Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dingsdag, 12 November 1872, N°. 5517.

WEEKBLAD VAN HET REGT.

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

I' JJiR- 'EN- DE li TI GS TM JAARGANG.

JUS ET VERITA8,

blad verschijnt des Maandags en Donderdags, en om de veertien dagen ook des Dingsdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met t 1.00 verhooging.— Prijs der advertentiën, '20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers.— Agenten voor Duitsckland: Haasenstein eii Vogler, te Hamburg.

PEOVIlMUlAiilü tiU V JOiJM.

ARKONDISSEMENTS-REGTBANK TE ZWOLLE.

Burgerlijke kamer,

Zitting van den 14 December 1870.

Voorzitter, Mr. B. W. A. E, Baron Sloet tot Oldhuis.

Had de gedaagde, tijdens het aangaan der naamlooze maatschappij "de Kamp er-papierJabrielc» , eene schuldvordering ten laste van H. Heerink , betrekkelijk de door dezen gedrevene stoom-stroopapierfabriek 'i — Jac Kon deze schuld geheel of gedeeltelijk verrekend worden met aandeelen, die gedaagde verpligt was te nemen, of moest de geldelijke waarde daarvoor in contanten worden gestort ? — In eerstge • ^ melden zin beslist.

" aS<I '7i "°°"\^e verzekering nog eene afzonderlijke overeenkomst noo-

Aijn deze aandeden werkelijk verrekend met de vennootschap ? — JaZijn de eischeren (curators) alsnog bevoegd om de regtsgeldigheid van het contract voor de naamlooze vennootschap te betwisten, uit hoojde dezelve zonder oorzaak zou zijn aangegaan ? — Neen. Heeft het bezit der aandeelen bij gedaagde op zich zelf de kracht om als voldoend bewijs van kwijting der stortingen ie gelden i •— Ja,

-Ie curators in het faillissement de Kamper-papierfabriek , eischers, procureur I). H. Thobbecke ,

tegen

L. de Jong, gedaagde, procureur Mr. g. D. Jokdens. Ua Kegtbank enz.,

Overwegende , dat, bij acte van den 1 Aug. 1868 , gepasseerd vcor •Jen notaris Höl'eit, te Kampen , tusschen de in die acte genoemde personen is opgeiigt eer e naamlo ze vennootschap, den naam voerende van Kamper-papierfabriek, en gevestigd te Kampen, tot het vervaardigen van stoom-stroopapier, onder de bij die acte vastgestelde statuten , zijnde die statuten goedgekeurd bij Kou. besluit van 11 Julij 186S , no. 3 ;

dot, blijkens voormelde acte, ged. in die vennootschap heeft deelgenomen voor zes aandeelen, elk van f 500; terwijl, volgens artt. 5 011 6 der statuten, de storting dier aandeelen moest geschieden in contanten, binnen eene maand na het passeren dier acte, welke storting beweerd wordt door yed. niet te zijn geschied;

dat voormelde vennootschap, bij vonnis dezer Regtbank van den 23 Julij H.j is verklaard in staat van faillissement; en dat alsnu de curators in gezegd faillissement eene vordering tegen ged. hebben ingesteld tot betaling eener som van f 3000 , als storting voor de zes door hem in voorschreven vennootschap genomen aandeelen , met de rente , ooder verderen eisch van kosten ;

dat hiertegen door ged. is aangevoerd: dat uit de boeken der vennootschap blijkt, dat dezelve heeft ontvangen de som van f 3000 voor de zes aandeelen, door ged. in die vennootschap genomen, en wel bij wijze van verrekening met den ged. van eene inschuld van gelijk bedrag, welke ged. tegen H. Reerink betrekkelijk de door dezen gedreven stoomfabriek had en die de vennootschap van genoemden Reerink liquideerde, waartoe zij, volgens de statuten, bevoegd en zelfs verpligt was, daar, volgens art. 6, in verband met art. 22, der statuten , Reerink voor ee.:e som van f 50,000 als aandeelhouder werd erkend, door inbreng van de gebouwen, machineriën en terrein Cn van de toerende goederen, regten, actiën en baten, tot zijne vorige zaak behoorende, onder verrekening van lasten en schulden, daartoe betrekkelijk, en dat het bezit der aandeelen bij ged. ten overvloede bewijst, dat bij te dier zake niets meer verschuldigd is; waartegen door eischeren wordt aaDgevoerd: dat er geenerlei bewijs geleverd is , dat door Reerink op wettige wijze eenige schulden, tot zijne vroegere fabriek betrekkelijk, aan de vennootschap zijn overgedragen , of met de door hem ingebragte goederen zijn verrekend, terwijl ook zoodanige overname van, schulden door de vennootschap n*et denkbaar zoude zijn, daar Reerink, die ter zake zijner vijf-enveertig aandeelen eene som van f 22,500 aan de vennootschap was verschuldigd, geene andere baten blijkt te hebben ingebragt dan een febriekgebuuw c. a., dat, met een hypotheek van f 19,000 bezwaard, 'n publieke veiling op verre na die som niet heeft opgobragt; dat de Vennootschap niet is geweest de liquidateur van Reerink, en dat de Schuld , welke ten behoeve van den ged. ten laste van H. Reerink kati hebben bestaan, nimmer van H. Reerink op de vennootschap is °vergegaan, en ged. het bedrag zijner aandeelen niet teger. die schuld tuet de vennootschap kan hebben verrekend , wordende door eischers zoowel de verrekening ais de betaling der aandeelen ontkend ;

dat ged, hierop heeft gesustineerd : dat uit de inmiddels in judicio Seëxhibeerde boekeu der vennootschap zoude blijken, dat de vennootschap Coor kem ged. volledig zoude zijn voidaan , ais zullende de sc^ul(lv0rdering tegen Reerink door het grootboek worden bewezen , houdende, dat ged. op den 1 Aug. I068 van H. Reerink ter zake Van zijne' vroegere papierfabriek te vorderen had eene som van ƒ 5308.55, wteik bedrag op het debet der vennootschap in hare rekeJlïlg met den ged. is° gebragt, en dat het saldo dier rekening, ten behoeve van den ged. en ten laste der vennootschap, op den 1 Jan.

bedroeg J 1U09.82 ; dat de bepaling der statuten, welke de verinooten verpligtte de betaling in contanten te doen , niet te kort doet aan de bevoegdheid of verpligting der vennootschap, uit de overname der zaak van Reerink tot betaling of verrekening van diens schulden voortspruitende, en dat, de wederzijdsche schulden tusschen de vennootschap en ged. erkend zijnde, de verrekening derzelve tot

een ueurag van / ouuu , wei&e neen piaais genau , geiijKStaat met eene wederzijdsche betaling in contanten;

dat wederom hiertegen door eischeren is in het midden gebragt: dat er geen bewijs is bijgebragt, dat de boeken, geheel door Reerink geschreven , door commissarissen of deelhebbers zijn goedgekeurd of zelfs nagezien, zoodat de eenzijdige vermeldingen niet tegen die commissarissen of deelhebbers, veelmin tegen eischers als representanten van de failliete massa kunnen gelden; dat de vermeldingen in de boeken zelfs geen vermoeden, laat staan bewijs geven , dat zij het gevolg zijn van eene tusschen .Reerink en de vennootschap, krachtens art. 6 der statuten , geslotene overeenkomst, terwijl toch in de boeken op het debet der vennootschap zijn gebragt de schulden van Reerink tot een bedrag vau ruim f 59,000, waaronder voorkomen diverse huisschulden ; terwijl ook geene andere inschulden van Reerink zijn genoten dan die gezamenlijk nog geen f 200 beliepen , zijnde niet gebleken , dat door Reerink iets anders is ingebragt dan het fabriekgebouw, meteen hypotheek van f 19,000 bezwaard; wordende wijders beweerd, dat eene overeenkomst, waarbij de vennootschap alleen schulden overnam , zoude zijn zonder oorzaak ;

dat hiertegen wederom in substantie is aangevoerd : dat de boeken zijn gehouden door de beide bij art. 14 der statuten benoemde administrateuren ; dat eischeren evenzeer door den inhoud der boeken en door de daarbij geconstateerde handelingen der administrateuren gebonden zijn; dat de omstandigheid, dat de fabriekszaak van Reerink bij het constitueren der vennootschap daarna gebleken is eene mindere waarde te hebben, dan waarvoor zij in de vennootschap is gebragt, voor dezelve geen invloed kan hebben ten aanzien van de verpligting om de gevolgen van dat contract te dragen ; dat de quaestie der huisschuldeu van Reerink 5 als zullende geboekt zijn in het debet der vennootschap, niets gemeens heelt met dit proces; dat, wat de qualificatie van den inbreng door Reerink betreft, als zullende zijn eene schuldvernieuwing, die niet uitdrukkelijk zoude blijken, de verbindtenis der vennootschap tot overname der fabriekzaak blijkt uit de statuten, en de uitvoering daarvan uit de boeken der vennootschap , en, ten opzigte van ged.. uit diens rekening-courant; dat wijders de oorzaak van de verbindtenis tot overname van Reerinks fabriekschulden gelegen is in de contra-praestatie van Reerink van den inbreng van zijne geheele zaak met baten en schulden;

dat eindelijk eischeren bij eene vierde conclusie hebben beweerd , dat de wijze, waarop ged. beweert zijne aandeelen te hebben betaald j of verrekend, en zijne bevoegdheid daartoe niet is gebaseerd op eene j tusschen de vennootschap en Reerink aangegane overeenkomst of verrekening , maar op eene uitlegging van art. 6 der statuten, welke uitlegging onjuist zoude zijn: dat niet blijkt, dat de schulden van Reerink, ten laste van de vennootschap geboekt, door de vennootschap ziju goedgekeurd; dat tot bewijs daarvan ook niet kan strekken de balans, omdat niet blijkt, door wien of wanneer die is opgemaakt; en dat hierop door ged. is geantwoord: dat er geene nadere overeenkomst noodig was om de schulden , ten laste van de fabriekszaak van Reerink, aan de vennootschap over te dragen , doch alleen uitvoering te geven was aan art. 6 der statuten; dat de balans der vennootschap den staat der zaken behelst op uit. Dee. 1868 en door commissarissen is goedgekeurd, zonder dat het gemis van onderteekening der administrateuren, die ze hebben ingediend, aan hare waarde iets te kort kan doen ;

0., wat het regt betreft, dat zich de volgende punten regtens voordoen :

1°. had de gedaagde firma J. A. de Jong en Zonen , tijdens het aangaan der meergemelde naamlooze maatschappij, eene schuldvordering ten laste van H. Reerink betrekkelijk de door dezen gedreven stoom-stroopapierfabriek ?

2o. kan deze schuld geheel of gedeeltelijk verrekend worden met aandeelen , die ged. verpligt was te nemen , of moest de geldelijke waarde daarvoor in contanten worden gestort ?

3°. was er voor de verrekening nog eene afzonderlijke overeenkomst noodig ?

4o. zijn deze aandeelen werkelijk verrekend met de vennootschap, waarbij moet worden onderzocht:

a. welke waarde te hechten aan de boeken, door eischeren in het geding gebragt?

b. welke waarde aan de door ged. overgelegde balans ?

c. zijn eischeren alsnog bevoegd om de regtsgeldigheid van het contract van de naamlooze vennootschap te betwisten, uit hoofde dezelve zonder oorzaak zou zijn aangegaan ?

0. ad I'1ID., dat de schuldvordering van ged. ten laste van Reerink wegens zijne vroegere fabrikage voor stroopapier, ten beloope van j f 5308.55 , door eischeren niet wordt bestreden , terwijl toch in den aan her der derde conclusie van eischeren alleen het bewijs wordt verlangd van de bewering, dat door ged. de inschuld met de vennootschap zoude zijn verrekend, zonder het bestaan dier inschuld te betwisten, en welke dus ook door den regter moet worden aangenomen;

O. ad II"m., dat de vennootschap bij art. 6 der statuten op zich genomen had ai de inschulden vau Reerink betrekkelijk zijne vroegere zaak over te nemen; dat zij daardoor voor de inschuld van ged. schuklenaresse jegens denzelven werd; dat daarentegen de gedaagde firma schuklenaresse jegens de vennootschap tot geldelijk bedrag der aandeelen , door haar in de vennootschap genomen , geworden was , en dus , volgens de algemeene beginselen van het regt (zie artt. 1461. 1462 en 1463 B. W.), de wederzijdsche schulden, ten beloope van derzelver wederkeerig bedrag, bij vergelijking van regtswege vernietigd was;

O., dat hiertegen niets kan afdoen de bepaling der statuten, dat de aandeelen door contante storting voldaan moeten worden, daar de statuten geacht moeten worden niet te behelzen wat strijdig met de wet is , en hier te minder hare toepassing zoude vinden , daar toch, als de betaling der inschuld, waartoe de vennootschap zich verbonden had , en de betaling der aandeelen van wederzijde in contanten geschied ware, hieruit geene verandering in den finantiëlen toestand deivennootschap ontsproten zoude zijn;

0. ad HIum., dat, bij het aangaan van de acte van de vennoot

schap , zijnde niet anders aan eene overeenkomst der daarbij betrokken partij , het regt van vergelijking van wederzijdsche vorderingen van zelf geboren was, zonder dat daartoe eene nieuwe overeenkomst noodig was , terwijl op het Bestuur de verpligting rustte om gevolg aan de bepaling van art. 6 der statuten te geven;

O. ad IVum. en wel litt. a, dat de bewuste boeken zijn overgelegd als boeken der vennootschap, zoo als ook door derzelver inhoud bewezen wordt; dat ook niet door eischeren wordt beweerd, dat deze boeken niet rigtig gehouden zouden zijn, maar daarentegen wordt aangevoerd, dat die boeken niet door commissarissen en deelhebbers zijn goedgekeurd of nagezien, maar waaromtrent wordt overwogen , dat daarvan de deugdelijkheid en bewijskracht der boeken niet afhankelijk is, noch volgens de bepalingen der wet, noch volgens de statuten, en dus geloof verdienen tegenover de vennootschap, waarvoor eischeren in dit geding tegen ged. optreden;

O., dat de schuldvordering van ged. ten laste van Reerink genoegzaam door het grootboek wordt bewezen, terwijl hieruit blijkt, dat ged. op den 1 Aug. 1868 van H. Reerink ter zake zijner vroegere papierfabriek te vorderen had eene som van / 5308.55 ;

0., dat de inbreng door Reerink mede bevestigd wordt door de balans, want dat, hoezeer deze balans, volgens art. 15 der statuten, door administrateuren had moeten zijn onderteekend , de goedkeuring der commissarissen echter eene erkenning inhoudt, dat door commissarissen de toestand der vennootschap zoodanig beschouwd werd als de opvolging der statuten medebragt, en welke gegrond was op den inbreng van de inschulden ten laste van Reerink, waaronder ook die van de gedaagde firma;

0., dat alzoo uit de overgelegde boeken genoegzaam resulteert, dat de verrekening der schuld van ged. ten laste van Reerink , overeenkomstig de statuten, door het verstrekken van zes aandeelen in de vennootschap tot dat bedrag is geëffectueerd:

0., dat ook niets afdoet, dat onder de verrekende inschulden ook sommigen zouden behooren, welke als persoonlijke huisschulden van Reerink te beschouwen zouden zijn, daar zulks in casu voor ged. eene res inter alios daarstelt;

0., wat het punt 4, sub Int. e, betreft, eischeren alhier optreden voor de vennootschap, en zij alzoo tegen hunne eigene handelingen zouden opkomen met de bewering van de nietigheid der overeenkomst, bij de statuten aangegaan , als zullende zijn zonder oorzaak , en wel omdat de schulden van Reerink door hem zijn ingebragt en door de vennootschap overgenomen; dat verder, als deze grond kon opgaan , er zelfs geen sprake van deze vordering konde zijn, daar alleen kan gehandeld worden krachtens de overeenkomst, bij de statuten aangegaan, zoo als ook door eischeren wordt geageerd, maar geenszins tot vernietiging van de overeenkomst zelve;

O., dat, alle voorgaande beschouwingen ter zijde gesteld, het bezit der aandeelen bij ged., wat niet door eischeren wordt betwist, op zich zelf en alleen een voldoend bewijs oplevert, dat ged. aan zijne verpligting tot storting heeft voldaan, daar in het tegenovergesteld geval de aandeelen door de vennootschap niet aan hem zouden zijn uitgereikt, maar thans voor den bezitter de kracht van kwijting der storting bezitten;

Gehoord het Openb. Min. in deszelfs conclusie tot ontzegging der vordering;

Regt doende enz.,

Ontzegt aan eischeren qq. hunne vordering, met veroordeeling van dezelve qq. in de kosten van liet incidenteel en hoofdgeding, begroot enz.

(Gepleit voor de eischers qq. Mr. G. Royer, en voor den gedaagde Mr. L. Hertzveld, te Zwolle.)

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN OVERIJSSEL.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 6 November 1871.

Voorzitter, Mr. I. J. H. de Bruyn.

Had de naamlooze vennootschap »de Kamper-papierfabriek" op he\ tijdstip, waarop zij werd verklaard in staat van faillissement U zijn, het regt om alsnog van den geïntimeerde de storting it contanten te vorderen van de door dezen genomene aandeelen it die vennootschap?— Neen.

Is door partijen, die de vennootschap hebben aangegaan, aan art. ( der statuten volledige uitvoering gegeven ? en is, blijkens de boeket der vennootschap , de schuld van H. Reerink aan geïntimeerdt eene schuld der vennootschap geworden?— Ja.

Was tot den overgang dezer schuld op de vennootschap eene afzonderlijke acte noodig (art. 668 B. W.)f— Neen.

Heeft er dus in casu compensatie plaats gehad? — Ja.

Heeft niet in ieder geval de naamlooze vennootschap den geïntimeerdi volledig gequiteerd? — Ja.

Zijn de curators, wanneer zij, gelijk in casu, optreden als vertegen woordigers en regtverkrijgenden van de gefailleerde vennootschap ter uitoefening har er regten (in casu tot invordering van volgen. hun beweren nog onvoldane stortingen) bevoegd om tegen de han delingen dier vennootschap op te komen ? — Neen,

Hadden zij, om tegen die handelingen te kunnen opkomen, niet moetei ageren tot vernietiging derzelve op grond van geweld, dwalirn oj bedrog, indien zij daarvoor gronden meenden te hebben ï —.Ja

Dezelfde firma, appellanten ,

tegen

denzelfden, geïntimeerde.

" Het Hof enz.,

Ten aanzien der daadzaken en den loop der procedure in eerste:

een bedrag van / 3000, welke heeft plaats gehad, gelijkstaat met

Sluiten