Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanleg, zich gedragende aan en alzoo overnemende wat daaromtrer in het vonnis a quo is vermeld; en voorts

Overwegende, dat de appellanten, ais curators in het faillissemei van de naamlooze vennootschap de Kamper-papierfabriek, den gein hebben gedagvaard tot betaling eener som van f 3000, als stortin van zes door hem in die vennootschap genomene aandeelen, el groot / 500; waartegen de geïnt. heeft geconcludeerd tot ontzeggin der vordering, op grond, dat genoemde vennootschap de gevorderd ƒ 3000 heeft ontvangen, zoo als blijkt uit de boeken der vennoo schap en uit het bezit der aandeelen bij hem geïnt., met bijvoeging dat die ontvangst heeft plaats gehad door verrekening met hem geïn van eene inschuld , welke hij tegen H. Reerink had betrekkelijk d door dezen gedreven papierfabriek , welke de vennootschap voor ge noemden Reerink liquideerde; waaromtrent door appellanten is tegen geworpen, dat de storting der aandeelen, ingevolge artt. 5 en G de statuten , moest geschieden in contanten binnen eene maand na he passeren der acte van vennootschap, en dat die storting niet doo verrekening koude plaats hebben en ook niet hoeft plaats gehad;

dat, bij vonnis der Arrond.-Regtbank te Zwolle van den 14 Dec 1870, aan eischeren hunne vordering is ontzegd, met veroordeelinj in de kosten , voornamelijk op grond:

lo. dat bij art. 6 der statuten de vennootschap op zich heeft ge nomen alle de schulden van Reeriuk betrekkelijk zijne vroegere zaa! over te nemen ; dat zij daardoor voor de inschuld van geïnt. jegen dezen schuklenaresse is geworden, zoodat die inschuld door den geïnt met het bedrag zijner aandeelen is kunnen worden verrekend ; en

2°. dat in allen gevalle het bezit der bewijzen van aandeel bij der geïnt. op zich zelf reeds een voldoend bewijs oplevert, dat geïnt het bedrag dier aandeelen had gestort;

dat de eischeren, na daartoe op den 6 Febr. 1871 door den regter commissaris te zijn gemagtigd, bij deurwaarders-exploit van der 4 April daaraanvolgende zich tegen dat vonnis in hooger beroep heb ben voorzien, en bij daaropvolgende conclusie als grieven hebber gesteld , dat de beide voorschreven beweringen, waarop de Regtbank haar vonnis heeft gebaseerd, onjuist zouden zijn;

Wat het regt betreft:

0., dat zich de navolgende vragen ter beslissing voordoen :

lo« of de vennootschap op het tijdstip, waarop zij werd verklaard in staat van faillissement te zijn, het regt had om alsnog van den geïnt. de storting in contanten te vorderen van de door dezen genomene aandeelen in die vennootschap :

2o. zoo neen, of dan de daartoe strekkende vordering, door appellanten tegen den geïnt. ingesteld, aan hen als ongegrond behoort te worden ontzegd ?

Ad Ium. 0., dat de vennootschap, blijkens art. 22, in verband beschouwd met art. 6 harer statuten, de vroegere fabriekzaak van H. Reerink met hare lusten en lasten heeft overgenomen, en H. Reerink door inbreng zijner fabriekzaak heeft gebruik gemaakt van de hem bij art. 6 dier statuten verleende bevoegdheid, weshalve door beide partijen aan gemeld art. 6 volledige uitvoering is gegeven, zoo als nog nader bevestigd wordt door de ten processe overgelegde boeken der vennootschap, en wel: ]o. door het memoriaal, aanvangende den 1 Aug. 1868 (zijnde de dagteekening der acte van oprigting der vennootschap), waaruit blijkt, dat de fabriekzaak van H. Reerink door de vennootschap is overgenomen; 20. door het kasboek, volgens hetwelk de vennootschap de kas van H. Reerink heeft overgenomen ; 3°. door het boek der diverse debiteuren , volgens hetwelk de vennootschap inschulden van H. Reerink heeft ingevorderd, en 4°. door het grootboek, waarop de crediteuren, en daaronder ook de geïnt. L. de Jong, zijn gebragt als crediteuren van de vennootschap; terwijl de appellanten niet hebben beweerd, dat deze door de administrateuren der vennootschap gehouden boeken niet rigtig zouden gehouden zijn, zoodat dezelve tegenover de vennootschap geloof verdienen ;

G., dat dus de schuld van H. Reerink, ten bedrage van f 5308.55, welke de geïnt. op den 1 Aug. 1868 van dezen ter zake zijner vroegere fabriekzaak te vorderen had, met goedkeuring en onder medewerking van laatstgenoemde, facto eene schuld van de vennootschap is geworden , terwijl tot de overdragt dezer schuld aan de vennootschap geene afzonderlijke acte noodig was , zoo als door appellanten ten onregte op grond van art. 668 B. W. is beweerd, omdat gemeld artikel niet spreekt van overdragt van schulden, maar van levering van schuldvorderingen;

0., dat derhalve door den ingevolge art. 6 der statuten plaats gehad hebbende inbreng en overname van meergemelde schuld van H. Reerink de vennootschap voor die schuld schuldenaresse van den geïnt. is geworden, terwijl daarentegen de geïnt. schuldenaar van de vennootschap werd voor het bedrag der door hem in die vennootschap genomene zes aandeelen, en dus die beide schulden op het oogenblik, dat zij te gelijk bestonden, ten beloope van derzelver wederkeerig bedrag, elkander over en weder door compensatie van regtswege hebben vernietigd, overeenkomstig de bepalingen van artt. 1461 tot en met 1463 B. W-;

0. bovendien, dat, al ware de bovengemelde schuld ten laste van EL Reerink en ten behoeve van den geïnt. niet regtens op de vennootschap overgegaan, zoo als door appellanten is beweerd, dan nog de vennootschap, tijdens hare faillietverklaring, geen regt meer had om voor den geïnt. alsnog de storting in contanten van het bedrag der door hem genomene aandeelen te vorderen ; omdat, blijkens een door den geïnt. ten processe overgelegd afschrift van een bewijs van storting van den 8 Aug. 1868 , geregistreerd te Zwolle den 18 Mei 1870, hetwelk door appellanten als overeenkomende met het origineel is erkend, — door de administrateuren en commissarissen van meergemelde vennootschap is verklaard , dat door den geïnt. is gestort en voldaan de som van f 3000 voor de door hem in de vennootschap genomene aandeelen n s. 90 tot en met 95; terwijl hot tusschen partijen vaststaat, dat de geïnt. in het bezit dier aandeelen is gesteld; zoodat de vennootschap, door het afgeven van dit bewijs van storting aan den geïnt., dezen volledig en onvoorwaardelijk heeft gequiteerd en gedechargeerd, alzoo daarmede het regt van inschuld van de vennootschap tegen den geïnt. is te niet gegaan, en dus de vennootschap tijdens hare faillietverklaring op den 23 Junij 1869 geen regt van inschuld te dier zake tegen den geïnt. meer had;

Ad II11 m. 0., dat, zoo als uit het vorenstaande blijkt, de appellanten als curators geene vordering hebben ingesteld tot vernietiging der tusschen de vennootschap en den geïnt. plaats gehad hebbende'handelingen op grond van geweld, dwaling of bedrog, wanneer zij mogten vermeenen, dat daartoe termen bestonden, maar dat de vordering van appellanten strekt tot betaling van eene beweerde inschuld der gefailleerde vennootschap ;

O., dat dus de appellanten ic deze zijn opgetreden als vertegenwoordigers en regtverkrijgenden der gefailleerde vennootschap ter uitoefening harer regten, en als zoodanig tegen hare handelingen niet kunnen opkomen en geen regt van inschuld meer kunnen uitoefenen , hetwelk die gefailleerde vennootschap tijdens hare faillietverklaring niet meer had;

O., dat alzoo de door appellanten ingestelde vordering bij het vonnis, waarvan appel, teregt als ongegrond is ontzegd, en dat vonnis mitsdien behoort te worden bevestigd ;

Regt doende in het hoogste ressort,

Doet te niet het ingesteld hooger beroep;

Bevestigt het vonnis, door de Arrond.-Regtbank te Zwolle tusschen partijen gewezen den 14 Dec. 1870, waarvan is geappelleerd;

it Veroordeelt de appellanten in hunne opgemelde hoedanigheid in d< kosten van het regtsgeding in hooger beroep.

t. (Gepleit voor de appellanten Mr. G. Royer , en voor den geïnti^ meerde Mr. L. Hertzveld , te Zwolle.)

k

e ARROND ISS EMJSNT8-REGT BAN K E N. t- ~

/ A KRONDISSEMENTS-REGTBANK TE BftKDA.

e Burgerlijke kamer.

Zitting van den 17 September 1872. t Voorzitter, Mr. J. J. Loke.

Arrest onder derden. — Niet-ontvankelijk-verklaring van

den arrestant in zijne vordering tot afgifte van gelr den, welke een mandataris onder zich heeft.

De Regtbank enz.,

- Overwegende, dat de eischer, bij exploit van den 5 Jan. van dit jaar onder en in handen van den ged. beslag heeft gelegd op alle gelden 5 en goederen . welke deze mogt schuldig zijn of worden aan , of onder zich hebben van J. A. d. B., verwer te Fijnaart, ten einde daarop te verhalen eene som van f 104.55 , met interessen , die hij van 1 laatstgenoemde zoude te vorderen hebben ;

ü ^at I6 Sed-' nadat dit beslag bij vonnis dezer Regtbank van den 6 Üebr. daaraanvolgende geldig en van waarde was verklaard , bij nader exploit van den 4Maart 11. opgeroepen om, als derde gearresteerde, verklaring te doen, zakelijk heeft te kennen gegeven: dat hij uit eigen hoofde niets aan den gearresteerde schuldig is of van den eischer 1 onder zich heeft, maar dat deze aanspraak heeft op een zesde gedeelte in eene som van f 2000, door zekeren J. H., in leven smid te ötanddaarbuiten , onder den last van vruchtgebruik ten behoeve zijner echtgenoote, aan de kinderen van zijne nicht D. v. T., in huwelijk verwekt met L. d. B., vermaakt; dat dat vruchtgebruik onlangs is vervallen, en dat de erfgenamen van genoemden J. H. nu aan em derden gearresteerde genoemde som van f 2000 hebben ter hand gesteiu, om d;e in hunnen naam aan meergemelde legatarissen uit te keeren, met dien verstande, dat deze uitkeering zich, ten aanzien van den gearresteerde, tot eene som van f I33.33s zal bepalen, omdat deze J 200 aan den erflater schuldig was; dat het eerste gedeelte van deze verklaring tot geen contest heeft aanleiding gegeven ; doch dat, ten opzigte van bet tweede deel, van wege den arrestant en eischer is beweerd, dat de ged. en derde gearresteerde gehouden is het volle zesde deel van het hiervoren besproken legaat, ad f 333,337, af te geven, omdat uit de letter zijner oorspronkelijke, bij nadere conclusie eenigzins gewijzigde verklaring kan worden opgemaakt, dat de meergenoemde erfgenamen genoemde som in haar geheel in zijne handen hebben gesteld, en dat hij niet bevoegd is, in het belang dier erfgenamen, zich op compensatie te beroepen; terwijl de eed. en derde gearresteerde, zich tegen deze uitlegging zijner woorden verzettende, volhield, in geen geval tot betaling van meer dan f 133.33" gehouden te zijn, en, zonder zich daartoe bereid te verklaren , zich ten aanzien van deze gehoudenheid aan het oordeel der Regtbank heeft gerefereerd;

dat in dien stand der zaak in aanmerking komt, dat de verklaring van den ged. en derden gearresteerde medebrengt, dat de meergenoemde penningen , tot welk bedrag dan ook , hem door de erfgenamen van J. II, zijn toegeteld, om die, als hun mandataris, aan de legatarissen uit te betalen , en dat de eischer en arrestant niet heeft beweerd , veelmin heeft bewezen, dat hij die penningen onder eenen anderen titel onder zich heeft;

dat nu uit een gewoon mandaat, om voor rekening van den mandans aan een derde te betalen, al is het door den mandataris aangenomen , zoolang daaraan geen gevolg is gegeven , tusschen dezen en dengene, aan wien de betaling zoude plaats hebben , geen regtsband ontstaat; terwijl het arrest onder derden op zijne beurt, wordt het geldig verklaard, geen ander doel heeft, dan dat de arrestant de regten van zijnen debiteur tegen den derden gearresteerde kan doen gelden , en bij gevolg voor eerstgenoemde geene actie doet geboren worden, die aan den gearresteerde niet competeert;

dat zoodanig mandaat daarenboven door den mandans ieder oogenblik kan worden herroepen, en op deze bevoegdheid geene inbreuk kan worden gemaakt door eene condemnatie tot betaling van een ander dan den eigenlijken crediteur, ten laste van den derden gearresteerde uitgesproken, wanneer de mandans in het geding, strekkende om zulke condemnatie te verkrijgen, geene partij is geweest; en dat ook uit dien hoofde een arrest onder derden geen gevolg kan hebben ten opzigte van de penningen of goederen , die de derde "gearresteerde slechts als lastgever onder zich heeft;

dat de eischer en arrestant eindelijk aanvankelijk heeft verlangd, dat de ged. en derde gearresteerde zijne verklaring met eede zoude bevestigen , doch bij nadere conclusie daarop niet is teruggekomen , en moet geaebt worden van dien incidentelen eisch te hebben se' desisteerd;

Verklaart, dat de ged. en derde gearresteerde met de door hem uitgebragte verklaring kan volstaan ;

Verklaart den eischer en arrestant niet-ontvankelijk in zijne vordering tot afgifte van de gelden, welke de ged. en derde gearresteerde , volgens gedachte verklaring, als mandataris van de erven J. H. onder zich heeft;

Verwijst den eischer en arrestant in de kosten van het geding. :

ARROND1SSEMENTS-REGTB ANK TE UTRECHT. |

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 13 Maart IS72.

Voorzitter, Mr. A. W. AVichers.

i

Regters, Mrs.: Baron F. A. R. A. van Ittersum en C. G. C. van Hengst.

i

Eisch tot ontbinding eener overeenkomst van koop en 1

verkoop. — Authentieke acte. — Kwijting. Be- '

slissende eed. huwelijks-gemeenschap.

Neqotoritjm gestio. — Onkostpen- t

n1ngen.

Is eene vordering tot ontbinding eener overeenkomst van koop en v verkoop ontvankelijk tegen de vrouw, die, na het sluiten dier overeenkomst, in algeheele gemeenschap van goederen is gehuwd ? c — Neen. ^

Kan den echtgenoot der koopster de beslissende eed worden opgelegd, dat hij de koopsom heeft betaald, wanneer uit de koopacte blijkt, dat de koopster door den verkooper zonder eenig voorbehoud is g gekweten ? — Neen.

Moet art. 1502 B. W. worden toegepast, wanneer de kooper wel m beweert, maar niet bewijst, dat ook de onkostpenningen vóór ei het in schrijt brengen en onderteekenen der koopacte tusschen n verkooper en koopster zijn verrekend'l

' J- Evertsen, zonder beroep, wonende te Utrecht, eischer, procureur A. M. C. H. Kock ,

tegen

'0. J. J. van Es , zonder beroep, echtgenoot van J. Swagers , winkelbediende , en

2». J. Swagers, zoo voor zich zeiven als hoofd der gemeenschap, en mede tot bijstand van zijne echtgenoote. wonende beiden te Utrecht, gedaagden, procureur Mr. A. Verhoefe, zijnde de ecrstgemelde niet verschenen.

De Regtbank enz. ,

Gehoord de conclusie van den eischer, daartoe strekkende • dat bij vonnis der Arrond-Regtbank te Utrecht, zal worden verklaard ontbonden de koop der heerenhuizinge, erf, grond en tuin wiik L n°. 39g, met alle de gevolgen, daaraan bij de wet verbonden'; wijders de gedaagden zullen worden veroordeeld tot vergoeding van kosten schade en interessen, door der gedaagden wanpraestatie reeds geleden of nog te hebben en te lijden , nader bij staat te begrooten eindelijk de gedaagden te veroordeelen tot betaling van ƒ329, voor rekening van de eerste ged. en ten haren behoeve aan den'notaris van Cxruting betaald, alles met veroordeeling van de gedaagden in de kosten van dit regtsgeding;

Gehoord de conclusie van den tweeden ged., strekkende daartoe : dat het der Regtbank behage den eischer in zijn genomen eisch en conclusie niet-ontvankelijk te verklaren , immers hem die te ontzeggen , en hem te veroordeelen in al de kosten des gedings ;

Gehoord de conclusie van repliek des eischers, waarbij hij ten aanzien van zijne principale vorderingen aan den tweeden ged. den eed opdraagt: dat hij weet, dat noch door zijne vrouw, „och door hem ter zake van den koop en verkoop, bij acte, voor den notaris van Grutmg dd. 22 Maart 1869 gepasseerd, iets aan den eischer verschuldigd is , integendeel vóór het in schrift brengen en onderteekenen dier acte de koopsom is verrekend met hetgeen zijne vrouw van den eischer had te vorderen; en voorts concludeert, dat- 1» aan den ged. de beide voorgestelde exceptiën zullen worden'ontzegd ; 20. de ged. zal worden veroordeeld om den hierboven opgedragen eed af te leggen, en, bij gebreke van dien eed aan te nemen of terug te wijzen of, dien aangenomen hebbende, af te leggen, aan den eischer zijne vordering tot ontbinding en vernietiging der overeenkomst zal worden toegewezen ; 3». voor het geval d"e °ed. den opgedragen eed aan den eischer zal hebben teruggewezen, en deze dien zal geweigerd hebben af te leggen, aan den eischer zijn eisch tot ontbinding en vernietiging der overeenkomst zal worden ontzegd4o. de ged. zal worden veroordeeld om aan den eischer, tegen behoorlijke kwijting, terug te geven eene som van f329, wegensten behoeve van zijne cchigenoote, de eerste ged., aan den notaris van Gruting betaalde onkostpenningen ; 5 '. eindelijk , ingevai de ged. in gebreke mogt blijven den eed af te leggen, hem te veioordeelen in al de kosten van het geding, welke anders zullen worden gecompenseerd ;

Gehoord de conclusie van dupliek des tweeden gedaagden, waarbij hij verklaart aan te nemen den hem opgedragen eed en 'bereid is dien te zweren, zich nopens het al of niet iitis-decisoire van dien eed refereert aan het oordeel van den regter, en daartoe alleen door hem wordt opgemerkt:

1". dat hij niet alleen heeft beweerd, dat de kooppenningen maar ook uat de onkostpenningen tusschen eischer en gedaagdes vrouw zijn verrekend vóór het in schrift brengen en onderteekenen der pretense koopacte, en eischers vordering dan ook behalve de kooppenningen strekt tot teruggave der door hem betaalde onkostpenningen , terwijl in het laatst gedeelte van den eed alleen wordt gewaagd van: «verrekening der kooppenningen»;

2'. dut daarentegen in het eerste gedeelte van den eed is opgenomen, dat aan den eischer ter zake van den koop en verkoop niets , dus noch koop , noch onkostpenningen , verschuldigd is;

3». dat het in deze te vellen eindvonnis moet verbinden beide slechts ieder voor hun aandeel in de gemeenschap verbonden gedaagden, terwijl de beslissende eed (species—transactionis) in casu sléchts aan één hunner is opgedragen ;

4". dat aan dien een en ged. slechts is opgedragen te bezweren zijne wetenschap omtrent het door beide gedaagden niet verschuldigd zijn van eischers in casu deelbare vordering; en

5°* Jat ged. heeft gesteld , dat de daadzaak der verrekening van koop- en onkostpenningen is verrigt tusschen gedaagdes vrouw vóór haar huwelijk en den eischer; en wijders verzocht en concludeert onder persistit bij zijne genomene conelusiën, dat hem zal worden verleend acte: dat hij den opgedragen eed aanneemt, zich omtrent het litis-decisoire van denzelven aan 'sregters oordeel refererende-

en eindelijk hierbij in het geding brengt, met overgifte van 'afschrift en aanbod van visie, de huwelijks-acte van den ged een gelijkluidend authentiek afschrift der acte van koop en verkoop''hierboven omschreven , de acte van koop en verkoop, tusschen den ged. en den poktie-agent van den Berg aangegaan, met daarop gesteld relaas vau omschrijving, en extracten kadaster der verschillende eigendommen van gemelden van den Berg;

Gehoord de gehoudene pleidooijen, voor den eischer en den tweeden ged. gevoerd;

Gezieu een afschrift van een koopcontract, op den 22 Maart 1869 voor den te Utrecht gevestigden notaris A. J. van Gruting in bijzijn van getuigen verleden tusschen den eischer als verkooper en de eerste »ed. als koopster van eene heerenhuizinge met erfgrond en tuin te Utrecht, aan den bingel tusschen de Catharyne-en-Weerd-barrièrei wijk L, „o. 39 g, voorde som van ƒ 4700, behoorlj geregisterd;

Gezien eene nota van kosten van den notaris A. van Grutin<* ;e Utrecht, voor den heer J. Evertsen aldaar, houdende: .1869 ,' .2 Maart, opmaken en passeren koopacte met mejufv. J. J. van Es < pet. vau f 4700, met inbegrip van alle kosten en regten f 329 ' reenl^ 27 Maart 1862 (get.) A. J. van Gruting, behoorlijk geregis-

Gezien een exploot van sommatie, namens den eischer op den 2 7 iept. 1871 door den deurwaarder G. C. Kuppers aan de beide gelaagden gedaan , behoorlijk geregistreerd ;

Gezien het exploit van dagvaarding dd. 29 Sept. 1871 hierboven langehaald;

Gezien de acte van procureur-stelling voor den tweeden ged-, nanens den procureur Mr. Vekhoeff, door den deurwaarder W- Spaaenbeig Jr., op den 10 Oct. 1871 aan den procureur Mr. Kock leteekend , mede behoorlijk geregistreerd ;

Gezien het préparatoir vonnis van deze Regtbank dd. 11 Oct. 1871 usschen partijen gewezen, behoorlijk op de "expeditie geregistreerd;'

Gezien het exploit van beteekening van gezégd vonnis, met verïeuwde dagvaarding van de eerste ged., dd. "8 Oct. 1871, hierboen vermeld;

Gezien de procureurs-acte, op den 6 Nov. 1871, namens den proareur Mr. Kock, door den deurwaarder Klaasen aan den procureur Ir. Verhoeff beteekend , almede behoorlijk geregistreerd •

Wat betreft de daadzaken :

Overwegende, dat de beide gedaagden, na bij exploit van den 27 ept. 1871 te zijn in gebreke gesteld, bij exploit van den 29 daarin volgende, ten verzoeke van den eischer voor deze Regtbank zijn ïdagvaard ten einde te hooren eisch doen en concluderen: dat hij scher, bij bovenvermelde notariele acte van 22 Maart 1871 aan de et verschenen eerste ged heeft verkocht de huizingc cum'annexis,

kadaster bekend in sectie B n" 552 J

Sluiten