Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verevende schuld heeft willen toelaten; dat deze wil des wetgevers ! >g nader uitkomt in art. 499 B. R., vergeleken met artt. 1*242 en •^43 B. W., daar toch uit deze wets-artikelen , in onderling verhand wtschouwd , duidelijk hlijkt, dat geen hypotheekregt mag worden geëxecuteerd dan voor eene bepaalde en verevende schuld of vorderingj dat, zoo al de geregtelijke vervolging niet kan vernietigd worden, °t* grond, dat de schuldeischer dezelve begonnen zoude hebben voor e<:ne nog onbepaalde vordering, of wel, zoo als art. 501 B. R. zegt, '•oor eene grootere som dan hij te vorderen had, nogtans de verkoop ^-rst na de verevening kan geschieden , en dat naar dien wil des v-etgevers zich ook geheel heeft geschikt de bedoeling van partijen j de hypotheek-acte^ van den 13 Junij 1865 , zoo als deze bedoeling wordt aangeduid door de in die acte voorkomende woorden : »en ■ zoo voor het geheel kost- en schadeloos bij voorrang op de verbondene goederen zal kunnen verhalen, hetgeen blijken zal bij het • uiten der loonende rakfininf of >n het tiidètip, waarop zij compa¬

ranten zullen ophouden lid te zijn der Crediet-vereeniging voornoemd, • ^or hen ter zake bovenbedoeld, of uit welken anderen hoofde ook, aan dezelve vennootschap te zijn verschuldigd;"

0. voorts, dat zeer zeker wel door eene rekening-courant eene ^'huld kan worden bepaald en verevend, ten gevolge van uitdrukkende of zelfs stilzwijgende goedkeuring; doch dat in casu noch de ' et dadelijke betwisting van de beteekende rekening-courant, met bevel k>t betaling uiterlijk binnen twee dagen, voor hare stilzwijgende goedkeuring, noch ook het nalaten van verzet tegen den verkoop, gehouden op den tweeden dag na de aanzegging daarvan, als berusting in "•en verkoop mag worden aangemerkt; dewijl immers eene rekening^•urant, daargelaten of de onderwerpelijke, zoo als zij is beteekend, V/oikelijk den beteekenden regardeert, in ieder geval niets anders ^r.'ijst dan eene eenzijdige daad van iemand, die beweert voor een Sfcker bedrag, als slot van rekening, schuldeischer te zijn, waaruit op z ' h zelve , zonder bijkomende handeling des beweerden schuldenaars, Zoodanige handeling hier niet aanwezig is, en zonder tusschenkomst Vrtn den regter, welke tusschenkomst niet is ingeroepen, nimmer eene --paalde of verevende schuld kan ontstaan, terwijl evenmin bij eenige ''•etsbepaling den eigenaar van een onroerend goed de verpligting is opgelegd om , op verbeurte van zijne regten van eigendom, zich tegen ^n aangezegden verkoop te verzetten, vóórdat deze heeft plaats gehad, '-largelaten nog, of zoodanig verzet in casu gedurende de tijdruimte, (^e verliep tusschen de aanzegging en den verkoop , wel behoorlijk ^>ude hebben kunnen geschieden;

0., dat, kan do executie van het hypotheekregt in het algemeen - et anders geschieden dan voor eene bepaalde en verevende schuld, ''ö/.e regel evenzeer geldt ten opzigte van de onherroepelijke volmagt van art. 1223 B. W., welke immers niet een afzonderlijk en op zich 3*1 f staand regt daarstelt, maar, aan het hypotheekregt verbonden en daarmede vereenigd, slechts eene uitbreiding daaraan geeft, waaromtrent dan ook geene uitzondering op den zoo even bedoelden regel in de wet wordt aangetroffen;

iJ-> dat, alzoo het eerste middel van niet-ontvankelijkheid gegrond klacht wordende, in geen verder onderzoek der zaak behoeft te wor-r' getreden; dat bij gevolg het vonnis der Regtbank, waarbij dat «Hddel is verworpen, behoort te worden vernietigd, en dat geïnt., ten 'hoeve zoowel der appellanten als van de interveniënte , in al de Proceskosten moet worden verwezen;

0. eindelijk, met betrekking tot de vordering der appellanten tot v&rcordeeling van de geïnt. tot vergoeding van kosten , schaden en ititeressen , op te maken bij staat, dat de geïnt, door den verkoop v»n der appellanten onroerende goederen en door hunne verwijdering

*n die goederen, onregtmatige handelingen heeft gepleegd, daardoor '^getwijfeld aan appellanten nadeel toegebragt heeft, en zij dus, naar ud van art. 1401 B. W., gehouden is de veroorzaakte schade te vergoeden;

Kegt doende enz. ,

Zoowel ten principale als op de interventie,

Vernietigt het vonnis der Arrond.-Regtbank te Assen , tusschen :'eïnt. als eischeresse en appellanten als gedaagden den 28 Junij 1869 gewezen •

Verklaart de eischeresse, thans geïnt., niet-ontvankelijk in hare ordering, bij dagvaarding van den 22 April 1869 tegen appellanten ';is gedaagden ingesteld; en

Veroordeelt geïnt. tot vergoeding der schade, aan appellanten veroorzaakt door executie van het zoo even aangeduide, bij dit arrest yerriieiigde vonnis ;

Verwijst geïnt, in al de kosten dezer procedure, zoo in eersten aanleg als in hooger beroep gevallen , ook ten behoeve van de interveniënte.

AR RON DISS EMHNT8-REGT B ANKE IV.

ARRONDISSEMENTS-REGT i!ANK TH LEIDEN. 8tnrgerlij!te kamer.

Zitting van den 28 Mei 1872.

Voorzitter, Mr. J. van Octeren.

Gratis admissie. — Afwijzing van dezelve door het

instellen eener andere actie dan "waartoe de admissie was verleend. — nlet-ontvankelijk.heid is parts qua.

Vordering tot vernietiging van een testament op grond van beweerde krankzinnigheid der erflaatster.

Appreciatie der feiten, door de eischers tot staving van hun eisch

geposeerd.

Zin en beteekenis van art. 945 B. W.

J. S. e. s. , eischers, procureur Mr. C. A. Boonacker ,

tegen

C. II., gedaagde, procureur P. K. Doeff.

De Regtbank enz.,

Wat de daadzaken betreft:

finmnnmauU. dat da eischers overeenkomstig de dagvaarding bii

Conclusie van eisch hebben gesteld: dat de ged. den 22 Julij 1870 te W. met ?A. d. R. is gehuwd-., blijkens extract uit het huwelijksregister dier gemeente, ten processe overgelegd, en in afschrift beteekend aar. den ged., nadat hij op 28 Junij te voren voornoemde A. d. li., die zich in hare onnoozelheid dat liet welgevallen, buiten weten van haren voogd en zonder voorkennis van G. d. H., te l., bij wicn zij inwoonde, des morgens vroeg, terwijl d. H. afwezii£ was , heeft weggehaald en naar het huis van zijnen vader te W". heeft gebragt, alwaar zij vóór en na haar huwelijk met den ged. 's blijven inwonen; dat de ged. reeds kort na zijn huwelijk, en stellig 0p of omstreeks den 7 Aug. 1870, aangaande den steeds achteruitgaanden zielstoestand zijner huisvoaw (die van af hare jeugd in een voort >urenden staat van onnoozelheid had verkeerd) den heer Dr. v. P., te O., is gaan raadplegen; dat kort daarna die toestand van A. d. li. dermate is verergerd , dat eene consultatie van Dr. v. 1J. met den geneesheer directeur van het krankzinnigen-gesticht te TJ., op

20 Sept. 18 70, te W. heeft plaatsgehad, en op 6 Oct. daaraanvolgende hare opneming in gemeld gesticht in een staat van razernij is gevolgd, alwaar zij op 18 Maart 1871 is overleden, blijkens extract uit het register van overlijden der gemeente TT., ten processe overgelegd, en aan den gei. in afschrift beteekend; dat desniettemin, op aandrang van den ged., meergenoemde A. d. K., op 17 Aug. 1870, begeleid door den ged. , naar W. en naar het kantoor van den notaris v. L. is gegaan en aldaar heeft verleden een uitersten wil, waarbij zij verklaard heeft haren man , den ged., te benoemen tot haren éenigen erfgenaam; dat de erflaatster vóór haar huwelijk gedurende meer dan tien of twaalf jaren, en vooral nadat zij van eene onder den naam van St. Vitus dans bekende ziekte was hersteld, voortdurend in een staat van zinneloosheid heeft verkeerd , zoodat zij niet tot geregeld denken noch werken in staat was, en die toestand blijkbaar na haar huwelijk in die mate is verergerd, dat die tot volkomen razernij is geworden; dat de erflaatster, noch vóór, noch gedurende haar huwelijk eeuig begrip of notie heeft gehad van een testament, noch van het gewigt of het ernstige eener zoodanige handeling ; dat de erflaatster noch vóór, noch omtrent, noch na den 17 Aug. 1870 , heeft gehad het bezit harer verstandelijke vermogens; dat de eischers bij ontkentenis bereid zijn de daartoe strekkende feiten door alle middelen van regten te bewijzen; dat de eischers zijn erfgenamen ab intestato deioverledene A. d. K., mitsdien belang nebben bij de vernietiging van den ongeldigen uitersten wil en regt hebben om van den ged. te vragen afgifte der nalatenschap voor hun aandeel, en hetgeen daartoo naar de wet behoort; eindelijk, dat de eischers op grond hiervan hebben geconcludeerd , dat deze Regtbank zal uitspreken de nietigheid van de acte van uitersten wil, op 17 Aug. 1870 voor den notaris L. en getuigen door A. d. R., huisvrouw van den ged., verleden, en den ged. veroordeelen, als houder en bezitter der nalatenschap zijner overledene huisvrouw, aan de eischers af- en over te geven zoodanig aandeel dier nalatenschap als blijken zal aan de eischers ieder voor hun aandeel te competeren, met de vruchten en inkomsten, daarvan genoten sedert den dag van het overlijden, en met veroordeeling van den ged. in de kosten van het geding;

0. , dat de ged. bij conclusie van antwoord tegen deze vordering heeft aangevoerd: 1°. eene exceptie van niet-ontvankelijkheid, opgrond, dat, bij beschikking dezer liegtbank van den 18 Sept. 1871, aan de eischers, overeenkomstig hun verzoek, is toegestaan kosteloos tegen den ged. te mogen procederen tot vernietiging van het testament in quaestie en voors tot inventarisatie, scheiding en deeling van de nalatenschap van A. d. R.; dat nu de eischers, met afwijking hiervan, blijkens dagvaarding en conclusie van eisch, van den ged., als houder en bezitter der nalatenschap zijner overledene huisvrouw, vorderen af- en overgifte van zoodanig deel dier nalatenschap als blijken zal aan de eischers ieder voor hun aandeel te competeren , met de vruchten en inkomsten, daarvan genoten sedert den dag van het overlijden ; dat alzoo aan de eischers is toegestaan, gratis te procederen tot vernietiging van het testament, en als een gevolg van dien temogen instellen de actio Jamiliae erciscundae, doch dat zij nu vragen do vernietiging van het testament en hieraan verbinden de petitio hereditatis ex articulo 881 B. W., welk verschil te meer stringeert in casu, alzoo de ged. met wijlen A. d. R. was gehuwd in gemeenschap van goederen , terwijl behalve de eischers nog meerdere bloedverwanten van wijlen A. d. R. bestaan , die, zoo er geen testament bestond , mede van haar zouden moeten erven , welke daadzaak de ged., zoo noodig, aanbiedt door alle middelen regtens en speciaal door getuigen te bewijzen, waarvan hij acte heeft verzocht; 2". doch subsidiair de exceptio pLurium litis consortium, op grond, dat de eischers,

alle bloedverwanten van wijlen A. d. 14., die, zoo er geen testament bestond, tot mede-erven zouden zijn geregtigd, in het geding hadden moeten roepen, wat zij echter niet hebben gedaan, biedende -de ged. aVm om by ontkentenis het bestaan van meerdere bloedverwanten te bewijzen ; dat het toch niet kan opgaan raauwelijks te vorderen zijn individueel aandeel in eene nalatenschap, waartoe meerderen zouden ziin geregtigd, zoolang niet op wettige wijze geconstateerd is, welk

ieders aandeel in die nalatenschap is , wat wel niet anders dan met alle geregtigden kan worden uitgemaakt; 3o. ten principale, dat de eischers tot staving van hun eisch onderscheiden daadzaken stellen , zonder hiervoor het minste bewijs te leveren, doch aanbieden bij ontkentenis de daartoe strekkende feiten te bewijzen : dat de ged. erkent met nu wijlen A. d. li., op den 21 Julij 1870, te W. te zijn gehuwd, doch ontkent haar vooraf buiten weten van haar voogd, en zonder voorkennis van G. d. H., te L., bij wien zij inwoonde, te hebben weggehaald, en naar huis van zijn vader te W. te hebben gebragt, terwijl hij mede ontkent al hetgeen de eischers verder kunnen goedvinden bezijden de waarheid op te disschen , en speciaal ontkent; lo. dat A. d. R. tijdens hare huwelijks-voltrekking met den ged. in staat van zinneloosheid heeft verkeerd; dat, wel verre dat ten deze aan krankzinnigheid of onnoozelheid der testatrice of aan clandestine of immorele handelingen van den ged., vóór en bij de voltrekking van zijn huwelijk met A. d. R., zou zijn te denken, veeleer uit de toestemming door haren oom en voogd tot dat huwelijk van het tegenovergestelde is blijkende, hebbende dan ook niemand en speciaal geen der leden van de familie der testatrice zich tegen dat huwelijk verzet; 2». dat de erflaatster noch vóór, noch omtrent, noch na den 17 Aug. 1870, heeft gehad het bezit harer verstandelijke

vermogens ; voorts dat het opmersmg verdient, dat de eischers zich wel wachten als daadzaak te stellen, dat de erflaatster zou zijn geweest krankzinnig of niet in het bezit harer verstandelijke vermogens op den 17 Aug. 1870, zijnde geweest het tijdstip, waarop A. d. R. haar testament heeft gemaakt en waarop het ten deze toch eeniglijk '/nü aankomen, als moetende de capacitas testandi. ingevolge art. 9-15

B. W., worden beoordeeld naar den staat, waarin de testatrice zich tempore facti testamenti bevond , waaruit volgt, dat de door eischers nestelde feiten, als noch concludent, noch pertinent, in geene aanmer¬

king kunnen komen, en zeer zeker niet tot bewijs hunner vordering kunnen of mogen strekken; hebbende de ged. op grond van het een en ander geconcludeerd, dat de eischers niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun gedanen eisch en genomen conclusie , immers en in allen gevalle hun dezelve zal worden ontzegd, met veroordeeling van de eischers in de kosten;

O., dat de eischers hebben geantwoord: 1». op de eerste exceptie, dat hun is toegestaan kosteloos te procederen tot vernietiging van meergemelden uitersten wil; dat nu de ingestelde vordering strekt om te hooren uitspreken de vernietiging, en ais noodwendig gevolg daarvan de vernietiging van het effect van gezegd testament, mitsdien afgifte van den boedel en nalatenschap door deugene, die had opgehouden afgestaan te zijn aan de wettige erfgenamen, in casu de eischers , voor hun aandeel; dat, al ware deze beschouwing onjuist, het gevolg alleen zou kunnen zijn, dat voor een deel hunner vordering kosteloos, voor een ander deel niet kosteloos werd geprocedeerd ; 2". dat evenmin in deze sprake kan zijn van eene exceptio plurium litis consortium, dewijl de ged. in gebreke is gebleven te bewijzen, wie die consorten zijn, en het belang van enkelen bij den uitslag van een of ander regtsgeding daarom de gedingvoerenden niet verpligt die belanghebbenden in het geding te roepen; 3». ten principale, dat de ged. als beginsel vooropstelt, dat door de eischers moet worden bewezen, dat zijne huisvrouw op het oogenblik der testamenti factio niet was compos mentis,- dat de eischers evenwel kunnen volstaan met het bewijs, dat A. d. R. van af hare kindsche jaren tot aan haren dood heeft verkeerd in een staat van onnoozelheid, die later is verergerd tot een staat van volslagen krankzinnigheid en

razernij, in hoedanigen staat zij is overleden ; dat tegenover dat bewijs op den ged. rust de last van bewijs , dat zijne vrouw op het oogenblik dor testamenti f actio niettemin was compos mentis; dat de eischers als feiten stellen: dat A. d. R. in hare jeugd heeft geleden aan eene zenuwziekte, bekend onder den naam St. Vitus dans; dat zij na dien tijd in hare verstandelijke ontwikkeling is gestoord, in alles achterlijk bleef; dat hare kennissen van dien tijd haar als kind na die ziekte reeds hielden voor onnoozel en in hare verstandelijke vermogens gekrenkt; dat zij teil huize van haren voogd, niettegenstaande zij in gezelschap was van jongelieden van haren leeftijd van beider kunne, altijd afgetrokken was, voor zich zelve heen , met niemand sprak , ter naauwernood antwoordde, als het woord tot haar werd gerigt; dat zij als maagd zich niet met de huishouding bemoeide; dat zij, indien zij al wat uitvoerde, haar werk van een dag gelijkstond met dat van een eerstbeginnend kind; dat zij zeer vergeetachtig was ; dat zij niet in staat was een gesprek te voeren en soms geheele dagen niet sprak; dat zij soms halve dagen te bed bleef liggen en te bed zou zijn blijven liggen , als zij niet genoopt ware geworden om op te staan ; dat zij van de meest gewone en dagelijksche dingen geen besef of begrip had, en zelfs dat zij onder anderen geen geld kon tellen; dat zij vóór haar huwelijk zich door den ged. heeft laten wegvoeren naar het huis en verblijf van den ged.; dat zij bij dat vertrek over haar persoon en over hare goederen door den ged. liet beschikken , alsof het haar alles vreemd was, wat er met haar gebeurde ; dat weinige dagen na haar huwelijk, op of omstreeks 7 Aug. 1870 , de geneesheer Dr. v. P., te O., over hare gekrenkte zinnen is geraadpleegd; dat de ged. zelf heeft verhaald, dat zijne vrouw niet goed bij het hoofd was; dat de ged. zijne vrouw een tijd lang in eene bedstede met deuren, door een ijzeren boom gesloten, heeft bedwongen; dat zij reeds op 6 Oct. 1870 in het krankzinnigen-gesticht te II. in een staat van razernij is opgenomen, en op 18 Maart 1872 aldaar in dien toestand is overleden ; dat zij geen begrip had, noch heeft kunnen hebben van wat een testament was , noch van het ernstige en gewigtige eener zoodanige handeliing; dat A. d. R. vóór haar overlijden eiken dag hare op handen zijnde verlossing wachtte en na haren dood, dus nog geen acht maanden na haar huwelijk , bleek zwanger te zijn van een voldragen levensvatbaar kind ; dat deze feiten zijn ter zake dienende en afdoende ; op dezen grond concluderende om te worden toegelaten de hiervoren gestelde feiten

door alle middelen regtens, speciaal door getuigen , te bewijzen ;

0., dat de ged. heeft aangevoerd, wat betreft: lu. zijne eerst voorgestelde exceptie, in hoofdzaak het reeds hiervoren tot aanprijzing vermelde, alsmede dat wat namens eischers is gesteld omtrent het voeren van een geding , deels kosteloos, deels niet-kosteloos, is ongerijmd, strijdig met de wet, inpracticabel en ondenkbaar; 2». de tweede exceptie, dat eischers zeer goed weten , dat, bijaldien geen testament bestond, de personen, bij deze conclusie vermeld, mede als erfgenamen ab intestato van A. d. R. zouden zijn geregtigd, sommerende de eischers om dit feit te erkennen, en aanbiedende om, bij ontkentenis , dat te bewijzen ; dat met alle regthebbenden moet worden uitgemaakt en geconstateerd wat en hoeveel aan de eischers , indien zij als erfgenamen ab intestato konden optreden, voor hun individueel aandeel zou competeren; 3". ten principale, dat alleen het beginsel, iu art. 945 B. W. nedergelegd, kau worden toegepast, en dat de jedanering der eischers, als zoude op den ged. rusten de verpligting tot het leveren van bewijs , dat zijne vrouw op het oogenblik van de testamenti factio was compos mentis, is onzin en in strijd met art. 1902 B.W.; dat hij de door de eischers gestelde feiten blijft ontkennen en niet ter zake dienende en afdoende acht, terwijl uoch de vroegere noch de latere toestand van A. d. R., doch alleen die op het tijdstip van de testamenti factio, ten deze in aanmerking komt; concluderende op dezen grond, dat het der Regtbank moge behagen de eischers te verklaren niet-ontvankelijk in hunnen incidentelen eisch tot levering van het door hen aangeboden bewijs , immers en in allen gevalle hunne daartoe strekkende vordering en conclusie te ontzeggen, cum expensis; verklarende de ged. overigens bij zijne genomene conclusie te persisteren ;

0., wat het regt betreft:

dat, alvorens in een onderzoek over de zaak ten principale te treden , de twee door den ged. voorgestelde exceptiëu van niet-ont-

vankeltjkhetd moeten worden onderzoent;

0. ten aanzien der eerste exceptie, dat aan de eischers , overeenkomstig hun gedaan verzoek , bij beschikking dezer Regtbank van den 18 Sspt. 1871, is toegestaan kosteloos te mogen procederen tegen den ged. tot vernietiging van den uitersten wil van A. d. R., en voorts tot inventarisatie, scheiding en deeiing van hare nalatenschap; dat de eischers vervolgens, met gebruikmaking van gemelde beschikking dezer Regtbank, bij dagvaarding en conclusie van eisch hebben geconcludeerd tot vernietiging van den uitersten wil van wijlen A. d. R. en tot veroordeeliug van den ged., als houder en bezitter der nalatenschap zijner overledene huisvrouw, om aan de eischers af en over te geven zoodanig aandeel dier nalatenschap als blijken zal aan de eischers ieder voor hun aandeel te competeren met de vruchten en inkomsten, daarvan genoten sedert den dag van het overlijden;

dat hieruit blijkt, dat de eischers bij hunne dagvaarding en con¬

clusie van eisch aan de vordering tot vernietiging van net oewuste testament hebben verbonden eene geheel andere actie dan waarvoor hun was toegestaan kosteloos te procederen ;

dat toch de toegevoegde actie geene andere is dan die tot verkrijging der erfenis ex articulo 881 B. W., terwijl deze noch een noodwendig gevolg van de vordering tot nietig-verklaring van het testament , noch dezelfde is als die tot inventarisatie, scheiding en deeling der nalatenschap ;

dat een gevolg der afwijking van de beschikking tot kosteloos procederen moet zijn , dat de eischers niet-ontvankelijk moeten worden

verklaard in hunne vordering, wat betrett de tiereaitatis petitio, zoodat alleen blijft bestaan de vordering tot vernietiging van het testament, welke vordering op zich zelve zeer goed bestaanbaar is en gevolg kan hebben en alzoo niet is eene sententia declaratoria , zoo als namens den ged. is beweerd;

0. ten aanzien der tweede exceptie, dat, ten gevolge van do op de eerste exceptie genomen beslissing, het niet noodig is voorgekomen in een onderzoek dezer exceptie te treden , die alleen is voor gesteld geworden met het oog op de gevoegde vordering, zoodat met het vervallen van deze ook de daarop doelende exceptie buiten beschouwing moet blijven;

0. alsnu ten principale , dat de eischers bij dagvaarding en conclusie van eisch hebben gevorderd vernietiging van het testament, den 17 Aug. 1870 voor den te W. residerenden notaris S. L. verleden door wijlen A. d. R., waarbij deze haar echtgenoot, den ged., heeft ingesteld tot erfgenaam harer nalatenschap , op grond , dat de erflaatster niet zou zijn geweest in het bezit harer verstandelijke vermogens ;

dat de eischers bij dagvaarding en conclusie van eisch reeds daadzaken hebben gesteld, waaruit zou blijken, dat de erflaatster, noch vóór, noch omtrent, noch na den 17 Aug. 1870 , heeft gehad hot bezit harer verstandelijke vermogens, met aanbod om dit feit te bewijzen door alle middelen regtens ;

dat de ged. de gestelde daadzaken heeft ontkend en beweerd, dat

die niet zijn pertinent en concludent, ornaat in ueze etgeunjK nee bewijs moet worden geleverd, dat de erflaatster A. d. R. op den 17 Aug. 1870 krankzinnig was ;

dat de eischers daarop tot staving hunner vordering daadzaken

Sluiten