Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

No. 3524.

demischen graad zal vaststellen , nog andere, met goed gevolg afgelegde staats-examen of stage, noodig zullen zijn voor het lidmaatschap der regterlijke magt.

Alin. 1. Met het antwoord, reeds in de afdeelingen der Kamer gegeven , aan de leden , die de uitzondering voor de kantonregtersplaatsvervangers afkeurden, kan de ondergeteekende zich vereenigen. Zij wordt geboden door de wet der noodzakelijkheid.

Ten aanzien van de redenen, die er toe leidden ook voor de griffiers bij de kantongeregten den akademischen graad als vereischte te stellen , kan worden verwezen naar hetgeen dienaangaande reeds is opgemerkt in de memorie van toelichting.

Alm. 3. Deze alinea is thans geheel in overeenstemming gebragt met de 3de alinea van het volgend artikel. Voor de onderscheiding van het oorspronkelijk ontwerp bestaat geen voldoende grond. Thans wordt het verkregen hebben van den doctoralen graad sedert ten minste drie jaren gevorderd voor alle regterlijke betrekkingen, waartoe de leeftijd van 25 jaren een vereischte is, en omgekeerd.

Art. 13. Voor het lidmaatschap van den Hoogen Raad blijft de leeftijd van minstens vijf en dertig jaren een vereischte. Om zitting te nemen in het hoogste regterlijk collegie wordt niet alleen eene grondige regtskennis , maar ook eene rijke ervaring in de behandeling van zaken gevorderd.

Art. 14, alin. 2. Advokaat of procureur. Zie algemeene beschouwingen, § 15.

Zaakwaarnemer. Het beroep van zaakwaarnemer is niet meer afzonderlijk genoemd. Het is begrepen onder de algemeene uitdrukking eenig beroep in het volgend artikel (15 nieuw).

Alin. 3. Aan den wensch om eene omschrijving te geven van «het drijven van handel", is geen gevolg gegeven. Wat daaronder te verstaan is, moet blijken uit het Wetboek van Koophandel. Daarvan past geene definitie in de regterlijke organisatie. De zaak ter beslissing over te laten aan het handelsregt heeft te minder bezwaar, nu de regter, ingevolge art. 19 , 5"., in verband met art. 24 nieuw, in elk bijzonder geval zal hebben uit te maken , of er overtreding van het verbod om handel te drijven aanwezig is.

Wat het verbod zelf aangaat, de gronden daarvoor werden bekend geacht. Het behoeft toch geen breed betoog, dat de regter, die werkelijk handel drijft — veel van hetgeen in het verslag bij dit artikel wordt opgenoemd schijnt daaionder niet begrepen — zijne onafhankelijkheid in gevaar brengt, en door het beroep, dat hij nevens zijn ambt uitoefent, te veel wordt afgetrokken van de studie, tot eene goede waarneming van dit laatste vereischt.

Alin. 4. Dat het lidmaatschap van waterschaps- en polderbesturen, wanneer het bezoldigd is, onder het bereik van deze alinea valt, wordt door den ondergeteekende niet betwijfeld. Hij erkent, dat deze onvereenigbaarheid soms eenig bezwaar kan opleveren; maar hij acht dit toch niet overwegend genoeg om op grond daarvan eene uitzondering aan te nemen op den regel, waarvan de noodzakelijkheid niet wordt betwist.

De door de wet voorgeschreven onvereenigbaarheid van het regterlijk ambt met het lidmaatschap der Staten-Generaal schijnt niet goed te keuren. Teregt is opgemerkt, dat daardoor de vrije keuze van de volksvertegenwoordigers te zeer zoude worden belemmerd.

Intusschen valt het niet te ontkennen, dat de dienst der justitie dikwijls maar al veel lijdt onder de voortdurende afwezigheid van de leden van of ambtenaren bij regterlijke collegiën, die tevens leden der Tweede Kamer zijn. In dit bezwaar te voorzien is het doel van art. 56 nieuw.

Art- 15 oud. De bedenkingen, tegen dit artikel aangevoerd, zijn allezins juist. Het is thans vervallen om plaats te maken voor de geheel nieuwe bepaling van art. 19, 4o., nieuw. Een lid der regterlijke magt, tot eene andere openbare betrekking benoemd wordende, kan, ingeval van twijfel, alvorens haar te aanvaarden, de beslissing des Konings inroepen, overeenkomstig de slotbepaling van art. 14.°Doet

iiij uit mee, en is niettemin aie ueuiening, onvereenigbaar met zijn regterlijk ambt, dan kan hij uit dit laatste door den Hoogen Raad ontzet worden, ingeval hij niet uit eigen beweging zijn ontslag verzoekt.

Art. 15 nieuw. De onvereenigbaarheid van het lidmaatschap der regterlijke magt met andere ambtelijke betrekkingen en met het lidmaatschap der balie wordt thans in art. 14 nieuw alleen genoemd. Onvereenigbaarheid van meerdere ambten of betrekkingen is niet geheel op eene lijn te stellen met de verboden handelingen, nu naar art. 15 overgebragt. Met dit artikel vergelijke men art. 24 , alin. 2, der wet op het lager onderwijs; de straf, op de overtreding gesteld, vindt hare plaats in de artt. 19, 5». en 24 nieuw.

Art. 16 oud. De in e'e'ne afdeeling gedane vraag is juist. Het artikel is thans ver vallen , om, met andere dergelijke bepalingen, te worden ingelascht in de artt. 19, 4o. en 24 nieuw.

Art. it? nieuw (w oud;, ue gemaakte bedenkingen zijn gegrond. Daaraan is door de nieuwe redactie te gemoet gekomen.

Alin. 3. Deze bepaling ook op de griffiers van toepassing te maken zoude in de praktijk tot moeijelijkheden leiden. Ook bestaan daarvoor niet even dringende redenen als ten aanzien der leden van en ambtenaren van het openbaar ministerie bij het collegie.

Art. 18 oud (17 nieuw). Hoe men over den ambrseed denke, zoolang deze voor alle andere openbare betrekkingen , ook voor het lidmaatschap der vertegenwoordig» ade ligchamen, behouden wordt, zal men niet verlangen, dat hij alleen voor de regterlijke ambtenaren worde afgeschaft. Dit punt is alleen voor eene gelijkvormige regeling vatbaar. De wet op de regterlijke inrigting kan het beginsel niet uitmaken , maar moet zich in dit opzigt bij de bestaande wetgeving aansluiten.

Het artikel is thans zoo omgezet, dat de zoogenaamde zuiveringseed, beter clan vroeger, van den eigenlijken ambtseed wordt onderscheiden. In het formulier van loatstgemelden zijn enkele veranderingen gebragt ter tegemoetkoming aan gemaakte bedenkingen. De Grondwet is niet meer afzonderlijk genoemd. Zij is begrepen onder de wetten oan den Staat j en aan het verkeerde denkbeeld moet geen voedsel gegeven worden, dat zij, in strijd met hare eigen uitspraak in art. 'IS, den regter meer dan andere wetten zoude binden.

Art. 19 oud (18 nieuw). Na overweging der gemaakte bedenkingen vond de ondergeteekende geene aanleiding eenige verandering te brengen in het artikel dan alleen deze, dat nu, met wijziging van de 2de en 3de alinea , hetgeen de 4de alinea reeds bepaalde ten° aanzien van de substituut-griffiers en de regter-plaatsvervangers ook van toepassing is gemaakt op de griffiers.

Alin. 7. De bedoeling is juist gevat. De acten van eedsaflegging zijn in het hier bedoelde geval vrij van zegel en registratie-regt.

Alin. 8 vervalt door de benoeming der kantonregters voor het leven.

§ 5. Van de regterlijke tucht.

Art. 20 oud. Naar aanleiding der gemaakte bedenkingen is dit artikel vervallen. Ook de ondergeteekende acht het beter in elk geval van veroordeeling van een voor liet leven aangesteld regterlijk ambtenaar tot gevangenis-straf of zwaardere straf, den Hoogen Raad

de beslissing over te laten, of deze veroordeeling de ontzetting uit het regterlijk ambt ten gevolge moet hebben.

Zoodanige ontzetting heeft geene absolute onbekwaamheid ten gevolge om later op nieuw tot een regterlijk ambt te w'orden benoemd.

Art. 21 oud (19 nieuw). De presidenten en vice-presidenten zijn steeds onder de leden der collegiën begrepen, waar zij niet bij name van hen worden onderscheiden. In dien algemeenen zin wordt het woord lid niet alleen hier, maar in vele andere artikelen gebezigd. Men zie de artt. 22, 35, 66 en 8 7.

Alin. 2. 10. De ondergeteekende vereenigt zich met de leden , die, wegens het facultatief karakter der bepaling , geen bezwaar zagen in

uui-k loepassenjMiKiu op eiKe verooraeenng tot gevangenis-straf.

Alin. 4. 3°. Grove achteloosheid. De bedenking is juist. In de plaats van grove is nu gesteld voortdurende achteloosheid.

Alin. 5, 6, 4°. en 5". Deze nommers zijn nieuw. Vergelijk dienaangaande hierboven de aanteekeningen op de artt. 15 oud, 15 nieuw en 16 oud.

Alin. 8—11 (6—8 oud). Er moet een authentiek bewijs zijn van de afgifte van den brief. Dit kan niet worden verkregen doordeaanteekening. Het deurwaarders-exploit moet dus worden behouden. Dat meer regelen omtrent de hier te volsren zeer eenvoudifre nronedure

noodig zouden zijn, wordt niet ingezien. Alle'e'n stelt de nieuwe slotalinea nu buiten twijfel, dat de uitspraak altijd in het openbaar geschiedt.

Art. 22 oud (20 nieuw). Met belangstelling is kennis genomen van de gedachtenwisseling, die bij dit artikel heeft plaats gehad en waarbij het beginsel dezer bepalingen , naar de zienswijze van den ondergeteekende, op goede gronden is verdedigd. Daarin is dan ook slechts ée'ne verandering gebragt. Van facultatief is de uitdrukking der eerste alinea imperatief geworden. Dit is niet alleen noodig voor het geval van curatele , gelijk reeds in ééne afdeeling werd opgemerkt, maar ook in de beide gevallen , voorzien sub 1°. van het artikel.

Art. 24 oud (22, 23 nieuw). Teregt is opgemerkt, dat de magt moet worden aangewezen, die de schorsing uitspreekt en opheft. Dit wordt thans aan den Hoogen Raad opgedragen.

Beteekening of ten-uitvoer-legging der hier bedoelde bevelen en magtiging als voorwaarde der schorsing te vorderen scheen minder wenschelijk. Van het oogenblik af, dat zij zijn uiteevaardipd. rnstPHn

vermoeden op den regterlijken ambtenaar, dat hem tijdelijk de uitoefening van zijne bediening moet doen ontzeggen.

Bij de uitbreiding, aan art. 22 nieuw gegeven, is het wenschelijk het laatste lid van art. 24 oud, dat een algemeenen regel bevat, op elke schorsing toepasselijk, als afzonderlijk artikel (23"nieuw) op te nemen.

Art. 25 oud (24 nieuw). Het vervangen der thans algemeen gebrui-

UC1 lenen van ue regternjKe magt door zuiver Nederlandsche benamingen schijnt meer ongerief dan werkelijk nut te beloven. De meeste dier oorspronkelijk vreemde benamingen hebben hier burgerregt verkregen.

De vice-pre?identen zijn onder de leden begrepen, waar zij niet, gelijk in art. 29 nieuw, in onderscheiding van dezen genoemd worden. Zie hierboven ad art. 21 oud (19 nieuw).

( Vervolg hierna.)

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 8 Now.mber 1872.

Voorzitter, Mr. F. de Greve.

Kind. — Vadeb. — Moeder. — Grootvader. — Vebstek. — Derde.

I£an de regter, bij de scheiding van tafel en bed, ambtshalve de vordering der eischende moeder, dat een uit het huwelijk geboren kind bij haar zal verblijven, afwijzen, en de plaatsing'bij een derde bevelen, aok dan , als de verweerder verstek heeft laten gaan, en alzoo die vordering niet heeft tegengesproken f Ja.

Joukvrouwe L. A. Vegelin van Claerbergen, echtgenoote van Mr. S.

G. Wiersma, eischeresse in cassatie, procureur Mr. J. van der

Jagt ,

tegen

Mr. S. G. Wiersma voornoemd, verweerder, niet comparerende.

De proc.-gen. heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare. Heeren ! Uit de overweging in Jacto van het bestreden arrest blijkt, dat in deze was ingesteld eene actie tot echtscheiding; dat deze vordering echter is ontzegd, doch de subsidiaire vordering der nu eischeresse tot scheiding van lafel en bed is toegewezen , met bevel, dat het kind van partijen bij den nu ged. zou verblijven, legen dat in eersten aanleg gewezen vonnis is echter de nu eischeresse in hooger beroep gekomen , doch alleen partieel, voor zooveel het laatstvermélde bevel betreft. Bij het thans bestreden arrest is dan ook dit gedeelte van het vonnis te niet gedaan, met

™'c', «« "K' ü-iuu van partijen zal worden toevertrouwd aan diens grootvader, Mr. C.. Wiersma, te Leeuwarden, met last nnn „„

ged. dit kind aan dien heer af te geven, met componsatie der kosten van het hooger beroep.

.legen aat arrest nu neeft de eischeresse vermeend twee middelen van cassatie te moeten aanvoeren. Het eerste heet: verzuim van vormen , op straffe van nietigheid voorgeschreven , en schending van art. 156 der Grondwet, 20 R. O. en 59 B. R., en van de artt. 284, 1902 en 1903 B.W., omdat het arrest niet inhoudt de gronden, waarop het is gewezen, en dan ook niet zegt, welke die omstandigheden zijn, die uit het geding tot scheiding zijn bekend geworden; hoe en door welke wettige bewijsmiddelen die zijn bewezen , noch ook waarom die het in het belang van het kind zou ien moeten doen achten om het, met ter-zijde-stelling van den regel der wet, te ontnemen aan zijne moeder en het toe te vertrouwen aan een derde, van wien het zelfs niet blijkt, dat hij er zich mede wil belasten.

Motieven geloof ik wel, dat in het bestreden arrest wnrdpn rmvnn-

deu. Die gronden der uitspraak vinden wij in de tweede, derde en vierde overwegingen. Daarbij overweegt het arrest, dat de wet den regter de bevoegdheid toekent, bij het uitspreken der scheiding, de

ucr Aiuueren te gelasten oi aan den anderen echtgenoot, of aan derden, waarbij die regter alleen behoeft te rade te gaan met het belang des kinds, zoo als hem dat het meest raadzaam voorkomt , na de omstandigheden , hem bekend geworden uit het proces in cas van scheiding, uit welke hem bekend gewordene omstandigheden de regter het belang des kinds in casu heeft afgeleid.

Ik acht die motivering en uitspraak geheel voldoende volgens onze wet. Volgens^ haar is de beslissing van dit punt geheel overgelaten aan het arbitrium judicis. Art. 284 B. W. geeft den regter de bevoegd¬

heid dienaangaande te beslissen, ook dan, wanneer daartoe geen verzoek gedaan, geen requisitoir genomen is. Bij het uitspreken der echtscheiding, bij dat dictum, zal de Regtbank kunnen bevelen , alleen als het belang der kinderen zulks aan haar toeschijnt te vorderen , dat zij aan een derden persoon of aan den anderen echtgenoot zullen worden toevertrouwd. Dat belang is het éénig rigtsnoer voor den regter , alleen door hem te beoordeelen. Het raadzame, waardoor de regter tot deze zijne beslissing is geraakt, was , volgens het arrest, gelegen in hetgeen hem uit het gevoerde proces was gebleken. Nadere uiteenzetting , welke die omstandigheden waren en waarom ze hem dwongen gebruik te maken van zijne bevoegdheid , heeft de regter , naar aanleiding van het hem bij de wet toegekende regt van beslissing, niet te geven. Niemand, buiten den judex facti, heeft die te beoordeelen. Eene gelijke bepaling van discretionnaire magt bevatte reeds art. 302 C. N., hetwelk zelfs niet, gelijk thans bij ons wetboek, van een bevel, ambtshalve te geven, meende te moeten gewagen (f). Dalloz (liep., no. 335) scheen, volgens vroeger regt, de bevoegdheid tot het toepassen van het artikel d'office te betwijfelen ■ ;t

echter moet doen opmerken, dat dezelfde schrijver, n'. 324 jo. 323 , bij het stelsel van familieraad , daarbij niet eens de motivering van het oordeel van dezen aannam, zoo als bij art. 447 C. N. was "voorgeschreven , op straffe van nietigheid.

De grond, bij het middel aangevoerd, dat het zelfs niet zou blijken, dat die derde er zich mede zou willen belasten, behoort, dunkt mij, geheel buiten aanmerking te blijven. Het weren wordt hier ten onregte gevoerd, op grond van beweerde regten of bevoegdheden van derden, en art. 284 B. W. bepaalt dan ook niet, dat de regter zich vooraf zou hebben te vergewissen, of die derde al dan niet later zal worden bevonden genegen te zijn zich die regterlijke oparagt te laten welgevallen.

Het tweede middel luidt; schending en verkeerde toepassing van art. 284 B. W. en artt. 48 en 76 B. R., omdat het Hof eigenmagtig feitelijke gronden van verwering aanneemt, door de wederpartij niet aangevoerd, en omdat de vordering der eischeresse, dat haar kind bij haar zou blijven, niet was, niet kon zijn onregtmatig of ongegrond, en de regter, als de ged. niet verschijnt, de feiten zou moeten aannemen, zoo als die door den eischer worden geposeerd , volgens art. 76 B. R., hetwelk alleen ontzegging der vordering toelaat, als die feiten in jure ongegrond, dat is, met de wet in strijd is.

Ik zou achten, dat geheel dit beweren niet kan opgaan , waar , gelijk wij zagen, de wet zelve den regter niet aan de verwering van eene partij heeft gebonden, maar hem zelfs het regt heeft toegekend te beslissen of te bevelen, hetzij ambtshalve, dus ook zonder daartoe strekkend verzoek, en waar de uitspraak heeft beslist, dat, al moet de gevorderde scheiding van tafel en bed (met die der gevraagde echtscheiding) geacht worden niet met de wet in strijd te'zijn> het den regter is voorgekome.i meer met het belang der minderjarigen te strooken, niet zijne moeder, maar juist zijn grootvader, een derde, met zijne opvoeding te belasten, waaromtrent hij, wat ook eene partij bij eisch moge vorderen, door de wet bevoegd was verklaard ambtshalve te beslissen. Ik zou ook niet achten, dat zulks bedoeld is door Mr. DE Pinto, Regtsv., 2, 1569, waarop de geëerde pleiter zich heeft beroepen (2).

Ik moet alzoo de beide middelen van cassatie als onregtmatig of ongegrond in deze beschouwen, en heb de eer te concluderen tot hunne verwerping, met veroordeeling van de eischeresse in de kosten.

De Hooge Raad enz.,

Overwegende, dat als eerste middel van cassatie is voorgesteld: verzuim van vormen, op straffe van nietigheid voorgeschreven en schending van art. 156 der Grondwet, art. 20 r. O. en art. 59 B.'r., benevens de artt. 284, 1902 en 1903 B. W., omdat het arrest niet bevat de gronden, waarop het is gewezen, als niet vermeidende de

omstandigheden , die uit het geding tot scheiding zouden zijn bekend geworden , noch ook hoe en door welke wettige bewijsmiddelen die zijn bewezen, noch ook waarom die het in het belang van het kind zouden moeten doen achten het te ontnemen aan zijne moeder en toe te vertrouwen aan een derde, van wien het zelfs niet blijkt, dat hij er zich mede wil belasten;

O., dat het Hof zijne uitspraak, waarbij het is afgeweken van deu regel van art. 284, in verband met art. 301, B. W., heeft doen voorafgaan door daarop betrekkelijke overwegingen ; dat het daarbij heeft vooropgesteld, dat de regter voor de beslissing, aan wien hij het kind der gescheiden ouders toevertrouwt, alleen behoeft te rade te gaan met het belang van het kind, zoo a.s hem dat het meest raadzaam voorkomt, in aanmerking genomen de hem ten processe bekend geworden omstandigheden; en heeft overwogen, dat in casu die bekend geworden omstandigheden het in bet belang van het kind doen achten , het niet aan één der beide ouders, maar aan een derde, en wel aan den grootvader van vaderszijde toe te vertrouwen;

O., dat, naar de drie eerste bij het middel aangehaalde artikelen, het vonnis moet bevatten de gronden der uitspraak; dat daaraan in deze, met het oog bepaaldelijk op art. 284 B. W., genoegzaam is voldaan , d< or als beweegreden daartoe aan te nemen het ééaiae bii

dat artikel voor het toepassen der uitzondering gevorderde, het belang van het kind, en dat te gronden op de ten processe bekend geworden omstandigheden; dat het toch volgens geen der aangehaalde artikelen was gehouden die omstandigheden meer in het bijzonder op te noemen, noch de bewijsmiddelen daarvoor op te geven, en evenmin uit te maken, dat de derde persoon, aan wien het oordeelde het kind te moeten toevertrouwen, zich daarmede zoude willen belasten ;

O., dat als tweede middel van cassatie is beweerd: schending en verkeerde toepassing van art. 284 B. W. en van de artt. 48 en 76 B. R., en zulks: lo. door eigenmagtig aan te nemen feitelijke, door de wederpartij niet aangevoerde gronden van verwering; en 2o. door, niettegenstaande de niet-verschijning der wederpartij, niet toe te wijzen de vordering der eischeresse, dat haar kind bij haar zoude verblijven;

0., wat betreft de eerste bewering, dat het Hof, door het bevel, dat het kind zoude worden toevertrouwd aan een derde , geenszins eigenmagtig heeft aangenomen niet aangevoerde gronden van verwering, maar ambtshalve heeft gedaan, wat het naar art. 2S4, tweede zinsnede, li. W., heeft geoordeeld te moeten doen; en, wat aangaat de tweede, dat art. 76 B. R., bij niet-verschijning van deu ged., beveelt de toewijzing der conclusiën van den eischer, ten ware zij den regter onregtmatig of' ongegrond voorkomen ;

(I) »I1 faut donc que le tribunal soit libre de les conférer, lors

qu'il le jugera convenable même a une tierce personne», zeiden dan ook reeds de Alotifs 2 , 33 7. Enkel het belang der kinderen moet den rogter tot basis verstrekken. Men zie Merlin , Rep., v. éduc., § 1, n°. 3 , Dalloz , n°. 323 , Rép. Dat belang is in casu wel door den regter geraadpleegd (zie de vierde overweging), waarom de regter het kind niet aan een notaris, maar aan zijn grootvader Mr. C. Wiersma, te Leeuwarden, heeft toevertrouwd (zie ook Mr. Diephuis, 2, n». 138).

(2) Men wilde niet, zegt die schrijver (bl. 171), dat de ged., door weg te blijven, zich van beteren toestand zou maken dan hij geweest zou zijn, indien hij verschenen was; maar ook, al is hij verschenen of niet, blijft die regterlijke bevoegdheid om d'office op dit vraagpunt , het belang van het kind te beslissen ; zij 'kan door niet-verschijning den regter niet ontnomen zijn , omdat zij door de wet is toegekend.

Sluiten