Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2

gesproken als in de achtste overweging, waar als door eene veertienjarige niet onder eede gehoorde getuige opgegeven wordt vermeld , dat dit in den namiddag tusschen twee en drie ure heeft plaats gehad. Gemelde omstandigheid is dus op ean onwettig bewijsmiddel als bewezen aangenomen. De overige grieven komen mij van minder gewigt voor. Bij de twaalfde overweging is m. i. niet op de getuigenis van R. A. Belmer als bewezen aangenomen , dat het stempelen behoorde tot de functiën van den req., maar op gezegde getuigenis, in verband met de eigen opgaaf van den req. , dat laatstgemelde liet reglement van orde voor de brievenbestellers had ontvangen. En nu is het waar , dat de inzage van den regter van de commissie op de acte van aanstelling en van het reglement van orde voor de brievenbestellers geene aanwijzing kan zijn, maar slechts kan strekken om eene aanwijzing te bewijzen, welke aanwijzing alsdan in het arrest moet opgenomen worden ; maar ik geloof, dat de ineeningvan de overweging met betrekking tot die inzage deze is, dat daardoor is gebleken, dat de inhoud van beide stukken zoodanig was als uitvoerig in de negende overweging was opgegeven.

Wat de opmerking betreft, dat de arglist geheel ongemotiveerd is, antwoord ik, dat motivering niet noodig is, wanneer, zoo als in casu, de arglist in het feit zelf ljgt. De geachte verdediger beriep zich op de conclusie van mijn ambtgenoot Romer, voorafgegaan aan uw arrest van 20 Dec. 1859 . Weekbl. n1. 2131, v. D. Hos uur , Stra.fr. van dat jaar, bl. 560 , Ned. Regtspr., dl. 63, bl. 278). Dat het ddar een geheel ander geval betrof, en dat mijn ambtgenoot in het onderwerpelijke de motivering ook niet noodig zou achten, blijkt, geloof ik, uit deze woorden der conclusie : "De arglist is een intern feit , waaromtrent de regter zich uitdrukkelijk verklaren moet, zoodra zij uit de geheele toedragt der feiten niet volgt. In casu, waar het doel om den brief buiten de magt des eigenaars of regthebbende te brengen niet uit de feiten zelve voortvloeide , maar dat stuk integendeel aan den eigenaar is overgegeven, had m. i. uitdrukkelijk moeten zijn beslist, dat bij de wegname de bedoeling van verduistering had bestaan.

Op grond van het vermelde in den aanvang mijner conclusie, heb ik de eer te concluderen tot niet-ontvankelijk-verklaring van den req. in zijne voorziening, voor zoover hij bij het beklaagde arrest is vrijgesproken , en overigens tot vernietiging van het arrest , en verwijzing der zaak naar een aangrenzend Geregtshof, ten einde op de bestaande acte van beschuldiging op nieuw te worden beregt en afgedaan ; de kosten , in cassatie gevallen , te dragen door den Staat.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE GRONINGEN. Burgerlijke kamer.

Zitting van den 19 April 1872.

Winkelzaak.

Koop en verkoop.

Onsplitsbaar aveu. iiuisgenooten.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op het middel van cassatie, namens den req. voorgesteld bij pleidooi en bestaande in:

schending en verkeerde toepassing van de artt. 427 , 428 , 434 , 442, 443, 190, 445, 206 en 211 Strafvord., in verband met de artt. 173 en 187 Strafregt, omdat niet op wettige wijze bewezen is, dat de req. arglistig zich zou hebben toegeëigend acten of bescheiden , hem als agent der Hooge Regering ter zake zijner bediening toevertrouwd , en die beslissing althans onvoldoende is gemotiveerd;

Overweaende. dat de reu. zich tegen het beklaagde arrest in het

algemeen en zonder eenige beperking in cassatie heeft voorzien ; O., dat hij bij dat arrest echter gedeeltelijk is vrijgesproken, en

dat in zoover het beroep in cassatie daartegen op de gewone wijze niet openstaat, zoodat hij te dien opzigte moet worden verklaard niet-

ontvaukelijk ;

O., dat in de eerste plaats is aangevoerd: schending der artt. 427, 428, 442, 443, 190 en 445 Strafvord., omdat bij het beklaagde arrest is beslist, dat wettig en overtuigend is bewezen , dat de besch. den brief, geadresseerd aan de heeren Le Normand en van Ouwenaller, te Amsterdam, waarin zich verschillende coupons bevonden, op den 3 Jan. 1872 , tot zich heeft genomen en zich toegeëigend, toen hij op het postkantoor te Steenwijk, des namiddags omstreeks vier ure, als hulp-brievenbesteller bezig was niet het stempelen van brieven , en het bewijs van dat feit is geput onder anderen uit de omstandigheid, dat de brief op het postkantoor is bezorgd, terwijl de besch. daar aanwezig was, ofschoon die omstandigheid door geen wettig bewijsmiddel is gestaafd, vermits daaromtrent alleen door de veertienjarige K. Nijenhuis eenige verklaring is afgelegd ;

0., dat dit eerste deel van het voorgedragen middel van cassatie is gegrond;

0. toch, dat, blijkens het beklaagde arrest, de besch., hoewel er¬

kennende op den 3 Jan. 1872, omstreeks vier ure, op het postkantoor

te Steenwnk bezig te znn geweest met net stempelen van Drieven ,

echter tot zijne verdediging heeft opgegeven , dat hij omstreeks dat

uur van den postdirecteur Belmer een gesloten brief ter bezorging

aan den conducteur der brievenmalen op den spoorweg Leeuwarden-

Ziirnhen heeft ontvangen. geadresseerd aan de heeren Le Normand

en van Ouwenaller , te Amsterdam : dat hij de bezorging van dien

brief had vergeten en hem eerst den volgenden morgen in zijn zak had teruggevonden, en toen eerst bemerkte , dat zich daarin geldswaardig Dapier bevond, waarna hij de enveloppe heeft losgemaakt en

daaruit drie coupons heeft genomen ; dat echter het Hof, op grond der stellige verklaring van den als getuige gehoorden post-directeur,

dat hii dien briet op den 3 Jan. 1872 niet in nanden neett genaa

veelmin aan den besch. ter hand gesteld, in de vijftiende overweging heeft aangenomen, dat de besch. den brief met coupons niet van

den getuige Belmer heeft ontvangen, en voorts heeft beslist, dat de

besch. in den namiddag van den 3 Jan. 18/2, omstreeks vier ure,

dien brief op het postkantoor te Steenwijk tot zich genomen en zich

toegeëigend heelt:

0., dat dit laatste bewezen verklaarde feit bij het arrest als bewe

zen is aangenomen , op grond der vier m diezelfde overweging ge

noemde omstandigheden, waaronder in de eerste plaats wordt vermeld,

dat de brief op het postkantoor is bezorgd, terwijl de besch. aldaar aanwezig was; dat echter uit de voorafgaande overwegingen blijkt, dat geen der onder eede gehoorde getuigen eenige verklaring heeft afgelegd omtrent den tijd, waarop de brief op het postkantoor is bezorgd; maar in de achtste overweging de verklaring is opgenomen van de veertienjarige IC. Nijenhuis, die, bij wijze van toelichting gehoord, heeft verklaard, dat zij op voormelden datum voor hare meesteresse in den namiddag tusschen twee en drie ure den bedoelden brief in de bus op het postkantoor te Steenwijk heeft geworpen ;

O., dat mitsdien in het beklaagde arrest de gemelde omstandigheid door geen ander bewijsmiddel als bewezen kan zijn aangenomen dan op de onbeëedigde verklaring der veertienjarige K. Nijenhuis, hoedanige verklaring door de wet als wettig bewijsmiddel wordt gewraakt, zoodat werkelijk de artt. 427, 443, 190 en 445 Strafvord. zijn geschonden;

0., dat reeds uit dien hoofde het arrest moet worden vernietigd , waardoor vervalt het onderzoek van hot tweede deel van het aangevoerde cassatie-middel;

Verklaart den req. niet-ontvankelijk in zijne voorziening in cassatie,

voor zoover lil) Dij net oekiaague arrest is vrijgesproken ;

Vernietigt overigens het beklaagde arrest;

Ec , krachtens art. 106 R. O. regt doende,

Verwijst de zaak naar het Prov. Geregtshof in Friesland, ten einde, voor zoover de req. bij gezegd arrest niet is vrijgesproken, op de bestaande acte van beschuldiging op nieuw te worden beregt en afgedaan; de kosten, in cassatie gevallen, te dragen door den Staat.

Is, wanneer door den vader het vleesch geleverd is, de zoon geregtigd, na overlijden van den vader, betaling te vorderen, wanneer in judicio is gebleken, dat den zoon de winkelzaak aangaat? — Neen volgens het Kantongeregt. Ja, volgens de Regtbank.

A. van Hessen , appellant, procureur Mr. B. Cohen ,

tegen

J. Suidman , geïntimeerde , procureur Mr. B. Dorhout Mees.

De Regtbank enz.,

Gezien de stukken, allen voor zooveel noodig geregistreerd, en daaronder bepaaldelijk; 1°. uittreksel uit eene acte van koop en verkoop , verleden voor Mr. J. van Giffen , notaris te Groningen , den 30 Jan. 1871, waarbij door A. Borgerboer van Hessen, vleeschhouwer , wonende te Groningen , is aangekocht eene behuizing, geteekend I , 207 , met open plaats , staande en gelegen westzijde in de Oude Kijk in 'tjatstraat, ie Groningen, bekend onder sectie K, n0. 707;

'1°. vijf patentbladen , afgegeven door het Gemeentebestuur van Groningen aan A. van Hessen, onder anderen als vleeschhouwer, over de dienstjaren 1866/67 tot en met 1870/71 ; en

3o. een aanslag-billet, waaruit blijkt, dat A. van Hessen (wijk I, n°. 207 , gemeente Groningen), voor het dienstjaar 1871/72 , op het primitief kohier der personele belasting wegens de huurwaarde , deuren en vensters , haardsteden en het mobilair is aangeslagen ;

Wat de daadzaken betreft:

Overwegende, dat A. van Hessen, vleeschhouwer, wonende te Groningen , handelende onder de firma L. van Hessen en Zonen, als zoodanig over het loopend dienstjaar gepatenteerd, blijkens acte van patent, afgegeven door de Regering van Groningen den 23 Aug. 1871 , sub no. 2077, voor het Kantongeregt te Groningen heeft gedagvaard J. Suidman, koperslager, wonende te Groningeu, ten einde zich te hooren veroordeelen om aan den eischer te betalen de som van ƒ 68.40 , door den ged. aan den eischer verschuldigd wegens op den 9 en 10 Nov. 1871 gekocht en ontvangen rundvleesch , rundvet en rolpens ;

D.. dat rle wed. die vordering heeft bestreden , door te beweren ,

dat hii vnnrmald vleesch . vet en rolüens van des eischërs vader L.

vnn TTfisse.n hppft irekocht. en hii dienvolgens aan den eischer niets

is verschuldigd; en dat, by vonnis van den kantonregter te Groninn-or. non ,ion 97 Wnv. daaraanvolgende. den eischer zijn eisch is

nntzBB'd . en hii tevens is veroordeeld in de kosten van het geding ;

0., dat de eischer, bij geregistreerd deurwaarders.exploit van den

20 Dec. daaraanvolgende, en met procureurstellmg van lvir. is. Cohen, wonende te Groningen, van gemeld vonnis is gekomen in

hooier beroep , met dagvaarding van den gemt. voor deze uegtnank,

ten einde te hooren verstaan , dat kwalijk is gevonnisd bij

en teregt geaDnelleerd van voormeld vonnis ; dien ten

vernietiging van dat vonnis, door de negCDank aan uen u^jj,

regters, waarbij de eisch, als onbewezen, is ontzegd , behoort te worden vernietigd ;

Gezien artt. 1902 en 1961 B. W. en 56 B. R.;

Regt doende enz.,

Vernietigt het vonnis des kantonregters, den 27 Nov. 1870 gewezen ;

Veroordeelt den geïrit. om aan den app., tegen behoorlijke kwijting, te betalen de som van f 68.40, met de wettelijke interessen dier som sedert den dag der dagvaarding ;

Veroordeelt den geïnt. in de kosten der beide instantiën.

(Gepleit voor den appellant Mr. H. Schaap, en voor den geïntimeerde Mr. B. Dorhout Mees.)

en wei

met

zijne

ge-

zich heeft gerefe-

ten slotte

ARRONDISSEVIBNTS-REGTBAMK TE HEERËNVEEN.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 22 December 1871.

Voorzitter, Mr. Ph. van Blom.

Wisselbrief. — Houder. — Te laat protest. — Regres-

reot.— Subrogatie.— Force majeure.— 1<hanschPruissische oorloq. — Provisie.— Aett. 146, 186, 201 en 202 W. K.

Wanneer een wisselbrief te laat geprotesteerd, en de houder, die hem te laat heeft doen protesteren , gerembourseerd is door den endossant, en deze weder doof zijn voorganger enz. , is dan een endossant, die op zijne beurt den trekker, gesteld dat deze geen fonds heeft bezorgd, tot rembours aanspreekt, ontvankelijk in die vordering, op grond, dat hij in de regten van den houder is getreden door subrogatie, of is hij niet-ontvankelijk, op grond, dat de houder van een wisselbrief, die hem te laat heejt doen protesteren , wel regresregt tegen den trekker kan uitoefenen, maar niet tegen de endossanten, zoodat deze, ook al hebben zij betaald , nooit eenig regt uit den wissel of door subrogatie tegen den trekker kunnen hebben verkregen ? — In eerstgemelden zin beslist.

Wanneer men een wissel, op tien dagen na dato getrokken op Londen , terwijl reeds eenige dagen zijn verloopen , verzendt via een land in vollen oorlog , is dan een beroep op force majeure gegrond? — Neen.

Wordt elk denkbeeld aan force majeure niet uitgesloten door de omstandigheid, dat de geëndosseerde, in plaats van den wissel naar de bestemmingsplaats ter betaling op te zenden , dien verder endosseert ? — Ja.

De firma B. H. Schröder en Comp., procureur Mr. S. Sleeswijk,

tegen

de firma R. C. Kuipers en Comp., te

reur Jhr. Mr. E.

te Amsterdam , eischeresse ,

Akkrum,

H. van Beyma thoe Kingma.

procu-

vnnr-omsehrevene vordering te hooren toewijzen, met veroordeeling

vnn den o-eïnt. in de kosten van beide instantiën ;

0.. dat Mr. B. Dorhout Mees, wonende te woningen, zien op

die dagvaarding procureur heeft gesteld voor den gemt. en ten die

iiende datre voor den a»D. ter rolle, onder aanvoering van zijne gron¬

den en middelen, is geconcludeerd overeenkomstig de dagvaarding

in appel;

O., dat de geïnt. bij conclusie van antwoora m suustauiio /.ijuo voormelde bewering heeft volgehouden en geconcludeerd, dat het der

Regtbank moge behage te verstaan, dat er wel is gevonnisd en kwalijk geappelleerd, met wijderen als daarbij omschreven ;

0., dat partijen vervolgens bij conelusiën van re- en dupliek bij hare genomene conclusiën hebben gepersisteerd, waarbij door den app.

subsidiair is geconcludeerd toe geruigenutiwij» v»u m»,

stelde feiten, omtrent welKe vordering ue genu reerd aan het oordeel der Regtbank ;

0-, dat vervolgens de zaak over en weder is bepleit, en

uitspraak verzocht op de stukken;

Wat het regt betreft:

O., dat de geïnt., zoowel in eerste instantie als in hooger beroep , op den ingestelden eisch heeft geantwoord, dat hij wel het bij dagvaarding vermelde vleesch, door intermédiair van zijne vrouw, heeft gekocht op tijd en plaats, daarbij vermeld, en dat het ook aan hem is geleverd , doch dat hij die overeenkomst van koop en verkoop niet heelt gesloten met app., maar met appellant's vader;

O., dat de app. niet heeft geposeerd, dat die overeenkomst met hem app. is gesloten, maar heeft gesustineerd, dat geïnt. toch in allen gevalle aan hem app. moet betalen, daar hem de winkelzaak aangaat;

0., dat de geïnt., met een beroep op de onsplitsbaarheid van zijn aveu, heeft beweerd, dat de app. nu moet bewijzen , dat de overeenkomst is aangegaan tusschen app. en-geïnt.;

O., dat de Regtbank , zonder dat aveu te splitsen , het geheel aan¬

neemt met de daarbij gevoegde bewering, waaruit volgt, dat bewezen is , dat de koop en verkoop van het bij dagvaarding vermelde vleesch, op tijd en plaats, daarin genoemd, is gesloten tusschen den vader van arm. en ceïnt.. alsmede dat bedoeld vleesch aan geïnt. is geleverd ;

O., dat, met het oog op deze bewezen feiten , de al of niet toewijzing der vordering alleen afhangt van de vragen , of de winkelzaak den app. aangaat, en, zoo ja, of geïnt. dien ten gevolge ook aan

nnn. moet betalen ?

0., dat door de door den app. in het geding gebragte stukken ,

T-.iimt'1 iik- He nftt.erithlnden . sedert, het jaar 1860 tot nu toe, de extract

ae.t.ft van annkoon der behuizing en het aanslag-billet in de personele

belasting, is bewezen, dat de app. sedert jaren het beroep uitoefent

van vleeschhouwer en heer en meester is van de behuizing en den winkel,

waarin de affaire wordt uitgeoefend ;

ft Hot dA arm. als y.nndanic volkomen geregtigd is om zeil

betaling te vorderen van het in zijnen winkel gekochte, aan den

geïnt. geleverde en door dezen aangenomen vieeoeu,

niet direct door geïnt. aan app., maar aan diens vader besteld ;

O. toch, dat huisgenooten, bedienden ol andere personen in oen winkel, die de winkelgoederen ter verkoop aanbieden, moeten geacht

worden, als lasthebbers van hem , dien de zaak aangaat, net regi ie hebben den verkoop te sluiten, terwijl hij, die goederen koopt, zich die doet leveren en ze aanneemt, moet geacht worden zich verbonden te hebben jegens dengene, dien de winkelzaak aangaat;

0., dat de vordering derhalve door de bovenvermelde in judicio overgelegde stukken , welke in eersten aanleg niet waren gepioduceerd, in verband met de bekentenis van geïnt., in haar geheel aangenomen , volledig is gestaafd en, als volkomen gegrond, behoort te worden toegewezen; .

0., dat mitsdien teregt is geappelleerd, en het vonnis des kant

Namens de eischende firma is bij slotsom geconcludeerd als volgt: Zoo concludeert de eischende firma, dat het dezer Regtbank moge behagen, de gedaagde firma te veroordeelen om aan eischeresse tegen behoorlijke kwijting en teruggave van voormelden wisselbrief en protest, te voldoen de somma van ƒ 1515.77 , zijnde het bedrag van den onbetaalden wissel met de daarop gevallen renten en onkosten tot den dag der dagvaarding, met bijbetaling der renten naar zes ten honderd in het jaar van af den dag der dagvaarding tot den dag der voldoening, en dit vonnis te verklaren uitvoerbaar bij voorraad , met of zonder aanwijzing van voldoende zekerheid en bij lijfsdwang, met veroordeeling van de gedaagde firma in de kosten van dit geding ; en subsidiair, voor het geval de gedaagde firma een of meer der i" de dagvaagding en hiervoren geposeerde feiten mogt ontkennen , en voor zoover het bewijs dier feiten mogt zijn ten laste der eischende

firma, alsdan haar toe te laten om door alle middelen regtens , ook door getuigen, de (ontkennende) lees: ontkende feiten en daad¬

zaken te bewijzen, met reserve van ue kusien lol nei eiiiuvuui»» buiten het geval van tegenspraak, en ingeval van tegenspraak met veroordeeling van de gedaagde firma in de kosten.

Voor de gedaagde firma is bij slotsom genomen de volgende con¬

clusie :

Zoo concludeert de gedaagde firma, dat het der Regtbank moge behagen de eischende firma te verklaren niet-ontvankelijk in haren ingestelden eisch, immers haar dien eisch te ontzeggen , met veroordeeling in de kosten dezer procedure.

De Regtbank enz.,

Overwegende ten aanzien der feiten :

dat de eischende firma de gedaagde voor deze Regtbank heeft geroepen bij exploit van den 9 Junij 1871 , ten einde zich te zien en hooren veroordeelen om aan de eischende firma, tegen behoorlijke kwijting en teruggave van na te melden wisselbrief en protest, te voldoen de somma van f 1515.77, zijnde het bedrag van dien onbetaalden wissel, met de daarop gevallen renten en onkosten , met bijbetaling van renten naar zes ten honderd in het jaar van den dag der dagvaarding tot dien der voldoening;

voorts het vonnis te zien en hooren verklaren uitvoerbaar bij voorraad (met of zonder aanwijzing van voldoende zekerheid) , en bij lijfsdwang, en met veroordeeling van de ged. in do kosten van he' geding, en zulks op grond :

° dat de eischende firma op den 15 Nov. 1870 houder is geworden van een wisselbrief, op den 11 Nov. bevorens tot een bedrag van 106. 8. 11 p. st. op tien dagen dato getrokken ie Akkrum op E. H. Eilers, te Londen, zijnde behoorlijk door dezen Eilers geaccepteerd ; _ .

(lat die wissel door de ged. getrokken was aan de order van uu . Mispelblom Beijer, te Heerenveen, die hem op den 12 Nov. i hebben geëndosseerd aan de heeren Lippmann Rosenthal en oorap. , te Amsterdam, die op den 15 Nov. daaraanvolgende den wisse e ben geëndosseerd aan de eischende firma ; dat de eischen e rma dien wissel op den 16 Nov. 1870 heeft geëndosseerd aan den heer U de Stadieu, te Narbonne in Frankrijk, aan wien zij eene lemise a e maken ; „ , ...

dat, ten gevolge van den oorlogstoestand in ra" nJ en de daar door ontstane stemming in het verkeer, gelijk aan e eisc endefiima i«tn» i„ „iet tijdig te Londen is aangekomen ,

waar hij uiterlijk den 24 Nov. ter betaling moest zijn aangeboden (zijnde den derden costumieren respijtdag), zoodat, bij n,et-betalmg van dien wissel door den acceptant, het protest eerst op den 28 Nov.

1 ^dat 'de^eproteeteerde wissel van Londen weder naar Bordeaux en van ddar naar Narbonne is teruggekeerd, en den 6 Dec. weder van daar naar Amsterdam is gezonden , doch eerst den 25 Dec. daar aangekomen , en in het bezit van de eischende firma teruggekeerd is; j.t ,in oischende firma dus veroligt was vóór of nn den 30 Dec. 18'U

het protest aan hare endossanten Lippmann Rosenthal en Comp< doen beteekenen, maar daar de wissel op ongezegeld papier

, te

was

Sluiten