Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PROVINCIALE HOVEN.

PROVINCIAAL GERIiGTSHOF IN LIMBURG. Burgerlijke kamer.

Zitting van den 28 Mei 1872.

Voorzitter, Mr. R. J. E. Capitaine.

Ontbinding eener hoür-overeenkomst. — Ontkentenis. — Beslissende eed.

Is een eed, subsidiair voor het geval de vordering door andere gebezigde middelen niet mogt bevonden worden te zijn bewezen, opgedragen , een eed tot aanvulling van andere onvoldoende bevonden bewijsmiddelen, dus een suppletoire eed en niet een beslissende? _ Ja.

Koymans , boekbinder, wonende te Maastricht, appellant, procureur J. IJt Weygers , bijgestaan door Mr. Edm. van Wintersiioven , advokaat,

tegen

i'. Mulkens, rentenier, wonende te Maastricht, geappelleerde, procureur Mr. Eug. van Oppen, bijgestaan door Mr. Leo van Oppen, advokaat.

Het Hof enz. ,

Gehoord de conelusiën der partijen, bij slotsom luidende : die van ('er. app.; dat het den Hove moge behagen, met te-niet-doening van '•t VOlinis . nn irlpn lil rw 1 k71 door de Arrond.-Regtbank te

Maastricht tusschen partijen gewezen, en hetzelve verbeterende en -^ende wat de eerste regter had behooren te doen,—-alsnog bij arrest, Bitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande nadere voorziening, ontbonden te verklaren de tusschen partijen aangegane huur-overeenkomst, "i de retroacta breeder omschreven, en alsnog den geapp. te ver'•'deelen tot schadevergoeding aan den app., begroot op de somma 'an ƒ 500 of zoodanige mindere, als het Hof in goede justitie zal •'ermeenen te behooren , met ver*ordeeling van den geapp. in de kosten van beide instantiën; zeer subsidiair, bijaldien des geappelleer>:en ontkentenis van eene schriftelijk erkende huur-overeenkomst wogt worden aangenomen , dat het den Hove moge behagen nu voor isaan den app. te verleenen acte, dat hij aan den geapp. opdraagt <len navolgenden beslissenden eed: »Ik zweer, dat ik aan den app. 'liet verhuurd heb het huis in de Spilstraat, waarover de reglsvor'lering tot ontbinding is hangende;» concluderende overzulks, dat, r'i) gemis van het uitzweren van dien eed, in allen gevalle de pritriaire conclusiën zullen worden toegewezen, cum expensis;

die van den geapp. : dat het Hof, althans na praestatie van den hem ■pgedragen eed , zal bevestigen het vonnis a quo, met verwijzing van -en app. in de kosten van het appel;

verklarende, dat hij tot het aannemen van dien eed is gemagtigd, ilijkens de mede-onderteekening dezer conclusie door geapp.; Gehoord de gehoudene pleidooijen;

Met opzigt tot de daadzaken :

Uvernemende de daartoe betrekkelijke overwegingen van den eersten regter; en verder overwegende, dat de Arrond.-Regtbank te Maasricht, bij vonnis van den 14 Dec. 1871, heeft verleend acte, waar■an acte was gevraagd; heeft verklaard den eischer ongegrond in

'ijne vordering en hem heeft verwezen in de kosten van het regts-

geding;

dat de eischer zich tegen deze uitspraak voor dit Hof in hooger beroep heeft voorzien, en daarna ter openbare teregtzitting door parijen zijn genomen en geadstrueerd de aan het hoofd dezes overge^chrevene conelusiën ;

Met opzigt tot het regt:

Aannemende de beweegredenen van den eersten regter in regten 'en aanzien van des appellanls primaire conclusie, en ten aanzien van deszelfs zeer subsidiaire conclusie;

o., dat een eed, subsidiair, voor het geval de vordering door andere gebezigde middelen niet mogt bevonden worden te zijn bewezen , opgedragen , is een eed tot aanvulling van andere onvoldoende bevonden bewijsmiddelen, dus een suppletoire eed en niet een eed, waarvan men de beslissing van het punt in geschil enkel en alleen wil doen afhangen, bij gevolg niet een beslissende eed;

Beschikkende op het ingesteld hooger beroep,

Verleent acte waarvan acte is gevraagd ;

Ontzegt aan den app. zoowel zijne primaire als subsidaire conclusie en verwijst hem in de kosten van het hooger beroep.

AR RON D [SSEMENTS-REGTBANKE N.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE AMSTERDAM. Burgerlijke hamer.

Zitting van den 3 September 1872.

Voorzitter, Mr. A. van Eyk. Bijleveld.

Wettiging. — Tweede huwelijk. — Voorkinderen. — Erfregt.

Behooren per rescriplura principis gewettigde hinderen, naar analogie van artt. 33 2 en 333 B. IV., in de erfopvolging van hunnen vader dezelfde regten te genieten, alsof zij uit één huwelijk waren geboren f — Neen.

Strekt, de beperking van art. 949 ö. IV. tot bescherming van de regten der voorkinderen ? — Neen.

T. Engel , eischeresse ,

tegen

de weduwe Th. D. Engel c. s., gedaagden.

Regtbank enz.,

«elet op de conclusie van den officier van justitie , dat de Regtwrnk: lo. 7R\ toewijzen de ingestelde vordering tot boedelscheiding; 2o- za] bevelen , dat bij deze boedelscheiding zal worden toegescheiden vierde gedeelte aan de eerste ged. en aan ieder der vijf kinderen en ten aanzien van het vooroverleden kind zijne af komelingen bij representatie) een vijfde gedeelte in de overige drie vierde gedeelten 'er nalatensnlinr. - .1' d/> pUpiifM ps vnnv aisnotr met-ontvankelijk zal

■Grklaren in haren eisch, alles met veroordeeling van de eischeres ln de helft der kosten en met bepaling, dat de wederhelft der kosten ut den boedel zal worden gerefundeerd ;

Overwegende in facto :

dat de eischeres , na bekomen verlof van den voorzitter dezer Regtbank (geregistreerd) , de gedaagden op verkorten termijn heeft gedagvaard, daarbij stellende, dat haar vader, de heer T. D. Engel, op den

2 Dec. 1870 alhier is overleden, nalatende als erfgenamen volgens testament: 1°. zijne weduwe J. L. Wijnhamer voor het beschikbaar deel; 2°. zijne descendenten , zijnde a. de eischeres met hare zuster L. C. Engel, en de kinderen van wijlen haren broeder T. D. Kngel, allen in Indië geboren en aldaar in 1829 gewettigd; en 6. de kinderen, uit het later huwelijk van hunnen vader met genoemde J. L. Wijnhamer geboren, zijnde A. C. Engel, gehuwd met H. de Ridder Tzn., en de minderjarige Th. Engel; dat er alzoo zijn vijf kinderen , waarvan drie voorkinderen, en mitsdien het beschikbare deel, aan de weduwe vermaakt, volgens art. 949 B. W., bedraagt een zesde ; dat deze echter pretendeert regt te hebben op een vierde, sustinerende, dat de voorkinderen ten gevolge der wettiging wel gelijkstaan met wettige kinderen , maar toch niet kunnen beschouwd worden als uit vroeger bed geboren; dat dit sustenu werkelijk is ten grondslag gelegd aan een ontwerp scheiding, zoodat de eischeres , die deze berekening niet kan goedkeuren , zich verpligt ziet hare mede-erfgenamen tot boedelscheiding te noodzaken, met in-acht-neming van art. 949 ; dat de eischeres ook aanmerking heeft op de rekening van ontvangst en uitgaaf, zooveel betreft eene som van ƒ 1700 , in uitgaaf onder den naam van voortzetting der huishouding en andere posten, voor zoover die niet mogten worden gejustificeerd;

dat zij op die gronden heeft geconcludeerd, dat de gedaagden zullen worden veroordeeld om met haar over te gaan tot de scheiding en verdeeling van voormelde nalatenschap , met bovel, dat die zal worden opgemaakt, zoodat aan ieder der deeigeregtigden zal worden toegescheiden een zesde gedeelte, en dat niet in uitgaaf zal worden gebragt de uitgetrokken som van /' 1700 voor voortzetting der huishouding,

onder reserve ook van andere posten, die met mogten worden gejustificeerd, en veroordeeling van de gedaagden in de kosten vau het geding , ingeval van tegenspraak ;

dat de eerste ged. J. L. Wijnhamer, voor zoover zij gedagvaard was in hare qualiteit van voogdes over haar minderjarig kind T. Engel, acte heeft gevraagd, dat zij zich refereert aan het oordeel der Regtbank , en wat haar in privé betreft heeft geantwoord, dat zij zich niet verzet tegen de gevraagde boedelscheiding, maar den grondslag, waarop de eischeres verlangt dat die zal worden opgemaakt, onjuist acht; dat toch de erflater bevoegd was over een vierde deel zijner nalatenschap te beschikken , en zij ged. niet onbevoegd is dat een vierde gedeelte te genieten, daar de onbevoegdheid, in art. 949 B. W. bedoeld, slechts bestaat voor de echtgenoot in een tweede huwelijk, en er geen ander huwelijk van den erflater heeft bestaan dan met haar ged.; dat de sub 3 gedane vordering is praematuur en derhalve niet-ontvankelijk , dewijl de justificatie van cijfers en lasten des boedels en de verrekening van hetgeen de erven aan de nalatenschap verschuldigd zijn of van haar te vorderen hebben , behoort tot de werkzaamheden der scheiding; op welke gronden zij heeft acte verzocht, dat zij zich niet verzet tegen de sub 1 gevraagde veroordeeling, en voorts geconcludeerd , dat daarbij zal worden toegescheiden een vierde aan deze ged. in privé, en aan ieder der vijf kinderen (of de afstammelingen van het vijfde kind) een vijfde in de overige drie vierde gedeelten

der nalatenschap, met niet-ontvankeiijk-verklaring van de eischeres in hare sub 3 gedane vordering, en veroordeeling der eischeres in de kosten, voor zooveel de Regtbank die zal brengen ten laste des boedels;

dat van de overige gedaagden ééne, A. C. Engel, echtgenoot van H. de Ridder Tzn., eene gelijke conclusie heeft genomen als de eerste ged. in privé gedaan heeft; terwijl de andere, L. C. Engel, echtgenoot van C. A. Steinigeweg, P. E. C. Engel, echtgenoot van E. I. C.

Komg, en regenten van het rarapatten weezen-gesticht te Batavia , als voogden van Alidon Betsy Berte en Bernard Antoine Gerard Engel, acte hebben verzocht, dat zij zich aan 's regters oordeel refereren, met veroordeeling van die der partijen , die in het ongelijk zal worden gesteld, in de kosten, tenzij de Regtbank beslisse die als boedelkosten te brengen;

O. in jure :

dat de 6ub 1°. ingestelde vordering tot boedelscheiding door geen der gedaagden is tegengesproken, en de beide éénige vragen, die tusschen partijen beslist moeten worden, derhalve deze zijn ; 10. bestaat het aan de ged. J. L. Wijnhamer vermaakt beschikbaar gedeelte uit een vierde of wei (met toepassing van art. 949 B. W.) een zesde deel der nalatenschap ? 2°. is de eischeres ontvankelijk om reeds in dezen stand van het geding eene beslissing uit te lokken over de gelden , tot voortzetting der huishouding in rekening gebragt ?

0. ad lllm., dat, volgens art. 949 B. W., de man of de vrouw. die.

kinderen uit een vroeger bed hebbende, een tweede of volgend huwelijk aangaat, bij uitersten wil aan zijn lateren echtgenoot niet meer zal mogen geven dan het minste gedeelte, hetwelk een der wettige kinderen geniet; dat er, om dit artikel te kunnen toepassen, derhalve noodig is, dat aan het beweerde tweede huwelijk een eerste zij voorafgegaan , hetzij in werkelijkheid, hetzij, minst genomen , tengevolge van eene wettelijke fictie; dat het in casu tusschen partijen in confesso is, dat zoowel de eischeres als haar broeder en zuster door den erflater in Indië bij eene inlandsche vrouw buiten echt verwekt zijn, en in 1829 op de wijze, die toenmaals in Nederlandsch Indië regtens was, van den gouv.-gen. brieven van wettiging hebben bekomen;

dat de kracht van zoodanige brieven van wettiging, door de overheid verleend, volgens het oud-Hollandsch regt, hetwelk in 1859 in Nederlandsch Indië gold, en waarnaar die kracht moet beoordeeld worden, daarin bestond, dat de smet van bastaard, die aan eene onwettige geboorte verbonden was, werd opgeheven en aan den gewettigde bepaalde regten werden verleend, waaronder het regt van erfopvolging in den boedel des vaders en van die bloedverwanten , die in het verleenen der brieven van wettiging hadden toegestemd, behoort (vgl. o. a. de Groot, Inleiding, I, 12,9, II, 31,70; van Leedwen, R. H. Recht, 1, 7,6; Voet, ad Pand., XXV, 7,13);

dat de gewettigden per rescriptum principis dus niet in allen deele werden gelijkgesteld met wettig geborenen , en bepaaldelijk de fictie vau een huwelijk tusschen hunne ouders nergens wordt aangenomen; dat zoodanige fictie dan ook reeds daarom , zelfs ten aanzien van den vader, die de legitimatie verzocht heeft en voor wien zij dus wel in de eerste plaats zou moeten werken, onereriimd zou ziin , omdat hij

ongetwijfeld na de legitimatie zijner kinderen, niettegenstaande hunne moeder nog leefde , bevoegd bleef een wettig huwelijk met eene andere vrouw aan te gaan; dat er derhalve geene aanleiding bestaat om zelfs bij wege van fictie aan te nemen, dat de erflater in casu twee verschillende huwelijken zou hebben aangegaan, en de bepaling van art. 949 uit dien hoofde op zijne nalatenschap niet toepasselijk is;

dat de eischeres hiertegen heeft aangevoerd : dat zij , als gewettigd kind , naar analogie der artt. 332 en 333 B. W., in de erfopvolging van haren vader dezelfde regten behoort te genieten, alsof zij uit één huweliik ware «"boren . en zii in die resTten wordt verkort,

indien art. 949 B. W. niet op haar toepasselijk wordt gemaakt; dat zulks echter onjuist is, daar in het laatstbedoeld artikel geen sprake is van regten der voorkinderen, maar van eene onbevoegdheid der tweede echtgenoot, hetgeen blijken kan niet alleen uit do plaatsing daarvan in de tweede afdeeling van titel XII, boek II, Burg. Wetb., maar vooral uit de omstandigheid, dat de hertrouwde echtgenoot, indien hij aan ieder zijner kinderen de legitieme portie geeft, en aan zijne echtgenoot evenveel , bevoegd is om over het overschietende geheel vrij ten behoeve van derden te beschikken, zoodat het niet een direct, maar slechts een verwijderd gevolg van genoemd artikel

is, indien door zijne toepassing het erfdeel der kinderen grooter wordt;

O. ad II"m., dat de vordering, die in casu is ingesteld, strekt om over te gaan tot boedelscheiding; dat het voorloopig ontwerp, hetwelk een der partijen daarvoor voorloopig mogt hebben opgemaakt, dus in dezen stand van het geding, indien althans niet beide partijen eene beslissing omtrent oneenigheden, die voorzien worden', verzoeken, geen onderwerp van debat tusschen partijen kan uitmaken;

dat de justificatie van de cijfers en de verrekening van hetgeen de onderscheidene erfgenamen aan den boedel mogten verschuldigd zijn, eerst later bij de werkzaamheden der eigenlijke scheiding te pas komen en, zoo daarbij zwarigheden ontstaan, de weg, in art. 697 B. R. omschreven, zal behooren gevolgd te worden; dat de eischeres dus ten aanzien van het hier bedoelde punt voor alsnog niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard ;

Gezien de artt. 961, 1112 volg. B. W. en 56, 659 volg. B. R.;

Verleent aan de gedaagden de gevraagde acten;

Veroordeelt de gedaagden om met de eischeres, in het bijzijn van den heer kantonregter in het 2de kanton van dit arrondissement , over te gaan tot de scheiding en verdeeling van den boedel en de nalatenschap van den heer T. D. Engel voornoemd;

Benoemt J. L. Kabel als den notaris, voor wien , ingeval partijen zich niet binnen acht dagen na de beteekening van dit vonnis over de keus van een notaris hebben verstaan , de werkzaamheden der scheiding zullen plaats hebben;

Bepaalt, dat partijen gehouden zullen zijn op Donderdag 3 Oct. 1872, des voormiddags ten elf ure, voor den gekozen of benoemden notaris te verschijnen tot het bedoelde einde;

Benoemt Mr. A. A. van der Meksch , advokaat, wonende te Amsterdam, als onzijdig persoon om de gedaagden te vertegenwoor digen , indien zij, hetzij op den bepaalden dag of anders daartoe behoorlijk opgeroepen zijnde, bij voormelde werkzaamheden niet mogten tegenwoordig zijn, of indien zij mogten weigeren tot de boedelscheiding mede te werken;

Beveelt, dat bij die boedelscheiding zal worden toegescheiden één vierde gedeelte aan de eerste ged. in privé en aan ieder der vjjf kinderen (of de afstammelingen van het overleden kind) één vijfde in de overige drie vierde gedeelten der nalatenschap;

Verklaart de eischeresse voor alsnog niet-ontvankelijk in hare sub 3o. ingestelde vordering;

Veroordeelt de eischeresse in de helft der kosten, en bepaalt, dat de wederhelft uit den boedel zal worden gerefundeerd.

(Gepleit voor de eischeresse Mr. A. S. van Nierop , en voor de gedaagden Mr. A. Philips.)

KANTONGEBEGTEN.

KANTONGEREGT TE GORINCHEM.

Zitting van den 28 December 18 71.

Kantonregter, Mr. C. Diemont.

In casu wordt slechts aan ééne handeling schuldig verklaard.

Die ééne handeling levert twee misdrijven op.

Hier is dus concursus idealis.

Art. 207 Straf'oord., alleen betrekking hebbende op concursus realis , derhalve in casu niet toepasselijk.

Het Openb. Min., ambtshalve eischer,

tegen

E. L. K. Tzn., gedaagde.

De kantonregter enz.,

Gezien de acte van dagvaarding, den 9 Dec. 1871 behoorlijk geexploiteerd, waarbij de bekl. is gedagvaard om te regt te staan, ter zake dat hij op den 3 Nov. 1871 , des namiddags ten vier ure, te Meerkerk, als geleider van een tentwagen : a. harder dan stapvoets over de draaibrug van het Zederik-kanaal aldaar heeft gereden , en b. die brng is overgetrokken, terwijl de brugwachter terzelfder tijd bezig was die open te draaijen voor eene doorvarende stoomboot en mitsdien niet geheel gesloten was;

Gehoord het Openb. Min., zoo in de voordragt der zaak als in deszelfs schriftelijk overgelegd requisitoir, strekkende daartoe, dat bij vonnis van dit Kantongeregt de bekl. zal worden schuldig verklaard aan het over een der Zederik-kanaalbruggen : 1°. harder dan stapvoets rijden , en 2». die over te trekken , vóórdat zij geheel gesloten was, en dienvolgens veroordeeld in twee boeten, van f 10 elk, ten behoeve regtens, met bepaling, dat, indien de opgelegde boeten niet zijn voldaan binnen twee maanden, nadat de veroordeelde tot de

betaling is aangemaana, ein. uier uueien a«i woruen vervangen enz.;

Gehoord den bekl. enz.;

Overwegende, dat door een relaas, op zijnen ambtseed opgemaakt, den 3 Nov. 1871, door S. de Keyser, brugwachter van de draaibrug over het Zederik-kanaal, te Meerkerk, alsmede door de verklaringen van den relatant en van den te Meerkerk gestationneerden rijksveldwachter H. van Houten, ter teregtzitting onder eede afgelegd en geheel in overeenstemming met den inhoud van voormeld relaas, naar

regten is bewezen , oat de oeKl., niettegenstaande de hiervoor genoemde relatant hem had toegewenkt om terug te blijven , ongeveer ten vier ure des namiddags van den 3 Nov. 1871, met een tentwagen, bespannen met een paard, waarvan hij de voerman was, harder dan stapvoets is gereden over de draaibrug van het Zederik-kanaal te Meerkerk, terwijl de brugwachter die brug, welke hij reeds los had gedraaid , opendraaide;

O., dat hieruit volgt, dat de bekl. schuldig is aan hetgeen hem bij de dagvaarding is te laste gelegd, en dat het ten laste gelegde in het verrigten van slechts ééne handeling bestaat;

Verklaart, dat deze handeling moet worden gequalifieeerd als: «het anders dan stapvoets rijden over eene brug van het Zederikkanaal" en "het trekken over zoodanige brug, vóórdat zij geheel gesloten is» ;

O., dat in het eerste lid van art. 93 van het algemeen reglement van politie voor het kanaal van de rivier de Merwede te Gorinchem tot in de rivier de Lek te Vianen, genaamd het Zederik-kanaal, vastgesteld bij Kon. besluit van den 29 Jan. 1864 (Stbl. n». 6), èn "het anders dan stapvoets rijden» èn «het trekken over de brug, vóórdat zij geheel gesloten is», wordt strafbaar gesteld; en dat mitsdien door de enkele handeling, waaraan de bekl. is schuldig verklaard , twee overtredingen begaan zijn;

0., dat alzoo te onderzoeken is, of niet, op grond van art. 2'>7 , vierde lid, Strafvord. (ook bij wanbedrijven en overtredingen toepasselijk) twee geldboeten moeten worden opgelegd ;

O., dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord;

0. toch, dat in casu de twee overtredingen begaan zijn door eene enkele handeling ('concursus idealis) , terwijl in het tweede en vierde lid van art. 207 Strafvord. geen andere zamenloop bedoeld is dan de zoogenaamde concursus materialis, dat is het plegen van meerdere

misdrijven door meerdere nanaenngen ;

0., dat deze beperkte opvatting van het tweede en vierde lid van

Sluiten