Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dingsdag, 15 October 1872.

N°. 3507.

WEEKBLAD VAN HET REGT.

KEGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

V1ER-BN DERTIGSTE JAARGANG.

ju8 et vëritas,

M >jlad verschijnt des Maandags en Donderdags, en om. de veertien, dagen ook des Mngsdags, — Prijs per jaargang f 20 ; voor de buitensteden franco per post met ƒ1.00 verhooging.— Prijs der advertentie», 20 cent» per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers.— Agenten voor Duitschland: haas enste in en Yogler, te Hamburg.

hooge raad der nederlande.n

Hamer van Vacantie.

Zitting van den 27 Augustus 1872.

Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

Nieuwe bewijsstukken. — Motieven. — Geschilpunt van

BURGERLIJK REGT. — PRAEJUDIClëLE QUAESTIE.

Zakelijk regt.

Is aan den regter de stellige verpligting opgelegd tot het bevel der overlegging van bewijsstukken? — Neen.

Was hij dus verpligt in zijn vonnis de beweegreden te vermelden, waarom hij ten deze geen gebruik maakte van zijn regt om de overlegging van zoodanig stuk, een vonnis, ten civiele tusschen andere partijen gewezen , te bevelen ? — Neen.

&<eft de regter in deze ter egt geoordeeld, dat er , bij het bestaand verschil over den aard en den omvang van een zakelijk regt, genoegzaam was gebleken van het bestaan van een geschilpunt van burgerlijk regt, waarvan de beslissing van het strafgeding afhing ; en heeft hij dus ter egt dat geding geschorst ? — Ja.

De ambtenaar van het Openb. Min. bijh et Kantongeregt te Wijehen ',f'e Txr-^1 *n casöa^e voorzien tegen een vonnis van den kantonregter

Wijchen van den 24 April 1872 , voor zoover daarbij, met -.seive van uitspraaak over de kosten, is geschorst de regtsvordering 3 door dezen ambtenaar in zijne voormelde hoedanigheid ingeheid tegen J. Schreven , oud drie en-vijftig jaren, landbouwer, geboren «n wonende te Niftrik , gemeente Wijchen, ter zake van het op den 2 April 1872 doen grazen van koebeesten op met gras bezette uiter7 aai'den, gelegen te Niftrik , aan verschillende eigenaren toebehoorde, zonder eenig regt of vergunning daartoe te hebben.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Coninck Lief•ting , heeft de adv.-gen. Polis de volgende conclusie genomen :

&del Hoog Achtbare Heer en > President en Raden l Als eenig middel '&n cassatie is bij memorie aangevoerd: schending van art. 6 Strafvord., ''mdat <<e kantonregter ten onregte de regtsvervolging tegen dezen gereq. y,ou hebben geschorst.

gereq. stond te regt ter zake van op den 2 April 1872 koebeesten te hebben doen grazen op met gras bezette uiterwaarden, -■elegen te Niftrik, aan verschillende eigenaars toebehoorende, zonder of vergunning daartoe te hebben; en hij heeft zich verdedigd /f>et het feci sed jure feci, bewerende hij , onder overlegging van 'tukken , en met een beroep op de verklaringen van de ten proeesse gehoorde getuigen, als ingezeten en grondeigenaar te Niftrik , een regt 7an beweiding tc bezitten op de aldaar buitendijks gelegen weilanden, welk regt hij tot 15 April zou mogen uitoefenen. En nu beslist de kantonregter, dat, vermits de gereq. het bestaan van het door ^em beweerde regt aannemelijk heeft gemaakt, en zijne verdediging 'lus een geschilpunt van burgerlijk regt betreft, van welks beslissing '*e vraag afhankelijk is, of hij, door het hem ten laste gelegde feit te bedrijven, eene overtreding der strafwet heeft begaan, de straf-actie behoort te worden geschorst.

De beslising komt mij allezins juist voor. De gereq. had zich beroepen op een hem persoonlijk , niet aan alle ingezetenen van Niftrik Ht universi competerend burgerlijk regt. Of de gereq. dat regt werkelijk bezat, kon de strafregter niet beslissen; bezat hij echter dat regt, dan was zijne daad niet strafbaar, en de kantonregter heelt dus reregt de praejudiciële quaestie toegelaten.

Wat daartegen door den heer req. wordt aangevoerd, komt hierop neder : dat. vermits vroeger eene zelfde strafactie als deze, gevoerd *egen zekeren Uijen , door denzelfden kantonregter is geschorst, en alstoen tusschen genoemden Uijen en de erven Taats van Amerongen *en burgerlijk regtsgeding is gevoerd voor de Arrond.-Kegtbank te Nijmegen, waarin door die ilegtbank , onder dagteekening van 25 Mei 1869, een vonnis is gewezen, waarbij is beslist, dat de inwoners v&n Niftrik hun regt van beweiding op de uiterwaarden aldaar in geen geval in het voorjaar mogen uitoefenen , — de regter, met in-achtfieming van dit vonnis, dat wel niet in het geding was overgelegd , oiaar waarvan hij des noods de overlegging had kunnen gelasten , alvorens de schorsing uit te spreken, had behooren te onderzoeken,

er nu voor het beweren van den gereq., dat hij in het voorjaar 'egt van beweiding op die gronden zou hebben, eenig nader bewijs of aannemelijken grond was bijgebragt. Doch ik antwoord daarop, flat het vonnis , door de Regt bank te Nijmegen in zake tusschen de erven Taats van Amerongen en Uijen gewezen, indien ook al daarbij eene beslissing rnogt zijn gegeven omtrent hetzelfde regt van beweiding 9 als waarover in dit geding gehandeld wordt, waarvan echter in tacto niet blijkt, voor dezen gereq. is eene res inter alios, die °öUrent zijne beweerde regten niets kan bewijzen; en dat overigens de kantonregter heeft geoordeeld, dat de gereq. voldoende heeft doen blijken van het bestaan van het door hem beweerde regt, dat is niet enkel van het regt om zijne koeijen te laten weiden op de uiterwaarden Onder Niftrik, maar ook van het regt om dit te doen tot den 15 A-pril, en dat dus ook in zooverre de toepassing van art. 6 Strafvord. 18 geregtvaardigd.

De Raad vergelijke zijn arrest van 18 Febr. 1868 ( Weekbl. n<>. "2985, v- i>. Honert, Gem. Zak., XXIV, bladz. 68 en volg., en Regtspr., 88, bladz. 200).

Het aangevoerde middel acht ik dus ongegrond.

In een ander opzigt kan ik mij echter met het beklaagde vonnis niet vereenigen.

Zoo als ik reeds de eer had op te merken , was de gereq. gedagvaard , ter zake van op den 2 April 1872 koebeesten te hebben doen grazen op met gras bezette uiterwaarden , gelegen te Niftrik , aan

tn een ander opzigt kan ik mij echter met het beklaagde vonnis

verschillende eigenaren toebehoorende, zonder eenig regt of vergunning daartoe te hebben. De nietigheid dier dagvaarding was door den gereq. beweerd, op grond, dat daarbij in het onzekere was gelaten, hoeveel overtredingen hem waren ten laste gelegd , en de dagvaarding dus niet kon gezegd worden eene zoodanige juiste omschrijving van het feit te bevatten, dat daarop regt kon worden gedaan. De kantonregter heeft echter geoordeeld, dat de dagvaarding in deze aan den eisch der wet voldoet, /omdat de daad of nalatigheid van hem, die het opzigt over beesten heeft, wanneer die daad of nalatigheid ten gevolge heelt, dat die beesten over eens anders in den oogst staanden grond loopen , één straf baar feit daarstelt; en dat, om aan meerdere strafbare feiten te kunnen denken , ook meer verschillende daden of nalatigheden moeten zijn ten laste gelegd, zoodat, volgens deze dagvaarding , slechts wegens ééne overtreding kan worden veroordeeld , al ware het bewezen , dat de koeijen, eenmaal aan haar zclven overgelaten, op de uiterwaarden van verschillende eigenaren hadden geloopen of gegraasd.

Deze laatste beslissing is voorzeker onjuist. De overtreding van art. 475 , n°. 10, C. P. wordt zoo dikwijls gepleegd, als door moedwil of gebrek aan voorzorg aanleiding is gegeven, dat vee op eens anders bezaaiden of in den oogst staanden grond geloopen heeft; en indien dus iemand door zijne daad of nalatigheid de oorzaak is geweest, dat zijn vee op den grond van een derde geloopen heeft, dan is daarvan niet het gevolg, dat hij voortaan dat vee zonder toezigt kan laten loopen of grazen waur dan ook; maar moet hij geacht worden , zoo dikwijls het misdrijf van art. 475 , no. io, C. P. te hebben gepleegd als zijn vee , ten gevolge van zijne daad of nalatigheid, den bezaaiden of in den oogst staanden grond van een derde heeft betreden. De kantonregter ziet overigens ook over het hoofd, dat in casu den gereq. was ten laste gelegd, dat hij koeijen op de uiterwaarden van onderscheidene eigenaren had doen grazen , dat hem dus meerdere overtredingen waren geïmputeerd, niet eene enkele daad van moedwil, die ten gevolge heeft gehad, dat de koeijen eerst op de uiterwaarden van ée'n eigenaar, en daarna, zonder zijn toedoen en buiten zijne schuld, ook nog op die van anderen hebben geloopen. Er waren dus meerdere overtredingen aan den gereq. ten laste gelegd ; en de dagvaarding , in het onzekere latende, hoevele overtredingen de gereq. had gepleegd,, bevat geene opgave van het feit, als bij art. 223 Strafvord. bedoeld wordt, en had derhalve door den regter behooren te worden nietig verklaard.

Ik heb mitsdien de eer te concluderen tot vernietiging van het beklaagde vonuis , en dat de Hooge Raad, regt doende ten principale, de dagvaarding zal vernietigen; de kosten , in cassatie gevallen , te dragen door den Staat.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie, schending van art. 6 Strafvord.: 1°. omdat door den kantonregter geen acht is geslagen op een (niet in het geding overgelegd) vonnis, door de Regtbank te Nijmegen op den 25 Mei 1869 gewezen tusschen de eigenaars Taats van Amerongen en P. Uijen (volgens den req.) over hetzelfde regt van beweiding gewezen; en 2o. omdat de kantonregter er niet op gelet heeft, dat ten deze het regt van beweiding (vaine pature) niet werd betwist, maar dat hier sprake was van de wijze van uitoefening van dat regt in het voorjaar , welk feit door den regter geheel over het hootd zou zijn gezien ;

Overwegende met betrekking tot het eerste gedeelte van het cassatiemiddel, dat de regter, wel is waar, volgens de artt. 181 en 203 Strafvord., de bevoegdheid heeft om de overlegging van nieuwe bewijsstukken te gelasten ; doch dat het oordeel over de voegzaamheid en noodzakelijkheid dier overlegging geheel is overgelaten aan den regter , aan wien in geen enkel geval de stellige verpligting tot het bevel der overlegging is opgelegd; waaruit volgt, dat de regter niet verpligt was in zijn vonnis de beweegreden te vermelden, waarom hij ten deze geen gebruik maakte van zijn regt om de overlegging te bevelen van het vonnis , tusschen eeu ander ingezene van Niftrik en den eigenaar van een deel der bedoelde uiterwaarden gewezen , waarop de req. zich beriep;

0. met betrekking tot het tweede gedeelte, dat, terwijl ten deze feitelijk was beslist, dat de gereq., inwoner van Niftrik , zijn vee op den 2 April 1872 heeft laten loopen op de uiterwaarden van Niftrik , en wel op onafgevrachte of onafgescheiden deelen , toebehoorende aan de erven Taats van Amerongen en aan de gemeente Wijchen , het verschil tusschen het Openb. Min. als vervolgende partij en den gereq. alleen liep over de vraag: of de inwoners van Niftrik sinds onheugelijke jaren het regt hebben gehad en behouden om hun vee in het voorjaar tot den 15 April over de voormelde onafgescheiden uiterwaarden te laten weiden (hetgeen door onderscheidene getuigen verklaard werd aldus steels te zijn uitgeoefend, terwijl door den gereq. ook nog schrifturen werden overgelegd, ten einde dat beweren te staven), en of dit weideregt, na den oogst in het najaar aanvangende, met don 1 Jan. eindigt, gelijk door den ambtenaar van het Openb. Min. werd beweerd , met beroep op de bovengemelde uitspraak over dat regt;

0., dat de regter teregt heeft geoordeeld , dat er bij dit verschil over den aard en den omvang van een zakelijk regt genoegzaam was gebleken van het bestaan van een geschilpunt van burgerlijk regt, waarvan de beslissing van het aanhangig strafgeding afhing, zoodat de regter dat geding met toepassing van art. 6 Strafvord. teregt heeft geschorst;

Verwerpt enz.

provinciale hoven.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN OVERIJSSEL.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 23 October 1871.

Voorzitter, Mr. I. J. II. de Bruyn.

Ligt in de verwijzing van een geschil over de door den curator beweerde compensatie eener ter verificatie aangebodene vordering door eene hoogere tegenvordering het regt des curators opgesloten om bij den regter , naar wien het geschil is verwezen, eene reconventionnele vordering ter zake dier hoogere vordering in te stellen ?— Neen.

Kan een curator door den regter-commissaris mondeling worden gemagtigd om eene regtsvordering aan te vangen ? — Niet beslist.

Is in casu zoodanige mondelinge magtiging bewezen f — Neen.

Kan de verklaring, door den regter-commissaris afgegeven, dat de curator die mondelinge magtiging had, het feit dier mondelinqe magtiging bewijzen ? — Neen.

M. Wolff, te Amsterdam , oorspronkelijk eischer tot verificatie

appellant, procureur Mr. G. D. Jordens ,

tegen

den curator in het faillissement van Lion Abrahamson, oorspronkelijk

verweerder in cas van verificatie, geïntimeerde, procureur Mr. C.

F. Kaempff.

Het Hof enz.,

Wat de daadzaken betreft, voor zoover dezelve ten deze in aanmerking komen;

Overwegende, dat, blijkens een proces-ver ba al van verificatie der schuldvorderingen in het faillissement van Lion Abrahamson van den 12 Jan. 1869 , de curator in dat faillissement zich heeft verzet tegen de toelating van den app. als schuldeischer voor een bedrag van f 1580 , hem zullende competeren wegens het nadeelig slot eener handeling voor gemeene rekening in rogge , en hij curator die vordering heeft betwist, op grond, dat die schuld zoude zijn gedelgd door eene tegenrekening van den gefailleerde van nagenoeg f 12,000 op den app. Wolff, bij welk verzet zich drie der aanwezige crediteuren hebben gevoegd, waarop de regter-commissaris, partijen niet hebbende kunnen vereenigen , dezelve naar de teregteitting der Regtbank van den 3 Febr. daaraanvolgende heeft verwezen ;

0., dat, ten gevolge van die verwijzing door den regter-commissaris, de app., als eischer tot verificatie, ter bepaalde teregtzitting heeft gevorderd om voorgemeld bedrag van f 1580 als schuldeischer in den faillieten boedel te worden toegelaten , bewerende, dat aan hem geene compensatie kan worden tegengeworpen ; waartegen door den geïnt. als verweerder is geconcludeerd tot ontzegging, immers nietontvankelijk-verklaring dier vordering, op grond, dat de vordering van app. is onbewezen en door hem geïnt. ontkend, en in allen gevalle door compensatie is te niet gegaan; terwijl voorts door geïnt. tegen app. eene reconventionnele vordering is ingesteld tot betaling eener som van f 11,983.87Ö, wegens door hem app. van den gefailleerde Abrahamson ontvangene promessen en gekocht meel ;

0., dat de app. tegen deze reconventionnele vordering van geïnt. de exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft tegengeworpen , op grond , dat de geïnt., als curator in dit faillissement, door den regter-commissaris niet zoude zijn gemagtigd tot hét instellen derzelve;

0., dat de eerste regter bij het vonnis a quo onder «anderen deze exceptie heeft verworpen , en de reconventionnele vordering van den geïnt. grootendeels heeft toegewezen; en dat de app., bij deurwaarJersexploit van den 29 Maart 1870, tegen dat vonnis in hooger beroep gekomen is, voor zoover daarbij de reconventionnele vorderingen van den geïnt. zijn ontvankelijk verklaard en toegewezen en app. in de proces-kosten is veroordeeld; en dat app. bij zijne memorie van grieven als eerste grief van appel heeft voorgebragt, dat de curator in zijne reconventionnele vorderingen had moeteu worden verklaard nietontvankelijk ;

U., dat, naar aanleiding van deze eerste grief van app., in regten in de eerste plaats moet worden onderzocht, of de geïnt., toen hij als curator in het faillissement de voorschrevene reconventionnele vordering instelde, daartoe door den regter-commissaris was gemagtigd en, zoo neen, of hij dan niet-ontvankelijk is in die vordering;

O. hieromtrent, dat art. 813 W. K. in het algemeen bepaalt, dat de curators in een faillissement onbevoegd zijn om zonder magtiging van den regter-commissaris eene regtsvordering aan te vangen, waarbij de belangen van den boedel betrokken zijn; waarnit noodzakelijk volgt, dat een curator, bij gebreke van die magtiging, niet-ontvankelijk is in zijne vordering, welke niet-ontvankelijkheid door elke partij, tegen wien zoodanige vordering wordt ingesteld, kan worden tegengeworpen, omdat voorschrevene wetsbepaling algemeen is, en ook iedere partij er belang bij heeft, dat de tegenpartij bevoegd is tot het voeren deitegen haar ingestelde vordering, terwijl hetgeen verschil kan maken, dat zoodanige vordering bij reconventie is ingesteld, daar eene reconventionnele vordering met de verwering in conventie, waartoe de curator krachtens art. 834 W. K. verpligt was, niets gemeens heeft, en de vordering, zonder die verwering te schaden , ook afzonderlijk bij dagvaarding kan worden ingesteld ;

0., dat de eerste regter bij het vonnis a quo} in overeenstemming met de bewering van den geïnt., heeft aangenomen , dat, daar de reconventionnele eischer de vordering in conventie heeft bestreden, mede op grond, dat dezelve zoude zyn gecompenseerd door eene tegenvordering ten bedrage van ƒ11,980.87 , en over dit geschilpunt in zijn

j ontvankelijk ;

Sluiten