzaak stelde, onder aanbod van bewijs en met sommatie tot erkentenis ot ontkentenis, dat zij datzelfde accept voor of op den vervaldag had overhandigd aan den heer J. Evenblij, te Amsterdam, die zich, even als vroeger herhaaldelijk was geschied, bij haar aanmeldde namens den eischer, om dat accept te verwisselen tegen een ander, vervallende op 1 Nov. 1870, en tevens de verschuldigde renten aan te zuiveren, terwijl op of omstreeks 1 Nov. 1870 die promesse is vervangen door eene andere, betaalbaar 1 Febr. 1871, thans nog in bezit der ged., en wederom met aanzuivering der renten door gezegden Evenblij; dat de ged. daarom concludeerde voor antwoord, dat de eischer niet-

ontvankenjk zou worden verklaard in zijne vordering, of hem die zou worden ontzegd cum expensis; en wijders in reconventie, dat de Regtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het saldo der tusschen partijen bestaande rekening-courant zou arresteren op f 1915.97, behoudens de latere renten en kosten; den ged. in reconventie zou veroordeelen tot betaling dier som , zelfs bij lijfsdwang; het verzet tegen de in-beslag-neming van onwaarde zou verklaren en de opheffing daarvan bevelen op de wijze, aldaar vermeld, alles met veroordeeling van den eischer tot vergoeding der kosten, schaden en interessen, en in de kosten van het geding;

dat de eischer, na de door de ged. gestelde daadzaak betrekkelijk de vernieuwing der acceptatie, betaalbaar op 28 Sept. 1870 , te hebben ontkend, bij repliek heeft overgelegd die acceptatie, voorzien van de blanco-handteekening der ged., en, op grond van dit laatste, dat volgens hem gelijkstond met het bewijs van gedane betaling, heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de reconventionnele vordering en tot het passeren van het door ged. aangeboden bewijs, met

persisiit ten aanzien van den eisch in conventie ; dat de ged., bij dupliek op de conventie en repliek op de reconventie, de echtheid harer handteekening in dorso der acceptatie heeft erkend , maar heeft volgehouden , dat deze blanco-handteekening niet bewees, dat de eischer het bedrag daarvan aan haar ged. had betaald; dat zij verder in het geding bragt eene acceptatie, geregistreerd enz., van hetzelfde bedrag

f 1880 , onderteekend met den naam des eischers en vervallende 1 Febr. 1871, terwijl zij hem sommeerde zijne voormelde handteekening te erkennen of te ontkennen , en persisterende bij hare vroegere conclusiën ; en eindelijk , dat de eischer bij dupliek in reconventie heeft ontkend de laatstelijk overgelegde acceptatie van 1 Febr. 1871 te- hebben onderteekend, en evenzeer dat hij eenig ander accept zou hebben onderteekend, vervallende op 1 Nov. 1870, weshalve hij mede bleef volharden bij zijne conclusie tot niet-ontvankelijk-ververklaring of ontzegging van den eisch in reconventie;

0. in regten :

dat tusschen partyen vaststaat en ook blijkt uit de door ged, in het geding gebragte zoogenaamde rekening-courant (bij pleidooi genoemd /^extract uit haar schuldboek'/), dat de ged. op 13 Sept. 1870 van den eischer niets anders te vorderen had dan het bedrag der toen loopende acceptatie, groot ƒ 1880; dat dus, zoo het waar is, gelijk de eischer beweert, dat die acceptatie niet is vernieuwd, maar op den vervaltijd (28 Sept.) door hem eischer betaald, aile schuldvordering van zijde des ged. toen heeft opgehouden; dat bij gevolg , daar

ai tc.i uwe voistreKt geen sprase is van andere na dat tijdstip aangegane nieuwe crediet-operatiën , bij het vervallen dier schuldvordering van f 1880, ook moest vervallen het regt om de bij de tusschen partijen aangegane ere liet-hypotheek verbonden onroerende goederen in beslag te nemen en uit te winnen;

dat nu de eischer, ten bewijze, dat de acceptatie , vervallende op 28 Sept. 1870, werkelijk door hem is betaald, deze heeft overgelegd, voorzien in dorso van de handteekening in blanco der ged.; dat zoodanige bloote naamteekening moet gehouden worden voor een endossement in blanco, hetwelk, krachtens de artt. 136 en 209 W. K., wordt gerekend de erkenning van genotene waarde te bevatten en den eigendom der acceptatie over te dragen; dat mitsdien door de overlegging van dit processtuk de eischer moet geacht worden het

uüwijs ie neooen geieveru van ue oetaling van alles wat hij aan ged. schuldig was;

dat de ged. wel heeft aangeboden te bewiizen . dat de meero-Amfilrlfl

acceptatie door haar slechts is teruggegeven aan den heer Evenblij , destijds candidaat-notaris te Amsterdam , die zich op of omstreeks ^8 Sept. 1870 bij ged. heeft aangemeld, gelijk vroeger meermalen, om namens den eischer tot dekking van dat accept een ander accept van den eischer in te leveren en de verschuldigde renten aan te zuive¬

ren, en dat alstoen aan hem het accept, betaalbaar 28 Sept. 1870, is overhandigd en ingewisseld tegen een ander , vervallende op 1 Nov. 1870, hetwelk later op gelijke wijze wederom is vervangen door een ander, vervallende 1 Febr. 1871 , thans nog in bezit v&n ged. en mede ten processe overgelegd, met gelijktijdige aanzuivering deiverschuldigde renten; maar dat, daar de eischer ten «telligste ontkent immer aan gezegden Evenblij daartoe den last verstrekt te hebben, of ooit de bewuste aeceptatiën van 1 Nov. 1870 en 1 Febr. 1871 te hebben onderteekend, in welke ontkentenis door de ged. is

ueiusi, — ue uoor ged. gesieiue reiten niet kunnen geacht worden ten deze beslissend te zijn, omdat, al werd bewezen, dat bedoelde Evenblij werkelijk heeft voorgegeven namens den eischer destijds te handelen, daaruit niet kan volgen , dat hij inderdaad door dezen daartoe gemagtigd was, of dat de eischer niet in het bezit der blanco geëndosseerde of gequir,eerde acceptatie van 28 Sept. zou gekomen zijn tegen betaling der waarde;

dat de ged. ook heeft beweerd, dat het laatstgenoemde accept door haar vroeger bij de Nederlandsche Bank was gedisconteerd en daarom door haar in blanco geëndosseerd, terwijl zij had verzuimd dit blancoendossement door te halen bij de vernieuwing der inwisseling van het accept; maar dat, indien dit zoo zijn mogt, de gevolgen van dit

verzuim niet Kunnen georagt worden ten laste van den eischer, doch behooren gedragen te worden door ged. zelve ;

0., dat uit het voorafgaande voortvloeit, dat de vorderingen des

eischers, ged. in reconventie, zoowel in conventie als in reconventie, behooren te worden toegewezen ;

Gezien de artt. 1239 en volg. en 1253, no. 1, JB. W., artt. 136 en 209 W. K., en artt. 52, 55 en 56 B. R.;

Regt doende op den eisch in conventie,

Verklaart het in deze gedaan beslag nietig en van onwaarde ;

Beveelt, dat het binnen twee dagnn na de beteekening van dit vonnis door de ged. kost- en schadeloos zal worden opgeheven , en de overschrijving daarvan door den hypotheekbewaarder zal worden doorgehaald;

Magtigt den eischer om, bij gebreke daarvan, zelf die doorhaling

ten koste van ged. te d .*en bewerkstelligen ;

Verklaart den hypotheekbewaarder hiertoe bevoegd en verpligt bij de vertooning van dit vonnis ;

Veroordeelt den ged. om, binnen twee dagen na de beteekening

van dit vonnis, toe te stemmen in de doornaimg der hypotheek op de in beslag genomen goederen, aan haar door den eischer verleend, met magtiging van dezen om , bij gebreke daarvan , zelf die doorhaling te doen bewerkstelligen, waartoe de hypotheekbewaarder op vertoon van dit vonnis mede zal bevoegd en verpligt zijn ;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hooger beroep ;

Veroordeelt verder de ged. om aan de eischer te vergoeden alle kosten, schade en interessen, door hem ï r zake van dit beslag

genad en geieaen or nog te neoben en te lijden . nader op te maken bij staat en invorderbaar bij lijfsdwang, voor zooverre zij de som van f 150 te boven gaan ; en

Veroordeelt de ged. in de kosten van dit geding;

En, regt doende op den eisch in reconventie;

Passerende het aangeboden getuigen bewijs ,

Ontzegt der reconventionnele eischeres, ged. in conventie, haren eisch in reconventie, en veroordeelt haar in de kosten, daarop gevallen.

(Gepleit voor den eischer in conventie , gedaagde in reconventie , Mr. G. H. van Bolhuis , advokaat te Utrecht, en voor de gedaagde in conventie, eischeresse in reconventie, Mr. J. A. Levy , advokaat te Amsterdam.)

De gedaagde in conventie, eischeresse in reconventie, is van dit vonnis in hooger beroep gekomen bij het Prov. Geregtshof in Utrecht.

A R li ONDISSEM BNTlS - REGTB ANK TE LEEUWARDEN. Snrgerlijke kamer.

Zitting van den 9 Januarij 1872.

Voorzitter , Jhr. Mr. F. J. J. van Eysinga.

Overeenkomst van bevrachting en vervrachtinu. — Blokkade.

0\ krmagt. — Nietig-vekklaring der overeenkomst.

Kunnen, volgens de bepalingen der Porijzer declaratie van 16 April 1856, de beteekenis, de strekking en de regtsqevolgen van eene privaatregtelijke overeenkomst worden beoordeeld, indien partijen zelve zich op die bepalingen niet hebben beroepend —Neen.

Kan de burgerlijke regter beoordeelen, of eene blokkade effectief is geweest of niet '1 — Neen.

Kan de burgerlijke regter wel beoordeelen , of het geval van or.ermagt aanwezig is, ten gevolge waarvan eene privaatregtelijke overeenkomst van regtswege ophoudt te bestaan i Ja.

Was de onder w erpelijkti overeenkomst van be- en vervrachting, naar de bedoelingen van partijen en de bepaling van art. 499 \V. K. reeds dadelijk na hare voltrekking van regtswege ontbonden ' — Ja.

G. H. ter Horst Jz., houthandelaar enz., te Sneek, eiseher, procureur Mr. J. Zijlstba ,

tegen

J. J. Lodewiiks, scheepskapitein, te Delfzijl, gedaagde, procureur Mr. J. van der Veen.

De Regtbank enz.,

Wat betreft de daadzaken :

Overwegende, dat de sischer den ged. bij behoorlijk geregistreerd exploit voor deze Regtbank heeft doen dagvaarden, ten einde bij vonnis te hooren verklaren ontbonden de tusschen deze partijen den 15 Aug. 1870 gesloten overeenkomst van be- en vervrachting van het schip "de Drie Gebroeders», en zich te hooien veroordeelen om aan den eischer te betalen alle schaden en kosten, door hem geleden en gemaakt, ter zake dat do ged. zijne verbindtenis ten deze niet is nagekomen , nader op te maken bij staat en te liquideren volgens de wet, met uit voerbaar-ver klaring van dit vonnis bij voorraad en zelfs bij lijfsdwang en veroordeeling in de kosten der procedure ;

dat de eischei bij de dagvaarding en de conclusie van eisch deze vordering betwist op de volgende gronden :

dat hij met den ged., door tusschenk omsfc von rlp fifmo Rontr» ftll

Comp., scheepsmakelaars te Harlingen, in de maand Aug. 1871 is overeengekomen , dat de ged. met het door hem gevoerde Nederlandsche kofschip " Ie Drie Gebroeders'/ voor den eischer zoodra mogelijk zoude zeilen naar Memel, om aldaar te worden beladen met eene volle en bekwame lading hout in soorten, en daarna terug te zeilen naar Harlingen , waar de ontlossing zou geschieden tegen betaling, na getrouwe uitlevering der lading, van f 15.50 voor iedere gemeten scheepston , zonder meer; dat de ged. de voor hem uit die overeenkomst ontstane verbindtenis niet is nagekomen, maar, zonder den eischer daarvan te verwittigen, niet is gevaren naar Memel zoodra mogelijk, en zich heeft gedragen, alsof hij zich niet aan den eischer had verbonden; dat, daargelaten de voorwaarde, dat de ged. zoo spoedig mogelijk na den 15 Aug. naar Memel zoude zeilen, de tijd voor de reis, in deze bedoeld, is verstreken, en deze overeenkomst alzoo door de schuld van den ged. geen gevolg kan hebben ;

dat de eischer, die voor zijne zaken dat hout moest gebruiken en in de veronderstelling moest verkeeren, dat de ged. zijne verpligtingen nakwam, daardoor schade heeft ondervonden, zoowel omdat hij daardoor niet genoegzaam van hout is voorzien , als omdat hij verbind tenissen heeft aangegaan op de tusschen hem en den ged. geslotene overeenkomst, die hij nu niet kan nakomen;

dat de ged., het bestaan van de overeenkomst, in voege die boven is vermeld, niet ontkennende, bij conclusie van antwoord heeft gesteld : 1°. dat deze overeenkomst tusschen hem en den eischer was gesloten onder deze resolutoire voorwaarde, dat, bij blokkade van Memel of versperring van het vaarwater , de overeenkomst <xeeri gevolg zoude hebben; en 2°. dat de haven van Memel werkelijk sedert den 15 Aug. ld70 was geblokkeerd; op grond waarvan hij beweert, dat de ged. dus, door het vervallen der overeenkomst, van zijne verpligtingen als vervrachter was ontheven , zoodat hij op grond daarvan concludeert tot hiet-ontvankelijk-verklaring inden eisch, met veroordeeling van den eischer in de kosten van dit regtsgeding;

dat de ged. nog aanbiedt de waarheid van het aldus door hem gestelde te bewijzen;

dat de ged. daarop, bij behoorlijk aan den eischer geïnsinueerde, door hem genoemde incidentele conclusie, houdende uitdrukking van daadzaken , heeft gesteld als daadzaken ten fine van bewijs :

dat de overeenkomst van be- en vervrachring, tusschen partijen aangegaan , door tusschenkomst van de firma Repko en Comp., scheepsmakelaars te Harlingen , den 15 Aug. 1870 is gesloten onder de voorwaarde , iat, bij blokkade van Memel, of versperring van het vaarwater aldaar, deze cherto-partij zal zijn geannuleerd ; en

2". dat verder bij die overeenkomst is benaaid. dat de onkosten

en regten op de lading zijn voor den bevrachter, en die van het schip voor des vervrachters lekening, en verder heeft geconcludeerd, dat de eischer, binnen acht dagen na de beteekening, die daadzaken zal erkennen ol ontkennen en dat zij , bij gebreke daarvan , voor erkend zullen worden gehouden , of anders en ook in het geval van ontkenning, de ged. zal worden toegelaten om die daadzaken door alle middelen in regten te bewijzen, en zulks met reserve van de uitspraak over de kosten van dit incident tot het eindvonnis , indien de eischer deze betaling niet tegenspreekt, en anders met veroordeeling van den eischer in de kosten ;

dat de eischer bij conclusie van repliek ontkent, dat de haven van Memel werkelijk van af den 15 Aug. 1870 is geblokkeerd geweest in den zin , ais waarvan daaromtrent sprake is geweest bij der partijen overeenkomst, en beweert, dat, al stond die^ blokkade da* feit echter geeuszins zoude tegenspreken de conclusie des eischers , die alleen vraagt ontbinding eener overeenkomst, met vergoeding van kosten, schade en interessen, welke ontbinding altijd door den regter moet worden uitgesproken, en, volgens art. 1302 B. W., nooit van zelve bestaat, zelfs niet waar de ontbindende voorwaarde in de overeenkomst is uitgedrukt, op welker werking de ged. zich beroept, en niet op de nietigheid der overeenkomst zelve ;

dat de tegenspraak van den ged. zich alleen bepaalt tot de gevolgen van eene uitspraak tot ontbinding, welke alleen dan zou kunnen worden gedebatteerd, en door den regter zou kunnen worden onderzocht, wanneer in casu de nakoming der verbindtenis ware gevraagd;

dat ook het door den ged. gestelde feit alleen van invloed zou kunnen zijn, wanneer in casu zoodanige vordering was ingesteld, zoodat het door den ged. aangeboden bewijs voor alsnog niet is ter

zake dienende;

dat de ged., bij conclusie van dupliek constaterende, dat de eischer bij conclusie van repliek niet tegensprak de in de incidentele conclusie opgenomen bewering, dat de overeenkomst tusschen partijen was gesloten onder voorwaarde, dat, bij blokkade van Memel of versperring van het vaarwater, de overeenkomst geen gevolg zoude

Sluiten