Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Uur eerlijke kamer.

Zitting van den 1 November 1872.

Voorzitter, Mr. F. de Greve.

Pleidooi. — Conclusie van het Openbaar Ministerie. — Open deuren. — Nietigheid.

Is de bepaling van art. 822 B. R., dat in zaken van echtscheiding moet gepleit worden met gesloten deuren, voorgeschreven op straffe van nietigheid? — Neen.

Moet in die zaken de conclusie van het Openbaar Ministerie worden genomen ter openbare teregtzitting'? — Ja.

Mr. T. H. C. E. Baron de Keverberg de Kessel, eischer in cassatie, procureur P. J. van der Bürgh ,

tegen

2iJf>e echtgenoote L. J. M. de Villers de Pité, verweerderesse , procureur Mr. M. Eyssell.

De adv.-gen. Römer heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Heer en, President en Raden! Tegen het arrest, f>r het Prov. Geregtshof van Limburg in hooger beroep op den 18 Maart jl. tusschen deze partijen gewezen, worden twee middelen van Cs atie aangevoerd.

'>ij beiden wordt beweerd verzuim van een vorm , op straffe van igheid voorgeschreven , en uit dien hoofde geconcludeerd tot vernietiging van het arrest en renvooi.

flet eerste middel luidt: schending en verkeerde toepassing van de artt. 822 en 826 B. R. en art. 20 R. O., omdat aanvankelijk de z*f>k ten deele in het openbaar is bepleit en evenzeer in het openbaar door het Openb. Min. is geconcludeerd.

Het middel is gedeeltelijk in facto onjuist en in jure onaannemelijk. D zaak is, in strijd met art. 822 voornoemd, aanvankelijk in het oj.-.vibaar bepleit. Doch toen de dwaling is ontdekt zijn de deuren gesloten; en de raadslieden der partijen hebben toen op nieuw de zaak bepleit. Dit was het eenige middel om de gepleegde fout te herstellen; en het tegenwoordige arrest is mitsdien gewezen op pleidooijen, welke gehouden zijn met gesloten deuren. De conclusie is door het Openb. Min. in het openbaar genomen. Ik geloof geheel en al overeenkomstig de bedoeling van den wetgever ; want er is voor zoodanige concilie niet dezelfde ratio decidendi, welke er voor de pleidooijen bestaat. De geachte raadsman voor de verweerderesse heeft dit punt voldoende in het licht gesteld. Maar al was de bedoeling van den wc'ge ver anders geweest, dan nog kon art. 822 niet geschonden zijn, oiödat het eene exceptie betreft, die strikt moet worden uitgelegd. De cl vergelijke Oudemans , Wetb. van Burg. Regtsv., tweede druk,

Hl , bl. 280.

•'laar wat van dit alles ook zij, zoo kan het middel reeds daarom leiden tot cassatie, omdat er geene nietigheid is bedreigd. En nu n^en ik mij van elk verder betoog te mogen onthouden , omdat de re • svraag bij het arrest van den Raad van 5 Jan. jl. ( Weekbl. n°. 3420, Regtspr.y 1872, d. 100, bl. 21) in terminis is beslist.

Het tweede middel heet: schending en verkeerde toepassing van a*t. 156 der Grondwet, art. 20 R. O. en art. 59 B. R., omdat het Hof zich bepaald heeft tot overneming der gronden van den eersten refter, niettegenstaande de zaak in appel niet voikomen dezelfde was gebleven.

ïn den aangevoerden grond ligt de oplossing van het middel. Het Hm heeft de gronden van den eersten regter overgenomen. Deze m<.eten geacht worden ln het arrest te zijn opgenomen; en men kan ^ niet beweren , dat hel arrest niet is gemotiveerd , en de aangehaalde artikelen, die alleen het motiveren der vonnissen voorschrijven, kannen mitsdien niet zijn geschonden. Zij bepalen toch niet, op welke ,*e de motieven moeten ingerigt zijn en wat zij moeten behelzen.

schrijven evenmin voor, dat de regter in hooger beroep verpligt de regtsgronden van partijen ter toetse te brengen , wanneer deze verschillen van diegenen , welke in eersten aanleg zijn aangevoerd. H';f, dictum moet behoorlijk zijn gemotiveerd ; en dan is de Hooge Raad in staat om te beslissen, of bij de feitelijke beslissing, over wi?;r juistheid de Raad niet kan oordeelen , dat dictum is overeenkomstig de wet.

Nieuwe regtsgronden kunnen in appel door partijen aangevoerd en door den regter aangevuld worden; maar de artikelen, bij het middel aangehaald , vorderen alleen, dat de beslissing behoorlijk is gemotiveerd , en dat is zij in casu door de overname van de regtsgronden van den eersten regter.

Ik heb de eer te concluderen tot verwerping der voorziening, en veroordeeling van den req. in de kosten , in cassatie gevallen.

De Hooge Raad enz.,

Overwegende, dat als eerste middel van cassatie is voorgesteld: verzuim van vormen, op straffe van nietigheid voorgeschreven , en schending van de artt. 822 en 826 B. R., alsmede van art. 20 R. O., ol, lat 1°. de zaak, in strijd met die artikelen, is bepleit in de openbare teregtzitting van het Hoi van den 5 en 6 Febr. 1872 ; en 2Q. daarna in de openbare teregtzitting van den 19 Febr. door den proc.-gen. conclusie is genomen ;

0., wat betreft den eersten voor dit middel aangevoerden grond, dat, hoewel de onderwerpelijke zaak aanvankelijk , in strijd met de artt. 822 en 826 B. R., was begonnen te worden bepleit ter openbare teregtzitting, bij de bemerking dezer vergissing de deuren zijn gesloten en de zaak toen op nieuw is bepleit; dat derhalve het beklaagde arrest is gewezen op pleidooijen, gehouden met gesloten denren , en mitsdien deze bewering feitelijk is ongegrond; doch dat bovendien , al ware dit zoo niet, dan nog bij de in de beide aangehaalde artikelen voorkomende uitzondering op het voorschrift van openbaarheid niet voorkomt gelijke bedreiging van nietigheid als bij art. 20 R. O. is bedreigd tegen het niet-houden van het regtsgeding in het openbaar, terwijl, naar art. 99, n°. 1, R. O., alleen kunnen borden vernietigd regterlijke uitspraken wegens het verzuim van vormen , op straffe van nietigheid voorgeschreven;

0., wat aangaat den tweeden grond, dat art. 822 B. R. alleen beveelt bet bepleiten der daarbij bedoelde zaken met gesloten deuren; Sn dat, daargelaten nog, dat de reden voor zoodanig buitengewoon Voorschrift niet zoude gelden ten aanzien der conclusiën van het C , nU Min., de in dat artikel voorkomende uitzondering op den

r« ; el van openbaarheid , als uit haren aard vorderende eene strikte u v egging , geene uitbreiding veroorlooft;

O., dat als tweede middel van cassatie is aangevoerd: verzuim van vermen , op straffe van nietigheid voorgeschreven , en schending van a*t. 156 der Grondwet, art. 20 R. O. en art. 59 B. R.; omdat het arrest niet inhoudt de gronden, waarop het is gewezen, en zulks, vermits in hooger beroep de zaak niet dezelfde is gebleven ten gevolge van het aanvoeren van nog andere gronden dan in eersten aanleg; zoodat het arrest had behooren te vermelden , welke deze

gronden zijn geweest, of, en zoo ja, hoe zij zijn bewezen, en welken invloed die hebben gehad op de beslissing; en alzoo het Hof niet kan volstaan met de overigens geoorloofde overneming der overwegingen des eersten regters;

0. daaromtrent, dat het Hof met opzigt tot de daadzaken heeft overgenomen de daartoe betrekkelijke overwegingen van den eersten regter, en dat het hetzelfde heeft gedaan ten opzigte der overwegingen omtrent het regt, met bijvoeging der overweging: '/dat de door de Regtbank teregt als bewezen aangenomen daadzaken daarstellen grove beleedigingen, voor de eer en de kieschheid der geapp. in hooge mate grievend en krenkend, en dat die beleedigingen de ingestelde vordering tot scheiding van tafel en bed regtvaardigen";

0., dat het Hof ten opzigte der daadzaken nog bovendien heeft vermeld: «dat in hooger beroep, tot staving der aldaar genomen conclusiën , hoofdzakelijk zijn aangevoerd de reeds in eersten aanleg bijgebragte en in het vonnis, waarvan appel, vermelde middelen"; dat daaruit w el volgt, dat in hooger beroep de van wederzijde tot adstructie der conclusiën aangevoerde gronden in de hoofdzaak dezelfde zijn geweest als die in eersten aanleg; geenszins dat nog andere gronden in hooger beroep zijn aangevoerd; doch dat, al ware dit zoo niet, dan nog de wet wel vordert de motivering der uitspraken, doch zonder daaromtrent voor te schrijven de wijze harer inrigting of wat zij moet bevatten , en alzoo evenzeer zonder te vorderen opneming en wederlegging van al de door partijen aangevoerde gronden;

O., dat alzoo beide aangevoerde middelen van cassatie zijn ongegrond ;

Verwerpt het beroep en veroordeelt den eischer in de kosten.

(Gepleit voor den eischer Mr. A. de Pinto , en voor de verweerderesse Mr. W' Wintgens.)

PROVINCIALE HOVEN.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN OVERIJSSEL.

Hamer v»n cnrrectiunnele appellen.

Zitting van den 23 November 1872.

Voorzitter, Mr. i). H. Wicherlink.

Laster. — Doel om te lasteren. — Verzachtende omstandigheden.

Het Openb. Min., geïntimeerde en appellant van een vonnis der Arrond.-Regtbank te Deventer, regt doende in strafzaken, van den 10 Sept. 1872 ,

tegen

Dr. J. van Vloten , volgens zijne opgave oud vier-en-vijftig jaren, zonder beroep, geboren te Kampen, wonende te Bloemendaal, appellant en geïntimeerde van dat vonnis en beklaagd ter zake, dat hij boosaardig heeft ontworpen, geschreven en in n». 7 van het Deventer Weekblad van 14 Febr. 11., uitgegeven door N. Reuvekamp, te Deventer , heeft doen afdrukken en daardoor verspreiden het navolgende stuk , waarbij hij den heer B. C. J. Mosselmans, predikant te Groningen , ten laste legt hem den in dat stuk vermelden brief te hebben geschreven en toegezonden :

«Correspondentie.

• Gaarne geef ik een plaats aan de volgende rondborstige betuiging van den modernen Groninger Eerwaarde Mosselmans, en dat te liever, als rondborstigheid anders juist niet tot het zwak zijner geestverwanten behoort.

</Tot nader opheldering moet ik er bijvoegen, dat ik, reeds voor geruimen tijd een meer dan stuursche houding bij een paar vroegere vrienden bespeurende, eindelijk door een derde vernam, dat gemelde Eerwaarde mij bij hen had zwart gemaakt. Op mijn hem daarover kenbaar geworden misnoegen , ontving ik nu het volgende hem allezins veieerend schrijven.

««Ik kan inderdaad niet ontkennen , dat even als mijn vriend en beschermheer Mr. de Cock, wiens vermakelijk t>eeld de jongste Levensbode ons schetst, u te Gotha beeft zoeken te bekladden , ik evenzoo te Haarlem mijn best daartoe gedaan heb. Gelijk ik thans tot mijn leedwezen zie niet zonder eenig gevolg.

»//Tot mijn leedwezen zeg ik, want ik moet u rondweg bekennen , dat ik mij hoe langer hoe meer over mijne zwakheid begin te schamen en van mijn wekelijksche hansworsterij op den kansel een afkeer krijg.

//Ik leef er gestadig bij in de vrees van ontmoetingen als mijn stiefvader te Haarlem eens een gehad heeft, en waarbij hij , een zijner hoorders vragende, waarom de man zijn jongste kind niet liet aoopen , tot antwoord ontving : wel dominé, omdat ik door uw eigen laatste preek over den doop ai 't overtollige en ongerijmde van die plegtigheid heb leeren inzien.

»«Dergelijke complimenten zag ik mij liever bespaarden begin buitendien al dat kerkelijk boerenbedrog en kunstmatig geloofsvertoon meer dan zat te worden. Liever heden dan morgen gaf ik den boel er aan, en 't hangt alleen van omstandigheden buiten mij af, dat ik daar niet onmiddelijk toe overga.-/

//Hopen wij, dat die omstandigheden zich weldra mogen wijzigen , al deed de man zeker nog beter, ook zonder dat zijn kerkelijk guichelspel maar vaarwel te zeggen, dat hem zelfs tot kwaadstoken en kwaadspreken gebragt heeft. v. VI.»

(Zie Weekbl. n<>. 3465 , 3468, 3520 en 3521.)

Het Hof enz.,

Gehoord het verslag van den raadsheer Mr. van Kerckhoff; Gehoord de voordragt der zaak aan zijde van het Openb. Min., bij monde van den adv.-gen. bij den Hove;

Gehoord de verklaring van don heer Mr. S. M. S. Modderman, advokaat bij het Frov. Geregtshof in Groningen, houdende, dat de heer B. C. J. Mosselmans, predikant te Groningen, zich in het geding als beleedigde partij voegt, en dat hij als advokaat diens eisch zal toelichten, tevens domicilie kiezende ten huize van den predikant van Loenen Martinet, te dezer stede;

Gehoord de onder eede afgelegde verklaring van één getuige, voorgebragt door den proc.-gen.;

Gehoord den bekl., nu app. en geïnt., in de antwoorden op de aan hem gedane vragen ;

Gehoord den adv.-gen. en gelet op deszelfs requisitoir, namens den proc.-gen. genomen , strekkende daartoe, dat het den Hove behagen moge om bij gewijsde, uit te spreken in het hoogste ressort, met vernietiging van de ingestelde voorziening in hooger beroep, het vonnis van den eersten regter, zoo als het is liggende, te bevestigen, immers voor zoover dit de ingestelde straf-actie betreft, evenwel met wijziging in dien zin , dat alleen eene geldboete worde uitgesproken van niet minder dan J' 25 en niet meer dan J 1000; subsidiair, bij wanbetaling, ingevolge de wet, te vervangen door minstens twee dagen en zes

maanden meestens gevangenis-straf, en voorts veroordeeling van den app. en geapp. in de kosten ook dezer instantie;

Gehoord de toelichting van den eisch van de gevoegde partij door voornoemden advokaat Modderman en diens conclusie, strekkende , dat het Hof, met vernietiging van het appel, het vonnis der Arrond.Regtbank te Deventer van den 10 Sept. 1872, ook voor zooveel aangaat de daarbij aan de civiele partij toegekende vordering cum expensis, gelieve te bevestigen, met veroordeeling van den verweerder, nu app., in de kosten van het hooger beroep, voor zooveel door de civiele partij aangewend ;

Gehoord de door en van wege den bekl. ingebragte verdediging;

Gezien de afschriften van twee ter griffie van de Arrond.-Regtbank te Deventer op den 23 Sept. 1872 gepasseerde aeten, waarbij de deurwaarder M. J. Bodifée, namens den bekl., alsmede de officier van justitie bij die Regtbank zich in hooger beroep hebben voorzien tegen het vonnis, door de Arrond.-Regtbank te Deventer op den 10 Sept. 1872 gewezen tusschen het Openb. Min. en Dr. J. van Vloten, als bekl.;

Gezien een afschrift van gemeld vonnis, waarbij de bekl. is schuldig verklaard aan het hem bij acte van dagvaarding te laste gelegde als lastering gequalificeerd feit, en te dier zake veroordeeld tot eene gevangenis-straf van vijftien dagen, in eenzame opsluiting te ondergaan, en tot betaling eener geldboete van ƒ300, en bij lijfsdwang in de kosten van het geding, onverminderd de kosten van het te voren bij verstek gewezen vonnis, met verdere veroordeeling bij nietbetaling der boete, na aanmaning binnen twee maanden, tot vervanging dier straf door eene gevangenis-straf in eenzame opsluiting van zeven dagen, en waarbij op de vordering der beleedigde partij het aan de bekl. te laste gelegde feit is lasterlijk verklaard, en de aanplakking van het vonnis ten laste van bekl. in het openbaar aan het regtsgebouw te Deventer en in de gemeenten Groningen en Winschoten elk met drie exemplaren, en in de gemeente Bloemendaal met een exemplaar, mits de kosten de som van f 150 niet boven gaan , is bevolen, met verdere veroordeeling van den bekl. tot betaling der kosten, op de civiele partij-stelling ook ten opzigte van het te voren bij verstek gewezen vonnis gevallen;

Overwegende, dat de straf-actie tegen den bekl, thans app., door het Openb. Min., naar aanleiding van art. 22 Strafvord., is ingesteld op klagte der beleedigde partij , den predikant B. C. J. Mosselmans , te Groningen;

0., dat bij het vonnis a quo wel en teregt is beslist, dat door de beëedigde verklaring van één getuige en de bekentenis van den bekl., thans app., wettig en overtuigend is bewezen, dat de bekl. heeft ontworpen, en in n". 7 van het Deventer Weekblad aan de maatschappelijke staats- en gemeente-belangen van stad en land gewijd, van den 14 Febr. 1872, dat gedrukt, verspreid en verkocht is geworden , heeft doen plaatsen, met bet doel om het te verspreiden, een artikel, tot titel voerende: «Correspondentie», beginnende met de woordeu: «gaarne geef ik een plaats,» en eindigende met de woorden : «dat hem zelfs tot kwaad spreken geleid heeft,» en geteekend : »v. VI.,»

0., dat mede bij het vonnis a quo wel en teregt is beslist, dat door de beëedigde verklaring van éé.i getuige en de bekentenis van den bekl. wettig en overtuigend is bewezen , dat de in voormeld artikel aangehaalde brief niet door den getuige B. C. J. Mosselmans is geschreven of ontworpen , maar door den bekl. verdicht is;

0., dat de in voormeld correspondentie-artikel voorkomende brief aldus luidt: »Ik kan inderdaad niet ontkennen, dat, even als mijn vriend en beschermheer Mr. de Cock, wiens vermakelijk beeld de jongste Levenbode ons schetst, u te Gotha heeft zoeken te bekladden", ik evenzeer te Haarlem mijn best daartoe gedaan heb, gelijk ik thans tot mijn leedwezen zie, niet zonder eenig gevolg. Tot mijn leedwezen , zeg ik ; want iit moet u ronduit bekennen , dat ik mij hoe langer hoe meer over mijne zwakheid begin te schamen, en van mijn wekelijksche hansworsterij op den kansel een afkeer krijg. Ik lee^f er gestadig bij in de vrees van ontmoetingen als mijn stiefvader, te Haarlem eens een gehad heeft, en waarbij hij een zijner hoorders, vragende waarom de man zijn jongste kind niet liet doopen, tot antwoord ontving: «wel dominé, omdat ik, door uw eigen laatste preek over deu doop, al 't overtollige en ongerijmde van die plechtigheid heb leeren inzien ,» dergelijke complimenten zag ik mij liever bespaard, en begin buitendien al dat kerkelijk boerenbedrog en kunstmatig geloofvertoon meer dan zat te worden. Liever heden dan morgen nog gaf ik den boel er aan, en het hangt alleen van omstandigheden

buiten mij af, dat ik daar niet ouuiuiuciya. ioe overga;/

0. dat alhoewel de bekl. den inhoud van dien brief aan den klager getuige Mosselmans in de pen legt, dit slechts een vorm is, waarin de bekl. zijne te-laste-leggiugen aan den klager inkleedt, zoodat de getuigenis, die de bekl. den klager Mosseimaus ui dien brief van zich zeiven laat afleggen , is aan te merken als eene telaste-legging, door den bekl. aan den klager en getuige Mosselmans gedaan; en derhalve de feiten, in dien brief voorkomende, als zoovele aantijgingen zijn te beschouwen, door den bekl. aan den klager en getuige Mosselmans gedaan ;

0. nu, dat in dien brief aan den zoo evengenoemden getuige en klager Mosselmans wordt te laste gelegd: 1'. zijn best te hebben gedaan om den bekl. te Haarlem te bekladden, en wel (zoo als zulks ten duidelijkste blijkt, in verband met het voorafgaande stukj, bij bepaalde vrienden van den bekl.; 2». niet te gelooven hetgeen hij wekelijks van den kansel verkondigt, door slechts den hansworst te spelen en kerkelijk boerenbedrog te plegen, hoewel dan ook meer en meer zat wordende van dat kunstmatig geloofsvertoon;

0. dat het ten laste leggen van de daadzaken, sub 1". en 2°. vermeld is eene te-laste-legging van bepaalde feiten, die, indien zij werkelijk door den klager en getuige Mosseimaus, die goJsdienstleeraar is , en daardoor geroepen zijne gemeenteleden te onderwijzen en te stichten , waren gepieegd, hem voorzeker aan de verachting der burgeren zouden blootstellen ;

O., dat in de handeling van den bekl. geenszins gelegen is welwillende scherts, bedoeling om tegen de molerne kerkelijke rigtiug polemiek te voeren en begeerte om den getuige Mosselmans vau den verkeerden weg terug te brengen, zoo als de bekl. beweert dat zijne bedoeiin» is geweest; dat integendeel eene boosaardige bedoeling tegen den klager getuige Mosselmans duidelijk blijkt uit den vorm, waarin de bekl. zijne te-laste leggingcn inkleedt, namelijk ineen brief, dien hij den klager en getuige Mosseimaus in de pen geeft, en welke zóó is ingerigt, dat bijna niet betwijfeld konde worden, of Mosselmans zelf zoude dien brief geschreven hebben, zoo als dan ook uit de beiiedigde verklaringen van meerdere getuigen is gebleken, dat onderscheidene personen werkelijk in den waan hebben verkeerd , dat de getuige Mosselmans de schrijver van dien brief was;

dat die boosaardige bedoeling ook nog blijkt uit de toezending door den bekl. van het nummer van het bedoelde weekblad , waarin het stuk met brief was opgenomen, zoowei aan den üiager Mosselmans zeiven als aan diens naaste betrekkingen, de getuigeu Hiulopeu en van der Viugt;

O., dat de feiten , zoo als die hierboven als wettig en overtuigend bewezen zijn aangenomen, daarstellen bet wanbedrijf van laster, door in een gedrukt geschrift, dat verkocht en verspreid is geworden, aan iemand "daden te laste te leggen , die, indien zij plaats hadden, dengene , tege.s wien zij geduid zijn, aan de verachting der burgeren zouden blootstellen; waartegen is voorzien bij artt. 367, 371 en 374 Straf regt, in verband met art. 8 der wet van 29 Junij 1854 (Stbl.

Sluiten